bazbo – de wereld van Bas Langereis

Bas Langereis leest u voor!

15-10-2020

Geweten

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2020 — bazbo @ 01:00

Ik weet niet of ik moet lachen of huilen.

(Of ik er wel een heb, vroeg ik me het laatste jaar af. Ik zal heus geen mensen bewust pijn doen, fysiek of emotioneel. Zo zit ik niet in elkaar. Jatten zit ook niet in mijn aard. Met vriendelijkheid kom ik altijd een heel eind. Maar als iemand iets vertelt over iets ergs wat hem of haar is overkomen, dan doe ik op dat moment of ik zeer begaan ben, maar ik ben het ook snel vergeten. Tuurlijk, er zijn mensen echt belangrijk voor me. De Vrouw, De Zoon, maar dan houdt het wel ongeveer op. Ik betrap me er soms op dat ik zeer onverschillig kan zijn en dan vraag ik me dus af of ik er wel een heb.)

Ik weet niet of ik moet lachen of huilen.
Daar zit ze. Staan kan ze niet meer. Laat staan op die eeuwige naaldhakken van d’r. Het is voornamelijk haar linkerbeen dat haar voortbeweegt. Sinds enige tijd is zit er ook weer wat beweging in haar rechterbeen, maar nog onvoldoende om het linkerbeen te assisteren. Haar rechterhand ligt onbeweeglijk op een plank op haar rolstoel.
Ze komt dichterbij. Ik sta op, maar toren zo een heel stuk boven haar uit. Dat wil ik niet. Ik wil haar recht in de ogen kijken, dus ga ik weer zitten.
‘Wat vind ik het ontzettend fijn om jou te zien,’ zeg ik. Meer komt er niet over mijn lippen.
Ze strekt haar linkerarm uit en legt haar hand open op tafel. Ik kan niet anders en pak haar hand. Ook al mag het nu niet; we moeten afstand houden. Even knijpt ze. Ze kijkt me aan. Ik ben blij dat ik bij haar ben nu.

Sinds een jaar of vijf trekken we intensief met elkaar op. Iets met vrijwilligerswerk. Zij is een aanjager, een spil, iemand die zich enthousiast in allerlei projecten en samenwerkingen stort. Ik ben haar vraagbaak, haar spiegel, haar rust, haar rem, haar (excusez le mot horrible) ‘sparring partner’ en doe allerlei dingen voor haar op de achtergrond. We vullen elkaar aan, zo verschillend als we ieder zijn, zo veel brengt het ons. We kunnen het gewoon goed met elkaar vinden, ook buiten het vrijwilligerswerk om. We werden vrienden en tijdens gezellige avonden en etentjes bleken onze partners ook goed met elkaar op te kunnen schieten.

Haar gezicht lijkt op het hare, maar sommige gelaatstrekken zie ik niet meer. Ze ziet er verzorgd uit, dat vindt ze belangrijk. Haar rode leesbril met het koordje staat karakteristiek op haar hoofd. Zijn haar haren nu witter dan een tijdje geleden? Her en der de rimpels die haar zo eigen zijn. Onlangs werd ze eenenzeventig. Op sommige plekken lijkt de huid in haar gezicht juist gladder. Ze is het, maar ze is het ook een beetje niet.

Achtentwintig augustus. Haar man belt. Haar man belt me nooit. Hij vertelt het verhaal. Ze kan niets meer, lijkt wel een kasplant. Haar hele rechterzijde is verlamd, ze kan geheel niet praten. Vanmorgen bij het ontbijt liet ze haar mes uit haar rechterhand vallen. Daarna viel ze zelf. Ambulance, ziekenhuis. Een bloeding in haar hoofd. ‘Het is goed mis.’
Zij kan niets, niemand kan iets. De machteloosheid is groot. Het verdriet ook. Afwachten. Afwachten.
In de dagen en weken erna komt af en toe bericht hoe het gaat. Ze herkent haar man, haar kinderen, haar kleinkinderen. Verder wil ze niemand zien. Ze gaat van het ziekenhuis naar een ander ziekenhuis en daarna naar een revalidatiecentrum. Praten gaat ze, maar moeizaam. Er komt een rolstoel. En dagen propvol therapie. Dat vraagt alle aandacht, dus verder wil ze geen bezoek ontvangen.
Een paar weken later. Haar man belt opnieuw. ‘Ze wil haar kringetje wat uitbreiden. Jij bent een van de eersten die ze noemt.’

Iemand van de verzorging komt met een kar langs. ‘Wilt u iets drinken?’
‘Ja,’ zegt ze, ‘doe maar. Doe maar van dat…’ En dan valt ze stil. ‘Van dat ene, dat … gut, hoe heet dat nou, dat …’ Ze kijkt mij aan en zegt: ‘Het gaat ‘m niet worden.’
‘Yogi?’ vraagt de dame van de verzorging.
‘Yogi,’ herhaalt ze.
‘Ik zet het hier op tafel. Wacht, dan doe ik er even wat verdikkingsmiddel in.’
Slikproblemen.
‘Alsjeblieft. Even laten staan, hè?’ De dame van de verzorging duwt haar kar weer verder.
‘Dank je wel.’ Ze pakt het glas, wil het naar haar mond brengen en zet het dan weer voor haar neer op tafel.
‘Hoe gaat het met eten?’ vraag ik. ‘Kunnen ze hier een beetje koken?’
‘Ik eet goed, maar ik krijg wel alles gemalen.’
Ze strekt haar arm weer en wil het glas pakken. Ze stoot het om. De dikke drab loopt over tafel. ‘Och jee,’ zegt ze kalm en begint te lachen.
Ik sta op, trek haar rolstoel een stukje naar achteren. ‘Wacht, dan haal ik een doekje.’
Eerst poets ik haar hand op haar plankje, dan haar broekspijp en sportschoen. Ik ben dichtbij haar, zie hoe klein ze eigenlijk is en hoe kwetsbaar.
Ze pakt mijn arm en zegt: ‘Het is als vanouds. Je bent mijn steun en toeverlaat. Mooi, hè?’ Dan lacht ze.
Ik ook.

Ze laat foto’s zien van twee mensen. ‘Met die twee heb ik iets bijzonders.’
Ik vertel dat ik ze help nu zij is uitgevallen.
‘Dat is mooi,’ zegt ze. ‘Dank je dat je dat wilt doen.’
Ze betekent zo veel voor zovelen.

Ik herken de dingen die ze zegt. Het is of ik de oude Haar hoor die hier praat. Met die zo typische woordkeuze, die zo typerende zinsnedes, die positiviteit in alles wat ze over een ander zegt. ‘Ik ben begonnen aan mijn tweede leven,’ zegt ze over zichzelf. ‘Daarom wil ik alles doen om te leren en te ontdekken.’
Niet alles lukt. Soms zegt ze de verkeerde dingen. Ze weet de volgorde van dingen niet meer.
‘Dan wil ik tanden poetsen,’ legt ze uit. ‘Hier staat dan het glas water, daar is de hoe-heet-dat-ding-ook-weer en hier heb ik dan de dat-andere.’ Ze kijkt me hoopvol aan.
‘Tandenborstel?’
‘Precies. En daar dus dat-andere.’
‘De tandpasta?’
‘Ja. En dan wil ik iets met het een met het andere doen, maar dan weet ik het gewoon niet.’

We praten verder en verder. Het is vertrouwd en tegelijkertijd klopt er allemaal geen bal van. Zij moet hier niet zijn. Ze moet midden in het leven staan, zoals altijd, zoals het hoort. Ik zie hoe veel er niet meer is, maar merk ook hoe veel er van haar oude zijn er nog steeds is. Ze is het en ze is het niet.
En ik? Ik mag bij haar zijn, voel me bevoorrecht.

Na een uur is ze vermoeid en komt ze nog moeilijker uit haar woorden.
Ik zeg dat ik moet gaan. ‘Maar als je behoefte hebt, als je even wilt kletsen of een ommetje maken buiten, al is het maar voor tien minuten, laat het me weten.’
‘Dat zal ik doen. Ik kan zelf niet bellen.’
Het afscheid duurt lang, zoals altijd. Ze pakt mijn hand en trekt me naar zich toe. Diezelfde linkerarm slaat ze om mijn hals. Ik houd het kleine mens even vast, kus haar wang, laat haar los, zwaai en loop het gebouw uit.
Het regent licht.

En dan, dan realiseer ik mij plotseling dat ze me zo dierbaar is en dat ik van haar houd. Met of zonder kapotte hersenen. Ik weet niet of ik moet lachen of huilen en dus doe ik allebei tegelijk. En ik weet ook: een geweten, ik heb er een.
Buiten huil ik van blijdschap.


Apeldoorn, oktober 2020

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

01-10-2020

Hoog tijd voor een kroegverhaal (19)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2020 — bazbo @ 01:00

‘Wat ben jij aan het doen?’
Ik keek op. ‘Wat zie je?’
‘Je schrijft iets op.’
‘Precies.’
‘O ja, jij bent een schrijver. Soms vergeet ik dat. Mag ik erbij komen zitten?’
‘Als je maar afstand houdt.’
‘Ik houd me goed aan de coronaregels, Bas. Maak je geen zorgen.’
‘Het gaat me niet om de coronaregels. Ik wil gewoon dat je afstand houdt.’
‘O? Dat begrijp ik niet.’
‘Blijf een beetje uit de buurt, Bert.’
‘Ach zo. Wil jij iets drinken?’
‘Water, graag. Liefst uit de kraan.’
‘Komt in orde.’ Hij liep weg. En ik dacht dat hij erbij wilde komen zitten.

U begrijpt: ik zat in een café. Ik had het café graag Friedepiemol genoemd, maar het café heette De gemiste kans. Je verzint het niet. Ik dus wel. Ik boog me weer over mijn papiertje en zette een streep onder een letter. Toen legde ik mijn pen neer en keek ik eens rond.
Er zaten niet veel mensen hier in dit café. Dat was voor die coronaregels ook al zo, al moet ik zeggen dat ik nooit heel veel in dit café kom. In alle andere cafés trouwens ook niet, maar daar gaat het nu niet om.

‘Kijk eens, je water.’ Bert zette het glas voor mijn neus en ging helemaal aan de andere hoek van de tafel zitten. Netjes.
‘Had je je handen ontsmet?’
‘Ik geloof het wel.’
‘Niet, dus?’
‘Waar maak jij je druk om? Dat hele virus is een hoax.’
‘Wie heeft je dat verteld?’
‘Dat heeft op Facebook gestaan. En op Twitter. Je moet al die reacties onder de NOS-berichten maar eens lezen. Zit je op Facebook?’
Ik keek onder mij. ‘Nee.’
‘Op Twitter toch wel?’
‘Ja, maar ik volg alleen schrijvers. En muzikanten die dood zijn.’
‘Nou, geloof mij: dat hele virus is een hoax.’
‘Dat is al de tweede keer dat je dat zegt, Bert. Dan zal het wel waar zijn?’
‘Het is waar. Willem Engel zegt het ook.’
‘Wie? Willem wie?’
‘Engel.’

‘Wie is hier een engel?’
Daar had je gut hoe heet ze ook weer. ‘Gut, hoe heet je ook weer?’ vroeg ik.
‘Simone,’ zei ze. Ze keek wat teleurgesteld. Misschien wel omdat ik haar naam niet meer wist. Ik wist ook niet meer of ik haar überhaupt ooit wel eens eerder had gezien, maar dat zei ik niet.
‘Dag Simone,’ zei ik. ‘Wil je erbij komen zitten? Daar vlak naast Bert is nog plek.’
‘Dank je.’ Ze pakte de stoel waar Bert zijn been op had liggen. ‘O, pardon.’
‘Ik heb last van mijn enkel,’ zei Bert. Met een van pijn verwrongen gezicht boog hij naar zijn been.
‘O, wat naar,’ zei Simone. ‘Zal ik ergens anders gaan zitten?’
‘Buiten, bijvoorbeeld?’ wilde ik zeggen. Ik deed het niet. Ik zei: ‘Pak een stoel van een andere tafel vandaan.’
‘Wat een goed idee, Bas,’ zei ze. ‘Jullie dichters zijn zo inventief.’ Ze pakte een stoel en ging vlak naast Bert zitten.
‘Daarom is hij ook een dichter,’ zei Bert.
‘Dicht eens iets?’ vroeg Simone.
‘Ik ben geen dichter,’ antwoordde ik.
‘Mooi!’ riep ze uit. ‘Zoiets als die Duitse schilder, hoe heet hij ook weer, die een sigaar had getekend en dat ‘Dit is geen sigaret’ noemde. Of zoiets.’
‘Je weet er veel van, Simone’ zei ik. Met mijn hand in mijn mouw schoof ik het glas een heel stuk van mij af. ‘Ik zou er meer van willen weten. Weet je ook hoe die schilder heet?’
‘Even denken.’ Ze trok rimpels in haar voorhoofd en keek bedenkelijk voor zich uit. ‘Wat was het nou ook weer? O wacht, ik weet het. Ze heette Lelie Marleen!’
‘Ik zal het eens googlen,’ zei ik.
‘Zit je wel op Google?’ vroeg Bert.
‘Ik zit op zangles,’ zei Simone.
‘Wat leuk,’ zei ik.
‘Zal ik iets zingen?’
‘Volgens mij mag dat niet. Iets met druppeltjes en verspreiding en zo.’
‘Dat hele virus is een hoax,’ zei Bert.
‘Ik zou wel wat willen drinken,’ zei Simone.
‘Je gaat naar de bar en bestelt daar iets wat je wilt drinken,’ legde ik uit. ‘De barman schenkt het voor je in. Jij neemt het mee naar deze tafel en hier drink je het dan op. Volgens mij werkt het hier zo.’
‘Nou, ik wacht wel even tot er iemand van de bediening aan de tafel komt.’
‘Uitstekend,’ zei ik. Ik kwam niet vaak in dit café De gemiste kans, maar ik wist wel dat er helemaal nooit iemand van de bediening aan de tafel komt.
‘Maar hoe gaat het met jou, Bas?’ wilde Simone weten.
‘Het gaat,’ zei ik. ‘Het gaat.’
‘Dat is fijn om te horen. Met mij gaat het geweldig. Ik ben heel druk.’
‘O? En dat is geweldig? Volgens mij doe je dan juist iets niet goed.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Als je het heel druk hebt, doe je iets niet goed.’
‘Ach zo. Nu snap ik het.’
‘Fijn zo, Simone.’

‘Dag Bas,’ klonk plots een stem achter me. ‘Mag ik je wat vragen?’
Ik keek op en draaide me zo half en half om. Het was een vent. Spijkerjasje, grijze baard, kort geknipte kop en bril. Heel lang bekeek ik hem niet. ‘Jij weet van voren niet wat je van achteren uitvoert?’ was mijn tegenvraag. ‘Of nee, dat moet andersom.’
‘Hoe bedoel je andersom?’ De man keek me niet-begrijpend aan.
‘Jij weet van achteren niet wat je van voren uitvoert?’
‘Ik begrijp het niet.’
‘Dat geeft niets. Kun je niets aan doen.’ Ik wendde me weer verder tot het gesprek. ‘Iemand die denkt met zijn reet,’ legde ik mijn tafelgenoten uit.
‘Maar mag ik je wat vragen?’
Ik zuchtte en draaide me nogmaals om. ‘Goed. Een volhouder. Ik leg het uit. Je vraagt of je iets mag vragen. Dat heb je dus gedaan. Iets gevraagd. Wat wil je verder?’
‘Nou, ik wou zeggen: goed dat ik je hier tref. Ik kwam hier namelijk toevallig maar even binnen. Want wat waait het hard, he?’
‘Hij is niks gewend,’ zei ik tegen Simone, ‘dus dan is het een mietje. Of hij zoekt toenadering en in dat geval is het een homo. Saillant detail is namelijk: het waait helemaal niet!’ Toen draaide ik me weer naar de meneer die aan onze tafel stond. ‘Maar ter zake, vent. Wat wilt u?’
‘Ik ben van de Lokale Vereeniging Kunst Voor Het Volk. Wij van de LVKVHV organiseren komend seizoen een spetterend festival waarin alle vormen van kunst en cultuur de aandacht krijgen en we zouden het fijn vinden als jij daar een literair optreden komt verzorgen.’
‘Wanneer is dat dan?’
‘In april 2021. De precieze dag heb ik even niet paraat.’
‘April? Dan kan ik niet. April vieren wij het Grote Feest Van Moetjemekutzien.’
‘O. Jammer.’
‘Ja, jammer. Nu graag weer weggaan.’
Geen idee hoe deze meneer heette, maar wat ik wel weet is dat hij keurig luisterde en vertrok.

‘Wat los je dat soort lastige lui toch mooi op, Bas!’
‘Dank je, Simone. Wat zei je precies?’
‘Ik zou al lang uit mijn slof zijn gesloten.’
‘Doe je dat vaak?’
‘Wat? Dat ik uit mijn slof sloot?’
‘Ja. Ik vind het mooi om te horen dat er nog mensen zijn die een slof dragen.’
‘Ik? Een slof dragen? Nee joh, ben je gek of zo? Ik zei dat maar bij wijze van breken.’
‘Nu breekt mijn klomp,’ zei ik.
‘Je klomp? Wat heeft dat ermee van doen? We hadden het toch over mijn slof?’
‘Ja,’ zei ik. ‘Dat wil ik nou wel eens weten. Hoe zit dat met die slof van jou?’
‘Ik begrijp er niet veel meer van.’
‘Ik anders ook niet meer,’ zei Bert.
‘Hou gewoon je bek, Bert.’ Simone wierp hem een giftige blik toe. ‘Ga ’s wat te drinken halen. Witte wijn graag. Een droge Jamboree.’
‘Oké.’ Bert stond op. ‘Jij nog water, Bas?’
‘Nee, dank je. Ik moet weer op huis aan. Er ligt veel werk.’
Bert liep naar de bar.
‘O?’ Simone keek me aan met een verbaasde blik. ‘Werk? Wat voor werk doe jij eigenlijk? Ik neem toch aan dat je van dat dichten niet kunt leven. Maar ik heb nogal veel mensenkennis, gelukkig, dus laat me raden: jij lijkt me iemand die iets doet met mensen. Werk je bij een callcentre?’

Ik stond op en frommelde het papiertje in mijn broekzak. ‘Geen tijd meer om het uit te leggen,’ zei ik. ‘Het is hoog tijd.’
‘Hoog tijd waarvoor?’
Ik knikte ten afscheid en ging naar huis.


Apeldoorn, september 2020

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

17-09-2020

De krant

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2020 — bazbo @ 01:00

De krant zit stevig onder zijn linkerarm geklemd. Nog even, dan kan hij hem lezen. Eerst een geschikte plek vinden. Hij kijkt om zich heen. Hier is het een drukke winkelstraat, dat gaat ‘m niet worden. Even verderop is een zijstraat; die loopt naar een park, weet hij. Hij is er vaker geweest. Zonder acht te slaan op het andere volk slaat hij af. Bijna botst hij tegen een meneer op. ‘Kijk uit,’ bromt die. Hij had evengoed ook zelf uit kunnen kijken, vindt hij. Zonder te reageren loopt hij door, de zijstraat in.

Ook hier lopen mensen, maar minder. Er staan reclameborden midden op straat, daar loopt hij omheen. Hij wijkt uit naar rechts en loopt vlak langs een kleine winkel die bij de deur een standaard met kranten heeft staan. Op ooghoogte ziet hij het lokale dagblad van vandaag en de schreeuwende kop met de foto erbij. ‘Lees verder op stadspagina 4’. Hij blijft niet staan; de krant heeft hij al. Die zit al een tijdje stevig onder zijn linkerarm geklemd. Hij snuift en loopt verder. Ginds is het park. Een straat oversteken, het park in, vervolgens het grote pad een stukje volgen en na dan linksaf een kleiner pad in. Daar staat de bank. Gelukkig, die is leeg. Hij gaat zitten, pakt de krant en begint te bladeren. Zijn gedachten dwalen af.

– dreigend geluid, uit het zicht – er naar de stem – sporen. voorzichtig, du – laat het niet gebeuren, maar ik zal je h – et? wees daar gerust op, – l je niet vermoeien met details, laat dat maar aan m – je best gedaan, nu verder je m – wetensnood, nergens voor nodi – n volle vaart, dus licht – ijn beloop, heb er vrede mee, laat het los –

Is het morgen of middag? Hij pakt zijn krant weer op. Waar was hij gebleven? Zijn ogen glijden over de koppen en de foto’s. Hij slaat een bladzijde om. Reclame. Bankstellen. Geen interesse. Nog een bladzijde verder. En nog een en nog een. Stadskatern. Kijk, nu wordt het interessant. Langzaam komt hij dichterbij pagina 4. Daar. Een grote foto bovenaan de bladzijde. Hij bekijkt hem niet, weet hoe het eruit ziet. Zijn ogen scrollen door de tekst. Twee lichamen aangetroffen in kleine kamers aan de ramen in de beruchte buurt. Hij kijkt er niet van op, maar knijpt zijn ogen tot spleetjes.

– e een kapot gebeukt, de ander – nisch van angst en – enauwens aan toe, toen gaf ze de gee – d, bloed, bloed, bloed, bl – nog meer – ijn vitale organen geraakt, tot pap gehakt, verm – otting tot op het bot, het geluid van staal dat afketst op het bee – zelf. – eenzelfde bedrag voor – langs je neus w – voor altijd verdwijnend in de mist van je vergetelh –

Hij schrikt op. Schichtig kijkt hij om zich heen. Er is niemand. Het park is stil. Alleen een verlaten houtduif op het grasveld. Hij kijkt weer in de krant en leest verder. De twee gevallen vonden plaats op twee verschillende locaties en op twee verschillende tijdstippen. Toch vermoedt de politie een verband. Zeker omdat er op een derde locatie een derde lichaam is gevonden. Een man. Nee, geen mannelijke prostituee, maar mogelijk een bezoeker. Een hoerenloper, hijgt hij. Bijna spuugt hij op de krant. Toch leest hij.

– steen. koud, hard, onlevend, een z – water en de noodzaak van tijd. – vrijheid. jij w – ndenkbaar in de tijd – ? – voor gevallen. aanbidding, verafgo – alen van de deadline. stel, – afspraak – de innerlijke onrust, steeds sterker in kracht, zal uitg – pijn, niet te negeren, het kruipt naar je kop en zal daa – elemaal gek wordt, krankzinnig van p – rede –

Hij schudt zijn hoofd, alsof hij gedachten kwijt wil raken. Nu komt hij weer tot zichzelf. Waar is hij? Als hij rondkijkt, weet hij het weer. O ja, de bank, het park. Hij buigt zich weer wat voorover naar het nieuwsblad.
Het artikel gaat door. Een man, die bekend staat als een centrale figuur in de wereld van de illegaliteit, is onlangs gevonden in de vaart. Dood. De politie sluit een misdrijf niet uit. Misschien is de dood van deze man gelinkt aan die van de twee vrouwen. En er zijn nog meer vragen, leest hij. Mogelijk betreft het een hele reeks misdrijven. Een eerste geval vond misschien al wel plaats tijden geleden, toen er op een koude decembermorgen een meisje dood gevonden werd. Ze lag op de hoek van een straat in de sneeuw, door geweld om het leven gebracht. Naast haar lag haar hond. Ook dood. De krant berichtte daar al eerder over en tot nu toe tastte de politie volledig in het duister. Over de andere zaken trouwens ook.

Wat een prul, deze krant. Hij slaat hem dicht, vouwt hem slordig op en klemt hem weer onder zijn arm. Dan staat hij op en loopt naar de prullenbak die een eindje van de bank verwijderd staat. Hij propt het dagblad in de bak en uit zijn jaszak haalt hij een aansteker. Ronald Haamschaar steekt het papier in brand. Zonder te bewegen kijkt hij naar de vlammen die uit de vuilnisbak slaan en dan langzaam doven. Er blijft weinig over van de krant.


Apeldoorn, augustus 2020

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

03-09-2020

Aubergine uit de oven

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2020 — bazbo @ 01:00

‘Waarom doe je dat?’ vroeg een stem.
Ik keek op. Kende ik deze vent? ‘Ken ik jou?’ vroeg ik.
‘Als het goed is wel.’
‘Help me even.’
‘Jack.’
‘Jack? Jack wie?’
‘Jack de Boer.’
‘Nooit van gehoord. Waar moet ik je van kennen?’
‘Van de kroeg?’
‘Daar kom ik nooit meer. Dus dan zou het heel lang geleden moeten zijn dat ik je daar ooit heb gezien.’
‘Jij bent toch die schrijver?’
‘Er zijn er nogal wat,’ zei ik. ‘Welke bedoel je precies?’
‘Die ene.’
‘Ach zo. Dan ben ik het misschien wel. Maar waar was ik ook weer mee bezig? Wacht.’ Ik draaide me om en ging verder.
‘Waarom doe je dat?’ klonk de stem van Jack weer.
Ik had mijn voordeursleutel pas tot halverwege het portier van de glimmende sportwagen gekrast en liet me niet afleiden. Pas toen er een heel duidelijke witte streep zichtbaar was, draaide ik me weer naar hem om. ‘Wat? Waar heb je het over?’
‘Waarom beschadig je die Mercedes?’
‘Oh sorry,’ zei ik. ‘Ik dacht dat het een BMW was.’

Jack keek om zich heen. ‘Maar goed dat er verder niemand op straat is,’ zei hij.
‘Dat is niet zo vreemd om half vier ’s nachts,’ vond ik. ‘Het is geen uitgaansavond. Zie jij ergens een BMW?’
‘Eh nee,’ zei Jack. ‘Het is stikdonker.’
‘Hoe zag je dan dat ik het was en wat ik aan het doen was? Niet overdrijven, kerel.’
‘Ik bedoel dat ik vanaf hier niet kan zien of er ergens een BMW staat.’
‘Zeg dan wat je bedoelt.’ Ik liep een stukje verder. ‘Hier. Een BMW.’ Ik trapte met mijn hak een achterlicht kapot. ‘Er gaat geeneens een alarm af.’
Wel ging er een deur van een woning open. Er kwam iemand naar buiten. ‘Wat moet dat daar?’ gilde iemand.
Jack dook weg. Bangerik.
‘Kunt u iets zachter praten?’ vroeg ik. ‘Er liggen waarschijnlijk mensen te slapen in de huizen hier. Het is oude bouw, dus aannemelijk dat het zeer gehorig is.’
‘Wat kan mij die oude bouw schelen!’ De iemand die naar buiten was gekomen, bleek een man met kaal hoofd en dikke buik te zijn.
‘O. In dat geval…’ Ik raapte een grote steen van de grond en wierp die door de ruit naast de deur waaruit de man met het kale hoofd en dikke buik was gekomen. Er klonk luid gerinkel.
‘Wat!?’ brieste de man. Ik kon het niet zien met het slechte licht van de straatlantaarn, maar volgens mij werd zijn kale hoofd erg rood. ‘Dat zul je betalen!’
‘O? Nu de ruit kapot is kan de oude bouw u ineens wel schelen? Vreemd.’
De man kwam op mij af.
‘Ik vind uw gedrag intimiderend,’ zei ik.
‘Niks mee te maken!’ brulde de man. Hij maakte aanstalten om mij te slaan.
‘Ik voel me genoodzaakt mij te verdedigen,’ zei ik en hief mijn knie.
De man greep naar zijn kruis, viel op zijn knieën en begon zwaar te ademen.
‘Toch vervelend dat ik mijn mobiele telefoon niet bij me heb,’ constateerde ik. ‘Nu ben ik niet in de gelegenheid om een hulpdienst te bellen. Ik wens u veel sterkte.’ Ik liep de straat uit.

Toen ik de hoek om was, hoorde ik voetstappen achter mij naderbij komen.
‘Wat een nacht!’ hijgde Jack. Hij kwam naast mij lopen.
‘Enerverend, niet?’ zei ik zonder hem aan te kijken. ‘Inderdaad, niet enerverend. Ik heb spannender nachten meegemaakt.’
‘Daarover lees ik nou nooit eens in jouw verhalen.’
‘Tussen de regels door lezen, Jack.’
‘Die man, weet je wel wie dat is?’
‘Welke man?’
‘Die man die je net tegen de grond geslagen hebt.’
‘Jij bent een zeer onbetrouwbare getuige, wist je dat, Jack?’
‘O? Hoezo?’
‘Ik heb die man niet tegen de grond geslagen.’
‘Wat maakt dat nou uit?’
Al lopende prikte ik met mijn wijsvinger in zijn oog.
‘Au!’ schreeuwde hij uit. Hij bleef staan en bracht beide handen naar zijn gezicht.
‘Mij kun je niets maken,’ zei ik terwijl ik me naar hem omdraaide. ‘Ik heb je immers niet tegen de grond geslagen. Dus wat maakt het uit?’ Ik liep door.

‘Dat was de eigenaar van café De treiteraar,’ zei Jack. Hij was weer naast me komen lopen en bedekte met een hand zijn linkeroog.
‘Daar kom ik nooit meer.’
‘Hij is een man met connecties.’
‘Dat is niet zo bijzonder. Ik vermoed dat jij ook wel iemand kent. Ik in ieder geval wel. Al zitten daar ook mensen tussen die ik liever niet meer zou kennen. Weet je wel zeker dat het je linkeroog is dat pijn doet?’
Jack bukte zich, alsof hij mij wilde ontwijken. ‘Als hij je weet te vinden, dan laat hij je in elkaar rossen of erger.’
‘Als hij mij weet te vinden. Als hij weet met wie hij te maken heeft gehad.’ Ik had jeuk onder mijn mondkapje, aan mijn neus welteverstaan. Toch krabde ik niet. ‘Ik vertrouw jou, Jack.’
‘Dank je.’
‘Wist jij dat iemand heel moeilijk te verstaan is als hij een boel tanden en kiezen mist?’
‘Mij kun je vertrouwen.’
‘De tijd zal het leren.’

In de verte klonk een sirene. ‘Snel!’ riep Jack. Hij dook een stadstuin in en kroop achter een struik.
‘Klopt,’ zei ik. ‘Goede weergave van het begrip.’
‘Welk begrip?’ klonk het van achter de struik.
‘Snel. Je was verdwenen voor ik het wist. Vanwaar je haast?’
‘Straks vinden ze ons!’
Ik boog over het muurtje dat de scheiding vormde tussen de tuin en het voetpad. Met twee handen pakte ik de struik beet en die rukte ik opzij. ‘Kiekeboe,’ zei ik. ‘Buut Jack. Je hebt dit potje verloren, jongen. Blijven oefenen.’

Nog geen halve minuut later haalde hij me weer in. Van de sirene was inmiddels niets meer te horen. ‘Ik hoop niet dat je het vervelend vindt, maar …’
‘… maar houd dan je mond dicht,’ onderbrak ik hem.
‘Och, sorry. Ik zou niet willen dat je boos bent.’
‘Zie ik er boos uit?’ vroeg ik.
‘Dat kan ik niet zien.’
‘Geloof me dan maar op mijn woord: ik ben niet boos.’
‘Nou, ik twijfelde even.’
‘Twijfel is op zich niet slecht, Jack.’
‘Maar?’
‘Geen maar. Waarom moet er een maar aan twijfel zitten? Dat zou een tegenstelling vermoeden. Wat is de tegenstelling hier in dezen?’
‘Eh, nou … ik zag je een auto beschadigen, een meneer tegen de grond werken en een struik met geweld half uit de bodem trekken. Daarom bekroop mij het gevoel dat je mogelijk boos bent.’
Ik stond stil, keek hem aan en brulde: ‘IK BEN NIET BOOS!’
‘O. Excuus. Fijn dat ik het nu weet.’
‘Niet meer.’
‘Weet ik het niet meer?’ Jack schudde verward zijn hoofd.
‘Niet meer boos.’
‘O. Was je het wel, dan?’
‘Ja, ik was boos toen ik lang geleden toch eens een keer in een café was. Ik bestelde water.’
‘Gezond.’
‘Uit de kraan. Daar kreeg ik ruzie over met de café-eigenaar. Hij wilde dat ik ervoor betaalde. Drie euro’s maar liefst. Dat weigerde ik. Hij zei dat hij eenheidsprijzen aanhield. Ik wenste hem een enge ziekte toe, gratis. Uiteindelijk heeft die zeikerd me uit zijn afzichtelijke tent gezet.’
‘Ik weet niet wat ik moet zeggen.’
‘Zeg dan niets.’
‘Ik zeg niets.’
‘Hoor je wat je zegt? Ik was een tijdje heel boos op die kroegbaas. Vanavond was ik een stukje aan het wandelen en toevallig kwam ik in dit buurtje terecht. Dit buurtje waar hij woont.’
‘Mag ik weer wat zeggen?’
‘Liever niet.’
‘Oké.’

‘Jack,’ zei ik, terwijl ik plots de straat overstak en linksaf sloeg, ‘ik moet naar huis. Ik heb weer een hoop te schrijven.’
‘Wat gaat het dit keer worden?’
‘Een verhaal.’
‘Gaaf. Heb je al een titel?’
‘Nee, dat nog niet. Maar ik verzin wel iets.’


Apeldoorn, juni en augustus 2020

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

20-08-2020

Lotgenoten (0027)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2020 — bazbo @ 01:00

Lotgenoten,

Woensdagavond 5 augustus 2020. Het is warm. Daar word ik moe van. Ik ga om tien uur slapen. Niet omdat ik moe ben van de warmte, maar omdat ik altijd om tien uur ’s avonds moe ben en door de week altijd om tien uur naar bed ga. Ik sta dan ook doorgaans ’s morgens tussen vijf en zes uur op, zeker op werkdagen.
De Vrouw is werken tot half elf en komt pas tussen kwart voor elf en elf uur thuis. Ik laat alle balkondeuren, ramen en binnendeuren openstaan, dan kan het nog een beetje doorwaaien en afkoelen. Alle kleren uit, tanden poetsen en een paar laatste slokken koud water. Niet te veel, anders moet ik vannacht uit bed om te gaan plassen. In de slaapkamer is het niet heel koel maar wel uit te houden. Ik ga op bed liggen onder het dekbedovertrek-zonder-dekbed-erin. Een paar ademhalingsoefeningen, dan draai ik me op mijn rechterzij. Mijn gedachten komen tot rust. Ik draai me naar mijn linkerzijde en woensdag 5 augustus 2020 is voorbij.

Donderdagmorgen 6 augustus 2020. De wekker gaat om vijf uur. Ik sta op, maar trek nog geen kleren aan. Ik maak koffie en ontbijt en ga in de eetkamer zitten. Ook doe ik de werklaptob vast aan en ik maak een rondje langs twee fora en twee sociale media.
Pardon? Wat komt daar nu voorbij op Twitter? Mijn aandacht is getrokken door de foto bij de link naar het artikel. Ik herken het appartementencomplex onmiddellijk. Het is de flat en de straat waarin ik woon. Op de foto is het donker. Voor het flatgebouw staan ambulances en brandweerwagens met brandende zwaailichten. Lieve help, wat is er aan de hand? Ik lees het artikel. Veel wijzer word ik niet. Maar wacht: op de derde verdieping? Dat is hierboven. En hoe laat is dit artikel geplaatst? 22.59 uur. Toen lag ik nog geen drie kwartier in bed. Eh …

Twee uur later spreek ik De Vrouw. ‘Wat is er gisterenavond gebeurd?’ vraag ik. ‘Ik zie net een bericht van de lokale krant op Twitter en schrik me rot.’
‘Ik kwam om kwart voor elf aangefietst. Er stond veel volk buiten. En er was brandweer, ambulances en twee of drie politiewagens. Alles met zwaailichten. Het was op de derde verdieping, bij die mensen die met zo velen in het appartement wonen.’
‘Dat is bij onze bovenburen en dan drie huizen terug naar de lift.’
‘Wat er precies is gebeurd weet ik niet. Wat ik begrijp is dat er een brandalarm was afgegaan en dat toen iemand de brandweer heeft gebeld. De mensen in het huis deden niet open, dus de brandweer heeft de deur moeten forceren om binnen te komen.’
‘Geen gewonden?’
‘Dat weet ik niet. Ik heb nog met onze buren gepraat en die vertelden dat er ook nog een boel gegil op de galerij was. Maar heb jij er helemaal niets van meegekregen?’

Niets. Helemaal niets. Alle deuren en ramen wijd open. De straat is een winkelstraat, er staan hoge gebouwen en er is weinig groen. Als er een motor, bus of loeiende politiewagen doorheen rijdt, galmt dat enorm. Ik lig op mijn linkerzijde te slapen. Ik ben nogal slechthorend en mijn linkeroor is mijn ‘goede’ oor. Als we in bed liggen en De Vrouw zegt iets en ik lig op mijn linkerzijde, hoor ik niet wat ze zegt.

Ik kijk op mijn telefoon en open het bericht nogmaals. Mijn ogen glijden over de foto. Ik zie het raam van het appartement waar de brandmelding was en daar, iets verderop, nog geen dertig meter, daar is ons raam en ons balkon.
Die nacht slaap ik nauwelijks.

Vrijdagmorgen 7 augustus 2020. De krant is er. We delen een abonnement met de buren en halverwege de ochtend krijg ik de editie van vandaag uitgereikt. En zie. Voorpaginanieuws. Over een drooggekookte pan.

Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, augustus 2020

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

06-08-2020

Negentien (S040)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2020 — bazbo @ 01:00

De jonge vrouw die hem tegemoet kwam, had haar kin geheven. Ze bekeek hem vanuit haar ooghoeken wat geringschattend, zo leek het. Nu zag hij er niet zo florissant uit. Hij had er al een half uur op zitten. Zijn lange grijze haren slingerden door de war, er zaten natte vlekken van het zweet in zijn shirt en zijn schoenen waren vuil van de plassen die hij niet had kunnen ontwijken. Het kon hem niet zo veel schelen hoe men dacht over hoe hij eruit zag. Hij negeerde de voorbijganger en liep door.
Toen hoorde hij zijn voornaam roepen. Al rennende keek hij om. De jonge vrouw kwam teruggefietst en ze had hem nu bijna ingehaald.
‘Pardon?’ zei hij, terwijl hij halt hield.
Ze stopte haar fiets naast hem en zette een voet aan de grond.
‘Ben jij het nou wel of niet?’ vroeg ze.
‘Ik ben het wel,’ lachte hij. ‘Maar wie bedoel je?’
Ze zei zijn voornaam nog een keer.
‘Dat ben ik,’ gaf hij toe. ‘Maar wie ben jij?’
‘Duh,’ zei ze, op een verveeld toontje. Toen trok ze een brede grijns.
‘Isolde!’

‘Je weet het weer.’ Haar ogen glinsterden. ‘Hoe lang is het geleden,’ vroeg ze, ‘dat we elkaar ontmoetten in het park?’
‘Een jaar of vier geleden,’ denk ik. ‘Hoe oud was je toen? Veertien? Vijftien?’
‘Haha ja, dat zou kunnen. Ik ben nu negentien.’
De schrijver glimlachte.
‘Wat lach je?’ vroeg ze.
‘De tijd gaat hard.’
‘Nee, hoor. Jij bent geen bal veranderd.’
‘Maar jij wel,’ zei hij. ‘Ik herkende je niet.’
‘Kom, laten we even bijkletsen. Ginds begint het park. Daar is vast wel weer een bankje vrij.’
Hij bekeek haar.

Ze droeg stevige laarzen zonder hak, een korte rok met daaronder een strakke legging met zwarte en witte strepen. Een spijkerjasje, een zwart topje. Haar halflange donkere haren hingen over haar schouders. Haar gezicht had volwassener trekken gekregen, maar toch lachte ze hem ondeugend toe. Nog altijd die sproetjes rond haar neus, al zag je die nauwelijks vanwege de bril met het zwarte montuur. BIjna geen make-up op haar gezicht en grote ringen in haar oren.

‘Wat?’ vroeg ze. ‘Wat kijk je? Of moet je nog verder met rennen?’
‘Nee, nee. Daarmee was ik toch al bijna klaar. Kom, we gaan naar het park.’ Hij keek spiedend om zich heen, alsof hij bang was betrapt te worden. Bijna had hij haar bij de hand gepakt.

Dik vier jaar geleden was hij haar tegengekomen. Ook ergens hier in het park. Daarna hadden ze elkaar vaker getroffen. Op een bank praatten ze over hun levens. Isolde over haar school, haar ouders, haar vriendinnen die haar voornaam afkortten tot Iso of Ies. Hij noemde haar Duh. Zelf vertelde hij niet zo veel, maar ze vroeg hem van alles en toen kon hij niet anders. Veel had hij ook niet te vertellen over zijn sobere leven.

‘Hoe gaat het met je?’ vroeg ze, toen ze naast hem zat op hun oude vertrouwde bank.
‘Goed,’ zei hij. ‘Beter.’
‘Je ziet er goed uit.’
‘Ik? Nu? Met mijn bezwete stinklijf?’
‘Je weet best wat ik bedoel,’ lachte ze. ‘Deed je toen ook al aan hardlopen?’
‘Ja, maar ik was er nog niet zo lang mee bezig. Ik was er nog niet bedreven in en ik koos routes waar niemand mij zag. Maar het doet me goed.’
‘Hoe vaak loop je? En loop je ver?’
‘Om de dag een half uur tot een uur. Het is fijn om mijn hoofd leeg te maken.’
‘Vandaar dat je me niet zag en herkende. Ik zou ook meer aan sport moeten doen om mijn lichaam in conditie te houden.’
‘Jouw lichaam is in een uitstekende conditie, Duh.’
‘Dank je.’ Ze lachte weer. ‘Maar ik vind het knap van je.’
‘Ik kan niet anders.’
Haar lach werd wat treuriger. ‘En verder? Vier jaar geleden vertelde je dat je niet meer kon schrijven. Lukt het inmiddels weer?’
De schrijver staarde voor zich uit en was een tijdje stil. Toen zei hij: ‘Nee. Soms typ ik iets in, maar ik ben er nooit tevreden over. Het is niets. Maar het is niet erg. Er zijn andere dingen voor in de plaats gekomen.’
‘Hardlopen bijvoorbeeld?’
‘Precies. Bijvoorbeeld. En wie weet ooit, wie weet komt ooit het moment dat ik me weer kan verliezen in de Wereld van het Waarachtig Schrijven.’ Veel geloofde hij er zelf niet van. Hij bleef even stil en keek haar toen weer aan. ‘Maar nu jij.’

Ze vertelde. Haar middelbare school had ze afgerond. Ze wist niet wat ze precies wilde gaan doen. Iets met mensen, dus koos ze voor een mbo-opleiding social work. Het ging haar gemakkelijk af. Ze kon thuis bij haar ouders blijven wonen en had tijd om met vriendinnen af te spreken. Een vriendje? Nee, ze moest er nog even niet aan denken. De meeste jongens waren zo kinderachtig, deden zo stom stoer met hun bromscooter, hun schoudertasje, hun rapmuziek of hun verhalen over bier zuipen. Liever sprak ze met de meiden af en gingen ze samen een film kijken of bij iemand thuis spelletjes spelen. Gisterenavond waren ze bij elkaar geweest bij een van de vriendinnen en hadden ze lol gehad en ze waren blijven slapen en nu was ze dan onderweg naar huis, want vandaag zou ze haar moeder helpen met de zolder opruimen. Ze vertelde.

‘Maar,’ zei ze plots, terwijl ze opstond, ‘ik moet nu gaan. Zie ik je weer?’
‘Ik loop hier om de dag ’s morgens vroeg.’
‘Kunnen we niet gewoon iets afspreken?’
‘Afspreken?’ vroeg hij geschrokken. Hij stond ook op. ‘Jij? Met mij?’
‘Ja, of wil je dat liever niet?’
‘Eh, nou … dat is het niet, maar …’
‘Maar? Maar wat?’
‘Weet je, voor mij is het wat ongemakkelijk.’
‘Ongemakkelijk? Gewoon ja zeggen is toch niet moeilijk?’
‘Haha, nee. Maar bedenk je eens. Ik ben een ouwe vent en dan met zo’n mooie jonge meid…’
‘Jij bent echt niet veranderd. Vier jaar geleden was je ook al zo verlegen.’
‘Verlegen is het niet. Voorzichtig ben ik wel.’
‘Wil je me wat aandoen dan?’ lachte ze.
‘Nee nee, dat is het niet. Wat wij doen is echt niet fout. We kletsen gezellig en hebben gewoon contact van mens tot mens.’
‘Nou dan. Kun je zaterdagmiddag? Vier uur hier bij deze bank?’
‘Eh ja, dan kan ik wel, maar…’
‘Mooi. Zien we elkaar dan. En geen gemaar.’
‘Ik zou niet willen dat jij schade ondervindt van dat ik je zo persoonlijk benader.’
‘Ho ho! Ik ben degene die wat wil afspreken, niet jij!’ Ze lachte.
‘Ja, ik weet het. Maar het voelt niet vanzelfsprekend. Ik ben de oude man en jij de jonge vrouw.’
‘Ben je bang dat anderen er wat van vinden?’
‘Ik ben niet bang voor mezelf. Wel voor jou.’
‘Je bent een malle. Maak je geen zorgen. We gaan iets afspreken. We gaan verder kletsen en ergens wat drinken of zo en wie weet wat er verder nog gebeurt en nou krijg je een kus.’ Ze deed een stap naar hem toe, pakte hem bij de schouders en zoende hem op zijn wang. ‘Tot zaterdag vier uur.’ Ze draaide zich om, pakte haar fiets en stapte op. ‘Be here.’

Het duurde even voor hij zijn gedachten weer wat op orde had. Een afspraak. Zaterdag. Vier uur in de middag. Hier. Met Isolde, het meisje dat hij Duh noemde. Het grote kartelmes maar thuis op het aanrecht laten, leek hem.
Toen hij wat rustiger was geworden, vervolgde hij zijn weg door het park. Na een paar passen maakte hij vaart en rende hij verder.

Zij voelt zich veilig. Hoe hij zich voelde wist hij niet goed, maar de laatste anderhalve kilometer vloog de schrijver naar huis.


Apeldoorn, juli 2020

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

23-07-2020

Lotgenoten (0026)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2020 — bazbo @ 01:00

Het was – sinds we mogen spreken van een anderhalvemetersamenleving – een weinig krap tussen de gevel van de winkel en de gestalde fietsen aan de andere kant van het voetpad. Er kwam me iemand tegemoet. Als ik anderhalve meter afstand wilde houden, lukte dat niet. Ik maakte wat ruimte voor de oudere dame met de rollator en stapte tussen een paar geparkeerde fietsen om haar voorbij te laten gaan. De mevrouw glimlachte en kwam in haar eigen tempo enige stappen dichterbij.

Plots werd ik van achter gepasseerd door een grote en brede vent. Die liep vlak langs me heen, niets geen anderhalve meter afstand houdend. Hij duwde het oude mensje nog net niet opzij.
Dit kon ik natuurlijk niet laten gebeuren. Nou ja, het gebeurde al, maar ik kon het natuurlijk niet ongestraft laten gebeuren, bedoel ik. Ik trok een sprintje achter de vent aan. De oude dame schrok van mijn plotse beweging en kukelde tegen een paar fietsen aan. Ik had geen tijd om me om haar te bekommeren. Daar waren vast andere trottoirgangers gaarne toe bereid, zo veel vertrouwen had ik nog wel in de menschheid. Sinds de coronacrisis was uitgebroken, wemelde het van de mooie volksinitiatieven en er zou er heus wel eentje bij zijn waar deze dame aanspraak op zou kunnen maken.

Toen ik de grote en brede vent op anderhalve meter was genaderd, maakte ik een sprong. Hij had nog niets in de gaten. Anderhalve tel later wel. Met een ferme beweging beukte ik mijn elleboog tegen zijn kale achterhoofd. Terwijl hij voorover tegen de grond viel, draaide hij zich om. Veel tijd om verbaasd te zijn of te snappen wat er gaande was, gunde ik hem niet. Ik stampte hem met mijn Teva in het gelaat. Het bloed gutste over de stoeptegels. Boven de vent hurkte ik vervolgens diep en ik liet een luid snerpende wind in zijn bebloede gezicht. Toen sprong ik opnieuw en liet me boven hem vallen. Wederom een elleboog tegen zijn karpatenkop. Naast de bloedvlek zag ik dat er een stoeptegel los lag. Die wrikte ik uit het wegdek, voor zover je bij een voetpad kunt spreken van een wegdek. De stoeptegel hief ik omhoog en liet ik onzacht nederdalen op de vent z’n voeten.

Zo. Die kon voorlopig even niemand passeren.
Ik stond op, klopte wat stof van mijn T-shirt en wreef mijn elleboog. Vervolgens vervolgde ik mijn weg. Wat ging ik ook weer doen? O ja, bosuien kopen.

Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, juni 2020

Huiswerkopdrachten:

  1. Beschrijf de motieven die je herkent in bovenstaande vertelling. Beargumenteer je keuzes.
  2. Herschrijf het verhaal, respectievelijk vanuit het perspectief van de oude dame en dat van de karpatenkop.
  3. Beschrijf het moment waarop in deze vertelling de fictie het overneemt van de werkelijkheid. Leg uit waarom jij denkt dat de schrijver voor deze plotwending heeft gekozen en waarom juist op dat moment in het verhaal.

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

09-07-2020

Hoog tijd voor een kroegverhaal (18)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2020 — bazbo @ 01:00

Inderdaad. Het was te lang geleden. Sinds een zeker virus de wereld overhoop schopt, was ik niet meer in een bar geweest. Nu waren de strenge maatregelen wat versoepeld en ik was benieuwd naar hoe het eraan toe zou gaan. Daar wilde ik niet al te veel moeite voor hoeven doen, dus koos ik de kroeg die het dichtste bij mijn woonhuis is.

‘Welkom!’ riep een man van achter de bar.
‘Dank je,’ zei ik. ‘Is er plek of had ik moeten reserveren?’
‘Ben je blind of heb je je bril niet op?’
Ik keek eens rond. De tent was leeg. ‘Had ik desalniettemin moeten reserveren? Vindt onze minister-president het oké als ik zonder reservering plaats neem?’
‘Ben jij nieuw hier of zo?’
‘Of zo? Vanwaar je vraag?’
‘Iedereen die hier doorgaans komt, weet dat wij die regels in dit café aan ons laars lappen.’
‘Ik ben nieuw.’
‘Zie je wel? Dat dacht ik al.’
‘Je kent je vaste klanten goed. Hoe heet het hier eigenlijk?’
‘Café Kaliën.’
‘Je verzint het niet,’ zei ik. ‘Hier moet een heel slechte tekstschrijver aan het werk zijn geweest.’
‘Ik heb deze kroeg een tijdje geleden overgenomen en ik heb niets veranderd omdat hij een goede naam had.’
‘Behalve de naam, dan.’
‘Huh?’
‘Er is niets veranderd in het café sinds het virus de wereld overhoop heeft geschopt. Domme lui te over in de etablissementen.’
‘Ik snap je niet.’
‘Dat bedoel ik.’
‘Het zal. Waar kan ik je mee van dienst zijn?’
‘Water graag,’ zei ik. ‘Liefst uit de kraan.’
‘O?’
‘Zit dat in je assortiment?’
‘Nee, dat hebben we wel.’
‘Da’s fijn.’ Ik ging zitten op een van de vele lege stoelen. ‘Wat sta je daar nog?’
‘Oh, sorry. Het komt niet vaak voor dat er hier…’
‘Volk komt? Dat kan ik me voorstellen.’
‘Maar krijg nou wat…’

Er was nog iemand binnengekomen. Het was een jongedame.
‘Goedemiddag,’ zei de barman. ‘Welkom. Wat mag het zijn?’
‘Kan ik hier even plassen?’ vroeg de schoonheid.
‘Ik vraag er wel twee vijftig voor. Ik moet alles na ieder gebruik schoonmaken en dat kost tijd en middelen.’
‘Vooruit dan maar,’ zuchtte ze. ‘Het is belachelijk, maar ik moet heel nodig.’
‘Vooraf betalen, graag.’
‘Kan ik pinnen?’
‘Liever niet.’
‘Ik betaal,’ zei ik. ‘Ga jij maar plassen, dan handel ik het af. Wil je ook wat drinken?’
‘Mag ik wel bij jou aan een tafel zo dichtbij?’ vroeg ze. ‘We komen niet uit hetzelfde huishouden.’
‘Dat weet hij niet,’ zei ik. ‘Bovendien: hij vertelt me net dat hij de regels aan zijn laars lapt.’
‘O zo. Nou, ik ga nu echt, waar zijn de wc’s?’
‘Volg je neus en ga de strontlucht achterna,’ siste de barman.
‘Ik dacht dat je schoonmaakte na iedere plas- en poepbeurt,’ zei ik. ‘Niet, dus. Die twee vijftig kun je vergeten, makker.’ En naar de ander: ‘Maar nu weet ik nog niet wat je wil drinken?’
‘Doe maar een cognacje!’ riep de schone jongedame, terwijl ze naar een deur achter in het café liep. ‘Een VSOP, graag!’
‘Toe maar,’ zei ik. ‘Welnu, je hoorde het. Een beetje leuke VSOP, graag.’
‘Dan ga ik eerst ’s kijken of ik dat wel heb.’
‘Of wacht: maak er maar twee water van. Uit de kraan.’
‘O? Hoezo dat nu opeens?’
‘Dat gezuip altijd. Heel slecht voor de mens.’
Mopperend verdween de barman achter zijn toog.

Ik keek het café Kaliën eens rond. Het was me al snel duidelijk waarom er niemand was. De strontlucht was niet te harden. Ik stond op en riep: ‘Ik zit op het terras! Daar heb ik sowieso geen reservering voor nodig en er is plek zat!’
Op het terras zat ook niemand en was het bovendien mooi weer. Ik nam plaats op een stoel en zag dat ik zo recht tegen mijn eigen woning aan keek. Zuchtend stond ik op en ging op de plek ertegenover zitten. Nu zag ik het café en kwam me de vieze lucht tegemoet. Net wilde ik weer opstaan en een ander café opzoeken, toen er iemand op de fiets voorbijkwam.
‘Hé Bas!’ riep die.
‘Hé iemand,’ zei ik terug. Ik had zo gauw niet gezien wie het was en de persoon in kwestie was in razende vaart verder gereden. ‘Leuk je niet gesproken te hebben.’

‘Tegen wie heb je het, als ik vragen mag?’ Het was de jongedame, die uit het café was gekomen.
‘Je mag het vragen,’ zei ik.
‘Tegen wie heb je het?’
‘Tegen jou toch?’
‘Zei je tegen mij: leuk je niet gesproken te hebben?’
‘Nee, dat zei ik niet tegen jou.’
‘Ik verstond het toch echt.’
‘Ik zei het tegen de figuur die in razende vaart voorbij kwam gereden en die naar mij riep: Hé Bas!’
‘Heet jij Bas?’
‘Nee. Althans: het is niet mijn volledige naam.’ Ik noemde mijn volledige naam.
‘Bas Langereis? De bekende schrijver?’
‘Kennelijk ben ik wel bekend bij jou,’ zei ik. ‘Maar neem plaats.’
‘Dank je.’ Ze ging wat ongemakkelijk zitten.
‘Gaat het?’ vroeg ik.
‘Ja hoor,’ zei ze. ‘Ik heb alleen een beetje jeuk aan mijn perineum.’
‘O? Hoe dat zo?’
‘Geen papier op de plee te bekennen, dus me even nadeppen na het plassen was niet mogelijk. En daar betaal je dan twee vijftig voor.’
‘Heb je toch betaald?’
‘Nee. Ik bedoelde dat bij wijze van spreken.’
‘O.’

‘Kijk eens. Twee water. Uit de kraan. Dat is dan zeven tachtig.’ Het was de barman.
‘Nee, dank je wel,’ zei ik.
‘Water?’ vroeg de jongedame. ‘Ik dacht dat ik cognac had besteld. Een VSOP.’
‘Ik dacht dat je dat ook bij wijze van spreken bedoelde,’ zei ik. ‘Ik ben nogal tegen drank en het is tegen mijn principe om mensen alcohol aan te bieden.’
‘O?’ Ze keek me verbaasd aan. ‘Ben jij geheelonthouder of zo?’
‘Nee,’ zei ik. ‘Ik ben geil. Bloedgeil! Allemensen, wat ben ík geil, zeg!’
‘Allemaal leuk en aardig,’ zei de barman, ‘maar kunnen jullie even betalen voor de drank?’
‘Zet maar op de rekening,’ zei het meisje. ‘Je ziet toch dat wij in gesprek zijn?’
‘Voor deze ene keer, dan.’ De barman draaide zich om en ging naar binnen.

‘Hij moet toch nog eerst de plee schoonmaken,’ zei het meisje. ‘Maar je zei dat je geil was?’
‘Ja,’ antwoordde ik. ‘Was. En wie ben jij?’
‘Ik ben Antoinet.’
‘Antoinet met jeuk aan d’r perineum. Aangenaam.’
‘Dat is beslist niet aangenaam!’ schreeuwde ze.
‘Excuus. Ik wist niet dat het zo ernstig was. Wie verwacht nou dat een beetje jeuk…’
‘Mannen!’ rilde ze. ‘Dit is nou een van de redenen dat wij vrouwen zo graag naar de dildo grijpen.’
‘Begrijp ik je nu goed? Ben je nu heel boos omdat ik niet zo goed de ernst van de jeuk aan je perineum inschatte?’
‘Ja!’
‘O.’
‘Maar dank je voor het water,’ zei ze. ‘Bij nader inzien is het veel te vroeg voor sterke drank.’ Ze pakte het glas, bracht het naar haar mond en goot het in een teug leeg. ‘Ik had dorst.’
‘Kijk maar uit, straks moet je weer plassen.’
‘Dan ga ik wel naar een ander café.’ Ze stond op.
‘Waar ga je naar toe?’ vroeg ik.
‘Naar een ander café.’
‘Je moet nu alweer plassen?’
‘Nee. Ik vind dit geen leuk café. Ga je mee?’
‘Oké.’ Ik stond ook op.

‘Ho ho!’ De barman kwam naar buiten. ‘Jullie moeten de rekening nog betalen!’
‘O pardon. Ik wil graag pinnen,’ zei ik.
‘Loop mee naar binnen.’
Dat deed ik.
‘Maar goed dat ik net klaar was met de plee boenen,’ zei hij. ‘Twee water en een keer plassen. Tien dertig, graag.’
‘Je hebt mazzel dat we weg gaan,’ zei ik terwijl ik mijn bankpas bij het betaalapparaatje hield. Ik had die twee vijftig plassen niet willen betalen, maar wat kon mij het schelen. Het is van belang dat we de lokale ondernemers steunen in deze voor de middenstand zo moeilijke tijden dat het virus de wereld overhoop schopt.
‘Mazzel? Hoezo dan?’
‘Ze dronk haar glas in één teug leeg en volgens mij moet ze straks weer plassen. Dan had je de plee opnieuw moeten boenen.’
‘Nou, dat is inderdaad mazzel,’ zei hij. ‘Die plee boenen nadat dat mens was geweest, was geen lolletje.’
‘O? Hoe dat zo?’ vroeg ik.
‘Godver,’ zei de barman. ‘De zeik liep langs de muren omlaag, zeg. En…’
Ik draaide me om. Terwijl ik wegliep, zei ik: ‘Ik moet gaan, want ik heb weer een boel te schrijven.’


Apeldoorn, juni 2020

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

25-06-2020

De tijd

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2020 — bazbo @ 01:00

– de tijd begint te dringen, je weet het. er is geen reden waarom je nog langer zou wachten. doe het dan ook niet. aarzel niet langer en houd je aan de deadline, w – . anders moet je boeten, maar dat weet je ook. je kunt dus niet zeggen dat het buiten je macht was, want je was voorbereid, je verantw – beloont je trouw. dan komt het goed. weet –

Hij vroeg zich niet af waar ze vandaan kwam. Ze was er gewoon. Ondertussen was hij er vertrouwd mee. Niet dat ze altijd even prettig was. Integendeel, in de meeste gevallen verontrustte de stem in zijn hoofd hem en deed ze hem angst aan. Maar als hij luisterde en deed wat ze zei, dan voelde het goed. Misschien niet gelijk, maar gaandeweg verdween de angst en voelde hij hernieuwde kracht om verder te gaan.
De wind deed de lichte mist traag verdwijnen. Met moeite kon hij de overzijde van de vaart onderscheiden. De rimpeling van het water was verdwenen en het oppervlakte leek nu strak. Hij wist dat het niet zo was. Er stond een lichte stroming, maar daar zag je niets van.
Hij wist dat hij iets had gedaan of ergens mee bezig was, maar de herinnering eraan bevond zich niet meer in zijn hoofd. In plaats daarvan bekroop hem een beklemmend gevoel, dat hem deed beven. Hij zuchtte diep, draaide zich om en liep de dijk af naar de huizen die daar begonnen. Langzaam werd het licht.

– oor. diep tot aan de ingewanden en dan nog verder als het kan. je voelt het onderhuidse weefsel meegeven tot het niet meer kan en scheurt. bloed welt omhoog, niet te stelpen. de pijn is onverdraaglijk, het slachtoffer gilt en schreeuwt de stembanden kapot. oorverdovend lekker. pervers genot, niet? gee – s beheersing, als je kan. laat het maar g –

Na een paar honderd meter stond hij voor een brede weg. Hij was hier al eerder geweest. Overdag was het een drukke straat, vol met auto’s, vracht- en fietsverkeer. Nu was het stil. De verkeerslichten stonden nog op knipperen.
Het was nog vroeg. Zou hij nog op tijd zijn? Hij hoopte het niet alleen, hij ging er ook van uit. Alle vorige dagen dat hij op dit uur en later langs het pand was gelopen, was er binnen nog activiteit. Hij kon niet te laat zijn. Hij mocht niet te laat komen. De tijd begon te dringen.
Maar hoe was de weg erheen ook weer? Zonder daarover erg te piekeren liep hij voort. Zijn neus achterna, zijn intuïtie volgend, dat had alle keren nog geholpen.
Ondertussen was hij in een winkelstraat en passeerde een kapper, een cafetaria, een schoenenzaak. Hij wierp een blik opzij. In een etalage stond een pop met slechts een rood doorschijnend jurkje aan. Op de armloze schouder hing een kaartje met een belachelijk bedrag. Te veel geld voor zo weinig stof. Hij rilde en liep verder.
Links, rechts, rechtdoor. Een plein. Eromheen cafés en restaurants. De terrassen waren leeg, de stoelen opgestapeld en met ijzeren kabel vastgeklonken. Hij stak het plein schuin over. Daar was een andere winkelstraat, maar smaller en met minder verlichting. De weg liep met een lichte bocht naar links. Bij de eerste kruising ging hij rechts de smalle straat in. Hier herkende hij het. Hij was warm, dichtbij. Toen zag hij het kleine pand.
De gordijnen waren gesloten. Door een kier tussen het gordijn en het kozijn zag hij een streepje licht. Achter het dunne glas van de ruit hoorde hij een geluid. Hij kon gerust zijn. En zie, hier naast de deur hing een bordje. Daar stond haar naam: ‘Selina’. Ronald Haamschaar zuchtte en glimlachte.

– aarom? waarom zou – de afspraak? – iet aan kracht. je hebt iets moois in het verschiet als je gewoon – et zicht op rust, je toekomst zal verz – de dringende noodzaak om t – je eraan overgeven, dat is het beste – vertrouw me – toe maar, ga maar, doe het – ant er rest je niet veel meer van de tij –


Apeldoorn, mei 2020

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

11-06-2020

Lotgenoten (0025)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2020 — bazbo @ 01:00

Lotgenoten,

Thuiswerken was aan de orde van de dag. Ik heb sinds een jaar of elf een kantoorbaan en mijn werkgever riep begin maart dat het veiliger was om niet meer naar de werkplek te komen. Sindsdien zit ik iedere werkdag aan de eettafel mijn kantoorwerkzaamheden te doen. Te doen is het wel, leuk is het niet altijd. Ik mis de collega’s, het persoonlijke contact en mijn middagwandeling door bos en veld. Er staan wel andere dingen tegenover. Goede koffie, altijd de Arbeidsvitaminen die ik zelf kies, niet meer afgeleid of onderbroken (‘Bas, jij weet nog wel eens wat, hè…?’), veel meer rust in werkzaamheden en zo. Gelukkig hebben we een grote woonkamer, die we door middel van twee schuifdeuren in tweeën kunnen delen, zodat ik kan werken en muziek luisteren, terwijl De Vrouw op de bank door een Scandinavische politieserie ligt te snurken.

Het was een dinsdagmorgen in week zoveel van de ophokking. Ik was met collega’s aan het beeldbeloverleggen, tot ik door de ramen van de gesloten schuifdeuren beweging zag. De Vrouw gebaarde iets. Ik snapte er geen reet van. Er was iets met haar, maar wat? Ik wist dat ze zo de deur uit moest en ik wilde haar helpen, maar ik kon hier nu niet weg en hoe moest dat nu? De bewegingen van De Vrouw werden driftiger. Toen ik opnieuw gebaarde van ‘uw imitatie van Irma Sluis lijkt nergens naar’, deed ze een schuifdeur open en riep: ‘Ik ben mijn bril kwijt!’
‘Die heb je op je neus,’ leek me op dat moment een heel flauwe opmerking. Toch was het zo. Ik wees naar haar neus.
‘Dat is mijn oude, die al drie jaar reservebril is.’
Ik zie ook nooit wat.
‘Ik heb overal gezocht,’ ging ze verder, ‘maar hij is nergens.’
‘De verbinding is slecht, jongens,’ zei ik in het beeldbelapparaat, drukte op de rode knop en beëindigde daarmee de sessie.

‘Waar heb je hem voor het laatst gezien?’ Domme vraag. Zonder bril ziet De Vrouw helemaal niets, ook niet voor het laatst.
‘Ik heb hem gisterenavond af gezet,’ legde ze uit, ‘en vanmorgen kan ik hem nergens meer vinden.’
‘Je hebt toch wel een vaste plek voor dat ding, als je ’s avonds naar bed gaat?’
‘Ja, daar heb ik gekeken.’
‘Je kunt toch niet kijken zonder bril?’ zei ik maar niet.
‘Ik moet nu weg.’
‘Ik zal straks her en der voor je zoeken,’ zei ik.
‘Ik ben overal geweest.’
‘Had je hem nog op toen je gisterenavond laat thuis kwam?’
‘Ja, natuurlijk. Wat denk je wel, zeg.’
‘Je weet het nooit, hè? Maar goed. Hij kan niet weg zijn. Hij moet dus ergens in huis liggen. We zijn drie jaar geleden gelukkig kleiner gaan wonen, dus kan het nooit lang zoeken zijn.’
‘Dat zeg jij.’
‘Als je nu een vaste plek had…’
‘Die heb ik!’
‘Maar daar ligt hij niet. Dan is het dus niet je vaste plek. Maak je niet druk; vroeg of laat komt hij heus wel boven water.’
‘Ja, maar ik moet nu weg.’
‘Dahaaag!’

Gelukkig had ze een reservebril. Haar vorige dus. Maar daarmee zag ze niet zo goed meer; ze was niet voor niets toe aan een nieuwe. Bril kwijt. Best vervelend, want ze ziet heel slecht. Dat was in het begin van onze relatie wel fijn, want zo kon ze als we onze kleren uittrokken niet zien hoe lelijk ik was. Toen ik haar leerde kennen, droeg ze overigens geen bril en toen het moment daar was dat we voor het eerst onze kleren uittrokken, schrok ik me wild. ‘Wat sta jij nou boven een schoteltje gebukt tegen je achterhoofd te kloppen?’ vroeg ik onthutst. Lenzen, zo verzekerde ze me. Kort nadat we getrouwd waren bleken die lenzen niet zo comfortabel meer en schakelde ze definitief over op lenzen in een montuur. Ik bleef er natuurlijk wel voor zorgen dat ze die bril af had als ik in mijn blote doedel bij haar in de buurt was. Mijn eigen zicht is ondertussen ook niet meer zo scherp, dus mij hoor je geen grappen meer maken over visuele tekortkomingen.

De vreemde snuiter stond half te dansen en te swingen bij de bushalte. Er waren al ik weet niet hoe veel bussen voorbij gekomen, maar de jongeman stapte nergens in. Hij liep een beetje heen en weer en af en toe pakte hij een van de twee blikjes op, die hij op het muurtje naast de halte had neergezet. Achter dat muurtje bevond zich de stadsspreng, die half door de stad heen kabbelde. De jongeman droeg een wijd vallende broek in camouflagekleuren, een zwarte jas en een rode bandana. Nu en dan bracht hij zijn telefoon naar zijn oor en een blikje naar zijn mond, zich ondertussen ritmisch bewegend. Vanuit ons raam op de tweede verdieping kon ik niet zien of horen of hij muziek aan het luisteren was. Ik vermoedde het, maar wist het niet zeker. Wat als hij leed aan waanvoorstellingen en zangstemmen in zijn hoofd hoorde? Hij moest nu heel ver achterover leunen om te drinken; het blik was vast bijna leeg. Kijk, nu liep hij met zijn beide blikjes terug de bushalte in. Of nee, wacht. Hij liep er voorlangs. Natuurlijk! Aan de andere kant van de bushalte stond de grote prullenbak. Toch keurig van zo’n vreemde snuiter om zijn afval in de daartoe bestemde bak te gooien. Maar deed hij nu? Zag ik het goed? De jongeman maakte zich lang en wierp een blik over de prullenbak heen, over het muurtje, zo de stadsspreng in. Daarna volgde nog een blik. Ik zag het goed.



‘En al gevonden?’ vroeg ze een dag later.
‘Nee.’
‘Waar kan hij toch zijn? Ik word er moedeloos van.’
‘Lieverd, ik ken je nu meer dan dertig jaar. Jou kennende heb je hem ergens van je af gelegd op een moment dat je iets anders zag wat je wilde gaan doen. Hij kan overal zijn, maar wel hier in huis, dus.’
‘En ik ben overal al geweest. Dat zei ik toch?’
‘Hij is vast ergens ongemerkt tussen of in gegleden. Tussen de kussens van de bank?’
‘Ben ik geweest.’
‘Tussen het kussen en de topper van het bed?’
‘Ben ik geweest.’
‘Je kan nooit weten,’ zei ik. Ik liep naar de slaapkamer.
‘Ben ik geweeheest!’
Niets tussen de topper en het kussen. In de lade van het nachtkastje? Niets in de lade van het nachtkastje. Nou, er lag wel wat in de lade van het nachtkastje, maar niets wat hier nu ter zake doet. Nu even logisch denken. Waar doet ze doorgaans ’s avonds haar bril af? Ik liep naar de naastgelegen slaapkamer. Daar staat haar bureautje, dat ook dienst doet als kaptafel en waar ze ’s avonds laat haar bril neerlegt. Ze kwam gisterenavond laat thuis van haar werk. Had ze een tas bij zich? Ik weet het niet; ik lag al in bed. Stel, ze wil haar bril af doen en er schiet haar wat te binnen. Dan loopt ze – met bril in de hand – naar een plek, daar doet ze iets, ze ziet iets anders wat ze zo nodig eerst moet doen en legt haar bril daar neer. Zou het deze vaste kast kunnen zijn? Daar staan verschillende van haar tassen. Ik deed de kast open. Onder de blouses en tunieken die er hangen stonden de tassen op een plank. Ik duwde de kleding iets opzij en schoof een tas wat aan de kant en …

‘Alsjeblieft.’
‘Hè? Wat? Waar lag hij nou?’
Ik legde het uit.
‘Wat goed van jou.’
‘Uiteindelijk is het toch een kwestie van logisch nadenken. Hij kán niet weg zijn. Hij moet hier érgens zijn. En ik ken je een beetje. Een beetje nogal goed, dus ik weet hoe snel je afgeleid bent, hoe verward je kunt zijn en hoe je allerlei dingen door elkaar doet zonder ook maar een van die dingen ook af te maken.’
‘O, ik ben toch zo blij dat ik met jou getrouwd ben!’

Ook de rest van de dag straalde ze, zo blij was ze.
Ik dacht: Als ze haar bril maar weer afdoet als ze me in bed beloont.

Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, mei 2020

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 
Volgende pagina »