bazbo – de wereld van Bas Langereis

Bas Langereis leest u voor!

06-08-2020

Negentien (S040)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2020 — bazbo @ 01:00

De jonge vrouw die hem tegemoet kwam, had haar kin geheven. Ze bekeek hem vanuit haar ooghoeken wat geringschattend, zo leek het. Nu zag hij er niet zo florissant uit. Hij had er al een half uur op zitten. Zijn lange grijze haren slingerden door de war, er zaten natte vlekken van het zweet in zijn shirt en zijn schoenen waren vuil van de plassen die hij niet had kunnen ontwijken. Het kon hem niet zo veel schelen hoe men dacht over hoe hij eruit zag. Hij negeerde de voorbijganger en liep door.
Toen hoorde hij zijn voornaam roepen. Al rennende keek hij om. De jonge vrouw kwam teruggefietst en ze had hem nu bijna ingehaald.
‘Pardon?’ zei hij, terwijl hij halt hield.
Ze stopte haar fiets naast hem en zette een voet aan de grond.
‘Ben jij het nou wel of niet?’ vroeg ze.
‘Ik ben het wel,’ lachte hij. ‘Maar wie bedoel je?’
Ze zei zijn voornaam nog een keer.
‘Dat ben ik,’ gaf hij toe. ‘Maar wie ben jij?’
‘Duh,’ zei ze, op een verveeld toontje. Toen trok ze een brede grijns.
‘Isolde!’

‘Je weet het weer.’ Haar ogen glinsterden. ‘Hoe lang is het geleden,’ vroeg ze, ‘dat we elkaar ontmoetten in het park?’
‘Een jaar of vier geleden,’ denk ik. ‘Hoe oud was je toen? Veertien? Vijftien?’
‘Haha ja, dat zou kunnen. Ik ben nu negentien.’
De schrijver glimlachte.
‘Wat lach je?’ vroeg ze.
‘De tijd gaat hard.’
‘Nee, hoor. Jij bent geen bal veranderd.’
‘Maar jij wel,’ zei hij. ‘Ik herkende je niet.’
‘Kom, laten we even bijkletsen. Ginds begint het park. Daar is vast wel weer een bankje vrij.’
Hij bekeek haar.

Ze droeg stevige laarzen zonder hak, een korte rok met daaronder een strakke legging met zwarte en witte strepen. Een spijkerjasje, een zwart topje. Haar halflange donkere haren hingen over haar schouders. Haar gezicht had volwassener trekken gekregen, maar toch lachte ze hem ondeugend toe. Nog altijd die sproetjes rond haar neus, al zag je die nauwelijks vanwege de bril met het zwarte montuur. BIjna geen make-up op haar gezicht en grote ringen in haar oren.

‘Wat?’ vroeg ze. ‘Wat kijk je? Of moet je nog verder met rennen?’
‘Nee, nee. Daarmee was ik toch al bijna klaar. Kom, we gaan naar het park.’ Hij keek spiedend om zich heen, alsof hij bang was betrapt te worden. Bijna had hij haar bij de hand gepakt.

Dik vier jaar geleden was hij haar tegengekomen. Ook ergens hier in het park. Daarna hadden ze elkaar vaker getroffen. Op een bank praatten ze over hun levens. Isolde over haar school, haar ouders, haar vriendinnen die haar voornaam afkortten tot Iso of Ies. Hij noemde haar Duh. Zelf vertelde hij niet zo veel, maar ze vroeg hem van alles en toen kon hij niet anders. Veel had hij ook niet te vertellen over zijn sobere leven.

‘Hoe gaat het met je?’ vroeg ze, toen ze naast hem zat op hun oude vertrouwde bank.
‘Goed,’ zei hij. ‘Beter.’
‘Je ziet er goed uit.’
‘Ik? Nu? Met mijn bezwete stinklijf?’
‘Je weet best wat ik bedoel,’ lachte ze. ‘Deed je toen ook al aan hardlopen?’
‘Ja, maar ik was er nog niet zo lang mee bezig. Ik was er nog niet bedreven in en ik koos routes waar niemand mij zag. Maar het doet me goed.’
‘Hoe vaak loop je? En loop je ver?’
‘Om de dag een half uur tot een uur. Het is fijn om mijn hoofd leeg te maken.’
‘Vandaar dat je me niet zag en herkende. Ik zou ook meer aan sport moeten doen om mijn lichaam in conditie te houden.’
‘Jouw lichaam is in een uitstekende conditie, Duh.’
‘Dank je.’ Ze lachte weer. ‘Maar ik vind het knap van je.’
‘Ik kan niet anders.’
Haar lach werd wat treuriger. ‘En verder? Vier jaar geleden vertelde je dat je niet meer kon schrijven. Lukt het inmiddels weer?’
De schrijver staarde voor zich uit en was een tijdje stil. Toen zei hij: ‘Nee. Soms typ ik iets in, maar ik ben er nooit tevreden over. Het is niets. Maar het is niet erg. Er zijn andere dingen voor in de plaats gekomen.’
‘Hardlopen bijvoorbeeld?’
‘Precies. Bijvoorbeeld. En wie weet ooit, wie weet komt ooit het moment dat ik me weer kan verliezen in de Wereld van het Waarachtig Schrijven.’ Veel geloofde hij er zelf niet van. Hij bleef even stil en keek haar toen weer aan. ‘Maar nu jij.’

Ze vertelde. Haar middelbare school had ze afgerond. Ze wist niet wat ze precies wilde gaan doen. Iets met mensen, dus koos ze voor een mbo-opleiding social work. Het ging haar gemakkelijk af. Ze kon thuis bij haar ouders blijven wonen en had tijd om met vriendinnen af te spreken. Een vriendje? Nee, ze moest er nog even niet aan denken. De meeste jongens waren zo kinderachtig, deden zo stom stoer met hun bromscooter, hun schoudertasje, hun rapmuziek of hun verhalen over bier zuipen. Liever sprak ze met de meiden af en gingen ze samen een film kijken of bij iemand thuis spelletjes spelen. Gisterenavond waren ze bij elkaar geweest bij een van de vriendinnen en hadden ze lol gehad en ze waren blijven slapen en nu was ze dan onderweg naar huis, want vandaag zou ze haar moeder helpen met de zolder opruimen. Ze vertelde.

‘Maar,’ zei ze plots, terwijl ze opstond, ‘ik moet nu gaan. Zie ik je weer?’
‘Ik loop hier om de dag ’s morgens vroeg.’
‘Kunnen we niet gewoon iets afspreken?’
‘Afspreken?’ vroeg hij geschrokken. Hij stond ook op. ‘Jij? Met mij?’
‘Ja, of wil je dat liever niet?’
‘Eh, nou … dat is het niet, maar …’
‘Maar? Maar wat?’
‘Weet je, voor mij is het wat ongemakkelijk.’
‘Ongemakkelijk? Gewoon ja zeggen is toch niet moeilijk?’
‘Haha, nee. Maar bedenk je eens. Ik ben een ouwe vent en dan met zo’n mooie jonge meid…’
‘Jij bent echt niet veranderd. Vier jaar geleden was je ook al zo verlegen.’
‘Verlegen is het niet. Voorzichtig ben ik wel.’
‘Wil je me wat aandoen dan?’ lachte ze.
‘Nee nee, dat is het niet. Wat wij doen is echt niet fout. We kletsen gezellig en hebben gewoon contact van mens tot mens.’
‘Nou dan. Kun je zaterdagmiddag? Vier uur hier bij deze bank?’
‘Eh ja, dan kan ik wel, maar…’
‘Mooi. Zien we elkaar dan. En geen gemaar.’
‘Ik zou niet willen dat jij schade ondervindt van dat ik je zo persoonlijk benader.’
‘Ho ho! Ik ben degene die wat wil afspreken, niet jij!’ Ze lachte.
‘Ja, ik weet het. Maar het voelt niet vanzelfsprekend. Ik ben de oude man en jij de jonge vrouw.’
‘Ben je bang dat anderen er wat van vinden?’
‘Ik ben niet bang voor mezelf. Wel voor jou.’
‘Je bent een malle. Maak je geen zorgen. We gaan iets afspreken. We gaan verder kletsen en ergens wat drinken of zo en wie weet wat er verder nog gebeurt en nou krijg je een kus.’ Ze deed een stap naar hem toe, pakte hem bij de schouders en zoende hem op zijn wang. ‘Tot zaterdag vier uur.’ Ze draaide zich om, pakte haar fiets en stapte op. ‘Be here.’

Het duurde even voor hij zijn gedachten weer wat op orde had. Een afspraak. Zaterdag. Vier uur in de middag. Hier. Met Isolde, het meisje dat hij Duh noemde. Het grote kartelmes maar thuis op het aanrecht laten, leek hem.
Toen hij wat rustiger was geworden, vervolgde hij zijn weg door het park. Na een paar passen maakte hij vaart en rende hij verder.

Zij voelt zich veilig. Hoe hij zich voelde wist hij niet goed, maar de laatste anderhalve kilometer vloog de schrijver naar huis.


Apeldoorn, juli 2020

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

23-07-2020

Lotgenoten (0026)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2020 — bazbo @ 01:00

Het was – sinds we mogen spreken van een anderhalvemetersamenleving – een weinig krap tussen de gevel van de winkel en de gestalde fietsen aan de andere kant van het voetpad. Er kwam me iemand tegemoet. Als ik anderhalve meter afstand wilde houden, lukte dat niet. Ik maakte wat ruimte voor de oudere dame met de rollator en stapte tussen een paar geparkeerde fietsen om haar voorbij te laten gaan. De mevrouw glimlachte en kwam in haar eigen tempo enige stappen dichterbij.

Plots werd ik van achter gepasseerd door een grote en brede vent. Die liep vlak langs me heen, niets geen anderhalve meter afstand houdend. Hij duwde het oude mensje nog net niet opzij.
Dit kon ik natuurlijk niet laten gebeuren. Nou ja, het gebeurde al, maar ik kon het natuurlijk niet ongestraft laten gebeuren, bedoel ik. Ik trok een sprintje achter de vent aan. De oude dame schrok van mijn plotse beweging en kukelde tegen een paar fietsen aan. Ik had geen tijd om me om haar te bekommeren. Daar waren vast andere trottoirgangers gaarne toe bereid, zo veel vertrouwen had ik nog wel in de menschheid. Sinds de coronacrisis was uitgebroken, wemelde het van de mooie volksinitiatieven en er zou er heus wel eentje bij zijn waar deze dame aanspraak op zou kunnen maken.

Toen ik de grote en brede vent op anderhalve meter was genaderd, maakte ik een sprong. Hij had nog niets in de gaten. Anderhalve tel later wel. Met een ferme beweging beukte ik mijn elleboog tegen zijn kale achterhoofd. Terwijl hij voorover tegen de grond viel, draaide hij zich om. Veel tijd om verbaasd te zijn of te snappen wat er gaande was, gunde ik hem niet. Ik stampte hem met mijn Teva in het gelaat. Het bloed gutste over de stoeptegels. Boven de vent hurkte ik vervolgens diep en ik liet een luid snerpende wind in zijn bebloede gezicht. Toen sprong ik opnieuw en liet me boven hem vallen. Wederom een elleboog tegen zijn karpatenkop. Naast de bloedvlek zag ik dat er een stoeptegel los lag. Die wrikte ik uit het wegdek, voor zover je bij een voetpad kunt spreken van een wegdek. De stoeptegel hief ik omhoog en liet ik onzacht nederdalen op de vent z’n voeten.

Zo. Die kon voorlopig even niemand passeren.
Ik stond op, klopte wat stof van mijn T-shirt en wreef mijn elleboog. Vervolgens vervolgde ik mijn weg. Wat ging ik ook weer doen? O ja, bosuien kopen.

Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, juni 2020

Huiswerkopdrachten:

  1. Beschrijf de motieven die je herkent in bovenstaande vertelling. Beargumenteer je keuzes.
  2. Herschrijf het verhaal, respectievelijk vanuit het perspectief van de oude dame en dat van de karpatenkop.
  3. Beschrijf het moment waarop in deze vertelling de fictie het overneemt van de werkelijkheid. Leg uit waarom jij denkt dat de schrijver voor deze plotwending heeft gekozen en waarom juist op dat moment in het verhaal.

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

09-07-2020

Hoog tijd voor een kroegverhaal (18)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2020 — bazbo @ 01:00

Inderdaad. Het was te lang geleden. Sinds een zeker virus de wereld overhoop schopt, was ik niet meer in een bar geweest. Nu waren de strenge maatregelen wat versoepeld en ik was benieuwd naar hoe het eraan toe zou gaan. Daar wilde ik niet al te veel moeite voor hoeven doen, dus koos ik de kroeg die het dichtste bij mijn woonhuis is.

‘Welkom!’ riep een man van achter de bar.
‘Dank je,’ zei ik. ‘Is er plek of had ik moeten reserveren?’
‘Ben je blind of heb je je bril niet op?’
Ik keek eens rond. De tent was leeg. ‘Had ik desalniettemin moeten reserveren? Vindt onze minister-president het oké als ik zonder reservering plaats neem?’
‘Ben jij nieuw hier of zo?’
‘Of zo? Vanwaar je vraag?’
‘Iedereen die hier doorgaans komt, weet dat wij die regels in dit café aan ons laars lappen.’
‘Ik ben nieuw.’
‘Zie je wel? Dat dacht ik al.’
‘Je kent je vaste klanten goed. Hoe heet het hier eigenlijk?’
‘Café Kaliën.’
‘Je verzint het niet,’ zei ik. ‘Hier moet een heel slechte tekstschrijver aan het werk zijn geweest.’
‘Ik heb deze kroeg een tijdje geleden overgenomen en ik heb niets veranderd omdat hij een goede naam had.’
‘Behalve de naam, dan.’
‘Huh?’
‘Er is niets veranderd in het café sinds het virus de wereld overhoop heeft geschopt. Domme lui te over in de etablissementen.’
‘Ik snap je niet.’
‘Dat bedoel ik.’
‘Het zal. Waar kan ik je mee van dienst zijn?’
‘Water graag,’ zei ik. ‘Liefst uit de kraan.’
‘O?’
‘Zit dat in je assortiment?’
‘Nee, dat hebben we wel.’
‘Da’s fijn.’ Ik ging zitten op een van de vele lege stoelen. ‘Wat sta je daar nog?’
‘Oh, sorry. Het komt niet vaak voor dat er hier…’
‘Volk komt? Dat kan ik me voorstellen.’
‘Maar krijg nou wat…’

Er was nog iemand binnengekomen. Het was een jongedame.
‘Goedemiddag,’ zei de barman. ‘Welkom. Wat mag het zijn?’
‘Kan ik hier even plassen?’ vroeg de schoonheid.
‘Ik vraag er wel twee vijftig voor. Ik moet alles na ieder gebruik schoonmaken en dat kost tijd en middelen.’
‘Vooruit dan maar,’ zuchtte ze. ‘Het is belachelijk, maar ik moet heel nodig.’
‘Vooraf betalen, graag.’
‘Kan ik pinnen?’
‘Liever niet.’
‘Ik betaal,’ zei ik. ‘Ga jij maar plassen, dan handel ik het af. Wil je ook wat drinken?’
‘Mag ik wel bij jou aan een tafel zo dichtbij?’ vroeg ze. ‘We komen niet uit hetzelfde huishouden.’
‘Dat weet hij niet,’ zei ik. ‘Bovendien: hij vertelt me net dat hij de regels aan zijn laars lapt.’
‘O zo. Nou, ik ga nu echt, waar zijn de wc’s?’
‘Volg je neus en ga de strontlucht achterna,’ siste de barman.
‘Ik dacht dat je schoonmaakte na iedere plas- en poepbeurt,’ zei ik. ‘Niet, dus. Die twee vijftig kun je vergeten, makker.’ En naar de ander: ‘Maar nu weet ik nog niet wat je wil drinken?’
‘Doe maar een cognacje!’ riep de schone jongedame, terwijl ze naar een deur achter in het café liep. ‘Een VSOP, graag!’
‘Toe maar,’ zei ik. ‘Welnu, je hoorde het. Een beetje leuke VSOP, graag.’
‘Dan ga ik eerst ’s kijken of ik dat wel heb.’
‘Of wacht: maak er maar twee water van. Uit de kraan.’
‘O? Hoezo dat nu opeens?’
‘Dat gezuip altijd. Heel slecht voor de mens.’
Mopperend verdween de barman achter zijn toog.

Ik keek het café Kaliën eens rond. Het was me al snel duidelijk waarom er niemand was. De strontlucht was niet te harden. Ik stond op en riep: ‘Ik zit op het terras! Daar heb ik sowieso geen reservering voor nodig en er is plek zat!’
Op het terras zat ook niemand en was het bovendien mooi weer. Ik nam plaats op een stoel en zag dat ik zo recht tegen mijn eigen woning aan keek. Zuchtend stond ik op en ging op de plek ertegenover zitten. Nu zag ik het café en kwam me de vieze lucht tegemoet. Net wilde ik weer opstaan en een ander café opzoeken, toen er iemand op de fiets voorbijkwam.
‘Hé Bas!’ riep die.
‘Hé iemand,’ zei ik terug. Ik had zo gauw niet gezien wie het was en de persoon in kwestie was in razende vaart verder gereden. ‘Leuk je niet gesproken te hebben.’

‘Tegen wie heb je het, als ik vragen mag?’ Het was de jongedame, die uit het café was gekomen.
‘Je mag het vragen,’ zei ik.
‘Tegen wie heb je het?’
‘Tegen jou toch?’
‘Zei je tegen mij: leuk je niet gesproken te hebben?’
‘Nee, dat zei ik niet tegen jou.’
‘Ik verstond het toch echt.’
‘Ik zei het tegen de figuur die in razende vaart voorbij kwam gereden en die naar mij riep: Hé Bas!’
‘Heet jij Bas?’
‘Nee. Althans: het is niet mijn volledige naam.’ Ik noemde mijn volledige naam.
‘Bas Langereis? De bekende schrijver?’
‘Kennelijk ben ik wel bekend bij jou,’ zei ik. ‘Maar neem plaats.’
‘Dank je.’ Ze ging wat ongemakkelijk zitten.
‘Gaat het?’ vroeg ik.
‘Ja hoor,’ zei ze. ‘Ik heb alleen een beetje jeuk aan mijn perineum.’
‘O? Hoe dat zo?’
‘Geen papier op de plee te bekennen, dus me even nadeppen na het plassen was niet mogelijk. En daar betaal je dan twee vijftig voor.’
‘Heb je toch betaald?’
‘Nee. Ik bedoelde dat bij wijze van spreken.’
‘O.’

‘Kijk eens. Twee water. Uit de kraan. Dat is dan zeven tachtig.’ Het was de barman.
‘Nee, dank je wel,’ zei ik.
‘Water?’ vroeg de jongedame. ‘Ik dacht dat ik cognac had besteld. Een VSOP.’
‘Ik dacht dat je dat ook bij wijze van spreken bedoelde,’ zei ik. ‘Ik ben nogal tegen drank en het is tegen mijn principe om mensen alcohol aan te bieden.’
‘O?’ Ze keek me verbaasd aan. ‘Ben jij geheelonthouder of zo?’
‘Nee,’ zei ik. ‘Ik ben geil. Bloedgeil! Allemensen, wat ben ík geil, zeg!’
‘Allemaal leuk en aardig,’ zei de barman, ‘maar kunnen jullie even betalen voor de drank?’
‘Zet maar op de rekening,’ zei het meisje. ‘Je ziet toch dat wij in gesprek zijn?’
‘Voor deze ene keer, dan.’ De barman draaide zich om en ging naar binnen.

‘Hij moet toch nog eerst de plee schoonmaken,’ zei het meisje. ‘Maar je zei dat je geil was?’
‘Ja,’ antwoordde ik. ‘Was. En wie ben jij?’
‘Ik ben Antoinet.’
‘Antoinet met jeuk aan d’r perineum. Aangenaam.’
‘Dat is beslist niet aangenaam!’ schreeuwde ze.
‘Excuus. Ik wist niet dat het zo ernstig was. Wie verwacht nou dat een beetje jeuk…’
‘Mannen!’ rilde ze. ‘Dit is nou een van de redenen dat wij vrouwen zo graag naar de dildo grijpen.’
‘Begrijp ik je nu goed? Ben je nu heel boos omdat ik niet zo goed de ernst van de jeuk aan je perineum inschatte?’
‘Ja!’
‘O.’
‘Maar dank je voor het water,’ zei ze. ‘Bij nader inzien is het veel te vroeg voor sterke drank.’ Ze pakte het glas, bracht het naar haar mond en goot het in een teug leeg. ‘Ik had dorst.’
‘Kijk maar uit, straks moet je weer plassen.’
‘Dan ga ik wel naar een ander café.’ Ze stond op.
‘Waar ga je naar toe?’ vroeg ik.
‘Naar een ander café.’
‘Je moet nu alweer plassen?’
‘Nee. Ik vind dit geen leuk café. Ga je mee?’
‘Oké.’ Ik stond ook op.

‘Ho ho!’ De barman kwam naar buiten. ‘Jullie moeten de rekening nog betalen!’
‘O pardon. Ik wil graag pinnen,’ zei ik.
‘Loop mee naar binnen.’
Dat deed ik.
‘Maar goed dat ik net klaar was met de plee boenen,’ zei hij. ‘Twee water en een keer plassen. Tien dertig, graag.’
‘Je hebt mazzel dat we weg gaan,’ zei ik terwijl ik mijn bankpas bij het betaalapparaatje hield. Ik had die twee vijftig plassen niet willen betalen, maar wat kon mij het schelen. Het is van belang dat we de lokale ondernemers steunen in deze voor de middenstand zo moeilijke tijden dat het virus de wereld overhoop schopt.
‘Mazzel? Hoezo dan?’
‘Ze dronk haar glas in één teug leeg en volgens mij moet ze straks weer plassen. Dan had je de plee opnieuw moeten boenen.’
‘Nou, dat is inderdaad mazzel,’ zei hij. ‘Die plee boenen nadat dat mens was geweest, was geen lolletje.’
‘O? Hoe dat zo?’ vroeg ik.
‘Godver,’ zei de barman. ‘De zeik liep langs de muren omlaag, zeg. En…’
Ik draaide me om. Terwijl ik wegliep, zei ik: ‘Ik moet gaan, want ik heb weer een boel te schrijven.’


Apeldoorn, juni 2020

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

25-06-2020

De tijd

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2020 — bazbo @ 01:00

– de tijd begint te dringen, je weet het. er is geen reden waarom je nog langer zou wachten. doe het dan ook niet. aarzel niet langer en houd je aan de deadline, w – . anders moet je boeten, maar dat weet je ook. je kunt dus niet zeggen dat het buiten je macht was, want je was voorbereid, je verantw – beloont je trouw. dan komt het goed. weet –

Hij vroeg zich niet af waar ze vandaan kwam. Ze was er gewoon. Ondertussen was hij er vertrouwd mee. Niet dat ze altijd even prettig was. Integendeel, in de meeste gevallen verontrustte de stem in zijn hoofd hem en deed ze hem angst aan. Maar als hij luisterde en deed wat ze zei, dan voelde het goed. Misschien niet gelijk, maar gaandeweg verdween de angst en voelde hij hernieuwde kracht om verder te gaan.
De wind deed de lichte mist traag verdwijnen. Met moeite kon hij de overzijde van de vaart onderscheiden. De rimpeling van het water was verdwenen en het oppervlakte leek nu strak. Hij wist dat het niet zo was. Er stond een lichte stroming, maar daar zag je niets van.
Hij wist dat hij iets had gedaan of ergens mee bezig was, maar de herinnering eraan bevond zich niet meer in zijn hoofd. In plaats daarvan bekroop hem een beklemmend gevoel, dat hem deed beven. Hij zuchtte diep, draaide zich om en liep de dijk af naar de huizen die daar begonnen. Langzaam werd het licht.

– oor. diep tot aan de ingewanden en dan nog verder als het kan. je voelt het onderhuidse weefsel meegeven tot het niet meer kan en scheurt. bloed welt omhoog, niet te stelpen. de pijn is onverdraaglijk, het slachtoffer gilt en schreeuwt de stembanden kapot. oorverdovend lekker. pervers genot, niet? gee – s beheersing, als je kan. laat het maar g –

Na een paar honderd meter stond hij voor een brede weg. Hij was hier al eerder geweest. Overdag was het een drukke straat, vol met auto’s, vracht- en fietsverkeer. Nu was het stil. De verkeerslichten stonden nog op knipperen.
Het was nog vroeg. Zou hij nog op tijd zijn? Hij hoopte het niet alleen, hij ging er ook van uit. Alle vorige dagen dat hij op dit uur en later langs het pand was gelopen, was er binnen nog activiteit. Hij kon niet te laat zijn. Hij mocht niet te laat komen. De tijd begon te dringen.
Maar hoe was de weg erheen ook weer? Zonder daarover erg te piekeren liep hij voort. Zijn neus achterna, zijn intuïtie volgend, dat had alle keren nog geholpen.
Ondertussen was hij in een winkelstraat en passeerde een kapper, een cafetaria, een schoenenzaak. Hij wierp een blik opzij. In een etalage stond een pop met slechts een rood doorschijnend jurkje aan. Op de armloze schouder hing een kaartje met een belachelijk bedrag. Te veel geld voor zo weinig stof. Hij rilde en liep verder.
Links, rechts, rechtdoor. Een plein. Eromheen cafés en restaurants. De terrassen waren leeg, de stoelen opgestapeld en met ijzeren kabel vastgeklonken. Hij stak het plein schuin over. Daar was een andere winkelstraat, maar smaller en met minder verlichting. De weg liep met een lichte bocht naar links. Bij de eerste kruising ging hij rechts de smalle straat in. Hier herkende hij het. Hij was warm, dichtbij. Toen zag hij het kleine pand.
De gordijnen waren gesloten. Door een kier tussen het gordijn en het kozijn zag hij een streepje licht. Achter het dunne glas van de ruit hoorde hij een geluid. Hij kon gerust zijn. En zie, hier naast de deur hing een bordje. Daar stond haar naam: ‘Selina’. Ronald Haamschaar zuchtte en glimlachte.

– aarom? waarom zou – de afspraak? – iet aan kracht. je hebt iets moois in het verschiet als je gewoon – et zicht op rust, je toekomst zal verz – de dringende noodzaak om t – je eraan overgeven, dat is het beste – vertrouw me – toe maar, ga maar, doe het – ant er rest je niet veel meer van de tij –


Apeldoorn, mei 2020

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

11-06-2020

Lotgenoten (0025)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2020 — bazbo @ 01:00

Lotgenoten,

Thuiswerken was aan de orde van de dag. Ik heb sinds een jaar of elf een kantoorbaan en mijn werkgever riep begin maart dat het veiliger was om niet meer naar de werkplek te komen. Sindsdien zit ik iedere werkdag aan de eettafel mijn kantoorwerkzaamheden te doen. Te doen is het wel, leuk is het niet altijd. Ik mis de collega’s, het persoonlijke contact en mijn middagwandeling door bos en veld. Er staan wel andere dingen tegenover. Goede koffie, altijd de Arbeidsvitaminen die ik zelf kies, niet meer afgeleid of onderbroken (‘Bas, jij weet nog wel eens wat, hè…?’), veel meer rust in werkzaamheden en zo. Gelukkig hebben we een grote woonkamer, die we door middel van twee schuifdeuren in tweeën kunnen delen, zodat ik kan werken en muziek luisteren, terwijl De Vrouw op de bank door een Scandinavische politieserie ligt te snurken.

Het was een dinsdagmorgen in week zoveel van de ophokking. Ik was met collega’s aan het beeldbeloverleggen, tot ik door de ramen van de gesloten schuifdeuren beweging zag. De Vrouw gebaarde iets. Ik snapte er geen reet van. Er was iets met haar, maar wat? Ik wist dat ze zo de deur uit moest en ik wilde haar helpen, maar ik kon hier nu niet weg en hoe moest dat nu? De bewegingen van De Vrouw werden driftiger. Toen ik opnieuw gebaarde van ‘uw imitatie van Irma Sluis lijkt nergens naar’, deed ze een schuifdeur open en riep: ‘Ik ben mijn bril kwijt!’
‘Die heb je op je neus,’ leek me op dat moment een heel flauwe opmerking. Toch was het zo. Ik wees naar haar neus.
‘Dat is mijn oude, die al drie jaar reservebril is.’
Ik zie ook nooit wat.
‘Ik heb overal gezocht,’ ging ze verder, ‘maar hij is nergens.’
‘De verbinding is slecht, jongens,’ zei ik in het beeldbelapparaat, drukte op de rode knop en beëindigde daarmee de sessie.

‘Waar heb je hem voor het laatst gezien?’ Domme vraag. Zonder bril ziet De Vrouw helemaal niets, ook niet voor het laatst.
‘Ik heb hem gisterenavond af gezet,’ legde ze uit, ‘en vanmorgen kan ik hem nergens meer vinden.’
‘Je hebt toch wel een vaste plek voor dat ding, als je ’s avonds naar bed gaat?’
‘Ja, daar heb ik gekeken.’
‘Je kunt toch niet kijken zonder bril?’ zei ik maar niet.
‘Ik moet nu weg.’
‘Ik zal straks her en der voor je zoeken,’ zei ik.
‘Ik ben overal geweest.’
‘Had je hem nog op toen je gisterenavond laat thuis kwam?’
‘Ja, natuurlijk. Wat denk je wel, zeg.’
‘Je weet het nooit, hè? Maar goed. Hij kan niet weg zijn. Hij moet dus ergens in huis liggen. We zijn drie jaar geleden gelukkig kleiner gaan wonen, dus kan het nooit lang zoeken zijn.’
‘Dat zeg jij.’
‘Als je nu een vaste plek had…’
‘Die heb ik!’
‘Maar daar ligt hij niet. Dan is het dus niet je vaste plek. Maak je niet druk; vroeg of laat komt hij heus wel boven water.’
‘Ja, maar ik moet nu weg.’
‘Dahaaag!’

Gelukkig had ze een reservebril. Haar vorige dus. Maar daarmee zag ze niet zo goed meer; ze was niet voor niets toe aan een nieuwe. Bril kwijt. Best vervelend, want ze ziet heel slecht. Dat was in het begin van onze relatie wel fijn, want zo kon ze als we onze kleren uittrokken niet zien hoe lelijk ik was. Toen ik haar leerde kennen, droeg ze overigens geen bril en toen het moment daar was dat we voor het eerst onze kleren uittrokken, schrok ik me wild. ‘Wat sta jij nou boven een schoteltje gebukt tegen je achterhoofd te kloppen?’ vroeg ik onthutst. Lenzen, zo verzekerde ze me. Kort nadat we getrouwd waren bleken die lenzen niet zo comfortabel meer en schakelde ze definitief over op lenzen in een montuur. Ik bleef er natuurlijk wel voor zorgen dat ze die bril af had als ik in mijn blote doedel bij haar in de buurt was. Mijn eigen zicht is ondertussen ook niet meer zo scherp, dus mij hoor je geen grappen meer maken over visuele tekortkomingen.

De vreemde snuiter stond half te dansen en te swingen bij de bushalte. Er waren al ik weet niet hoe veel bussen voorbij gekomen, maar de jongeman stapte nergens in. Hij liep een beetje heen en weer en af en toe pakte hij een van de twee blikjes op, die hij op het muurtje naast de halte had neergezet. Achter dat muurtje bevond zich de stadsspreng, die half door de stad heen kabbelde. De jongeman droeg een wijd vallende broek in camouflagekleuren, een zwarte jas en een rode bandana. Nu en dan bracht hij zijn telefoon naar zijn oor en een blikje naar zijn mond, zich ondertussen ritmisch bewegend. Vanuit ons raam op de tweede verdieping kon ik niet zien of horen of hij muziek aan het luisteren was. Ik vermoedde het, maar wist het niet zeker. Wat als hij leed aan waanvoorstellingen en zangstemmen in zijn hoofd hoorde? Hij moest nu heel ver achterover leunen om te drinken; het blik was vast bijna leeg. Kijk, nu liep hij met zijn beide blikjes terug de bushalte in. Of nee, wacht. Hij liep er voorlangs. Natuurlijk! Aan de andere kant van de bushalte stond de grote prullenbak. Toch keurig van zo’n vreemde snuiter om zijn afval in de daartoe bestemde bak te gooien. Maar deed hij nu? Zag ik het goed? De jongeman maakte zich lang en wierp een blik over de prullenbak heen, over het muurtje, zo de stadsspreng in. Daarna volgde nog een blik. Ik zag het goed.



‘En al gevonden?’ vroeg ze een dag later.
‘Nee.’
‘Waar kan hij toch zijn? Ik word er moedeloos van.’
‘Lieverd, ik ken je nu meer dan dertig jaar. Jou kennende heb je hem ergens van je af gelegd op een moment dat je iets anders zag wat je wilde gaan doen. Hij kan overal zijn, maar wel hier in huis, dus.’
‘En ik ben overal al geweest. Dat zei ik toch?’
‘Hij is vast ergens ongemerkt tussen of in gegleden. Tussen de kussens van de bank?’
‘Ben ik geweest.’
‘Tussen het kussen en de topper van het bed?’
‘Ben ik geweest.’
‘Je kan nooit weten,’ zei ik. Ik liep naar de slaapkamer.
‘Ben ik geweeheest!’
Niets tussen de topper en het kussen. In de lade van het nachtkastje? Niets in de lade van het nachtkastje. Nou, er lag wel wat in de lade van het nachtkastje, maar niets wat hier nu ter zake doet. Nu even logisch denken. Waar doet ze doorgaans ’s avonds haar bril af? Ik liep naar de naastgelegen slaapkamer. Daar staat haar bureautje, dat ook dienst doet als kaptafel en waar ze ’s avonds laat haar bril neerlegt. Ze kwam gisterenavond laat thuis van haar werk. Had ze een tas bij zich? Ik weet het niet; ik lag al in bed. Stel, ze wil haar bril af doen en er schiet haar wat te binnen. Dan loopt ze – met bril in de hand – naar een plek, daar doet ze iets, ze ziet iets anders wat ze zo nodig eerst moet doen en legt haar bril daar neer. Zou het deze vaste kast kunnen zijn? Daar staan verschillende van haar tassen. Ik deed de kast open. Onder de blouses en tunieken die er hangen stonden de tassen op een plank. Ik duwde de kleding iets opzij en schoof een tas wat aan de kant en …

‘Alsjeblieft.’
‘Hè? Wat? Waar lag hij nou?’
Ik legde het uit.
‘Wat goed van jou.’
‘Uiteindelijk is het toch een kwestie van logisch nadenken. Hij kán niet weg zijn. Hij moet hier érgens zijn. En ik ken je een beetje. Een beetje nogal goed, dus ik weet hoe snel je afgeleid bent, hoe verward je kunt zijn en hoe je allerlei dingen door elkaar doet zonder ook maar een van die dingen ook af te maken.’
‘O, ik ben toch zo blij dat ik met jou getrouwd ben!’

Ook de rest van de dag straalde ze, zo blij was ze.
Ik dacht: Als ze haar bril maar weer afdoet als ze me in bed beloont.

Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, mei 2020

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

21-05-2020

Hoog tijd voor een kroegverhaal (17)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2020 — bazbo @ 01:00

‘Laat mij nou ook eens wat zeggen, Bas.’
‘O pardon. Ik wist niet dat ik erdoorheen praatte.’
‘Ben je doof of zo?’
‘Helemaal doof niet. Wel erg slechthorend.’
‘Begin niet met dat het in de familie zit.’
‘Hoe weet jij dat nou, Jasper?’
‘Breek me de bek niet open.’
‘Geen haar op mijn hoofd. En ik heb er nogal wat. Hoewel, mijn vrouw zegt dat het steeds dunner wordt.’
‘Huh? Wat lul je?’
‘Opletten, Jasper. Zo mis je de context.’
‘Ik begrijp het allemaal niet meer. Jullie schrijvers maken alles zo moeilijk…’
‘Het is je vergeven. Je kunt er niets aan doen. Gaat je intelligentie wel zover dat je iets te drinken kunt gaan halen?’
‘Eh… iets drinken?’
‘Ja. Iets drinken. Dat doet men doorgaans in een café als dit. Voor mij water, graag. Mag uit de kraan.’
‘Oh, oké.’
‘Doe er zo lang over als je wilt. Dat mag heel lang zijn.’
‘Hoe lang precies?’
‘Maakt me niet uit. Als je maar weg gaat.’

Hij ging nog ook. U begrijpt, ik bevond mij in café De kut. Tja, die namen van de cafés, die verzin je niet. Nou ja, ik wel. Maar ik ben dan ook de verzinner van dit hele verhaal. Deel zeventien alweer. Hoe houd ik het vol? Deel zeventien en dat terwijl ik al zeker sinds ik de hele serie ben begonnen al niet meer in een café kom. Maar goed, nu dus wel. Om verwarring te voorkomen: ik bevond mij in café De kut.

‘Dag.’
Ik keek op. Het was de serveerster. ‘Dag Lisa,’ zei ik.
‘Wat mag het voor jou zijn?’
‘Ik blijf beleefd, dus doe mij maar enige opheldering.’
‘Eh, hebben we dat in het assortiment?’
‘Nee, meisje. Het is niet wat je denkt. Het is geen obscuur drankje of zo.’
‘Bas, je blijft een vreemde. Het zal des schrijvers eigen zijn.’
‘Misschien. Blijkbaar. Ontegenzeglijk.’
‘Zal ik je nu eens vertellen dat ik je totaal niet kan volgen?’
‘Dat hoeft ook niet, Lisa.’
‘Dan is het goed. Maar je wilde opheldering? Waarover?’
‘Over de naam van dit café. Wie heeft die verzonnen?’
‘De eigenaar.’
‘Dat valt me dan weer tegen.’
‘Ja, wat een kutnaam, hè?’ Ze moest lachen om haar eigen grapje.
‘Ga zo door, Lisa.’
‘Waarmee?’
‘Met lachen.’
‘Vond je mijn grapje leuk, dan?’
‘Nee, dat niet. Maar je bent leuk als je lacht.’
‘Dat is lief van je. Dat je dat zegt.’
‘Dat is ook lief van jou. Dat je dat zegt.’
‘Je maakt me verlegen, Bas.’
‘Wat denk je van mij?’
‘Je bent een charmeur, hoor.’
‘Ik doe mijn best om eerlijk te zijn.’
‘Die twee gaan niet samen?’
‘Niet met opzet.’
‘Wat is je opzet dan?’
‘Lieve Lisa, ik wilde je een compliment maken. Niet omdat ik iets van je wil, behalve die lieve lach van je, maar omdat ik graag eerlijk, open en vriendelijk wil zijn.’
‘Ik weet niet wat ik moet zeggen, Bas.’
‘Houd je mond dan maar dicht. Dat kan altijd.’
‘O? Praat ik zo dom dan?’
‘Dat hoor je mij niet zeggen.’
‘Het moest er nog bijkomen, zeg.’
‘Ik zou niet durven, Lisa.’
‘Volgens mij praten we hier lekker langs elkaar heen.’
‘Vind je dat lekker?’
‘Niet echt. Jij?’
‘Lekker is anders.’
‘Wat anders vind jij lekker dan?’
‘Als je weer leuk lacht, zoals daarnet.’
‘Bas! Nu moet ik weer zeggen dat ik dat lief van je vind. Dat je dat zegt.’
‘Ik vind het best.’
‘Hier. Je krijgt een kus.’ Ze boog naar me toe en gaf me een kus op mijn wang.
‘Ook lekker.’
‘Hihi. Maar waar ik voor kwam …’
‘Ja, waar kwam je eigenlijk voor?’
‘Gut, ik zou het bijna vergeten.’
‘Je bent serveerster en weet niet waarvoor je de klanten benadert?’
‘Zie ik er zo blond uit?’
‘Lisa, je bént blond.’
‘Gut ja, ik zou het bijna vergeten.’
‘Maar goed. Wat mot je van me?’
‘Wil je iets drinken?’
‘Moet dat?’
‘Niet per se. Maar het is hier een café. Doorgaans drinkt men hier iets.’
‘Dat zei ik daarnet tegen Jasper ook. Maar om op je vraag te antwoorden: als het niet echt hoeft: water. Mag uit de kraan.’
‘Als je liever niets drinkt, dan mag dat van mij, hoor.’
‘Dat is dan weer lief van jou.’
‘Wat zijn we hier lief voor elkaar, hè?’
‘Kleffe boel, zeg.’
‘Gut, een dialoog zoals deze zou toch perfect passen in zo’n kroegverhaal van jou.’
‘Lisa, je bent een schat. Ik wist niet dat er iemand is die die rommel van mij leest.’
‘Je bent te bescheiden. Ik vermaak me er uitstekend mee en vind het vaak grenzen aan het geniale.’
‘Grenzen aan. Dus niet …’
‘Hou maar op, Bas. Mierenneuker.’ Ze grinnikte.
Ik grinnikte met haar mee.
‘Maar ik heb hier te lang met je staan kletsen. Ik moet weer aan het werk.’
‘Het leven is kut, Lisa.’
‘Roep je me als je me nodig hebt? Bijvoorbeeld als je dorst hebt?’
‘Dat zal ik doen. En bedankt voor de opheldering over de kutnaam van dit café.’
‘Graag gedaan. Zal ik het opschrijven? Je hebt hier toch een bon?’ Ze knipoogde.
‘Loop heen, ding.’
Lachend verdween ze.

Ik keek haar na en zuchtte diep.
‘Kijk eens,’ klonk het.
‘Wat moet dat, Jasper? Je stoort me in een belangrijk moment van contemplatie.’
‘Hier. Water.’
‘Nee, dank je wel.’
‘Jij wilde water! Ik heb het voor je gehaald. En ik mocht er net zo lang over doen als ik wilde!’
‘Als je maar weg ging, Jasper.’
‘Nu hoef je het niet meer?’
‘Nee, dank je wel.’
‘Waarom niet?’
‘Anders moet ik maar steeds piesen. Bovendien ben je weer niet weg.’
‘Ik begrijp er niets van.’
‘Ik begrijp wel iets.’
‘O? Wat dan?’
‘Dat het hoog tijd is.’
‘Hoog tijd? Waarvoor?’
Zonder iets te zeggen stond ik op en ging naar huis.


Apeldoorn, april 2020

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

14-05-2020

Lotgenoten (0024)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2020 — bazbo @ 01:00

Lotgenoten,

Het was mis in mijn hoofd. Dreigende wolken maakten de lucht donker. De lente was al bijna twee maanden bezig, maar op het oog was er nog niet veel van te merken. Nu liep ik door een smalle straat met aan weerskanten kille hoogbouw. Nergens ook maar iets groen te bekennen. Dat werd even later al wat beter. Toen ik de hoek om ging, verschenen er oude vrijstaande huisjes met kleine tuinen ervoor. De meeste mensen hadden in die tuinen tegels gelegd of grint gestort. Op een enkele plek verscheen een plant. Iets verderop stond zowaar een magnolia, maar die was al een week of wat uitgebloeid. De viesroze blaadjes lagen nog her en der op het hobbelige voetpad te rotten. Lekker dan.

Het was mis in mijn hoofd, zei ik. Dat is het wel eens vaker. Toch was het de laatste weken rustig geweest in de kop. Je zou anders verwachten in deze tijden. Veel binnen zijn, nauwelijks persoonlijke contacten anders dan de buren, niet erop uit kunnen, geen concerten bezoeken, noem maar op. Had je me drie maanden geleden verteld dat de komende maanden er zo uit zouden gaan zien, dan had ik je voorspeld dat ik me als geen ander zou gaan gedragen als en vervolgens vereenzelvigen met de hoofdpersoon uit Cliënt E. Busken, het laatste meesterwerk van meesterschrijver Jeroen Brouwers. Maar het ging wonderwel goed. Vier dagen in de week thuiswerken lukte me uitstekend, ik herlas stapels boeken uit de kast, draaide platen die ik tijden niet had gehoord, deed wat achterstallig onderhoud in huis en lummelde in de zon op ons balkon. Ik kwam wel buiten, hoor. Zo deed ik mijn boodschapjes, maakte ik dagelijks een wandeling van een half uur tot een uur langs kanaal of door parken, en om de dag ging ik vroeg in de ochtend (lees: ver voor zeven uur) mijn fikse ronde hardlopen. Ik liet het virus mijn dagelijkse routines en dag-nachtritme niet verstoren! Acht weken lang opgehokt en nog vrolijk ook.
Nu was dat anders. Van het ene moment op het andere was er vanmorgen een gortdroge druk op mijn hersenen nedergedaald. De energie was verdwenen, alles voelde vol en vermoeid en er prikkelde voortdurend iets achter mijn ogen. De angst had me bij de keel gegrepen en benam me alle adem. Niets had enige zin. Niets maakte het waard om wakker te blijven. Het liefst sliep ik in. Voorgoed.
Ik zuchtte diep. Het mocht er zijn, wist ik. Gedachten zijn geen feiten. Ik kom de mentaal moeilijke tijden goed door als ik de dingen doe die er toe doen: er zijn voor mijn gezin, voor De Vrouw, De Zoon en Onze Vader, van betekenis zijn door mijn betaalde werk te doen en me in te blijven zetten voor mijn twee vrijwilligersklussen, als ik mijn hoofd leeg maak met om de dag dat rondje hardlopen, plus als ik tijd neem om te ontspannen door die stapel boeken te herlezen en die platen die ik tijden niet had gehoord te draaien. Daarnaast weet ik: dit is nu niet fijn, maar het gaat voorbij.

Ondertussen was ik een heel eind opgeschoten. Sterker nog: ik was waar ik moest zijn. Ik schrok ervan, want ik was me sinds de rotte magnoliabloemenblaadjes niet bewust van waar ik had gelopen. Ongemerkt was ik een drukke straat of twee overstoken. Ik zette de nog angstiger makende gedachten even opzij en ging de supermarkt binnen.
Ook hier verplicht een karretje. Dat was geen ramp, want ik neem er altijd een karretje. Twee keer in de week bezoek ik deze biologische supermarkt; daarnaast haal ik bijna nergens anders mijn boodschappen, of het moet bij de biologische groentekraam op de markt of bij de biologische slager zijn. Ik ben geloof ik nogal een biogondiër. Beter voor mijn lijf, beter voor mijn smaakpapillen, beter voor de dieren, beter voor de natuur, beter voor het ja nu weten we het wel.
Niet meer dan twintig klanten mogen er in de winkel. Ik heb er nog nooit meer dan twintig klanten gezien. Het is er altijd rustig, zeker op de dagen dat ik er ben. Ik kom dan ook vroeg, zoals op deze woensdagmorgen.

Ik liep mijn vaste rondje door de zaak. Tomaten, bosui, raapsteeltjes, paprika en courgette bij de groenten. Twee hompen kaas en een donker brood op de versafdeling. Risottorijst, granola, olijfolie, koffie en walnoten bij het droge spul. Griekse yoghurt en bakboter uit de koelvitrine. Hoppa: karretje bijna vol. Zo groot zijn de karretjes hier niet. Op naar de kassa, niet langer blijven dan nodig is.

Slechts een iemand voor me in de rij. Achter de kassa zat het jonge meisje met de rosse krullen in een paardenstaart, met de bleke huid en met de sproetjes rond haar neus. De meneer voor me pakte zijn boodschappen in een tas en liep weg. Mijn beurt.
‘Goedemorgen,’ zei ze zacht.
‘Hoi, goedemorgen.’
Achter me stonden nu twee of drie mensen met een karretje.
Met voorzichtige bewegingen haalde het meisje mijn boodschapjes langs de scanner. Ik duwde mijn winkelwagentje verder en keek door het plexiglazen paneel hoe geconcentreerd ze zat te werken. Ze keek op en glimlachte. Terwijl ik doorliep, knipoogde ik met beide ogen en lachte ik terug.
Aan het eind van de band begon ik mijn spullen in mijn tassen te proppen. Zware dingen onderin, de lichte legde ik er behoedzaam bovenop. Zo, zat alles er nu in?
Ik keek naar het meisje, dat op haar display aan het zoeken was. Hoe oud zou ze zijn? Vijftien? Zestien? Zeker niet ouder, misschien zelfs jonger. Verlegen, dat is ze. Door mijn hoofd schoten herinneringen over hoe angstig en onzeker ik zelf was toen ik zo jong was als zij. Zij durft een baantje als dit; ik moest daar destijds niet aan denken.

Ze zat nog altijd aarzelend op het display te zoeken. Toen draaide ze zich naar mij. Snel keek ik in mijn tas en deed net of ik de laatste boodschappen er een goede plek gaf. Het meisje zei iets, heel zachtjes. Ik liet het papieren zakje tomaten even voor wat hete was en boog naar haar toe. ‘Sorry, wat zei je?’ vroeg ik.
Ze kreeg rode wangetjes en fluisterde: ‘Wat zijn dit ook weer?’
Ik glimlachte. ‘Bosuien.’
‘O ja.’ Toen keek ze weer op het scherm en toetste iets aan. ‘Heeft u een klantenkaart?’

Die had ik. Ze scande hem, noemde een bedrag en dat bedrag pinde ik.
‘Tot ziens, meneer,’ zei ze.
‘Hoi, tot kijk,’ groette ik haar en ik veegde mijn oude, lange, grijze haren uit mijn gezicht.
Ze grijnsde en bloosde weer.
Wat een lief kind. Totaal vertederd pakte ik mijn twee boodschappentassen op en liep ermee naar de uitgang van de winkel.
Buiten scheen plots de zon. Ik was die hele sombere bui alweer vergeten.

Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, mei 2020

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

30-04-2020

Kroeshaar (S039)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2020 — bazbo @ 01:00

Zijn voetstappen waren niet te horen op het zachte asfalt. Om hem heen was het stil. Het was erg vroeg. Nog geen half uur geleden was de zon opgegaan. De straten waren leeg. Geen auto of fietser te zien. De stad ontwaakte traag.
Hij had zijn route zorgvuldig gekozen. Het liefst liep hij door parken en stille straten, maar soms ontkwam hij niet aan een wat drukkere weg. De laatste tijd lukte het hem steeds beter om ’s morgens vroeg zijn ronde te lopen. Verschillende routes had hij en vanmorgen had hij een halflange gekozen, deels langs een spreng, via een buitenwijk naar een park en nu dan op deze doorgaande weg. Hij was nu een half uur onderweg en merkte de eerste vermoeidheidsverschijnselen. Die negeerde hij. Gestaag rende de schrijver door.

‘Hey!’ hoorde hij. Dat moest voor hem zijn. Dat kon niet anders, want er was helemaal niemand op straat. Maar wie riep het?
Aan de overkant van de weg, stond iemand op de stoep. Een man. Aan de hand had hij een oude fiets. Hij zwaaide. ‘Hey!’ riep hij nogmaals.
De schrijver hield zijn pas in en bleef staan. De man was een donkere man. Een heel donkere man. Hij droeg sportschoenen, een spijkerbroek en een zwarte jas. Op zijn hoofd bedekte een honkbalpet zijn ravenzwarte kroeshaar. De man zei iets. De schrijver verstond hem niet goed en zette een stap naar hem toe. Hij stond nu midden op straat. De donkere man gebaarde dat de schrijver naar hem toe moest komen. Dat gebaar leek wat ongeduldig en commanderend.
‘Pardon?’ vroeg de schrijver, terwijl hij nog een paar passen dichterbij kwam. ‘Wat vroeg u precies?’
De donkere man leek te schrikken en zette grote ogen op. ‘Eh? Ben meisje?’ vroeg hij voorzichtig.
‘Meisje?’ De schrijver moest lachen. Hij had weliswaar lange haren, maar zag de donkere man dan niet zijn baard? Die was kort getrimd, maar toch. Daarnaast liep hij niet op naaldhakken en had hij hoegenaamd geen borsten van enkele betekenis. ‘Nee, ik ben een man.’
‘O.’ Hij haalde een papiertje uit zijn jaszak, vouwde het open en liet het hem zien. Er stond een adres op. Een straatnaam en een huisnummer. ‘Waar dit?’ zei de donkere man met zachte stem.
‘Dat is niet moeilijk,’ zei de schrijver. Hij wees de richting in waar hij zojuist vandaan kwam. ‘Die kant op. De eerste weg, daar is het al.’
‘Daar?’
‘Ja, daar.’
‘Dan?’
‘Die straat die je daar ziet, die je tegenkomt.’ Hij gebaarde een kruising met een weg er dwars op. ‘Die straat, die is het.’
‘Die?’
‘Ja. Die.’
‘O.’
De schrijver knikte vriendelijk en draaide zich weer naar zijn route. ‘Dag!’ riep hij nog. Toen maakte hij weer vaart en rende verder. Toen hij na honderd meter al lopende nog een keer achterom keek, zag hij de donkere man met de fiets midden op straat staan en een voorbijkomende fietser aanspreken. Die schudde zijn hoofd, maakte een afwerend gebaar en reed verder.

Au. Een steek in zijn borst. En een vlaag van angst. Hij minderde weer vaart en liep naar de stoep. Daar draaide hij zich weer om en keek terug de straat in. De man met de fiets was verdwenen. Misschien had hij toch de juiste weg gevonden.
De schrijver slaakte een diepe zucht en besloot het laatste stuk wandelend af te leggen. Van achter een herenhuis kwam de felle zon hem tegemoet.


Apeldoorn, maart 2020

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

16-04-2020

Lotgenoten (0023)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2020 — bazbo @ 01:00

‘Dag,’ begon ik. ‘Vorige week kocht ik hier bij jullie in de winkel deze cd.’

Terzijde:
Ja, lieve lotgenoten, ik ben er nog zo een die cd’s koop. Ik zal het je nog sterker vertellen. Soms koop ik ook grammofoonplaten. Vinyl. Google maar eens, als je niet weet wat een grammofoonplaat is. Ik ben er dus zo eentje, die een vinylliefhebber is. Maar het merendeel van de muziek die ik koop is op cd. Geen gestream of bestanden downloaden voor mij. Ik wil het fysieke album in mijn handen hebben. Hebben, ja. Iets bezitterigs is mij niet vreemd. Doorgaans ben ik niet meer zo van de heb. Zeker sinds we zijn verhuisd en heel veel kleiner zijn gaan wonen, verzamelen we een stuk minder spullen. Dat was in ons vorige huis anders. Toen hadden we ruimte zat. Vier slaapkamers, bijvoorbeeld, terwijl we maar met z’n drietjes waren. Al die lege ruimte hadden we in een mum van tijd volgestouwd met spullen. Spullen die we niet (meer) nodig hadden, maar altijd handig waren, ‘voor het geval dat’. ‘Je weet maar nooit.’ Drie jaar geleden verhuisden we en gingen we écht kleiner wonen. Heel veel spullen hebben we toen verkocht, naar de kringloop gebracht of weggegeven. Nergens spijt van, ook niet van de verzameling muziekinstrumenten. Het ging me aan het hart toen ik mijn Philicorda, mijn Yamaha CS-15 en mijn Roland Juno-1 verkocht, maar ik heb ze sindsdien geen seconde echt gemist. Het enige waar ik moeilijk afstand van kon doen waren boeken en platen. Zeker tachtig procent van onze verzameling boeken is meeverhuisd. Van de platen (vinyl, cd, dvd, bluray en videoband (ik heb geen videorecorder (meer (excuses voor al deze haakjes (dank je voor het grapje, Jeff))))) honderd procent. Ik zie geen televisie en luister geen radio. Belangrijkste reden daarvan is dat ik nooit zie of hoor wat ik op dat moment wíl zien en horen. Liever draai ik die platen of speel ik de films in de speler. Ondertussen bestudeer ik de hoes of het doosje. Wat dat aangaat is een elpee ideaal: je hebt echt wat moois in handen en de informatie is goed leesbaar. Bij een cd, dvd of bluray is dat anders. De plastic doosjes hebben de neiging tot barsten en de pukkeltjes waarin het plaatje zit geklemd breken snel af als je ze laat vallen, de digipacks zitten vol beschadigingen en om alle kleine letterjes te kunnen lezen moet ik toch echt mijn microscoop tevoorschijn halen. (Laat ik die nou net niet hebben meeverhuisd.) Niettemin, een album of muziekregistratie, of dat nu op elpee, cd, dvd of bluray is, dat is toch een totaalproduct: muziek, beeld en verpakking vullen elkaar mooi aan. Ja, daar betaal ik dan graag voor, ook al ben ik een van de weinigen op deze planeet die nog betaalt voor het kunstwerk. Ik steun de artiest, zodat die weer nieuwe mooie dingen kan maken. Inmiddels koop ik ruim veertig jaar muziek en ik vind dat ik mag zeggen dat ik een alleraardigste verzameling in de kast heb staan. En al kan ik niet alles bijhouden van wat er uitkomt en wat ik graag zou willen hebben, toch ben ik geregeld te vinden in de winkel. Nu is de platenwinkel in ons zo majestueuze Apeldoorn gevestigd in een herenmodezaak. Je verzint het niet. Er is ook een kappershoek en koffiecorner. Leuke toko en toffe toko-eigenaar, maar doordat er van alles wat is, is het assortiment qua muziek mij net iets te klein: voornamelijk bestsellers en een enkele aanbieding. Gelukkig werk ik drie dagen in de week in een andere provinciestad en daar is nog zo’n heerlijk ouderwetse platenzaak. De bakken met vinyl winnen er steeds meer terrein terug ten koste van de bakken met cd’s. Het nieuwste van het nieuwste in allerlei genres is er te vinden en daarnaast staan die vele bakken vol met klassieke of standaard-werken en ook veel bijzonder ander materiaal. En wat ze er niet hebben, dat bestel ik graag aan de balie. Ik krijg een berichtje in mijn mailbox als het er is en ik het in de winkel kan ophalen. Nu, na een paar jaar trouwe (bijna wekelijkse) klant, roept de bediening bij mijn binnenkomst: ‘Er is weer wat voor je binnen!’ (Dat wist ik zelf ook al wel, want ik had een mailtje gehad en waarom denk je dat ik de winkel binnen kwam?) En niet zelden vraagt men mij bij het afrekenen of ik – omdat ik de platen van Die en Die veel koop – de platen van Dat en Dat niet ook interessant zou vinden. Zó’n zaak, dus. In die winkel bevond ik mij thans, heden en nu. Maar dit terzijde.
Einde van dit terzijde.

‘Dag,’ begon ik dus. ‘Vorige week kocht ik hier bij jullie in de winkel deze cd. Toen ik ermee thuis kwam, drukte ik hem gelijk in de speler. Bij het eerste liedje dacht ik: Wat een teringherrie, waarom wilde ik dit kopen? Bij het tweede liedje had ik die gedachte niet meer, maar wel een andere: Dit komt me bekend voor. Het derde liedje kon ik headbangend meebrullen: Soulsucker! Tegelijkertijd liep ik naar de platenkast en wat ik al vermoedde, bleek waarheid: bij de O van Ozzy Osbourne stond Scream. Om een lang verhaal niet nog langer te maken: ik heb deze plaat al. Nog geen half jaar geleden gekocht, hier, bij jullie, in de winkel. Toen eenmaal gedraaid en in de kast gezet. Hij is er niet meer uitgekomen. Hier is het exemplaar dat ik vorige week hier bij jullie in de winkel kocht en hier is het bonnetje. Kan ik ‘m ruilen?’
‘Dat kan.’ Ik kreeg mijn geld terug.
‘Dat is fijn,’ zei ik. ‘Kunnen jullie ook een database aanleggen in jullie kassasysteem van de platen die ik hier bij jullie in de winkel koop? Dat als je de cd – die ik uit de bakken ruk en aan jullie overhandig – scant, dat er dan een melding bij jullie in het scherm opplopt dat ik die plaat al een keer eerder bij jullie heb gekocht? Dat moet technisch toch niet al te ingewikkeld zijn; bovendien scheelt het jullie een boel overbodig werk als ik het kom ruilen en voorkomt het bij mij zeer veel overbodige stress.’
‘Dat kan helaas niet.’
‘Wat een klerewinkel is dit toch ook.’ Woedend verliet ik de zaak.

Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, januari 2020

(Met dank aan de lieve jongens van Kroese Arnhem.)

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

02-04-2020

Het water

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2020 — bazbo @ 01:00

Het water deed de smaak veel beter tot zijn recht komen. Eerder dronk hij zijn whisky puur, zonder toevoeging van wat dan ook, maar sinds een echte kenner hem had verteld dat het veel beter is om wat water erbij te gieten, deed hij het ook maar. Bovendien was het goedkoper. Hoewel, nu goot hij het spul helemaal snel naar binnen. De alcohol brandde niet zo hevig in zijn keel en traagjes werd hij weer wat warm.
Leo keek om zich heen. Hij zat achterin de donkere hoek en had zo goed zicht op alles wat er in het café gebeurde. Er was niet veel volk. Vanaf de bar kwam iemand naar hem toe.

‘Leo, alles kits?’ Het was Rudi, die kende hij wel. Ook al kende hij hem liever niet.
‘Z’n gangetje,’ zei Leo. ‘Met jou dan?’
Rudi begon een verhaal. Leo luisterde maar half. Vanuit zijn ooghoek zag hij dat de deur van het café open ging en een man binnen kwam.
‘… je weet hoe het met Martijn is afgelopen.’
‘Huh? Wat zeg je, Rudi?’ Leo draaide zijn hoofd naar Rudi toe, maar bleef kijken naar de man in de lange regenjas die nu aan de bar was gaan zitten. De griet achter de bar zette een glas kraanwater voor zijn neus.
‘Martijn. Wat hem is overkomen.’
‘Dat. Och ja. Dingen gebeuren, Rudi.’
‘Maar hier, zo dicht in de buurt. Hij was een stamgast, Leo. Net als jij en ik.’
‘Maak niet zo’n paniek, vent,’ zei Leo. ‘En laat me even met rust, zeg. Ik kom hier om te ontspannen en kom jij hier een beetje reuring in m’n kop proberen te krijgen.’
‘Wat je wilt, Leo. Maar ik zeg je: voor je het weet, zijn ook gasten zoals jij …’
‘Oplazeren, Rudi.’ Leo keek hem nu giftig in de ogen.
Rudi haalde zijn schouders op, draaide zich om en liep terug naar de bar. Hij ging naast de man zitten die een slokje van zijn glas kraanwater nam. Leo zuchtte en bracht zijn whisky naar zijn mond.

Alsof hij nu al niet genoeg aan zijn hoofd had. Wat een avond was het tot nu toe geweest. Het begon al bij Alania. Die meid had hem een paar maanden geleden gesmeekt om aan werk te helpen. Hij had van alles voor haar gedaan: een kamer vrijgemaakt op een gunstige locatie, haar geld gegeven voor wat sloeriekleren, eenvoudige voorwaarden gesteld – driekwart moest ze afstaan aan hem, noem maar op. En denk je dat ze zich een beetje inzette? Vanavond zat ze op haar bank in plaats van dat ze voor het raam stond, dus klanten ho maar. Hij had haar eens even flink de les gelezen, maar hij had er een hard hoofd in of ze wel helemaal goed tot haar doordrong wat de consequenties konden zijn. Altijd gelazer met die Oostblokteven. Ze bibberde en beefde, dat wel.

‘Nog een whisky, Leo?’
‘Doe maar, Anja. En kom straks even bij me zitten. Ik heb behoefte aan een praatje.’
‘Geen tijd.’
‘Wat ben jij gehaast. Heb je een deadline of zo? Zo druk is het niet. Je moet tijd en aandacht hebben voor je klanten.’
‘Voor jouw soort klanten misschien, Leo. Maar hier in de zaak heb ik wel wat anders te doen.’ Anja liep terug naar achter de bar.
Leo zuchtte. De man die aan de bar zat, gleed van zijn kruk en verliet het café.

En wat een gedoe had hij met die Selina, zeg. Dat mens was normaal gesproken al labiel, maar sinds Martijn in haar kamer was vermoord, was ze compleet van het padje af. Op zich was een moord niet heel bijzonder, het gebeurde wel eens vaker in het wereldje. Maar deze was wel vreemd. Geen spoor van de dader te vinden. De politie tastte volledig in het duister. Selina had ook helemaal niets gezien, zei ze. Maar normaal aan het werk ging ze niet meer. Ze was bang. Voor de verkeerde dingen. Ze moest bang zijn voor hém, niet voor een ander. Hij had het haar daarnet nog eens flink ingepeperd. Ze stribbelde tegen en gilde en krijste alles bij elkaar. Hij had haar een paar fikse meppen tegen haar kanis moeten geven voordat ze eindelijk stil werd. Haar neus bloedde en hij rook haar onrust en haar angst. Toen duwde hij haar ruw voor het raam in het licht, maar van harte ging het niet. Gelukkig dat er net een potentiële klant voorbij kwam. Een vreemde snuiter, met een lange regenjas en een leren tas in zijn hand. Die vent bleef voor het raam staan. Selina gilde dat ze zo’n engerd niet wilde. Hij had haar door elkaar geschud en nog een flinke klap in haar gezicht gegeven, toen bond ze in en liet de vent binnen. Leo had ondertussen via de achterdeur het pand verlaten en was naar dit café gegaan, toe aan een goed glas whisky.

Die whisky was op. Leo stond op en ging naar de bar. ‘Hoeveel krijg je van me?’ vroeg hij.
Anja noemde het bedrag. Hij legde een briefje van twintig op de toonbank en zonder verder nog iets te zeggen liep hij naar de uitgang.
‘Tot later!’ riep Anja nog.
Hij bromde iets onverstaanbaars en ging naar buiten. Er hingen wat flarden mist. Nog één controlebezoek stond op zijn programma. Blonde Neel was een oude werknemer, die trouw haar werk deed. Ze was ervaren en wist hoe ze met lastige klanten moest omgaan. Nooit problemen met haar. Haar raam bevond zich in een straatje even verderop. Toch, voor de zekerheid wilde hij bij Neel langs. Leo koos de korte route en sloeg linksaf de smalle steeg in.
Net was hij de hoek om of hij hoorde achter zich een kort geluid. Hij wilde zich omdraaien, maar daar kreeg hij niet de gelegenheid voor. Plots een knallende pijn op zijn achterhoofd. Hij zag sterretjes en zeeg ineen. Nog net ontwaarde hij een figuur, een doodgewonde man in een lange jas die hem met kracht in zijn gezicht schopte. Toen werd het helemaal donker.

Leo kwam bij. Alles was zwart om hem heen. Hij kon zich nauwelijks bewegen. Er zat iets van een zak over zijn hoofd. Overal pijn. Iets of iemand sleepte hem over de grond. Hij botste met zijn hoofd ergens tegenaan.
‘Weer een deel van de afspraak uitgevoerd,’ hoorde hij iemand sissen. ‘Dringende noodzaak. Niemand die nu langs de vaart komt om je te helpen.’
‘Ik herken je stem!’ probeerde Leo te bluffen, maar hij had de kracht niet. ‘Ik weet je te vinden en laat je kapot maken.’ Vergeefse moeite. Een steek in zijn borst. Nog een en nog een.
Hij hoorde iets kabbelen en ruisen. Toen leek het even of hij gewichtsloos was. Plots was het heel koud, maar daar merkte Leo niets meer van. Boven hem sloot zich het zwarte water.


Apeldoorn, maart 2020

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 
Volgende pagina »