bazbo – de wereld van Bas Langereis

Bas Langereis leest u voor!

23-06-2022

Drie Duitse gedichten (1)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2022 — bazbo @ 01:00

Uit de serie Drie Duitse gedichten volgt hieronder het eerste gedicht.
De andere twee moet ik nog schrijven.



Drie Duitse gedichten (1)

Als we de Rossman uit komen, stuiten we op een optocht.
Van achter de kerk komt de fanfare tevoorschijn.
Acht heren in korte Hosen en met een jagershoed op de kop
spelen tetterdetet op trompetten en trommels.
Vier vrouwen lopen voor de hoempapajolijt uit,
met bloemen in de haren die in vlechten rond het hoofd plakken,
parmantig gekleed in lange wijde jurken en blouses met korte mouwen.
Ze dragen ieder een mand aan de arm.

We vragen ons af wat of er gaande is.
Het carnavalsseizoen is al lang voorbij,
maar je weet het nooit met onze oosterburen.
Ze hebben ons al vaker verrast.
(Ik noem 10 mei 1940, maar houd daar verder over op.)
Het weinige winkelende volk negeert het vertier,
kijkt naar de grond en vervolgt de boodschappenronde.
Veel meer is er dan ook niet te doen in het textielstadje.

De Dinkel kabbelt onnozel ik weet niet waarheen.
Die kerk lijkt oud, maar is het niet.
Goedkope namaak is het, net als veel in de winkels.
Het koude beton bladdert van hun grauwe gevels.
Voor neppe kledingmerken hoef je niet naar Gronau,
die hebben we hier thuis ook.
Een duif pikt iets van het beschadigde wegdek.
Het voetgangersgebied is nagenoeg leeg

en dat op zaterdagmorgen, kwart voor twaalf.
Dan hadden ze er net zo goed auto’s kunnen laten rijden.
De zon schijnt, maar niemand schijnt dat bijzonder te vinden.
De Duitse dames delen snoepjes uit.


Apeldoorn, mei 2022

Voor het eerst voorgedragen tijdens De verjaardag van Anja, een intiem feest vol verhalen, gedichten en kleinkunst, op zondagmiddag 22 mei 2022 in zaal De Walvis in Gigant te Apeldoorn. 

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

09-06-2022

Intiem – Lotgenoten (0042)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2022 — bazbo @ 01:00

Lotgenoten,

Ik ben nog maar net op weg, maar al bekaf. Vanmorgen gaat het niet zo soepel. Zoals gebruikelijk ben ik om vijf uur opgestaan, heb ik een mok koffie gedronken en mijn banaan en Griekse yoghurt met granola en noten en bessen gegeten. Ik zou dus voldoende energie moeten hebben. En zo enorm lang ga ik niet rennen.
Om de dag loop ik mijn ronde hard. Ik heb het nodig. Om mijn hoofd leeg te maken, onder andere. Die ronde is vaak grotendeels dezelfde. Ik zoek een route waar niet veel verkeer is en het liefst een door parken en achterafstraatjes. Nu woon ik in het centrum van ons zo majestueuze Apeldoorn en is het doorgaans voor zessen ’s morgens vrij stil op straat. Ik zoek ook naar wegdek dat lekker loopt. Geen strak gelegde klinkers, geen modern keihard asfalt. Ik heb weliswaar heel goede loopschoenen met gigantische demping, maar ik loop het lekkerst op het wat oudere zachte asfalt dat fijn veert en op halfverharde parkpaden.

Nu loop ik helemaal niet lekker. Ik kom moeilijk op gang en ben na een paar honderd meter al moe in de benen. Wat zeg ik? In mijn hele lijf. Er klopt iets niet, maar wat? Meestal duurt het even voor ik op gang ben en daarom doe ik opwarmoefeningen, maar dit is anders dan anders. Zo is er niks aan. En dat terwijl ik anders altijd met volle teugen geniet van de rust om mij heen, van de vogels die de stilte verbreken met hun vroege ochtendlied en van de eerste zonnestralen die me verwarmen. Het is mooi om te zien hoe de stad ontwaakt.
De overdag zo drukke weg is nu doodstil en ik hoef niet in te houden om hem over te steken. Ginds is het smalle pad langs het stadsstroompje met de groenstrook ernaast. Daar weer langs is het halfverharde wandelpad en nog weer links zijn struiken en daar weer achter een smalle weg waaraan woningen liggen. Dat wandelpad, daar wil ik overheen. Op andere dagen ben ik op dit punt volop op gang en ren ik energiek het parkachtige gebiedje in. Nu niet. Mijn lijf protesteert. Waarom? Wacht, ik weet het!
Ik moet poepen.

Dat poepen van mij, daar heb ik al veel woorden aan gewijd. Ik zal het kort houden. Helaas ben ik behept met onvoorspelbare darmen. Als ik de aandrang voel, dan moet ik binnen een paar minuten. Doe ik dat niet, dan doe ik het toch. Vroeger was het niet zelden dunne drek. Familiekwaal. Hoe zeg ik dat altijd? ‘Chronisch dunne kak spettert over onze genen.’ Sinds ik ben gestopt met alcohol drinken en vlees eten is dat grotendeels voorbij, maar de onvoorspelbaarheid is gebleven. Ik moet poepen.
En het klopt. Na het opstaan heb ik dan wel goed ontbeten; pas nu dringt het tot mij door dat er iets ontbrak aan het ochtendritueel. Meestal krijg ik na de koffie en het ontbijt de aandrang en dan bezoek ik het toilet voor ik de deur uitga. Deze morgen dus niet. Ik ben zo de deur uit gerend. Ik moet poepen.

Gelukkig, daar begint de rij bomen die het zicht vanaf de huizen op het looppad belemmeren. Daar zou ik eventueel. Als er geen mensen. Het is vroeg, nog voor zessen ’s morgens. Dus vast geen mensen die hun hond uitlaten.
Gelijk bij de eerste bomen houd ik mijn pas in en stap ik tussen de struiken. Ik schuif mijn onderbroek en sportbroek naar beneden, hurk en zet druk. Een dikke drol verlaat mijn lijf. Snel kom ik omhoog, trek ik mijn kleren naar boven en ik wil weer vaart maken.

Hé, wat is dat? Van links komt plots een fiets. Met daarop een jonge dame. Waar komt die nou vandaan? Is daar een doorgang tussen de bosschages door, van de weg naar dit pad? In de gauwigheid zie ik lange blonde haren, een rond gezichtje, zwarte korte jas, grijze joggingbroek en sportschoenen. En ik zie dat ze een hond aan de lijn heeft. Een bruine korthaar die me geen blik waardig gunt. Het meisje wel. ‘Hoi!’ zegt ze me iets te luid. Ze stuurt naar links en rijdt het pad in dat ik ook wil gaan.
‘Goedemorgen,’ kan ik uitbrengen. Dan rijdt ze van me weg en de hond sjokt iets voor haar uit, alsof hij haar voort trekt.

Ik blijf even staan. Het eerste wat me te binnen schiet is: Heeft ze me zien poepen? Zei ze daarom iets? Jongelui groeten doorgaans geen vreemden. Aan de andere kant: ze heeft een hond. Hondenbezitters groeten meestal wel de mensen die ze tegenkomen. Vooral andere hondenbezitters, dan. En ik heb geen hond. Ik heb wel zitten poepen in het wild, net als een hond. Behalve mijn moeder heeft nog nooit iemand mij zien poepen. Maar mama is dood. Op deze manier is nog niemand zo dichtbij mij geweest. Zelfs De Vrouw niet. (Plassen heeft ze wel eens gezien.) Ik deel iets heel intiems met dit meisje. Wat natuurlijk ook kan, is dat ze helemaal niets heeft gezien. Ja, een vent in blauw shirtje en kort sportbroekje die op het punt staat om te gaan rennen.

O ja, dat was ik aan het doen. Ik maak weer vaart en loop in de richting die de fietsster is gegaan. Terwijl ik verder hol, kijk ik haar na. Inhalen zit er niet in. Die hond is sneller dan ik.

Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, juni 2022

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

26-05-2022

Held

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2022 — bazbo @ 01:00

Ik heb veel helden. Mensen die ik bewonder, mensen aan wie ik een voorbeeld neem en mensen die mij inspireren.
Sommigen behoren tot de groten der aarde: natuurwetenschappers, ontdekkingsreizigers, kunstenaars, schrijvers, theatermakers, componisten, muzikanten. Anderen behoren dan weer tot mijn kring van naasten.

Mensen die mij inspireren, dan gaat het altijd over veelzijdigheid én over je ding doen, gedreven vanuit je eigen overtuiging, gewoon omdat er maar twee manieren zijn waarop je iets kunt doen: de eerste manier is jouw eigen manier en de tweede manier is de verkeerde manier. Doen dat waar je voor staat, ongeacht wat een ander daarvan denkt.
Bij zo iemand denk ik ook gelijk aan Willem Bierman.

Willem Bierman werd geboren op 18 maart 1948. Hij is een Apeldoorns schrijver en dichter, veelzijdig en wars van alle trends en meningen. Teksten en gedichten publiceert hij al sinds 1965 (nota bene mijn geboortejaar). Jarenlang was hij eindredacteur van zijn eigen literaire tijdschrift Prado.
Hij was de eerste stadsdichter van Apeldoorn (2009 t/m 2011). Tijdens zijn regime vond in Apeldoorn het drama van koninginnedag plaats en daar schreef hij een paar ontroerende stadsgedichten over. Op het herinneringsmonument bij De Naald staan zijn woorden:
‘Een schrikverbleekte wereld stokte;
de nacht viel zwart de dag binnen’.

Willem maakt zelden gebruik van conventionele dichtvormen of rijmschema’s. Wat we veel zien zijn lijstjes, gespreksflarden, gevonden teksten, lichte gedichten (light verse), kortverhalen en gebruiksaanwijzingen (berucht is zijn tekst ‘Hoe een tompoes te eten’ en hij was daarmee eerder dan al die andere Nederlanders die daarover schreven).
Beschrijvingen, observaties, absurditeiten, dadaïsme: Bierman kan met een paar pennenstreken verwarrende, maar ook nostalgische, prachtige en haarscherpe beelden oproepen.
Ook maakte hij een aangrijpende biografie over zijn oom, de broer van zijn moeder, die hij nooit heeft gekend omdat de jongeman in de vroege ochtend van 10 mei 1940 als een van de eerste Nederlandse soldaten sneuvelde bij vliegveld Valkenburg, gelegen in Zuid-Holland.
Willem is een van de eerste Apeldoorners aan wie bij leven een wikipediapagina is gewijd. Dat die pagina onvolledig en een rotzootje is, daar kan hij ook niks aan doen.

Bierman brengt de afgelopen jaren zo een- tot tweemaal per jaar een bundel uit, vaak in eigen beheer en in zeer kleine oplage.
Ik ben in de gelukkige omstandigheid dat ik zo ongeveer een abonnement op zijn boekjes heb en het was in zijn laatste bundel dat ik voor de zoveelste keer werd geraakt door zijn woorden.
Wat begint als een ogenschijnlijk nostalgisch en geestig beeld, krijgt een ontregelende en tegelijkertijd emotionele wending die noodt tot overpeinzen.
Hier is, uit zijn laatste bundel De maand van de nestbouw, het gedicht: Martha.



Martha

Ik herinner me haar in vele gedaanten
Hoe ze kon loeien als een koe
hoe ze balsturig de doorgang versperde
hoe ze amicaal langs broekspijpen streek
op een tafel sprong en haar blaas leegde

Dood nu, de laatste geit van de manege
Ze luisterde naar de naam Martha
maar luisteren deed ze niet
Ik mis haar zoals zij gemist wordt
We zijn en blijven allemaal ongelukkig

© Willem Bierman


Apeldoorn, december 2021

• • •
 

12-05-2022

(Fragment)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2022 — bazbo @ 01:00

mee. We hadden last van lekkage. Of nee, wij hadden geen last van lekkage, maar onze onderbuurvrouw wel. Ze was al eens aan de deur geweest en vertelde dat er een vochtplek op het plafond in haar keuken zat. Dat kwam vast door ons. Wij hadden toch een nieuwe keuken?

Die nieuwe keuken was zo nieuw niet meer. Mei 2017 hadden we hem laten plaatsen. Ik keek eens onder de keukenkastjes, de koel-vriescombinatie en ons mooie knalrooie Bellingfornuis met vijf pitten, een oven, een grill en een warmhoudkast. Niets te zien. Alles kurkdroog.
‘Kan natuurlijk ook ónze bovenbuurman zijn,’ opperde ik. ‘Die is zijn keuken aan het verplaatsen naar de andere kant van zijn woning Wij houden ons hart vast. De standleidingen lopen van boven naar beneden door een koof door het hele complex.’
‘O, dan zal dat het wel zijn.’ De onderbuurvrouw zou het in de gaten blijven houden.

‘Ik heb nu stromend water,’ zei de onderbuurvrouw een week of twee later.
‘Fijn dat u nu ook bent aangesloten op de wateraanvoer,’ wilde ik zeggen.
‘Langs de muren van de keuken,’ ging ze verder.
‘Oei, dat is niet zo mooi.’ Soms kan ik net doen of ik meelevend ben. ‘Ik ga onderzoeken of het bij ons vandaan komt.’

‘Van Bergen, loodgieter.’
‘Ja, goedemorgen. U spreekt met Langereis. Ik heb last van lekkage. Of wacht, ik heb geen last van lekkage, maar mijn onderbuurvrouw wel. Zij heeft druppend water in haar keuken, maar in de ruimte precies boven haar, onze keuken welteverstaan, daar is het helemaal droog. Kunt u voor mij het eventuele lek komen opsporen?’
‘Dat kan ik in principe wel, ja.’
‘Ik weet dat er bedrijven zijn die als het ware door de muur heen kunnen kijken om de lekkage te lokaliseren.’
‘Haha, als dat zou kunnen, meneer.’
‘Iets met warmte meten of vochtwaardes. En die met een camera door de muur gaan of de afvoerleidingen in.’
‘Meneer, ik kan natuurlijk bij u komen en dan bekijken waar de lekkage zich bevindt.’
‘Zo iemand zoek ik. Wanneer kunt u dat komen doen?’
‘Vandaag lukt dat niet meer, maar morgenvroeg tussen half acht en acht kan er een mannetje bij u komen.’
Morgenvroeg is het zaterdagmorgen en dan wil ik op tijd op de markt zijn, was mijn overpeinzing. Ik zei: ‘Fijn.’
We wisselden adres- en contactgegevens uit.

‘Goedemorgen.’ Het was vijf voor acht. ‘U heeft lekkage?’ De man had dezelfde stem als die ik gisteren aan de telefoon had.
‘Kijkt u eens, hier is de keuken. Het huis hieronder ziet er net zo uit als dit. Hier waar bij ons de koelkast staat, daar komt bij de onderbuurvrouw het water door het plafond.’
‘Ik ga eerst eronder eens kijken.’
‘Prima, meneer Van Bergen.’
‘Kurkdroog.’
‘Dat was wat ik u gisterenmiddag door de telefoon ook zei.’
‘Kan het uit de badkamer komen?’
‘Loopt u even mee. Kijk, hier is de badkamer.’
‘Als ik zo hier onder dit badmeubel kijk en in de douchecabine, dan is daar alles droog.’
‘Ach zo, meneer. En nu?’
‘Waar zit bij u de watermeter?’
‘U bedoelt bij ons in huis? De watermeter bevindt zich in het souterrain.’

In het souterrain bekeken we de watermeter.
‘De druk blijft constant. Dat betekent dat er geen water uit de waterleiding loopt. Daar zit de lekkage dus niet.’
We gingen weer naar boven.

‘De ketel? Waar is de verwarmingsketel?’
‘Achter u.’
‘Druk lijkt me voldoende, dus daar loopt ook niets uit.’
‘We hebben dus van alles uitgesloten.’
‘Ja. Het kan hieronder ergens vandaan komen.’ Hij wees op de koelkast. ‘Maar het kan ook ergens anders vandaan.’
Tot nu toe had ik nog niets nieuws gehoord. Of misschien toch: hij wist het ook niet.
‘Wat ik zou doen als ik u was,’ ging hij verder, ‘is een gespecialiseerd detectiebedrijf laten komen.’
Ik dacht dat hij dat was. ‘Fijn, dank u wel. Tot ziens.’
‘Fijne dag!’
Toen ik de deur achter hem dicht sloeg, dacht ik nog: Hij heeft niets gezegd over kosten of een rekening.

De volgende morgen stond er


Apeldoorn, maart 2022

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

28-04-2022

Hoog tijd voor een kroegverhaal (28)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2022 — bazbo @ 01:00

Het kan weer. Moest ik dan ook weer? Vooruit, ik waagde het erop. Ik haalde diep adem en liep toen Café Snaar binnen. Nou, nadat ik een halve meter binnen was, moest ik stoppen met lopen. Ik kon niet verder, zo vol was het er.
‘Jij ook weer eens hier?’ hijgde gelijk iemand in mijn nek.
Ik durfde me niet goed om te draaien, hief mijn linkerschouder en wierp met mijn linkeroog een voorzichtige blik naar achteren.
‘Hoe is het jou al die tijd vergaan?’ vroeg Bart, want hij was het. ‘Beetje doorgekomen? Jullie schrijvers kunnen altijd en overal aan het werk, dus jij hebt vast niet te klagen gehad. Schrijf je nog altijd?’
‘Wat is dat voor vieze lucht die mij tegemoet komt?’ vroeg ik. ‘Is dat het zweet van onder je oksels of komt het uit die put waar je ook je voer in propt?’
‘Wat zeg je?’
‘Wat was je vraag?’
‘Schrijf je nog altijd?’
‘Vreemde vraag aan een schrijver,’ zei ik. Ik gebaarde dat ik naar achteren moest en probeerde me door de meute te wurmen. Schrijven? Waarover dan? Ik had nog geen flauw idee.

Allemensen, wat een mensen. En ook zo dicht op elkaar. Had ik dit gemist? Ging dit ooit wennen? Ik kreeg een knie tegen mijn knie, een elleboog in mijn zijde en een heup tegen mijn billen. Maar goed dat er allemaal stof tussen zat, anders had ik een boel meldingen grensoverschrijdend gedrag kunnen doen. Waar was het toilet? Die kant op. Helemaal achter in dit Café Snaar, natuurlijk.

‘Bas!’ zwaaide Werner.
‘Hoe heet jij ook weer?’ brulde ik.
‘Even klaar met het werk?’ vroeg Werner. Welk werk, vroeg ik me af. Tijd om dit te zeggen kreeg ik niet, want Werner was me voor. ‘Altijd goed om je af en toe onder de mensen te begeven.’
‘Het is dat ik mij hier inderdaad staande weet te houden,’ zei ik. ‘Anders zou ik inderdaad onder de mensen liggen.’
‘Jij hebt altijd werk.’ Werner maakte een wegwerpgebaar. ‘Schrijvers hebben altijd iets om over te vertellen.’
‘Geen flauw idee wat je precies bedoelt,’ zei ik.
‘Wat zeg je?’
‘Dat bedoel ik.’
‘Dat moet ik zeggen.’
‘Sinds wanneer bepaal jij wie wat moet zeggen?’ zei ik. ‘Ben jij soms de regisseur van dit onzalige plan in dit café?’
‘Ik geloof niet dat ik je begrijp.’ Werner keek verward. ‘Maar dat is jullie schrijvers eigen. Eenmaal aan het werk leef je in een eigen wereld.’
‘Was het maar waar!’ Dan was ik hier nu niet in deze drukte. ‘Maar ik moet verder.’
‘Tot gauw.’
‘Liever niet.’
‘Wat zeg je?’
Ik gebaarde dat ik haast had en verder naar achteren moest. Daar was het nóg drukker.

Iemand gaf me van achteren een duw. Het voelde niet aan als moedwillig, maar het kwam wel onverwacht genoeg om een stap voorwaarts te moeten zetten. Bam. Daar botste ik tegen iemand op. Of meer tegen de riante boezem van iemand.
‘Hé Bas,’ zag ik de mond van de vrouw bewegen. ‘Heb je me gemist?’
Nog voordat ik nee kon schudden, had ze haar armen al om mijn nek geslagen en haar lippen op die van mij gedrukt. Haar tong drong naar binnen en ze likte mijn huig schoon. Ik probeerde haar zacht doch duidelijk van me af te duwen, maar dat ging lastig, want het kroegvolk stond dicht om ons heen en gaf weinig ruimte. De vrouw trok haar hoofd naar achteren en haar tong gleed uit mijn mond.
‘Hoe heet je ook weer?’ vroeg ik.
‘Ik vergeef het je,’ zei ze. Ze wierp haar lange blonde haren naar achteren en glimlachte. Op het eerste gezicht was ze niet onaardig om te zien. Blauwe ogen, een redelijk gaaf gebit en een smal gezicht. Van de rest van haar lijf zag ik niet veel, behalve het decolleté dat haar zwarte top niet aan de verbeelding overliet. Kende ik haar? ‘Tanja,’ zei ze.
‘Och ja, Tanja. Excuus. Hoe kon ik het vergeten?’ Ik wist het wel; het was totaal niet moeilijk.
‘Ik vergeef het je, zei ik toch?’
‘Och ja, sorry. Ik ben wat slechthorend. Bovendien praat iedereen hier zo luid door elkaar en de muziek staat erg hard.’
‘Daar heb je last van, hè? Ik weet het, want je hebt er wel eens over geschreven. Ik heb dat toen toevallig gelezen. Jij stelt je zo mooi kwetsbaar op. Dat vind ik aantrekkelijk. Schrijf je vaker over je onzekerheden? Waarover ben je nu aan het schrijven?’ Ze keek wat wazig uit haar ogen. Volgens mij was ze zo zat als een zebra.
‘Pardon, wat zeg je?’ Ik gebaarde dat ik haar niet verstond.
Tanja of hoe heette ze ook weer wilde iets zeggen, maar kreeg niet de gelegenheid. Werner was achter haar opgedoken, sloeg een arm om haar heen, greep een borst en trok haar achterover. Vervolgens duwde hij zijn mond op die van haar.
Ik draaide me om en zocht mijn weg verder.

Ging dat eerder ook altijd zo in een café, als ik naar het toilet moest? Dat ik daar alle tijd voor moest uittrekken, wilde ik die wc überhaupt bereiken? En wat vroeg die Tanja of hoe heette ze? Waarover ik nu aan het schrijven ben? Ik zou het niet weten. Ben ik aan het schrijven dan? Of is de serie ten einde? Nee, dat niet. Dit is een eindeloze serie. Ik ben niet aan het schrijven, want ik weet niets om over te vertellen. Ik ben aan het proberen om het toilet te vinden.
Wacht. Ik keek over hoofden en langs lijven. Daar, een meter of vier of vijf verderop was het toilet. Ik wilde me langs de lijven wurmen.
‘Ho ho!’ riep iemand. ‘Op je beurt wachten!’
Ik keek de iemand aan. Die wierp me een boze blik toe. ‘Ik wil niet voordringen,’ zei ik.
‘Wacht dan gewoon op je beurt!’
‘Staat deze ganse menigte in de rij of wat daar voor doorgaat om naar de wc te kunnen?’
‘Ja, als je veel drinkt, moet je ook veel zeiken, hè?’
Ik draaide me om. Ik had nog helemaal niets gedronken. Ook geen water, liefst uit de kraan.

Hoe kwam ik zo snel mogelijk weer terug naar buiten? Café Snaar stond barstensvol. Volgens mij kon er geen mens meer bij. Dat ging eindeloos duren. Was dit als vanouds? Was dit ook al zo toen ik het ooit nog leuk vond in een café? Of was het nu drukker omdat mensen dachten dat ze massaal naar het café moesten gaan omdat het weer kon? Of was het gewoon koningsdag? Ik riep en schreeuwde en gilde en brulde en duwde mensen opzij. Andere lui gingen uit zichzelf aan de kant. Niet heel lang daarna kwam de deur weer in zicht. Gelukkig. Maar wie stond daar pontificaal in de weg?
‘Jij gaat zeker naar huis, hè?’ Het was Bart weer, zo te ruiken. ‘Je hebt vast inspiratie opgedaan,’ schreeuwde hij. ‘Ik weet al waar je verhaal over gaat!’
Ik duwde ook hem opzij, gooide de deur open en ging naar buiten. Daar haalde ik diep adem. Op straat was het ook al zo belachelijk druk en ik had nog altijd geen idee.


Apeldoorn, april 2022

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

14-04-2022

Van mening

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2022 — bazbo @ 01:00

Voorzitter,

Om te voorkomen dat u concludeert dat ik te lui ben om
een beetje behoorlijk en logisch betoog te houden
want ik zie u alweer denken
en denken, dat is toch bijzonder voor mensen zoals u
zelf denk ik immers op hoog niveau
u hebt geen idee wat ik allemaal
niet dat het je wat aangaat, overigens
en nu we het er toch over hebben, zou ik graag
als ik zo vrij mag zijn om mijn wensen kenbaar te maken
als ik zo vrij mag zijn

maar nu u er toch over begint
vandaar dan ook dat ik
voordat de bom gaat barsten
dat is hier nu eenmaal gebruikelijk
vertel mij wat
totdat het tegendeel bewezen is
wat dat aangaat ben ik heel verdraagzaam
je zou het niet zeggen
je zou het niet zeggen

toch is het waar dat ik
en onderbreek me gerust als ik
NIET NU! NIET NU!
ik ben even in gesprek met deze mensen, ja
want iemand moet deze mensen te woord staan
die verantwoordelijkheid wil ik niet uit de weg gaan
geen enkele trouwens, maar daar had ik het niet over
waar ik het dan wel over had laat zich raden
doet u zelf toch ook eens wat
en als dan niemand zich geroepen voelt
voelt zich dan niemand geroepen

ik zou eraan willen toevoegen, voorzitter
het kan natuurlijk altijd beter
en ik doe mijn eigen onderzoek –
vroeger had je dat soort dingen niet
dat komt ervan
opdat we nooit vergeten
maar over al dan niet driehonderd duizend slachtoffers
daar kunnen we over discussiëren
ach pardon ik heb nogal een wind gelaten
maar waar had ik het over
ik stel alleen maar vragen
want – zoals mijn goede moeder zei
en lieve help wat zei ze veel
ik kwam er haast niet tussen
nee, je kan veel zeggen,
maar haast? ik kwam er niet tussen

verder is van belang
de opvang in de eigen regio
binnen bestaande afspraken en kaders
kijken wat we kunnen doen
zodat we allen vroeg of laat
ik zou trouwens ook niet weten wanneer precies
want mij ontbreekt daarover alle verdere informatie
wat dat betreft mag de bewegwijzering hier wel wat duidelijker
breek me de bek niet open
het gaat om onze vrijheid
maar gelukkig: er komen tribunalen
breek me de bek niet open
want er komen tribunalen

en daarom, voorzitter, wil ik
om te voorkomen dat u denkt dat ik te lui ben
om een beetje behoorlijk betoog te houden
wil ik graag tegenwerpen dat ik desondanks
niettegenstaande alle vermoeidheid
u wilt het allemaal niet weten
dat ik in mijn grenzeloze goedheid
ondanks alle tegenwerpingen van uw kant
waarmee u toch weer een bom legt onder
dat ik ondanks dat, dat ik ondanks dat
toch van mening ben.


Apeldoorn, maart 2022

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

31-03-2022

Fijne weekend!

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2022 — bazbo @ 01:00

Ik voel me niet geroepen om al die mensen met een buitenlandse achtergrond een beetje behoorlijk Nederlands te leren, maar wie gaat het in godsnaam dan wél doen? Het zou me niet moeten kunnen schelen dat de eigenaar van de Syrische supermarkt onze taal niet tot in de perfectie spreekt. Het gaat er tenslotte om dat we elkaar verstaan en dat doen we en bovendien is deze meneer de vriendelijkheid zelve – wat een aardige man – en het brood dat hij verkoopt is bijzonder smakelijk en ook nog eens zeer goedkoop. Je vraagt je af hoe het uit kan.

Ik geef toe: het gesprek dat we iedere zaterdagmorgen voeren is niet heel diepgaand of zo en dat hoeft ook niet. Afgelopen zaterdag ook weer.
‘Goedemorgen.’
‘Goedemorgen. Allesj goed?’
Ik wil zeggen: Nee, niet alles, maar waar ik invloed op heb, dat is goed. Maar ik vrees dat hij mijn uitgekauwde zinnetje niet kan volgen. U merkt: ook ik zit vol met aannames. ‘Ja, alles is goed. En met u? Hebt u het druk?’
Hij kijkt me vriendelijk aan, houdt zijn hoofd een beetje scheef, trekt met zijn mondhoeken en zegt: ‘Nee, niet. Valt mee.’
Tegen, denk ik. De meeste supermarkten doen het goed, maar die van hem dus niet. Inderdaad: iedere zaterdagmorgen dat ik hier in zijn winkel kom, is het er doodstil. Ik heb twee apart verpakte pide op de toonbank gelegd.
‘Deze doen?’
Nee, ik heb ze voor de kat z’n lol hier neergelegd. Doe mij maar die pot ingelegde kringspierabrikozen daarginds. ‘Graag,’ zeg ik. Ik trek mijn bankpas tevoorschijn.
‘Pienen?’
Nee, ik wil even mijn cocaïne fijnhakken. ‘Jazeker.’
Hij graait iets onder de toonbank en op het display van zijn pinautomaat verschijnt een bedrag. ‘Ies ietsj duurder nu,’ zegt hij.
Natuurlijk. Dan nog is het goedkoop. Ik hoop dat hij het redt ondanks de crisis, houd mijn pas voor het display en …
‘Gelukt,’ zegt hij.
Dat had ik ook wel door. Alle lampen gaan knipperen, het apparaat piept een nare piep en er schuift een lange bon tevoorschijn.
‘Bonnetsje?’
‘Nee, dank u wel.’
Hij scheurt het papiertje van het apparaat, verfrommelt het en gooit het op de grond. Vervolgens stopt hij de twee ronde broden in een plastic tas en houdt die omhoog.
‘Dank je wel,’ zeg ik, terwijl ik de tas van hem aanneem.
Hij sluit zijn ogen, legt zijn hand op zijn borstkas en buigt voor mij. Dan gebeurt het. Hij kijkt mij weer aan en zegt: ‘Fijne weekend!’

NEE! Het is geen ‘fijne weekend’! Het is: ‘Fijn weekend.’ Leer dat nou eens! Wie riep dat laatst nou ook? De pakketbezorger! Hij kwam aan de deur – De Vrouw had weer eens een nieuwe vibrator besteld of zo – en ik deed open en de jongeman zei iets onverstaanbaars.
‘Pardon?’ vroeg ik.
‘Mefrau [er klonk iets met een heleboel umlauts]?’ Dit was een Duitser of Zwitser of Tsjech of Georgiër of Let of Bulgaar of Serviër of een andere wijze uit het oosten.
‘O die, dat is mijn vrouw,’ gokte ik.
Hij drukte mij een doos in de handen.
‘Moet ik nog ergens tekenen?’
‘Nee, hoeft niet,’ zei hij. ‘Ist gut so.’
‘Dank je wel,’ zei ik.
‘Fijne weekend!’
Hij was weg nog voor ik hem een rotschop kon verkopen.

Die knul van de telefoonreparatiewinkel, die jongens van de kebabzaak, de kleermaker die een nieuwe knoop aan mijn gulp heeft gezet, die Poolse parkeerwachter, die Turkse of Marokkaanse of Syrische of Egyptische of Timboektoese of weet ik veel waar al die pizzabezorgers hun oorspronkelijke familiewortels hebben liggen, die kunnen er allemaal ook wat van: ‘Fijne weekend!’
Fijne weekend? Ik erger me KAPOT aan dat: ‘Fijne weekend’! Het is HET weekend, net als HET huis, dus is het met een bepaald lidwoord ‘het mooie huis’ of ‘het fijne weekend’, maar met een ónbepaald lidwoord ‘een mooi huis’ of ‘een fijn weekend’ en ook als je er een uitroep of wens van maakt zónder lidwoord dan wordt het: ‘MOOI huis!’ of ‘FIJN weekend’, dus GA TOCH WEG MET JE FIJNE WEEKEND!

Of wacht.
Ik voel me niet geroepen, maar heb het nu toch gedaan.


Apeldoorn, februari 2022

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

17-03-2022

Apeldoorn, maart 2022

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2022 — bazbo @ 01:00

De precieze dag is me even ontschoten. Hij probeerde wat onopvallend te doen, maar ik zag hem heus wel. Het was het einde van mijn ronde hardlopen en ik was bezig met afkoelen. In een rustige looppas liep ik het laatste stukje door het stadspark. Het was koud; de weinige beplanting was bedekt met een wit laagje ijs. Drie graden zou het vriezen vannacht. In de verte, van achter de hoogbouw, kwam het ochtendlicht tevoorschijn.
De man stond tussen de struiken langs het wandelpad. Ik herkende hem gelijk; ik kwam hem wel vaker tegen hier in het centrum van ons zo majestueuze Apeldoorn. Hij stond gebukt en keek om zich heen op de grond. Kennelijk hoorde hij mij aan komen lopen, want hij kwam overeind en keek mijn kant op.
‘Goedemorgen,’ zei ik in het voorbijgaan. Ik hoorde hem iets zeggen, maar wat, dat kon ik niet verstaan.

Een half uur later, even voor zeven, zat ik fris gedoucht achter mijn laptop. Er was weer van alles te doen. Vandaag was de thuiswerkdag. Twee dagen in de week ga ik met de niet meer stinkende streekbus (want elektrisch) naar de werkplek; een of twee andere dagen werk ik thuis. Vandaag, dus. Ik had muziek vol atmosferisch gepingel opgezet en in alle rust begon ik aan de dingen die er vandaag te doen waren. Uitdenken, regelen, schrijven. De uren vlogen om. Dat krijg je als je lekker geconcentreerd zit te werken. Tegen tien uur plopte er iets op het beeldscherm op: ‘Pauze!’

Op een bepaalde ochtend in de week is er een kleine markt gaande enkele straten verderop. Daar liep ik heen. Ik kocht vers fruit, wat kaas en een mooi desembrood. Allemaal biologisch natuurlijk, want het is een biologische markt. Geen gif in mijn lijf. Toen wandelde ik door het zonnetje weer terug.
Verhip, wie stond daar nou op de hoek van de straat? Diezelfde meneer. Nu niet voorovergebogen tussen de struiken, maar breed om zich heen speurend. Bij daglicht zag ik goed dat zijn broek bevuild was en dat er gaten in zijn schoenen zaten. Hij krabde in zijn baard van dagen. Wat zocht hij? Zou ik hem de weg naar het slaaphuis wijzen? Dat is niet ver hier vandaan. De man keek mij aan en knikte. Toen draaide hij zich om en liep al om zich heen kijkend van mij vandaan.

Ik werkte nog even door. Overleg, uitwerken, acties uitzetten. Tot er opnieuw een pauzebericht in mijn beeldscherm verscheen. Half een. Lunchtijd. De Vrouw was naar het werk, dus maakte ik een paar boterhammen voor mijzelf. Van dat stevige desembrood met pompoenpitten erin hoef je maar een paar plakken voor een zeer verzadigd gevoel. Wat van die kaas erop, paar toeven sla en happen maar. Twee mandarijnen als toetje. Zeer lekker. Ik waste de weinige afwas af, trok mijn jas aan en ging naar buiten.

Iedere dag maak ik een wandeling, ook als ik op de werkplek ben. Het is belangrijk om even van die werkplek af te zijn en het hoofd leeg te maken. Weer of geen weer. Nu was het weer. Zonnig.
Ik liep een rondje langs het Apeldoorns kanaal. Dat is op een steenworp afstand van mijn huis. Een mooi wandelpad loopt er langs beide oevers. Tussen het riet zitten de wilde eenden, meerkoeten en waterhoentjes. Twee grote zwanen zwommen met de stroom mee. Langs het pad ook bankjes, waarop ouderen uitrustten, de rollator naast zich.
Verhip, kijk nou. Daar had je diezelfde meneer weer. Hij stond op een kleine vissteiger en tuurde over het water. Ik probeerde te ontdekken waar hij nou precies naar keek, maar het leek wel of hij het hele wateroppervlak af zocht. Wel zag ik dat zijn lange regenjas aan de onderkant gerafeld was. De jas wapperde in de wind, net als zijn lange, wit wordende haren. Plots draaide hij zich om. Ik keek snel voor me en liep door. Ginds even de brug over en dan aan de overkant weer terug.

In de middag is het gelukkig wat rustiger op het werk. Dan heb ik volop de gelegenheid om dingen uit te werken en uit te schrijven. De vele overleggen plan ik liever in de ochtend, dan heb ik de meeste energie. In de middag kak ik vaak wat in; het resultaat van een fikse psychische tik die ik dik acht jaar geleden onderging. Tot op de dag van vandaag heb ik moeite met het verdelen van alle energie over de dag, maar over het algemeen lukt me dat heel aardig.
Half vijf sloot ik af. Ik pikte de krant uit de brievenbus, las kort de koppen en ging toen het avondeten voorbereiden. Wacht, daar had je De Vrouw terug van haar werk. Dag schat, hoe was het? Ja, ik ook lekker gewerkt. Ik maak iets met bloemkool, zal ik die grandioze salade van bloemkool met mango en linzen weer eens maken? Ja, goed idee. Barst, de blikken linzen zijn op.

Gelukkig is er een supermarkt op vijf minuten loopafstand. Met de auto doe je er langer over. Daar komt bij: als ik met de auto zou willen, dan zou ik eerst een auto moeten kopen en nog weer eerder rijles moeten nemen, want ik kan helemaal niet autorijden.
Ik liep door de leeglopende winkelstraat. De meeste zaken gingen sluiten; de supermarkt is open tot acht uur. Tot dat tijdstip staan er bij de ingang vaak allerlei lui. Het zijn veelal daklozen die daar altijd staan en het zijn vaak dezelfde. Nu stond er ook iemand anders bij. Ik herkende hem aan de gaten in zijn schoenen, zijn bevuilde broek en de rafels aan zijn lange regenjas. Hij besteedde geen aandacht aan de anderen die bij de ingang hingen, maar was druk tussen de gestalde fietsen. Gelukkig leek hij niet geïnteresseerd in de fietsen zelf, maar meer in wat er tussen de wielen op de grond lag. Af en toe pakte hij iets op: een blik, een leeg plastic zakje, een oud mondmasker. Hij bekeek het even, gooide het ook weer van zich af en zocht verder. Ik ging de winkel in op zoek naar een blik linzen.

Zo, dat smaakte weer voortreffelijk. De salade maak je in een braadslede in de oven. Eerst de bloemkoolroosjes met rode ui, aan het eind de mango en de linzen erbij. Goddelijk. Help me herinneren dat ik het recept eens deel. De afwas was weer snel gedaan. Nu nog even de uitpuilende afvalbak legen. Ik stopte alle plastic in een tas en haalde de emmer met groenafval uit het keukenkastje. De containers staan niet ver van mijn woning vandaan, dus dit was een klusje van niks.

Ondanks dat de straatverlichting was aangegaan, bleek het toch nog vrij donker bij de groencontainer. Ik legde mijn pasje op de scanner en er klonk een klik. Met mijn ene hand duwde ik de container open en met mijn andere hand zwaaide ik de emmer omhoog. Hoppa, handige beweging: alle groenafval in een keer in de bak. Container dicht. Klaar. Ik draaide me om en liep terug.
Beweging in de prikkelstruiken. Daar zat iets. Het was niet iets. Het was iemand. De iemand bleek op zijn knieën te liggen en stond nu op. In het weinige licht zag ik dat er zand in zijn baard en dorre bladeren in zijn lange haren zaten. Hij leek me te hebben opgemerkt.
‘Goedenavond,’ groette ik.
Hij keek me aan. ‘Goedenavond,’ zei hij.
‘Wat zoekt u toch?’ vroeg ik hem.
‘Hetzelfde als jij.’
‘O?’ Wat wist hij dat ik niet wist? En nu moest hij niet aan komen zetten met wijsneuzerigheden als De Zin Van Het Leven of Het Geheim Van De Vrouw of zo, want dan zouden er klappen gaan vallen. ‘En wat is dat dan?’
De man keek op, zag me diep in de ogen en zei: ‘Een pointe.’


Apeldoorn, maart 2022

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

03-03-2022

Frits – Lotgenoten (0041)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2022 — bazbo @ 01:00

Lotgenoten,

Er denderde weer eens een storm over het land. De storm had een naam, maar die ben ik vergeten. Ik kan niet alles bijhouden. Ben het overigens met Kamagurka eens dat we mooi weer ook een naam moeten geven. Ondertussen is het trouwens vaker takkeweer dan aangenaam, maar dat geheel terzijde. Laten we voor het gemak de storm even Frits noemen. Dat praat gemakkelijker. Frits denderde over het land.

Nu woon ik in het centrum van ons zo majestueuze Apeldoorn, in een appartementencomplex op twee hoog, bijna op de hoek van een straat die bekendstaat als ‘het tochtgat van Apeldoorn’. Bij de minste wind waai je er al weg. Als ik van twee hoog uit het raam kijk, zie ik menig fietser van de fiets, bromfietser van de bromfiets, motorrijder van de motor en bejaarde van achter de rollator gewaaid worden. Ook leuk was die keer dat de postbode vergeten had om zijn grote fietstassen dicht te doen. De brieven en kaarten woeien zo uit zijn tas en werden door de wind omhoog geblazen tot bijna boven de vier verdiepingen van ons appartementencomplex en de van het gebouw tegenover ons. Door onze straat stroomt ook de stadsbeek door een betonnen soort bak en het was een vrolijk gezicht alle poststukken door die beek te zien kabbelen.

Maar goed, die storm dus. Frits ging een lekker potje tekeer. Die vrijdagavond zag ik op Twitter (jaja) een vermakelijk filmpje van ons mooie Oranjepark, op een steenworp afstand van mijn woning vandaan. (Hoewel, je moet dan echt wel érg ver kunnen gooien of het moet met van die kleine keitjes zijn, dan red je het misschien.) In het filmpje rijdt een jonge vent op de fiets over een pad door het park en plots hoor je een stem: ‘Doorfietsen!’ Van links komt er dan een werkelijk enorme boom het beeld in vallen, die vlak achter de fiets op het pad terechtkomt. De fietser verdwijnt in de kleine takken. Dat zal schrikken zijn geweest, voor die jongeman. De maandag erop stond er een groot interview met hem in de lokale sufferd, waarin hij vertelde dat hij – op een kleine snede in zijn hoofd na – met de schrik was vrijgekomen. Ik ben dan wel benieuwd hoe hij moet hebben gekeken toen hij zijn bekeuring onder ogen kreeg, want in het Oranjepark mag je helemaal niet fietsen.

Die nacht van vrijdag op zaterdag hield Frits huis in het land. Mijn eigen woning kwam er goed vanaf: geen schade. Toen ik zaterdagmorgen opstond en uit het raam keek hoe verwoest of mijn omgeving was, viel me in eerste instantie niet zo veel op. Of wacht, moest je daar kijken. Bij ons schuin tegenover, op de hoek van de straat, staat een groot en hoog kantoorgebouw. Om dit bijzonder lelijke prutwerk van architectuur nog enigszins toonbaar te maken, is het voorzien van een artistiek bedoelde luifel boven de centrale ingang. Die luifel is vervaardigd van meerdere glazen platen en al meerdere keren zijn een of meerdere van die platen spontaan losgekomen (zonder dat er sprake was van enige wind) en op de daaronder gelegen stoeptegels aan splinters gesodemieterd. In dat geval was het trottoir onder de luifel afgezet met rood-witte hekken, teneinde de voorbijgangers te wijzen op het gevaar en te behoeden voor glassplinters in de voeten.
Welnu, ik wierp de blik uit het raam en zag aan de overzijde van de straat het voetpad onder de luifel van het kantoorpand afgezet met rood-witte hekken. Ik verwachtte dus dat er iets aan de hand zou zijn met die luifel. Maar dat was vreemd: alle glazen platen zaten nog netjes op z’n plek. Dan was er meer aan de hand. Ik keek verder naar boven en ja hoor: ruim vier verdiepingen boven de luifel hingen dakplaten te bungelen. Het zag eruit dat ze ieder moment naar beneden konden vallen, zo boven op de glazen luifel. Lekker dan. Fijn dat de hekken er stonden, want als je net onder de luifel zou lopen op het moment dat zo’n plaat erbovenop terecht komt, nou dan zijn de rapen gaar.

Nu is het op zaterdag een drukte van belang bij ons in de straat. De grote warenmarkt is tijdelijk verplaatst en bevindt zich zo ongeveer hier voor de deur. De doorgaande weg is afgezet en slechts voetgangers hebben toegang.
Wacht. Wat gebeurt daar nou aan de overkant? Moet je zien: die rood-witte hekken staan niet strak tegen de pui van het kantoorgebouw; er is nog veertig of vijftig centimeter ruimte tussen. En wat doet die mevrouw daar met haar zware boodschappentassen? Precies: ze wurmt zich tussen het hek en de pui en loopt onder de luifel door. Kijk uit, mens! O zie, ze is niet de enige. Die gast met die fiets aan de hand doet exact hetzelfde! Aan de andere kant van de luifel staat het hek trouwens wél redelijk strak tegen de pui aan, dus daar kan die fiets helemaal niet voorbij.
Een slecht voorbeeld doet goed volgen, zeg. De een na de ander neemt nu de korte weg onder de glazen luifel door en ver boven hun hoofd beginnen de dakplaten steeds vervaarlijker te bewegen.

Ik durf niet meer te kijken. Straks gaat het fout. Straks raakt er echt zo’n dakplaat los en dan valt die naar beneden bovenop de glazen luifel en dan … En daar wil ik geen getuige van zijn. Ik heb kippenvel over mijn hele lijf. Of moet ik de ramen open doen en gillen: ‘Kijk uit, randkameel! Levensgevaarlijk wat je doet! Maak dat je wegkomt daar, voordat er een dakplaat op je hersenloze kop sodemietert! Die hekken staan daar niet voor niets! Denk jij soms dat je slim bezig bent door je eigen onderzoek te doen en niet achter de schaapjes aan te lopen? Jij laat je niet weerhouden door een hek en je laat je niet vertellen wat je moet doen? Jij denkt zelf na? Als er al tribunalen komen, dan is het om domme debielen zoals jij te berechten!’ Moet ik dat doen?

O, gelukkig! Er is beweging op de bovenste verdieping. Er gaat een groot kantoorraam uit de sponning. Ik zie een paar mannen in geel fluorescerende hesjes van binnenuit een touw om de bungelende dakplaat binden. En daar! Boven op het dak staan ook meerdere mannen. Zij trekken nu langzaam, heel langzaam, de dakplaat naar zich toe. Ademloos kijk ik toe. Daarna hijsen de mannen op het dak ook de andere wiebelende dakplaten naar boven.
Beneden op straat loopt nog jan-en-alleman onder de luifel door, zich van geen gevaar bewust. Ik zucht van opluchting. Dat gevaar is geweken.

Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, februari 2022

Lees ‘m hier op FOK!.

• • •
 

17-02-2022

Onooglijk – Lotgenoten (0040)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2022 — bazbo @ 01:00

De meneer lijkt voor zich uit te praten, maar dat doen er tegenwoordig wel meer. Ik blijf het een gek gezicht vinden. Doordat ze tegenwoordig heel klein zijn, zie je die oordopjes niet. Met ferme pas loopt hij me tegemoet. Ik kan de meneer niet verstaan, maar hij is vast aan het bellen. Het interesseert me verder niet en ik werp een blik over het stadspark, in de hoop iets bijzonders op te kunnen merken.

We noemen het een stadspark, maar het is niet meer dan een onooglijke strook groen. Het is niet langer dan driehonderd meter en op z’n breedst is het nog geen honderd. Als je het doorkruist, maakt het niet uit of je dat doet over de lengte of over de breedte: je bent erdoorheen voor je het weet. Toch is er van alles te beleven.
Zo is er een niet al te grote skatebaan. Bij mooi weer zie je daar kinderen en jongeren druk in de weer op rolschaatsen, skateboard of bmx-fiets of hoe heet zo’n ding. Ze maken capriolen en voeren stunts uit. Een enkeling heeft zo’n bluetoothluidspreker bij zich en daaruit klinken dan stuwende beats. Als ik er langs loop en er is een groepje bezig, dan blijf ik altijd even staan kijken en niet zelden raak ik danig onder de indruk van de kunsten die ze maken.
Nu is het winter en is het parkje leeg en kaal, net als in de herfst. Maar straks in het voorjaar en in de zomer dan wordt het groen en ontstaan er beschutte plekjes.

In de lengte kronkelt de stadsbeek De Grift door het park heen. Het is natuurlijk andersom: De Grift was er altijd al; later is het stadspark erlangs aangelegd.
De Grift ontspringt ergens in het Orderbos, vlak bij de wijk waar ik werd geboren en waar ik ben opgegroeid. Er stromen meer beken door ons zo majestueuze Apeldoorn. Die beken ontspringen uit natuurlijke bronnen en hebben in de loop van de negentiende eeuw een belangrijke functie gekregen: nogal wat wasserijen waren erlangs gevestigd. Die wasserijen zijn inmiddels verdwenen en ook De Grift dreigde verloren te gaan. Wat jaren geleden besloot de gemeente De Grift in ere te herstellen en nu stroomt hij op veel plaatsen weer zichtbaar, ook hier door de binnenstad.
In de loop van de afgelopen jaren is het water weer van uitmuntende kwaliteit geworden. Het is inderdaad opvallend helder. De natuur heeft zich hersteld; er zijn weer bijzondere planten en dieren in De Grift waargenomen die eerder niet meer voorkwamen. De beekprik bijvoorbeeld was jaren verdwenen en nu is hij weer terug.
Ook al is het hoogteverschil in het stadspark gering, de ontwerper heeft speelse waterpartijen bedacht en laten aanleggen. Daar waar het park breder is, liggen ook bredere bassins, zodat het lijkt of er een meertje is. Betonnen bakken in het water zijn begroeid met beplanting van riet en vormen een veilige broedplek voor watervogels.

Waar je ook loopt, staat of zit in het stadspark, je ziet altijd het indrukwekkende Herzbergergebouw. Langs het park loopt een drukke doorgaande weg en aan de overkant ervan staat het pand dat beroemd is geworden door die verzekeringsmaatschappij die we kennen onder de naam Centraal Beheer. De beroemde architect Herman Herzberger ontwierp het in 1972. Het is een hippiekantoor, met veel open ruimte, glazen puien en licht overal. De kubusvormen waren destijds revolutionair. Later – ik meen begin van de jaren tachtig – is er een afzichtelijke vleugel aan vast gebouwd. De verzekeringsmaatschappij zit er al lang niet meer; vanaf 2001 verhuisden steeds meer afdelingen naar een nieuwbouwlocatie aan de zuidkant van de stad en per 2013 staat het hele gebouw leeg. Een tijdje was er anti-kraak en konden kunstenaars er hun atelier in vestigen, totdat er plannen kwamen voor hergebruik. Die plannen gingen niet door en de laatste jaren verpaupert het enorm. Meerdere plannen voor herinrichting zijn gemaakt maar tot nu toe is er niets gerealiseerd. Onlangs kwam het bericht dat er dan toch woningen in komen en het is te hopen dat dit karakteristieke bouwwerk inderdaad mag blijven voortbestaan.

De dieren in het stadspark zal het allemaal worst wezen. Voor hen is het van belang dat er voedsel is en dat blijkt er volop te zijn, gezien de goede conditie van het water in De Grift en de veelheid van soorten erin en eromheen. Ik wandel en ren bijna dagelijks door het parkje en steeds weer ben ik blij dat ik de diversiteit kan constateren. Wilde eenden, waterhoentjes, meerkoeten, eksters, meeuwen zijn er altijd waar te nemen. Af en toe tref ik er een reiger aan. Het is me ook al een paar keer gebeurd dat ik verrast werd door een blauwe streep die over het water scheerde. Inderdaad: een ijsvogel. Kennelijk nestelt die wat verderop waar het rustiger is, maar komt-ie af en toe hier naar voedsel zoeken. Ook regelmatig te zien: ratten.
Honden zijn er bij de vleet. Langs het smallere deel van het park is een veldje dat is ingericht als hondenuitlaatplaats en de buurtbewoners maken er grif gebruik van. Ik ben zo’n buurtbewoner, maar ik heb dan weer geen hond. Wel kom ik de hondenbezitters tegen en dan knik of groet ik beleefd. Al veel aardige aanspraak gehad. Met de overbuurman die maar liefst drie honden uitlaat, met de mevrouw die mij ’s morgens in alle vroegte voorbij ziet rennen, met de oude overbuurvrouw die bij nader inzien tegen haar hond praat in plaats van met mij.

Langs de bredere bassins van de beek liggen recreatiegedeelten van steigerhout. Er is volop zitgelegenheid bij het kabbelende water. Als het mooi weer is, dan zitten de bankjes vol. Weer of geen weer: er hangen allerlei lui te drinken of te blowen.
Daar, vlak achter het gebouwtje dat de ingang is naar de ondergrondse parkeergarage, daar liggen nog wel eens die twee verwarde personen te slapen en ik ben benieuwd of dat ze er nu –

De meneer is ondertussen vlak bij mij. Nu pas zie ik zijn afgetrapte sportschoenen, de scheuren in zijn broek en de vieze vlekken in zijn jas. Ik hoor zijn stem en nu kan ik hem verstaan. ‘Kankergemeente. Kankerpolitie. Kanker-UWV,’ klinkt het. Volgens mij is hij helemaal niet aan het bellen. Met wijd opengesperde ogen en luid voor zich uit pratend loopt hij me voorbij. ‘Kankerbegeleiders. Kankerfamilie. Kankerpolitiek. Kankerlui. Kanker-…’

Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, februari 2022

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 
Volgende pagina »