bazbo – de wereld van Bas Langereis

Bas Langereis leest u voor!

01-12-2022

Benauwd (#zkv)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2022 — bazbo @ 01:00

‘Ik voel me benauwd in onze relatie,’ zei ze. ‘Het is alsof je me verstikt. Ik krijg van jou zo weinig ademruimte.’
‘Je brengt me op een idee,’ zei hij. ‘We zouden het inderdaad allemaal wat spannender kunnen maken.’
‘Hoe dan?’ vroeg ze. ‘Je wilt toch geen open relatie of zo?’
‘Nee hoor,’ antwoordde hij. ‘Maar wat dacht je van wurgseks?’


Apeldoorn, november 2022

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

24-11-2022

Gas – Lotgenoten (0046)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2022 — bazbo @ 01:00

Well the toilet went crazy yesterday afternoon
The plumber he said: ‘Never flush a tampoon’
This great information cost me half a week’s pay
And the toilet blew up later on the next day


– Uit: Flakes (Frank Zappa)

Lotgenoten,

We zagen de vrachtwagen al door de straat rijden. Veel te ver. Ho! Hier moet je zijn! zwaaiden we vanaf de tweede verdieping. De telefoon ging. De bezorger. Waar of hij wezen moest. Hij stond bij huisnummer 27, maar daar was geen reactie.
‘Nee klopt,’ zei ik. ‘Je moet ook op nummer 79 zijn. Het staat goed op de koopovereenkomst, maar niet op de factuur die jullie me hebben gestuurd. Ik heb hier al vier keer over gebeld en al vier keer zei een aardig iemand aan de andere kant van de lijn dat hij of zij het zou wijzigen.’

We gaan van het gas af. Binnenkort laten we in ons appartement overal infraroodpanelen plaatsen, zodat we de cv-installatie niet meer hoeven te gebruiken. Onlangs lieten we diezelfde cv-installatie én de combiketel opnieuw instellen, opdat we zuiniger stoken en we het water op zuinige wijze verhitten. De (elektrotechnisch) installateur liet nogal op zich wachten, maar begin oktober was het zover. Tegelijkertijd lieten we hem een wandcontactdoos in de keuken aanbrengen, waar de perilex-stekker van ons bestelde inductiefornuis in kon. Dat fornuis hadden we in de eerste week van september bij een niet nader te noemen keukengigant besteld. Het was eenzelfde fornuis als we al hadden, met drie ovens en vijf gaspitten (terwijl we maar twee handen hebben!), maar dan met een inductieplaat erin in plaats van die gaspitten.
Op een mooie woensdagmorgen in oktober zouden we ons mooie nieuwe kooktoestel bezorgd krijgen.

‘Zo,’ zei hij. Het enorme pakket stond midden in de woonkamer. ‘Dan wens ik jullie nog een fijne dag.’
‘Helemaal niet,’ zei ik. ‘Je gaat hem ook nog installeren en plaatsen.’
‘Nee, ik ben alleen van de bezorging.’
‘Maar ik heb bij de aankoop geregeld dat er iemand mee zou komen die het fornuis ook gaat monteren.’
‘Nou, ik niet, want ik bezorg alleen maar.’
‘En nu? Wie gaat het apparaat plaatsen?’
‘Ik zou het niet weten.’
‘Ja, maar wat nu? Met wie kan ik contact opnemen?’
‘Geen idee. Ik zou het bij de winkel proberen. Fijne dag.’

‘Ik hoor van de receptie dat er iets niet goed gaat.’
‘Dat kunt u wel zeggen. Zojuist is ons bestelde fornuis bezorgd. Ik heb bij de aankoop ook een monteur geregeld die ons fornuis zou installeren, maar die zat er niet bij.’
‘Ja?’
‘Hoe laat komt vandaag de monteur?’
‘Ik kijk even in de planning. Vandaag gaat niet lukken.’
‘Jawel, hoor. U regelt dat er vandaag nog een monteur komt. Ik heb gisterenavond het oude fornuis uit de keuken gehaald.’
‘Vandaag gaat echt niet meer lukken, zie ik.’
‘En hoe laat komt er morgen dan iemand?’
‘Nee, deze week sowieso niet meer. Ik kijk even … het wordt zeker eind van de volgende week.’
‘Vááááát? Eind van de volgende week? Dan staat het fornuis dus tien dagen midden in de woonkamer hier en moet ik dus het oude fornuis weer terugplaatsen!?’
‘Dat lijkt me het beste, ja.’
‘Kan het echt niet eerder?’
‘Nee, het wordt op z’n vroegst volgende week vrijdag. Ik wens u nog een fijne dag.’
Er kon geen sorry van af.

Die avond aten we buiten de deur en de volgende dag hielp iemand me om het oude fornuis weer terug te plaatsen. Zo’n joekel van negentig centimeter breed en met drie ovens erin is geen lichte kost.
Een week later belde ik voor de zekerheid de keukenboer nog even.
‘Goedemorgen. Ik bel voor de zekerheid. Er moet morgen een monteur ingeroosterd staan om bij ons een fornuis te plaatsen en installeren.’
‘Wat is uw postcode?’
Ik noemde mijn postcode.
‘Op nummer 29?’
‘Nee, op nummer 79. Dit is de vijfde keer dat ik ons huisnummer bij u laat corrigeren. Maar kunt u zien of er morgen een monteur komt?’
‘Ja, volgens mij wel.’
‘Ik wil het zeker weten en anders moet u nog regelen dat er zeker iemand komt.’
‘U mag erop rekenen.’
‘En hoe laat komt de monteur?’
‘Dat staat er niet bij.’
‘Maar u kunt me toch wel zeggen of het in de morgen of in de middag is?’
‘Nee, dat kan ik niet zien. Fijne dag.’

Zowaar, de volgende dag om twaalf uur stond Jan in huis. Aardige vent. Hij haalde het fornuis uit de verpakking en wist de hele woonkamer en hal ermee vol te leggen.
‘Waar heeft u de perilex-steker?’
‘De wandcontactdoos zit in de keuken, daar waar het fornuis moet komen.’
‘Dat begrijp ik, maar waar is de kabel en de stekker?’
‘Geen idee, zat die niet in de verpakking?’
‘Nee, het fornuis wordt geleverd zonder kabel en steker. Bij aankoop maakt de winkel duidelijk dat de klant de elektrotechnische zaken zelf moet regelen. Komt de elektricien ook?’
‘Huh? Nee. Alles is aangelegd. U gaat het fornuis aansluiten en op de juiste hoogte stellen.’
‘Dus het is niet alleen plaatsen, maar ook installeren. Dat hadden ze in de winkel beter met u moeten afspreken. Het werkt veel efficiënter als de elektromonteur er nu was geweest om de kabel en de steker te monteren, dan kan ik het apparaat verder plaatsen.’
‘Je gaat me niet vertellen dat je nu niet verder kunt.’
‘Nee, het komt goed. Ik loop terug naar de bus en haal een kabel en een steker.’

Hij monteerde de kabel aan het fornuis en vervolgens de steker weer aan de kabel. Toen tilden we het gevaarte op een deken en sleepten het over het laminaat naar de keuken.
‘Eerst testen of alles elektrotechnisch in orde is.’
Het enorme fornuis nam alle ruimte in de kleine keuken in. Jan klom erachter en drukte de perilex-stekker in de speciaal daartoe aangelegde wandcontactdoos. Pats.
‘De stroom is eraf geklapt,’ zei hij.
Dat had ik zelf ook gemerkt.
Hij klom weer terug. ‘Waar is de meterkast?’
Ik wees hem de meterkast. Hij liep een paar keer heen en weer.
‘Hm, hij blijft eruit klappen. Heeft een erkend installateur dit aangelegd?’
‘Zeker.’
‘Ik kreeg de stekker er niet echt soepel in. Wilt u de installateur eens bellen?’
‘Ik hoop dat het lukt. Het duurde lang voordat we de afspraak hebben kunnen maken met dit bedrijf. Communicatie gaat niet snel.’ Ik zocht het nummer in mijn telefoon.
‘Dit is de voicemail van de firma,’ klonk een stem. ‘Op dit moment houden we lunchpauze. We zijn er weer om één uur.’ Geen mogelijkheid om iets in te spreken.
‘Dat is over een kwartier,’ zei Jan. Hij keek op zijn horloge.
‘Wil je koffie?’ vroeg ik snel.
‘Laten we dat maar even doen. Ik heb nog een boel andere klanten vanmiddag. Die willen hun klus ook graag voor het weekend gedaan hebben.’

De deurbel ging. De bovenbuurman. ‘Ik weet niet wat je aan het doen bent, maar bij ligt alle stroom eraf.’
‘Huh? Hier zit alles er allemaal weer op.’
‘Ben je ook in dat zwarte kastje geweest?’
Ik wist van geen zwart kastje. Gedrieën stonden we voor de meterkast.
‘Kijk,’ zei de bovenbuurman, ‘dat zwarte kastje, daar zit alles doorgelust naar boven. Daar zit een zekering in en die moet nu vervangen.’
Ik vertelde dat we contact aan het maken waren met de elektricien en dat ik hoopte dat het allemaal snel verholpen zou zijn. ‘Ik kom het je vertellen als het zover is!’
‘Ik wacht het af.’ Bovenbuurman vertrok weer.

Zowaar, tien minuten later kregen we gelijk iemand aan de lijn. Ik zette de telefoon op de speaker en vertelde wat er gaande was.
‘Wanneer is dat geweest dat wij dat hebben aangelegd?’ vroeg Geert.
‘Dinsdag 4 oktober,’ wist ik uit mijn hoofd. ‘Dus bijna een maand geleden.’
‘Ik zie dat u ook nog geen factuur heeft gehad.’
‘Klopt. Daar heb ik al een keer of twee over gebeld en een keer of vier over gemaild.’
‘En wat is er aan de hand?’
Ik zuchtte en legde het nog maar een keer uit en overhandigde de telefoon aan Jan. Geert en Jan voerden een geanimeerd gesprek over elektrotechniek. Toen hingen ze op.
‘Er komt iemand,’ zei Jan.
‘Nou, da’s mooi.’
‘Dan ga ik.’
‘O? En dan?’
‘Als de elektricien alles voor elkaar heeft, laat het mij dan weten. Dan kijk ik of ik vanmiddag nog even langs kan komen. Anders wordt het morgen of woensdag.’
Vááááát?

Nog geen vijf minuten nadat Jan was vertrokken, ging de deurbel. Ik herkende hem van een paar weken geleden: de elektricien. Die moeten elkaar bij de voordeur buiten zijn tegengekomen.
‘Er waren problemen met de stroom?’
‘Nee, die zijn er nóg,’ zei ik. Ik legde het allemaal uit.
De pief kroop achter het fornuis en ging vervolgens naar de meterkast. ‘De steker past en zit er nu goed in,’ zei hij. ‘De meterkast is op orde.’
‘Maar er moet nog iets in dat zwarte kastje,’ wees ik.
‘Dan moet ik het zegel verbreken.’ Hij keek me vragend aan.
‘Nou ja, als het nodig is om daar een zekering te vervangen, dan doe je dat? Dan heeft de bovenbuurman ook weer stroom.’
Twee minuten later was hij klaar. ‘Maar ik kan het kastje niet verzegelen,’ zei hij. ‘Daarvoor moet ik nog een keer terug komen.’
‘Prima,’ zei ik.
De pief ging af.

Ik liep naar de bovenbuurman en belde bij hem aan, maar hij deed niet open. Nog een keer belde ik. De deur ging open.
‘Mijn bel zit op de wifi en de stroom ligt eraf, dus hoor ik de bel niet,’ zei hij. ‘Maar ik zag in het voorbijkomen beweging, dus je hebt mazzel.’
‘De stroom zit er bij ons weer goed op en de zekering in het zwarte kastje is vervangen.’
‘Ik heb contact gehad met de netwerkbeheerder. Die moet nog ergens een schakelaar omzetten.’
‘O? En waar is ergens?’
De bovenbuurman begreep dat ik er de ballen verstand van heb en zei: ‘In zo’n elektriciteitskast ergens.’ Hij wees van de galerij naar een plantsoen.
‘Oké en weet je hoe laat hij er is?’
‘Volgens het rapport moet het voor half vijf gedaan zijn. Ik krijg bericht.’
‘Nou, mooi. Ik hoop dat je vriezer dan nog niet ontdooid is. Excuus voor de overlast.’ Ik ging weer een verdieping lager.

Net wilde ik mijn voordeur achter me dicht trekken, toen ik zag dat daar iemand stond. Het was een wildvreemde man, maar in werkkleding en hij droeg een spanningsmeter bij zich. De twee rode handvatten hingen met een rode kabel om zijn nek.
‘De stroom is eraf?’ vroeg hij.
‘Eh ja,’ stamelde ik. ‘Maar je collega was hier tien minuten geleden. ‘We wachten alleen nog op de netwerkbeheerder.’
‘Maar ik bén van de netwerkbeheerder.’
‘Ach zo. Nou, de stroom zit er weer op. Maar wat ik van de bovenbuurman begrijp, is dat u ergens een schakelaar moet omzetten.’ Ik wees van de galerij naar een plantsoen.
‘Mag ik even in uw meterkast kijken?’
Dat mocht hij.
‘Wie heeft dit zegel gebroken?’ vroeg hij.
‘De elektricien die net tien minuten geleden vertrokken is,’ vertelde ik.
‘Dat mag helemaal niet,’ zei hij resoluut. ‘Daar kan hij een heel hoge boete voor krijgen.’ Hij ging aan de slag. ‘En als hij nou ook nog de goede zekering erin zou hebben gedaan, …’ Toen was hij klaar. ‘Zo, en nu wil ik graag naar de algemene schakelkast. Waar zit die?’
‘Geen idee,’ zei ik. ‘Ergens in een plantsoen?’
‘Nee, die moet hier in het pand zijn.’
‘Dan heb ik nog geen idee. Maar loop even mee naar beneden. In het souterrain zitten de gezamenlijke meterkasten.’
Beneden liet ik hem een van die kasten zien.
‘Nee, dit zijn de water- en gasmeters. Maar wacht…’ Hij speurde omhoog, volgde een leiding en liep dieper en dieper de krochten van de kelder in. Ik volgde hem bibberend. ‘Kijk.’
In het halfdonker wees hij op een klein metalen kastje aan de muur. Hij stak een schroevendraaier ergens in en met een weinig geluid viel een zwaar verroeste deur uit het kastje. Uit een koffer haalde hij een enorme stop en verwisselde die voor een exemplaar in het kastje. ‘Dit is écht goed afgezekerd,’ zei hij. ‘En dat is maar goed ook.’ Ik vermeed zijn verwijtende blik. ‘Nu moet ik nog even naar de auto en het een en ander ophalen om ervoor te zorgen dat deze schakelkast goed afgesloten blijft. Ik red het verder wel.’
We namen afscheid.

Boven belde ik Jan.
‘Alle stroom zit er weer op. Lukt het je nog om vanmiddag de klus af te maken?’
‘Nee. Ik ga nog even bij het bedrijf na, want morgen zijn er twee monteurs in Apeldoorn. Als je niks van mij hoort, lukt dat niet en wordt het woensdag.

Ik hoorde niks. Maar we konden koken op het nieuwe fornuis, ook al stond het half in de keuken in de weg. Die dinsdag belde ik met het keukenbedrijf.
‘Nee, morgen gaat niet lukken,’ zei de vent van de planning. Die gast kon van mij gelijk aan het gas. Ik hing op.
Een paar minuten later ging mijn telefoon en had ik Jan aan de lijn. ‘Ik hoorde dat er morgen toch niemand is. Dan kom ik zelf. Maar morgen gaat het niet, dan zit ik echt vol. Donderdagmorgen om acht uur ben ik er.’
Donderdagmorgen om half negen stond alles picobello op z’n plek. ‘Zal ik de boel ook nog even afkitten?’ vroeg Jan onder de koffie.

Wat een avonturen weer.

Apeldoorn, november 2022

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

10-11-2022

Markt (zkv)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2022 — bazbo @ 01:00

Ik zie hem haastig weglopen van de groentekraam. Hij bukt bij de Marktstroom en spoelt iets af in een van de kleine fonteintjes. Als ik iets dichterbij kom, zie ik dat het een trosje blauwe druiven is. Heeft hij ze gekocht, gekregen of gepikt?
De man zie ik vaker rondlopen door de winkelstraten. Zonder acht te slaan op voorbijgangers werpt hij een blik in de afvalbakken. Hij draagt een bevuilde broek, afgetrapte wandelschoenen en een blauwe trui onder een bodywarmer. Zijn kortgeknipte witgrijze haar en baardje steken af bij zijn gebruinde gezicht. Hoe oud zou hij zijn? Laatst was ik in het centrum van een andere provincieplaats en zag ik hem daar bij een bushalte kleingeld tellen.
Ik passeer hem. Vanuit mijn ooghoek zie ik de gretigheid waarmee hij al lopende de ene druif na de andere in zijn mond stopt. Nu maar hopen dat hij mij niet aanspreekt. Dat doet hij niet.
Snel loop ik door, weg van de markt, naar onze uitgebreide zaterdaglunch. Mijn boodschappentas puilt uit.


Apeldoorn, oktober 2022

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

27-10-2022

herfst-

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2022 — bazbo @ 01:00

herfst-

als je weet dat het ook weer goed komt
dat dit gapend gat aan je voorbij zal gaan
dan houd je je nog even staande
al wankelt je wereld en waaien de blaren
terwijl je net de tuin hebt geharkt
natuurlijk komt het ook weer goed
wat zou het anders

als je weet dat het ook weer goed komt
dat de dagen lengen voor je er erg in hebt
dan koester je de schemer, de dikke mist
gisteren zengt de zon je winterkleding uit
morgen regent de sneeuw van de straat
natuurlijk komt het ook weer goed
wat zou het anders

als je weet dat het ook weer goed komt
dat de gierende ongena je kop zal verlaten
dan grijns je antwoorden dat het gaat
en druk je het kille lijf tegen de geliefde aan
fluisterend troostende woorden, stemmenloos:
natuurlijk komt het ook weer goed
wat zou het anders

wat zou het anders nog voor zin hebben
om naast je wakker te liggen, veilig, vertrouwd
je warme wereld de mijne te mogen noemen
verknocht, verleden, vandaag, voor eeuwig
om in alle vroegte op te staan, de koude blik naar boven
het eindeloze heelal in, sterrenloos en bijbels zwart
nietiger en onbestaander kan ik niet zijn, zal ik blijven

natuurlijk komt het ook weer goed
wat zou het anders

als je weet dat het ook weer goed komt
– maar het komt niet goed
het komt


Apeldoorn, oktober 2022

Hier lees je ‘m op FOK!:

• • •
 

13-10-2022

Hoog tijd voor een kroegverhaal (30)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2022 — bazbo @ 01:00

Al in geen tijden meer in zo’n gelegenheid geweest. De een na de ander heeft hier de afgelopen paar jaren de deuren gesloten en er zijn er niet veel overeind gebleven. Dat ze zijn gesloten, heeft niet zo veel te maken met dat ik er niet meer kom. Ik bestel er slechts water (liefst uit de kraan), dus mij valt de faillissementen niet te verwijten. Het zal de combinatie van de virusmaatregelen en het personeelstekort zijn, alhoewel je als kroegbaas in mijn ogen ook een boel geld bespaart als je geen personeel in dienst hebt. En ik denk dat als je de prijzen ook weer wat aantrekkelijker maakt, je plots heel veel klanten meer in je kloterige kroeg krijgt.
Maar goed, ik ging er dus weer eens heen. Café De losse bal, dit keer. Ik had er afgesproken.
Met Fabio. Die moest iets van me. Geen idee wat, maar dat ging ik horen.

‘Dag Fabio,’ zei ik. ‘Ga zitten.’ Ik wees op de lege stoel naast mij. Alle andere stoelen in het café waren ook leeg, maar daar gaat het nou niet om.
‘Nou vooruit,’ zei Fabio. ‘Al blijf ik liever staan.’
‘Graag of niet, hoor.’ Ik schopte de stoel aan de kant en daardoor viel Fabio – die net een zich neerzettende beweging aan het maken was – met een bons op de niet geveegde cafévloer.
‘Au!’ De vloek die hij eraan toevoegde, noteer ik hier niet.
‘Wat drinken?’ vroeg ik.
‘Eh pils,’ zei hij kreunend, terwijl hij omhoogkrabbelde.
‘Er is geen bediening. Personeelstekort. Achter de bar is ook niemand. Ook personeelstekort.’
‘Laat dan maar.’
‘Mooi. Dat scheelt weer. Met dat gezuip de hele tijd. Maar wat moet je van me?’
‘Au. Oei.’ Fabio stond ietwat krom gebogen en had een hand op zijn achterwerk gelegd. ‘Dat deed zeer, zeg.’
‘Is de pijn nu al weggetrokken?’ vroeg ik. Het liefst wilde ik hem nu een schop voor z’n billen geven, maar ik had inmiddels al avonturen genoeg beleefd. Nog geen tien minuten binnen en ik was dat hele café al strontzat. Fabio stond erbij alsof hij ook strontzat was.
‘Sorry, wat vroeg je?’ vroeg hij wankelend.
‘Wat of je van me moet.’
‘Ik heb een vraag.’
‘Kijk aan.’
‘Samen met een werkgroep organiseer ik een literair festijn. We willen allerlei schrijvers uitnodigen die komen voorlezen en die we kunnen interviewen.’
‘O kut.’
‘Ja.’
‘En wanneer komt de vraag?’
‘De eerste aan wie we dachten, dat was jij.’
‘O kut.’
‘Ja.’
‘En wanneer komt de vraag?’
‘Wil jij meedoen?’
‘Met organiseren?’
‘Nee. Met voordragen en geïnterviewd worden.’
‘Nee,’ wilde ik zeggen, maar mijn aandacht was afgeleid.

De deur was open gegaan en daar kwam ze binnen.
‘Bas!’ riep ze van een afstand. ‘Wat leuk!’ Ze kwam naar me toe gebeend.
Ik stond op en spreidde mijn armen. Ze vloog me om de hals en drukte haar lippen op mijn wangen. Toen keek ze me aan. ‘Je ziet er goed uit.’
‘Je haalt me de woorden uit de mond,’ zei ik.
‘Dank je. Hoe gaat het met je? Wil je wat drinken?’
‘Water graag. Het liefst uit de kraan. Maar doe geen moeite, want er is geen bediening en ook niemand achter de bar, vanwege personeelstekort. Jij dan?’
‘Doe maar een witte wijn.’
‘Fabio, ga ’s op zoek naar personeel en bestel een witte wijn voor deze goed uitziende jongedame.’
‘Eh maar,’ begon Fabio.
‘Wie is hij?’ vroeg ze.
‘Fabio,’ zei ik. ‘Hij moest iets van me. Maar nu gaat hij witte wijn voor je halen.’
‘Ik had mijn vraag nog niet gesteld,’ zei hij.
‘JAWEL! DAT HAD JE WEL!’
‘Maar je had nog geen antwoord gegeven,’ piepte Fabio bedremmeld.
‘Nou, heel kort dan,’ zuchtte ik. ‘Wat was je vraag ook weer?’
‘Wil jij meehelpen met het literaire festijn? Dat je voorleest en geïnterviewd wordt?’
‘Dat zijn twee vragen. Laat ik een tegenvraag stellen. Wanneer is het?’
‘De precieze datum is nog niet bekend, maar we denken aan juni volgend jaar.’
‘Dan kan ik niet. Dan vieren we Het Grote Feest van Mucha Makutsin.’
‘Het grote feest van wát?’

Ik keek naar haar. Ze grinnikte en ik vond het altijd aangenaam om haar te zien grinniken.
‘Wat zit jij nou dom te lachen?’ vroeg Fabio. Hij keek haar woedend aan.
‘Dom?’ vroeg ze. ‘Ik? En bedankt. Hoor wie het zegt.’
‘Ik was het niet,’ zei ik. ‘Dan blijft er slechts één iemand anders over.’
‘Nou, als jij zo nodig roept van moetjemekutzien… dan krijg jij dit.’ Fabio knoopte zijn broek open. ‘Kijk hier, me lul.’
‘Je hersenen zijn het inderdaad niet,’ zei ik.
‘Nee? Nee?’ Fabio werd wat nerveus-panisch-agressief. ‘Nee? Nee?’
‘Nee,’ zei ze en ze wees. ‘Die moeten nóg kleiner zijn dan dat dingetje daar.’
‘Dit pik ik niet,’ brieste Fabio.
‘Pik?’ Ze grinnikte nu hoogst geamuseerd. ‘Dat? Laat me niet lachen.’
‘Ik sla niet graag een vrouw!’
‘Da’s mooi,’ zei ze. ‘Dat scheelt weer.’
‘Maar nu is het moment aangebroken!’ Het sputum van Fabio vloog in het rond.
Ze stond op. Fabio wilde een stap achteruit doen, maar omdat hij nog altijd zijn broek op de knieën had hangen, ging dat niet goed. Ongemakkelijk viel hij achterover, opnieuw op zijn billen.
‘Au,’ zei ik.
‘Au?’ vroeg ze. ‘Jij? Heb jij au?’
‘Nee, maar ik voel wel met hem mee.’ Ik vertelde van het eerdere voorval.
Ze zei: ‘Ach zo.’
‘Ja.’
‘Zullen we hem uitzwaaien?’ Ze wachtte mijn antwoord niet af, maar greep Fabio bij z’n lurven en sleepte hem naar de deur. Wat een kracht, wat een vrouw. Door het gesleep zakte de broek van Fabio tot op z’n enkels. Geen gezicht. Lang hoefde ik het niet aan te zien. De deur van het café viel met een klap achter hem dicht.

‘Toch jammer,’ zei ik.
‘Jammer?’ Ze keek me niet-begrijpend aan. ‘Die vent is hier hoogst grensoverschrijdend en dan zet ik ‘m op z’n nummer en dan vind jij dat toch jammer?’
‘Toch jammer dat zo weinig mensen weet hebben van Mucha Makutsin, de Chileense vredesactiviste die twee eeuwen geleden ruimschoots naast de Nobelprijs voor de Vrede viste, eenvoudigweg omdat de hele prutprijs destijds nog niet bestond en vrouwen in haar geboorteland überhaupt sowieso insblauehinein esistkausbausen geen enkel recht van spreken hadden.’
‘Ik hoor het al: met jou is ook geen land te bezeilen.’ Ze lachte.
‘Weet je wat ook jammer is?’
‘Ja, dat weet ik.’ Haar lach verdween. Ze keek me verdrietig aan. ‘Je moet gaan. Naar huis. Schrijven. En ik weet de titel al.’
Ze had gelijk.


Apeldoorn, oktober 2022

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

29-09-2022

Dood – Lotgenoten (0045)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2022 — bazbo @ 01:00

Lotgenoten,

DRRRENGGG! Ze zijn begonnen. Het barst van de bouwfuckers op de galerij en ze laten de betonboor zingen. De oude reling was aan vervanging toe en er komt een nieuwe. Eentje met een eigentijdse uitstraling, vond de vereniging van eigenaren in de vergadering. Ik vond van niet. Wie gaat er nu een hypermodern superstrak vormgegeven hekwerk plaatsen op een karakteristiek jarenzestigflatgebouw? Gelukkig bevindt de galerij zich niet aan de straatzijde van het gebouw en ziet slechts een enkeling straks deze enormiteit. En het belangrijkste is dat bewoners en bezoekers zich weer veilig voelen als ze zich op de galerij bevinden; dat was met die ietwat doorgeroeste reling wel anders.
Ik hoop maar dat het lawaai niet te lang duurt. Het is halverwege de ochtend. Ik werk thuis en zit aan de eettafel in de woonkamer. Die bevindt zich aan de straatzijde, dus veel last van het rumoer heb ik niet echt. Ik ben ook nog eens slechthorend en heb ter vermaak een fijn cd’tje met luide ragmuziek aangezet. Heel in de verte hoor ik ze. Ze zijn begonnen. DRRRENGGG!

De Vrouw slaapt. Ze is even gaan rusten. Vanmorgen was ze al op tijd op om haar medicatie in te nemen. Alles kost haar nog veel energie. Die energie heeft ze nodig voor herstel. Een forse ingreep was het; hij hakt erin. Haar lijf staat momenteel in de overlevingstand. Het komt allemaal goed, maar het is een tijdje buffelen. Als ze opstaat en ze doet een paar handelingen die ogenschijnlijk niets voorstellen – bed uit, iets te eten pakken, dat opeten en de spullen terug naar de keuken brengen – dan is ze doodop. Of ze al een hele dag erop heeft zitten. Vandaar dat ze weer even is gaan liggen.

DRRRENGGG! Met dat ik de wc-deur achter me dicht doe, hoor ik iets anders dan dat gebrul van de betonboor. Wat is het? Het lijkt wel gepiep. O wacht, het is de wekker. De Vrouw zet die omdat ze op tijd medicatie moet innemen. Ik ga zitten en plas en plas en naast me klinkt nog altijd die piep en die piep en het gaat maar door.
Dit is niet goed, denk ik. Het gepiep gaat maar door. Te lang. Veel te lang. Dit is niet goed!
Snel sta ik op. Ik knoop als een razende mijn broek dicht en ga naar de slaapkamer. Daar ligt De Vrouw in bed, roerloos op haar zijde met haar rug naar me toe. Op het nachtkastje gaat de wekker. Dit is niet goed!
Ik probeer de wekker uit te doen. Waar zit dat knopje? Wat is dit voor takkeding? Goedkope meuk uit een zaak vol Chinese rommel of uit een ander inboorlingenland! Het lukt niet. De wekker piept en piept maar door. Twee meter verderop, achter het gordijn en het raam buldert de betonboor. DRRRENGGG!

Ik leg mijn hand op haar heup. Er gebeurt niets. Dit is niet goed! Door het dunne dekbed heen kan ik niet voelen of ze warm of koud is. Ze beweegt niet. Dit is niet goed! Ik druk mijn hand op haar schouder. Is dit warm of is dit koud? Hoe voelt koude of warmte eigenlijk? Het zweet breekt me uit. Ik voel paniek en angst en ben als de dood en …
Plots draait De Vrouw zich naar me toe. Er komt me een vertrouwde vlaag warmte tegemoet. Haar ogen gaan open en ze gilt. Dit is goed!
Ik lach. Zij niet. Ze brengt een hand naar haar oor en peutert daar een gele oordop uit. Dan slaat ze met haar hand op de wekker.

Even is het stil. Dan: DRRRENGGG!
Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, september 2022

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

15-09-2022

Terugzien

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2022 — bazbo @ 01:00

Waarde Vader,

Ik had vanmorgen liever nog een paar uur in de bedstee gelegen. Maar u kent mijn taak en ik weet van het vertrouwen dat U in mij heeft. Dat vertrouwen zou ik nimmer beschamen. Een echte verrassing was het ook niet. Het was nog aardedonker en ik had flink de smoor in, maar ik stond toch op. Uiteindelijk zou ik daar geen spijt van krijgen, en U zult later begrijpen waarom.
Ik schrijf U deze brief vanuit de herberg Het rode hert in Beekbergen. De gelagkamer is al leeg. Alles en iedereen is gereed voor de nacht en er is nog een klein stukje kaars. Ik kan U schrijven zo lang er licht is. In de kamer die ik deel met de andere wachters is het rustig. De meeste mannen liggen al te bed, maar ik kon de slaap nog niet vatten, ondanks de vroegte van de dag.

Want vroeg was het, vanmorgen. Nog voordat de marktbel zou luiden, hadden we al het nodige zware werk verricht. Toen het werd afgekondigd bij de kerk, wist ik al hoe laat het was. En U weet: het is een eretaak en als er dan een paar dagen later op de deur wordt geklopt, kan je niet weigeren. Op dit vroege uur reisde ik met enkele andere wachters naar Beekbergen. De banken uit de kerk sjouwden we naar buiten en hesen we op de karren. Samen met het wapenschild van Gelre en met de zetel van de landdrost van de Veluwe brachten we ze naar het Herenhul. Daar maakten we alles gereed voor de klaring van vandaag. Vervolgens liepen we terug naar de jaarmarkt.

Daar was het met het klimmen der zonne al een drukte van belang. Ik kwam dan ook ogen te kort om alles in de gaten te houden. De markt is een ideale plek voor allerlei geboefte en er loopt nogal wat gespuis met kwade bedoelingen rond. Zo zag ik een groepje ongure lui om zich heen kijken. Ze hadden hun zinnen gezet op een jonge vrouw, die aardig wat manden met zich mee torste. Eerlijk gezegd was de vrouw mij al eerder opgevallen. Mijn aandacht was gevangen door haar blanke en schone gelaat met de heldere ogen en stralende lach.
Ze stond te kijken naar het poppenkastspel en ze werd helemaal in beslag genomen door het verhaal. Haar buidel lag naast haar, boven op een van de manden die aan haar voeten stond. Ik zag het gespuis om haar heen dralen en toen ik een van de mannen een hand zag uitsteken, greep ik in. Die drie zakkenrollers wisten niet hoe ze het hadden terwijl ik hen bestormde met mijn zwaard en hellebaard. De een gaf ik een schop, de andere een slag met de platte kant van het zwaard en de derde ging uit zichzelf al henen. De buidel liet hij op de grond vallen en de drie verdwenen in de menigte.
De rest van het volk had het niet eens in de gaten gehad, maar de jonge vrouw had een gil geslaakt en stond te trillen op haar benen van de schrik. Ik wist haar te kalmeren en gaf haar de buidel terug. Ze vertelde me hoe dankbaar ze was en ze vroeg hoe ik heette. Ik noemde mijn naam en voor ik besefte wat ik deed zei ik haar dat ik de baas van de wachters was. Waarom ik zo pochte, wist ik in dat ogenblik niet goed. Ik ben geen leugenaar, dat weet U, Vader. Achteraf weet ik dat ik indruk op haar wilde maken en sterk op haar overkomen, maar een leugen is juist een teken van zwakte.

Ze lachte zo lief en verlegen en gaf me beleefd een knikje. Ze vroeg of ik haar wilde helpen met het dragen van haar vele manden. Ik zei dat ik haar wel enige tijd van dienst kon zijn, maar dat ik op tijd bij de Klaarbank moest zijn om daar de wacht te houden.
Geruime tijd brachten we door op de markt. Er was van alles te zien: barden, acrobaten, een bultenaar met zotte capriolen en er was ook een gezelschap op stelten. Die waren zo verbluffend goed, daar zouden ze aan overkant van de IJssel nog een puntje aan kunnen zuigen.
De jonge vrouw had van alles aangeschaft: mooie stoffen, gezouten vis, graan, een mengel wijn, te veel om op te noemen. Gelukkig had ze het meeste op de pof gekocht, zei ze. Later zou ze de koopmannen betalen, zoals een betrouwbare vrouw betaamt. Stelt U zich voor dat haar buidel toch ongezien ontvreemd zou zijn, dan zou ze zich nu in een zeer lastig parket bevinden.

We rustten wat in herberg Het rode hert. Onder het genot van een kroes gerstenat en een nap soep maakten we nader kennis en spraken we over ons beider leven.
Diedewij, heet ze en ze is woonachtig in Epe. Mijn waarde Vader, ze is van niet al te hoge komaf, maar ze is jong en sterk. Sinds enkele jaren is ze meid bij een voorname familie en ze kan goed voor zichzelf en voor anderen zorgen. Bovendien: ze bleek benieuwd naar wie ik ben en wilde gaarne dat we elkander nog verder leerden kennen. Ik wist niet wat me overkwam en had nimmer gedacht dat dit mij ooit nog zou gebeuren.
Tot mijn spijt had ik niet veel tijd meer en ik moest aan het werk. Diedewij wilde echter niet van mijn zijde wijken en ging met mij mee. We liepen over een stil pad naar het Herenhul, alwaar de klaring zou plaatsvinden. Toen we op een open plek kwamen, stopten we om kort uit te rusten. We zetten de manden neer en keken elkaar aan.
Ik kreeg een ingeving en nam haar handen in de mijne. Het liefst van alles zou ik het kapje van haar hoofd tillen en heur haren aanschouwen, maar zoiets beschamends zou ik niet durven én – gezien mijn betrekking – niet kunnen doen. Haar slanke handen voelden zacht aan in de mijne en ja, mijn waarde Vader, daar op het bospad drukte ze haar lippen op die van mij.
Lang mocht onze kuise kus niet duren. We werden onderbroken door bekenden van Diedewij. Tot mijn schrik stelde Diedewij mij aan hen voor als de baas van de wachters. Om mijn gezicht niet te verliezen bleef ik volharden in de leugen. Vervolgens maakte ik kennis met haar bekenden. Zo was daar Theunisken, de meid van Vrouwe Catharina, die de zaak van vandaag had aangespannen. Theunisken was door de beklaagden uitgemaakt voor toverkol en dat nam ze niet, vertelde ze ons. Aan haar zijde liep haar zoon Aert, die vandaag als haar momber op zou treden. Aert is een zeer jonge man en ik vind het dan ook een vreemde zaak dat zo’n jongen het woord moet voeren voor een volwassen vrouw als Theunisken. Maar zo zijn de gebruiken nu eenmaal, Vader. Wie weet wordt het ooit anders, als de invloed van de verlichte denkers zal reiken over de Veluwe.
Tot mijn ontsteltenis kwam ook de andere wachter Bertram voorbij. Hij vroeg of de baas wist dat ik hier was. Zo kwam mijn leugen uit. Beschaamd moest ik toegeven dat ik de baas van de wachters niet ben, maar Diedewij vergaf mij en bleef toch trots op me dat ik haar had gered van de zakkenrollers.
Vervolgens liepen we gezamenlijk verder naar de Klaarbank.

Vader, volgens mij hebt U nog nooit een rechtszaak van een dergelijke orde mogen aanschouwen, dus ik zal hier naar beste kunnen beschrijven hoe het er bij de Klaarbank aan toe gaat.
U weet dat als de schout in de stad er bij een civiele zaak niet uit komt of men gaat in beroep, dat hij dan de zaak kan overlaten aan het hoogste gerecht van de Hertogen van Gelre. Al eeuwen wordt dat recht gesproken hier op het Herenhul, gelegen nabij het Engelanderholt. Het Herenhul is een verhoging in het landschap, een open plek in het bos bij een grote kei en de Klaarbank bevindt zich in de open lucht.
We hadden het touw vierkant rond de zetel van de landdrost gespannen en daaromheen de banken geplaatst. Het wapenschild stond goed in het zicht. Met veel gewichtig vertoon kondigde de gerichtsschrijver de betrokkenen aan. Naast de landdrost Assuerus van Appelthorn tot den Poll waren er drie gerichtsmannen die de zaak mede zouden beoordelen, zodat er eindelijk helderheid over de kwestie zou zijn. Voorts waren bij de klaring aanwezig: de aangeklaagde en de aanklagende partij. Hun banken staan net buiten het touw. Slechts zij, die het woord zijn gegeven door de landdrost, mogen binnen het touw stappen en hun zegje doen. Achter de banken en verder buiten het touw bevond zich de ommestand en U kunt zich nauwelijks voorstellen hoe veel volk er nieuwsgierig is naar een dergelijke rechtszaak. Bijna iedereen uit de omgeving komt eropaf. De jaarmarkt vindt bij deze gelegenheid plaats in de buurt en de herbergen zitten allemaal vol.
Zelf stond ik naast de zetel van de landdrost opgesteld en het was ook hier mijn taak om de veiligheid van alle betrokkenen te waarborgen.

De betreffende klaring was een bijzondere vertoning. Op het eerste gezicht onbevattelijk dat ze er destijds in Epe niet zelf zijn uitgekomen. Mijn waarde Vader, U zult het bijna niet geloven, maar het handelde om een eenvoudige partij hout. De beklaagden hadden de partij van het land van Vrouwe Catharine weggehaald omdat ze vonden dat het van hun Enk kwam en niet van de Marke en dus ook niet toebehoorde aan Vrouwe Catharina. Naar ik begrijp was de schout die in Epe het recht moest spreken een neef van de beklaagde en derhalve partij, vandaar dat er beroep werd aangetekend en de Klaarbank van de hertogen van Gelre uitsluitsel zou moeten gaan geven. Nou, mooi niet. Landdrost Assuerus van Appelthorn tot den Poll is een vernieuwend denker, die de verlichte theorieën uit onze moderne tijd in de praktijk weet toe te passen. Volledig kon ik het niet volgen, want het is mijn taak om mijn aandacht op de ommestand te richten, opdat er geen ongeregeldheden plaatsvinden. Maar dat de hertog scherpzinnige en vernuftige ondervragingen liet zien, dat kan ik U wel vertellen. Aan het eind merkte ik evenwel enige teleurstelling bij zowel de aangeklaagde als de aanklagende partij, want een dwingende uitspraak over het hout – die of die is de schuldige en dit is de straf – die was er niet. Wel was de landdrost zeer uitgesproken over de verdachtmakingen van de beklaagde, die voornoemd aanklager Theunisken Lubberts had uitgemaakt voor toverse en weerwolf. Namens zijn moeder sprak Aert en verrassend genoeg viel er in diens toon geen zweem van verontwaardiging te bespeuren. Deze jongeman sprak helder en met de stem van de rede. Niet alleen de goede naam van zijn moeder stond op het spel, maar ook haar leven. Als de landdrost zou meegaan in die beschuldiging, zou dat zomaar eens de heksenwaag of marteling kunnen betekenen. Gelukkig sprak Assuerus in de geest van de nieuwe tijd; hij heeft in Deventer gestudeerd en ziet veel in de denkbeelden van Erasmus. Hij stuurde de partijen naar huis met de opdracht om zich niet meer te laten leiden door bijgeloof en door macht, geld en eer, maar om naar elkaar te luisteren en elkaar niet zwart te maken. Dan komen ze er zelf zeker uit. Echter, de aangeklaagde die de ongepaste woorden had gebezigd, werd ter plekke gestraft: hij moest zich ten overstaan van Theunisken en de hele ommestand op de mond slaan. Daarmee was de klaring ten einde.

Ik moet eerlijk bekennen dat ik die hele klaring slechts in grote lijnen heb kunnen volgen. Ik was niet alleen belast met de taak van het bewaken van de veiligheid; tevens was mijn aandacht geregeld afgeleid. Vrouwe Diedewij zat in de ommestand en onze blikken ontmoetten elkaar voortdurend. Met kleine en hartelijke gebaren lieten we de warme gevoelens voor elkander blijken.

Na afloop waren we helaas genoodzaakt afscheid te nemen, maar we beloofden elkaar spoedig weder te zien. Daarbij keken we elkander lang en diep in de ogen. Toen ik haar nakeek, terwijl ze zich met haar manden van mij verwijderde in de richting van Epe, viel alles om me heen weg. Gelukkig wist ik me te vermannen, want ik moest nog lang verder met het werk.
We tuigden de Klaarbank af, laadden het wapenschild en de zetel op de kar en vervolgens brachten we de banken weer naar de kerk in Beekbergen. Vannacht blijf ik dus hier slapen in Het rode hert en morgen reis ik met de andere wachters terug naar huis.

Mijn waarde Vader, ik ben nu bijna aan het einde van deze lange brief. Het duurt niet lang meer voordat de kaars op is en derhalve is het tijd dat ik ter zake kom. U zult het met mij eens zijn dat ik U nooit veel om gunsten heb gevraagd. Maar nu vraag ik slechts Uw toestemming die voor mij zo van belang is. Vader, mijn geliefde is van lage komaf, maar ze is jong en sterk en zorgzaam en ze werkt hard. Ik ben tamelijk ouder dan zij, maar ben er tevens van overtuigd dat ik haar en ons met mijn betrekking voldoende zekerheid zal kunnen geven. Daarbij: ze is de vrouw van mijn leven; het kan niet anders dan dat de Here ons voor elkaar heeft voorbestemd.
Ik hoop dan ook met gans mijn hart dat U mij Uw zegen zult schenken om een toekomst op te bouwen met Diedewij – als ik haar ooit nog mag terugzien.

Vader, ik hoop op Uw spoedige bericht en bevestiging. Geeft U mijn geliefde Moeder een warme omhelzing en vertelt U haar hoe dankbaar ik haar ben voor alles wat zij tijdens mijn leven voor mij heeft verricht en betekend.
Een welgemeende groet van Uw liefhebbende zoon,

Rikkert
Wachter uit Brummen


Beekbergen, 7 juli 1625



Met dank aan het Erfgoed Platform Apeldoorn en aan theatermaker/regisseur Aad van der Waal voor de inspiratie. De theaterproductie in het kader van Living History is in het weekend van 27 en 28 augustus 2022 vijf maal opgevoerd op het Herenhul, met de schrijver dezes in de rol van Rikkert.

Hier lees je ‘m op FOK!.


• • •
 

01-09-2022

Wild – Lotgenoten (0044)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2022 — bazbo @ 01:00

Lotgenoten,

Gelukkig bestaan ze niet meer, die stinkende streekbussen. Nou ja, ze zullen heus nog wel bestaan, maar het vervoersbedrijf bij mij in de regio zet ze niet meer in. Alle materieel is elektrisch tegenwoordig. En stil. Ik zit dus ’s morgens vroeg niet meer in een stinkende streekbus naar mijn nieuwe werkplek (had ik al verteld dat ik een – laat maar), maar in een stille streekbus. Van de ene provincieplaats naar de andere. De route gaat deels over een snelweg en die leidt weer deels langs een bos.
Doorgaans lees ik me een breuk in die stille streekbus. Jaren geleden kocht ik eens een e-reader. Iemand als ik zweert bij een echt boek van papier. Dat leest heerlijk, je hebt een kunstwerk in handen en steunt de auteur. Voor het gemak – lees: onderweg naar vakantiebestemming of nieuwe werkplek – schafte ik een e-reader aan. E-boeken koop ik dan weer niet of nauwelijks. Nee, mijn e-reader staat vol met (legaal gedownloade) klassiekers. Van Jules Verne tot aan Charles Dickens. Heel fijn. Echter, als de stille streekbus over de snelweg langs het bos zoeft, dan staak ik het lezen. Want: herten en ander wild.
Ik begrijp het vaak niet: vlak langs de snelweg zijn ze te zien, de reeën, dam- en edelherten. Die meute voorbijrazende auto’s en vrachtwagens: daar moeten die beesten toch enorm van schrikken? Maar nee, ze blijven onverstoorbaar verder grazen of lopen of wat ze verder nog aan het doen zijn op het vroege ochtenduur.

De schemering is bijna voorbij, vanmorgen. Een perfect moment om de dieren te spotten. Ik leg de e-reader op mijn schoot, schuif mijn leesbril naar het puntje van mijn neus en kijk over het montuur heen naar buiten.
Het gras is geel, de bomen en struiken verdord. Er liggen kale bomen her en der, omgewaaid of gevallen. Veel variatie in het gewas is er ook al niet. Alles is droog en verzuurd en het ziet er treurig uit. Het lijkt wel herfst en er is nog geen hert te zien. En dat terwijl de zomer nog in volle gang is en het ernaar uitziet dat de warme dagen nog niet voorbij zijn en de regen voorlopig uitblijft. Mijn gedachten dwalen af.

‘Nee hoor, er is niets aan de hand. Het is gewoon lekker weer. Vroeger noemden we dit een warme zomer, tegenwoordig is het de angstporno van klimaatverandering.’ Het is geen klimaatverandering; het is een klimaatcrisis. Alle alarmbellen gaan al tientallen jaren af, maar we doen er geen flikker aan, want ‘de economie en mijn geld en ik merk er niks van en na ons een zondvloed’. Als we zo doorgaan is er geen na ons. Ja, het klimaat verandert altijd, maar de laatste dertig jaar wel héél erg snel en dat heeft de mens veroorzaakt. Van alle levende wezens die de evolutie heeft voortgebracht is de mens wel de meest afschuwelijke en meedogenloze.

‘Geen asielzoeker in mijn wijk!’ Zijn er plannen om mensen onder te brengen in een leegstaand hotel? Dan kopen wij het hotel op zodat de mensen er niet in kunnen of we doen er alles aan om te voorkomen dat de staat het hotel koopt. Lieve help, wat een kloo – ‘als ik het maar goed heb, wat kan mij dan de ander schelen’. Er is geen asielcrisis, want er zijn niet meer asielzoekers dan voorgaande jaren; er is een opvangcrisis omdat in rustiger tijden de opvang is afgeschaald. Migratie is van alle tijden; al duizenden jaren trekken mensen weg uit oorden waar het niet lukt om een redelijk bestaan op te bouwen of te leiden omdat de omstandigheden er gewoon niet goed zijn, op zoek naar plekken waar het beter is. Oorlog, armoede, wat de reden ook mag zijn. Wie zijn wij om te bepalen voor een ander wat een goede reden tot vluchten is? Wie zijn wij om te mogen zeggen: ‘Dit, deze stippellijn hier, dit is een grens en hier mag je niet voorbij.’? Als ons deel van de wereld straks onleefbaar is door extreem weer, zeespiegelstijging of juist droogte of wat dan ook, en we voelen ons hier niet meer veilig en we vertrekken massaal naar een ander deel van de wereld omdat het daar wél veilig is en omdat we daar een behoorlijk leven kunnen herstarten, hoe willen we daar dan ontvangen worden? Met: ‘Geen asielzoeker in mijn wijk!’?

Ik, ik, ik. Nee, wij mensen zijn sociale wezens, maar we maken elkaar het leven kapot. Is het niet met klimaatontkenning of xenofobie, dan is het wel met elkaar online verrot schelden, met trekkers je zin doordrijven, met dierenmishandeling omdat we ‘nog wel gewoon moeten kunnen barbecueën’, met misinformatie verspreiden (‘De boeren moeten weg zodat er huizen voor asielzoekers kunnen komen’), met roeptoeteren dat ‘Een staat die zich als tiran gedraagt mag afgezet worden’ terwijl je kamerlid of statenlid of raadslid bent, met geld met bakken tegelijk binnen harken terwijl de rest van het land het financieel steeds moeilijker krijgt, met ‘Wat nou verkeersregels? Ik bepaal zelf wel hoe of ik …’

Ik wil de hoop niet opgeven, maar soms vind ik het moeilijk om trouw te blijven aan mijn idealen, aan mijzelf. Mijn afval blijf ik netjes scheiden, ondanks dat ik mensen hun bergen vuilnis naast de buurtcontainers zie smijten. Als mijn buurman met wie ik de krant deel moppert dat die krant weer eens te laat bezorgd is omdat er geen personeel is, terwijl ‘hier vlakbij een AZC barstensvol asielzoekers zit’, dan vraag ik hem of hij er al is geweest om de mensen te vragen. We blijven zoeken naar mogelijkheden om ons huis verder te verduurzamen, ook al kost ons dat in eerste instantie wat meer geld. Ik blijf de wat duurdere producten kopen bij de supermarkt die wél een eerlijke prijs betaalt aan de boer, in de hoop dat langzaam steeds meer mensen zullen (kunnen) kiezen voor een beter alternatief. De helpende hand blijf ik uitsteken; ik probeer zo veel mogelijk zonder oordeel naar iemand om te zien, gewoon omdat iemand op dat moment hulp nodig heeft. Ja, het is moeilijk om trouw te blijven aan mijn idealen, aan mijzelf, maar ik probeer me er niet al te druk om te maken, want als eenling heb ik er niet al te veel invloed op. En ik weiger om op de sociale media hard mee te brullen of juist een tegengeluid te schreeuwen. Dat helpt me niet verder en het kost me te veel energie.

Die energie gebruik ik liever om me bezig te houden met de zaken die ik wel kan beïnvloeden. Dichtbij. Hoewel, soms gebeuren er in mijn naaste omgeving dingen waar ik geen vat op heb, maar wel mee te dealen. Ik heb van doen met de dynamiek in mijn baan, met onvoorspelbare zaken in mijn vrijwilligersklussen, met mijn oude vader of De Zoon die mijn aandacht vraagt. Of met dingen in en om het huis, van eenvoudige huishoudelijke tot ingewikkelder administratieve klussen. En dan is er nog De Vrouw, De Vrouw die na alle avonturen van borstkanker en behandeling en alle gevolgen van dien binnenkort opnieuw in een stroomversnelling van medische toestanden komt. We gaan wederom een intensieve periode in van ziekenhuisopname en operatie en nasleep en ik maak me zorgen en ik ben ook gewoon hartstikke bang en …

En daar is er een. Ik herken ‘m gelijk. Een vlaag van paniek. Een enorme angstaanval. Ik ril. Het zweet breekt me uit. Er beukt iets op mijn hoofd, alsof iemand met een grindtegel op mijn hoofd staat en erop stampt en springt. Er opent zich een zwart gat voor mijn ogen, waarin ik eerst langzaam maar steeds sneller dreig te verdwijnen. Hoppa. Daar is er weer eens een. Tijdje niet gehad.
Eerder was het niet alleen duister, maar kreeg ik ook gedachten dat ik dit niet meer wilde en dus het leven wilde stoppen. Dat heb ik gelukkig niet meer. Dit is naar en afgrijselijk, maar het gaat voorbij. Is het niet nu, dan is het straks of morgen of over een paar dagen. Het is niet fijn, maar ook niet erg. Het mag.
Ik haal diep adem en glimlach zelfs. De lucht klaart. Het wordt weer licht. Het is weg, lijkt het. Zucht. Van opluchting.

Ik kijk om mij heen. De stille streekbus zoeft nog altijd over de snelweg. Maar het bos is al lang voorbij. Geen hert gezien. Ook niet op gelet.

Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, augustus 2022

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

18-08-2022

Fijne baan

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2022 — bazbo @ 01:00

Fijne baan

Wie kom ik hier nou tegen op deze bijeenkomst? Precies, het is de flamboyante oom, die ik ook toen ik klein was nauwelijks zag. Hij reisde in den vreemde, scheidde van mijn tante en sinds dat ik een jaar of acht of tien oud was, heb ik hem niet meer gezien. Hij is vijftig jaar ouder geworden en zijn haar dat op zijn schouders hangt is dun en eerder wit dan grijs. Maar ik herken hem gelijk aan zijn schwung, z’n luide stem en de brede grijns op zijn gelaat.
‘Wie ben jij ook weer?’ vraagt hij.
‘Bas.’
‘O ja, de oudste van Henk, toch?’
‘De tweede.’
‘O ja. Hoe gaat het met jou?’
Hoe het met mij gaat. Leuke vraag. Daar wil ik wel iets over vertellen. Ik denk even na, haal diep adem en ben klaar om mijn verhaal te beginnen.
Wacht, hij is me voor.
‘Heb je een fijne baan?’ vraagt hij.

Een fijne baan?
Heb ik een fijne baan?
Ik wil net vertellen –

Ik wil net vertellen over mijn geweldige vrouw aan wie ik in de afgelopen vierendertig jaar zo verknocht ben geraakt, over hoe we in diezelfde vierendertig jaar naar elkaar toe zijn gegroeid, hoe we elkaar inmiddels begrijpen zonder dat we elkaar iets hoeven te zeggen, over haar borstkanker en hoe we die samen trotseerden en overleefden, over hoe goed het met haar gaat gezien de lichamelijke omstandigheden, over haar levenslust en leergierigheid, over wat ze allemaal in ons huishouden doet en regelt en over hoe veel ik van haar houd en hoe ik mij geen leven kan voorstellen zonder haar.

Ik wil net vertellen over mijn zoon die dit jaar alweer dertig wordt. Over dat hij dan misschien een autismespectrumstoornis heeft, maar ondertussen al meer dan zes jaar naar volle tevredenheid zelfstandig woont en het met een beetje ondersteuning prima redt, over de opleiding die hij heeft afgerond, over zijn baan bij een afdeling van Staatsbosbeheer waar hij met zo veel enthousiasme naartoe gaat en over vertelt, over hoe hij leert en zich ontwikkelt in zijn eigen tempo, over zijn humor en koppigheid en nukken en over hoe trots ik op hem ben.

Ik wil vertellen over mijn vader – maar ja die kent hij wel, ook al heeft ook hij de oom ook al jaren niet gezien en gesproken – en over hoe goed hij overeind blijft in de jachtige wereld, ondanks zijn leeftijd (88), zijn doofheid en zijn zeer beperkte zicht, de vertraging in zijn denken en handelen, de kleine kwalen, zijn eigenwijzigheid, zijn onvermogen om alle ontwikkelingen in de wereld te volgen en de generatiegenoten die om hem heen weg vallen.

Ik wil net vertellen over al die andere mooie mensen met wie ik mij mag omringen en die ik heb leren kennen, denk bijvoorbeeld aan Marianne, Tim, Aar, Hans, Willem, Aad, de schoonfamilie (ja, ja), Ank en Bob, de vele muziekvrienden in binnen- en buitenland, maar ook – moet ik Heidi, Auke, Robert, Marja en al die anderen, moet ik die allemaal bij naam noemen?

Ik wil net beginnen over de belangrijke gebeurtenissen die ik ijkpunten in mijn leven zou mogen noemen, zoals de geboorte van mijn zoon, de kanker van De Vrouw, de dood van mijn moeder, de ernstige psychische klachten die me af en toe teisteren, het verscheiden van Eric en Luuk en al die anderen, de hersenbloeding van Ank, de noem maar op.

Ik wil net beginnen over de waarden en normen die mijn levenspad bepalen en over de thema’s en de idealen die mijn bestaan inhoud en kleur geven: rechtvaardigheid, gelijkwaardigheid, vriendelijkheid, natuur en milieu, gezondheid, compassie voor en oprechte interesse in de medemens, onbevooroordeeld zijn, leven en laten leven, van betekenis zijn, naar elkaar omzien, onze wereld een klein beetje mooier achterlaten en al dat andere.

Ik wil net beginnen over al die schitterende belevenissen tijdens uitjes en op vakantie in den vreemde: de strooptochten door Londen, het terugzien van Praag, de bloedstollende autorit door Istanbul, de verkenning van Berlijn en Kopenhagen, de terugkerende bezoeken aan Stockholm, de jaarlijkse reis naar Noordoost-Duitschland, de verrassing van Lübeck, de vele stedentrips omdat we zo nodig weer eens ergens een concert willen meemaken, het thuisgevoel van Lissabon.

Ik wil net beginnen over de intense ervaringen in de muziek en literatuur die mijn leven zo verrijken: wat dacht u van dat kleine festival in datzelfde Noordoost-Duitschland, van het kippenvel dat ik nog steeds krijg van King Crimson en Emerson Lake & Palmer, Jon Anderson, David Sylvian, Steven Wilson, Peter Gabriel, de klanken van over de hele wereld en alles wat met Frank Zappa te maken heeft, van de malle vertellingen van Herman Brusselmans, de bizarre werelden van John Irving en Haruki Murakami, de ironie van J.M.A. Biesheuvel en van Bob den Uyl, de reizen van Redmond O’Hanlon, Paul Theroux en al die andere globetrotters, van mijn schrijfvrienden met wie ik onlangs een heus literair café heb opgezet onder de naam De verjaardag van Anja, een intiem feest vol verhalen, gedichten en kleinkunst.

Over dat alles wilde ik vertellen en over nog veel meer.
Maar nee, deze oom wil als eerste weten of ik een fijne baan heb.
Oké.
Ik zeg: ‘Nee. Ik heb echt klotewerk.’
‘Oh. Maar ben je wel aan het solliciteren?’
‘Nee. Maar ik zie daar een andere oude bekende. Goed u weer eens gesproken te hebben, oom. En ook zo uitgebreid. Nou, tot over de volgende vijftig jaar op de volgende begrafenis. Kijk maar uit dat het niet de jouwe is.’


Apeldoorn, maart 2022

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

04-08-2022

Gesloten – Lotgenoten (0043)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2022 — bazbo @ 01:00

Lotgenoten,

Met die aanhef open ik zo goed als alle optredens die ik doe. Ik sta nogal eens op de planken. Dan lees ik voor uit eigen werk. Tijdens die voorleesvoorstellingen kan ik putten uit een rijk oeuvre aan verhalen en gedichten. Maar, zelden kies ik ouder werk. Eerder zorg ik ervoor dat het publiek iets unieks meemaakt: de première van een nieuw verhaal of gedicht. Ik denk niet dat ik dit werk ooit ga voorlezen op de planken.
In veel gevallen zorg ik ervoor dat er iemand is die foto’s maakt van mijn optreden. Niet omdat ik mijzelf zo graag zie op foto’s, maar ik gebruik ze om te delen op enkele sociale media en om reclame te maken voor een volgende voordracht. Echter, de meeste foto’s van mijn optredens gebruik ik niet en dat komt zo: ik sta erop met mijn ogen gesloten.

‘Waarom praat jij met je ogen dicht?’ vroeg een of ander rotjong dat samen met mij in de derde klas van de middelbare school zat, toen ik hem antwoord gaf op zijn vraag of hij mijn huiswerk mocht overschrijven. Ik schrok ervan dat hij dat vroeg. Dat van die ogen dicht, niet dat hij mijn huiswerk wilde kopiëren. Het was ook niet dat ik me ervoor schaamde dat ik met gesloten ogen sprak; het was meer de venijnige en boosaardige toon in zijn stem. Hij herhaalde zijn vraag luid en de halve klas moest lachen. Toen hij ook nog eens al pratend heen en weer door het lokaal ging lopen en theatraal met zijn ogen dicht tegen de schoolbanken, stoelen en lessenaar aan botste, wist ik genoeg: dat schooljaar was ik het doelwit van ongenadige pesterijen.
Sindsdien ben ik me veelal bewust van het doen en laten van mijn ogen als ik spreek, maar het lukt niet altijd. Het voelt krampachtig als ik omstandig met grote ogen een gesprek voer. Alsof ik iets te veel heb gesnoven of gespoten. Bovendien, ik kan geen twee dingen tegelijk: nadenken over wat ik zeg én om me heen koekeloeren. Als ik me moet concentreren op wat ik ga zeggen, gaat het bijna automatisch: hoppa, de luiken toe.
Maar als ik op het podium sta, dan lukt het me wél om én geconcentreerd voor te lezen én af en toe de zaal aan te kijken. Het zal een vorm van zelfverzekerdheid zijn die zich op dat moment meester van mij maakt. Misschien klinkt het arrogant, maar ik weet dat het kwalitatief goed is wat ik op de planken breng.

Onlangs vroeg iemand – met wie ik regelmatig op die planken sta – of ik mee wil spelen in een toneelstuk dat hij heeft geschreven en dat binnenkort een paar maal zal worden uitgevoerd.
Ik schrok. Wie? Ik? Toneelspelen? Waarom? Hij, de theaterschrijver, theaterdocent en theaterregisseur, hij zal in zijn netwerk toch wel voldoende acteurs hebben die én ervaring hebben met spelen én het ook daadwerkelijk kunnen?

(‘Jij moet naar de toneelschool!’ roepen de mensen al mijn hele leven lang, als ik weer eens iets grappigs uitbeeld of speel of nadat ik op het podium een verhaal heb voorgelezen. ‘Jij kunt je zo goed enorm kwaad maken,’ zeggen ze er dan bijvoorbeeld achteraan. Maar ik denk: Naar de toneelschool? Ik? Moet ik dat als een compliment beschouwen? Of doe ik het zó slecht dat ik naar de toneelschool moet? Daar komt bij: ik speel mijn hele leven al toneel. Al dik zevenenvijftig jaar doe ik net alsof ik dit leven aankan. Eigenlijk heb ik geen zin om het ook nog eens professioneel te moeten gaan leren.)

‘Zou ik dat kunnen, denk je?’ was mijn tegenvraag.
‘Als ik jou zo bezig zie op het podium, dan denk ik van wel, ja.’
‘Maar ik lees mijn verhalen voor van papier. Dat is bij toneel toch anders. Ik ben niet goed in lappen tekst onthouden.’
‘De rol die ik voor je in gedachten heb, is een kleine. Je krijgt een paar regels. Dat gaat vast lukken.’
‘Ik weet het niet,’ twijfelde ik.
Toch zei ik ja.

De nachten erna sliep ik slecht. Wat had ik me nu weer op de hals gehaald? Om wat voor rol ging het eigenlijk? Het was toch niet zo’n modern stuk waarin de spelers de meest mallotige absurditeiten uitbraakten en ook nog eens in hun blote reet? Waarom had hij mij verkozen? Toch niet vanwege mijn goddelijke lichaam of mijn lange, wilde en grijze haren? En wat is een kleine rol? Hoe veel regels zijn ‘een paar’? Over een maand moest het stuk op de planken, dus heel veel tijd om mijn tekst te leren had ik niet. Hoe kreeg ik dat voor elkaar in deze hectische tijden? Ik heb een bijna-voltijds-baan, heb daarnaast mijn vaste dingen in en om huis, er liggen wat eigen voorleesoptredens in het verschiet, ik moet ook nog regelmatig een stukje schrijven en … Badend in het zweet werd ik niet wakker, want slapen lukte niet en sprake van wakker worden was er dus al helemaal niet.

Een week later kreeg ik een mail met het script. Snel bladerde ik de tekst door. Drie bedrijven. De persoon die ik speel zit slechts in het tweede bedrijf, zag ik al gauw. Sterker nog: het tweede bedrijf start met de scène waarin ik al op het podium sta. En tjonge, ik mag gelijk handtastelijk met een vrouw zijn. Het is wederzijds, want ik lees in de toneelaanwijzingen: ‘Zij staan voorover gebogen tegenover elkaar, elkaars handen teder vasthoudend, met getuite lippen en …’ Aha, gelukkig. Dit gaat me lukken. Ik lees verder: ‘… en met gesloten ogen.’

Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, juli 2022

P.S. Ik houd u op de hoogte. Help me onthouden.

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 
Volgende pagina »