bazbo – de wereld van Bas Langereis

Bas Langereis leest u voor!

28-10-2021

Balkonscène (2) – Lotgenoten (0037)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2021 — bazbo @ 01:00

Lotgenoten,

Ik zit hier al een tijdje. De stad wordt wakker. Vanaf het balkon heb ik goed zicht op de straat en het gebouw hiertegenover. Op de begane grond zijn winkels. Er is een stomerij, een Syrisch restaurant, een tattooshop en een nagelstudio. Ertussen staan zeker drie panden leeg. Erboven zijn woningen met een balkon aan deze straatzijde. De straat is stil. Het is ook geen doorgaande weg. Het enige verkeer zijn de fietsers en scooters op het fietspad, de lijnbussen en het bestemmingsverkeer voor de winkels. En motoren, omdat het tussen de hoogbouw zo lekker resoneert als je flink gas geeft. Aan de overzijde van de straat staat een bushalte, daarachter stroomt de stadsbeek die je op verschillende plekken kunt oversteken middels een bruggetje om zo bij de winkels of het appartementencomplex te komen.

De deur van dat appartementencomplex gaat open en daar verschijnt de mevrouw die hiertegenover op drie hoog woont. Een paar jaar geleden woonde haar man er ook. Tot er een ambulance voor kwam rijden en hem op een brancard meenam. Sindsdien is de mevrouw alleen. Ze ziet er altijd picobello verzorgd uit. Haar haren zitten perfect in de plooi, ze is netjes opgemaakt en op z’n zondags gekleed, ook al is het doordeweeks. Zo ook vanmorgen vroeg. Ze komt naar buiten en ik weet wat ze gaat doen. Niet ver van de deur, voor de ingang van de stomerij, is de openbare prullenbak. Daar propt ze een niet heel grote zak in. Dan gaat ze weer naar binnen. Ze is niet de enige die dit doet. Ik zie meer mensen hun huisvuil in de openbare bakken douwen. Zo hoeven ze niet naar de containers te lopen en per lozing af te rekenen. De luie krenten. Toch ben ik allang blij dat ze hun vuil niet in de natuur of in de stadsbeek mieteren. Nee, dan die knullen van het Syrische restaurant hier schuin tegenover. Die vegen het afval van hun terras hoppa wél zo de stadsbeek in. Of nog erger: ze gaan tekeer met een brullende bladblazer in de stille straat.

Vanaf twee hoog heb ik mooi uitzicht op het verkeer dat nu op gang komt. De jeugd gaat naar school en krioelt over het fietspad of over de straat. Op de hoek is een verkeerslicht en dat negeren de fietsers en scooters veelal volkomen. De meesten rijden ook aan de verkeerde kant van de weg, waardoor het lijkt of de tweewielers overal vandaan komen. Niet alleen fietsers en scooters, maar ook auto’s en motorrijders kachelen er regelmatig doodleuk door rood. Onze straat is geen doorgaande weg, maar de straat waarop hij uitkomt wel. Daar is het een drukke boel, met lijnbusdiensten, vrachtwagens en scheurende motorrijders. Ik vraag me af hoe het komt dat het zo vaak goed gaat. Gisteren zag ik een glimmende gloednieuwe knalblauwe dertigkilometerwagen met daarin een meneer die al dood was maar het zelf nog niet wist. Hij parkeerde dwars op de weg vlak voor het bankgebouw iets verderop, draaide bij het weggaan link vlak voor een aankomende bus langs en stak de kruising gewoon dwars door rood over.

Wacht, daar komt de oudere meneer met de krom gegroeide rug het appartementencomplex hier tegenover uit. Hij kan niet anders dan voorovergebogen zitten en lopen. In zijn hand een emmer en in zijn andere een bezem en stoffer en blik. Was het alweer zover? Twee keer in de week zie ik hem het trottoir voor de voordeur schoonmaken. Hij veegt alles netjes bij elkaar en gooit het afval in een emmertje, dat hij weer mee naar binnen neemt. Kijk, daar is hij bezig. Ik zie hem ook vaak in zijn huis hier tegenover. Dan zit hij op een hometrainer en zwoegt hij kilometers lang zonder vooruit te komen. Maar nu is hij aan het vegen. Met zijn kromme rug en met zijn neus bijna op de trottoirtegels. Hij hoeft niet te bukken. De man heeft het ideale lichaam voor dit soort werkzaamheden. Ik grinnik om mijn flauwe grapje. Dan is mijn aandacht afgeleid.

Want er is beweging op een balkon schuin tegenover me wat verderop. Op de eerste verdieping, boven de tattooshop, woont een moeder met twee kinderen, weet ik. Ik zie haar wel eens aan komen fietsen met de twee meisjes, die een jaar of tien en twaalf zijn. Er staat een boom net in mijn blikveld. De boom is blad aan het verliezen en daarom kan ik tussen de takken door zien dat er iets gaande is op het balkon. Op een loungestoel zit het oudere meisje en ze kijkt voor zich uit. Achter haar staat haar kleine zus en die is met iets bezig. Ik kan het niet goed zien. Mijn bril opzetten heeft geen zin, want die is voor dichtbij. Ik knijp mijn ogen tot spleetjes en tuur tussen de takken en de weinige bladeren door. Het grote meisje is opgestaan. Het kleine meisje neemt haar plaats in op de stoel en nu gaat haar grote zus achter haar staan. Met zelfverzekerde maar rustige halen borstelt ze de lange haren van haar zusje. Ik blijf bijna ademloos toekijken en krijg een gevoel van heimwee naar het verleden. Het jonge meisje staat op. Ik voel me betrapt en wil een andere kant op kijken. Onzin, want ik zit bijna honderd meter verderop en ze weten niet dat ik hier ben. Het oudere kind is inmiddels naar binnen, de jonge zus loopt achter haar aan. Pas nu zie ik dat ze slechts in haar onderbroek en hemd is gekleed. Ik glimlach om de onbevangenheid en de onschuld en tegelijkertijd krijg ik een brok in mijn keel van weemoed.

Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, september 2021

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

14-10-2021

Balkonscène (1) – Lotgenoten (0036)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2021 — bazbo @ 01:00

Lotgenoten,

Het vroege licht is voorzichtig over de hoge daken gepiept en valt als een soort bevrijding op de ramen van het flatgebouw hiertegenover. De lantaarns zijn een kwartier geleden uitgeploept. Op straat is het nog doodstil, met uitzondering van die enkele fietser die de weg zoekt langs de winkels. Ook de verlichting van de reclame in de bushalte is uit. Langs het voetpad stroomt de beek door een betonnen goot. Een rat schiet weg onder het voetgangersbruggetje. Wind ruist door de paar bomen die langs de weg staan. Het is niet koud, bijna aangenaam zelfs. Zie, daar komt een stadsdienst. Die rijdt tegenwoordig elektrisch, dus die hoor je nauwelijks. Hij hoeft niet bij de halte te stoppen, want daar staat niemand en het is de eerste halte na het vertrek van het busstation. Als de bus voorbij rijdt, zie ik dat hij nog leeg is.
Ik zit op het balkon en kijk vanaf de tweede verdieping mijn ogen uit. De stad wordt langzaam wakker.

Daar heb je de oudere heer met de rollator. Hij steekt de straat over. Aan de overkant staat een flatgebouw, waarin op de begane grond winkels zijn gevestigd. Links ervan bevindt zich een groot kantorencomplex. Daar loopt de meneer naar toe. Voor het gebouw staan grote plantenbakken. De man loopt erheen en hij verdwijnt erachter. Ik weet wat hij gaat doen. Tussen twee struikjes door zie ik hem bezig. Hij trekt iets uit de plantenbakken en legt dat in het mandje van zijn rollator. Wat zou het zijn? Onkruid? Of jonge aanplant die hij thuis in zijn tuin zet? Zijn het bladeren die hij gebruikt voor een herbarium dat hij bezig is te vullen op de dagbesteding? Ik weet het niet. Iedere morgen steekt de meneer over en gaat hij naar de plantenbakken. Ik ben hem wel eens tegengekomen, iets later en een paar straten verderop, tijdens mijn rondje hardlopen. In het voorbijgaan kon ik toen niet zien of hij iets in zijn mandje had liggen dat hij uit een plantenbak gerukt kon hebben. De meneer is inmiddels stevig doorgestapt en om de hoek van de straat achter het kantoorgebouw verdwenen.

Maar wat is dat!? Daar komt zo’n scooter over het fietspad gescheurd. Met een lawaai dat je niet wilt weten. Het zal op zich wel meevallen met dat lawaai, maar omdat de straat nog leeg is en omgeven is door hoogbouw, galmt het enorm. Het geluid van de scooter doorbreekt de stilte ruw. Overdag is het vaak nog veel erger. Je hebt van die gasten die met hun motor door de straat racen omdat het zo lekker resoneert. Gisterenmorgen vroeg was er eentje die het wel heel bont maakte. Die crosste gewoon over het voetpad, vlak onder de luifel van de winkels door, voor een nog beter effect. Je zal er maar net lopen en nog geen hartverzakking hebben. Op de scooter zit een man. Zou hij die scooter gebruiken omdat hij zo dik is dat hij niet kan lopen of is hij zo dik geworden van de weinige beweging die hij krijgt doordat hij te pas en te onpas die scooter gebruikt? De scooter rijdt trouwens niet eens hard. Als je fietst ga je sneller. Pas op, meneer! Daar aan het eind van de straat is een bocht! De man hoort mij niet. Ik riep ook niet. Ik denk alleen maar.

Daar komt de oude mevrouw met haar oude hondje aangelopen. Ze stapt met kleine passen en haar grijswitte krulhaarhondje waggelt met nog kleinere pasjes voor haar uit. Ze zijn vast naar het parkje verderop geweest. Ik kom ze daar vaak tegen, ook ’s morgens vroeg als ik terug kom van mijn ronde hardlopen. Dan groet ik de mevrouw, maar ze zegt nooit iets terug, want ze is druk in gesprek met het oude beestje. Ze heeft een lange regenjas aan en ik weet dat ze eronder nog haar witte nachtjurk draagt. Straks verschijnt ze op haar balkon, hier schuin tegenover, ook op twee hoog. Weer of geen weer, de deur van haar appartement staat wagenwijd open. Ook vanmorgen heeft ze haar lange grijze haren in een staart. Zie, daar is in de buurt van de voordeur van haar flat. Zoals altijd laat ze de riem los. Zelf strompelt ze naar de openbare prullenbak om daar het drollenzakje in te doen; het hondje waggelt alvast op zijn korte pootjes naar de deur. De mevrouw bukt en pakt de riem op. De deur zwaait open en de straat is weer leeg.

Niet lang. Verderop is ook weer wat gaande. Ik buig voorover op mijn stoel om alles maar te kunnen zien. De stad wordt wakker.

Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, september 2021

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

30-09-2021

Hoog tijd voor een kroegverhaal (25)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2021 — bazbo @ 01:00

Het was stil in café De harde plasser. Of hoe heette dit café? Even nadenken. Het café heette Bij Anja en niet De harde plasser, al vond ik De harde plasser stiekem een leukere naam.
Niemand op het terras. Het was van dat grauwe septemberweer en het regende. Op zich geen zware regen, maar als je er even in liep of zat, dan werd je er doornat van. Iedereen die niet op het terras zat gaf ik dan ook groot gelijk. Zelf had ik ook geen enkele aandrang om buiten op het terras plaats te nemen, dus duwde ik de deur van het café open en ging naar binnen.

Ook daar was het stil. Maar dat had ik al geschreven. Lees vooral de eerste zin van dit verhaal terug. Ik was hier wel eens geweest. Om te schrijven dat het mijn stamcafé was, gaat te ver. Maar ik had er mooie dingen meegemaakt. Er waren tijden dat er liveoptredens waren van bandjes. Ik had er zelf ook een paar keer op het podium gestaan om voor te lezen uit eigen werk. Ook had ik er Anja’s verjaardag gevierd. Anja was de eigenaresse van het café, maar ze had het een tijd terug verkocht. Nu was het er in haar nadagen al stil en zo te zien was het er niet op vooruit gegaan.

Ik liep naar de bar. Achter de bar was niemand. Ik hoestte. Er kwam niemand tevoorschijn. Wat een zaak. Zou ik eens kijken of de lade van de kassa open ging? Nee, er was hier helemaal geen kassa. Volgens mij deed Anja iets met een plastic bak waar het contant geld in verdween en had de nieuwe uitbater dit systeem overgenomen. Waar zat die vogel? Ik sloeg met vlakke hand op de toog. Dat maakte lawaai. Het deed pijn ook. Ik deed het niet nog een keer. Er kwam nog altijd niemand. Zou ik een asbak tegen de grote spiegel achter de bar keilen? Of een stoel door de weinige ramen? Zou er dan wél iemand komen? Wacht, daar kwam nu iemand. Tenminste, ik hoorde een stem ergens achter een deur.

Een deur achter de bar zwaaide open en daar verscheen een jongedame. Anja was het niet, dat kon ik zo wel zien. Anja was een roomblanke dame van tegen de middelbare leeftijd, dit was zoals gezegd een jongedame en aan haar huidskleur te zien van Indonesische afkomst of zo. Weet ik veel.
‘Hallo!’ zei ze luid.
Ik keek om me heen. Er was nog altijd niemand. Waarom schreeuwde ze zo? ‘Goedemiddag,’ zei ik op volstrekt normaal volume.
‘Zeg het maar! Wat mag het zijn?’
Nu vond ik het te stil in het café, maar dit gegil was overdreven. Ik boog wat over de toog en zei zachtjes, bijna fluisterend: ‘Dit hoeft niemand te weten. Doet u mij een glaasje water, liefst uit de kraan.’
‘Uit de kraan?’ vroeg ze op gewone geluidssterkte.
‘Ja,’ zei ik.
‘Oké. Ik zal het opschrijven.’
‘Als je het zo beter kunt onthouden: prima.’
Ze keek me verward aan.
‘Je kijkt wat verward,’ zei ik. ‘Nu ken ik je niet zo goed; misschien kijk je altijd zo? Ik kom hier niet vaak meer. Hebben wij elkaar eerder ontmoet hier? Vergeef me als ik je naam vergeten ben. Hoe heet jij?’
‘Dinda.’
‘Dinda?’
‘Ja. Dinda.’
‘Excuus. Ik ben wat slechthorend. Dag, Dinda. Leuk je wat beter te leren kennen.’
Ze knikte met een glimlach. Ik vond haar wel een leuke jongedame. Ze had een mooie glimlach. Ik zag een gaaf gebit, kuiltjes in haar wangen, glinsterende blauwe ogen, pretrimpeltjes rond die ogen en een mooie bos met lange zwarte krullen die tot op haar schouders hing. Hoe oud zou ze zijn? ‘Hoe oud ben jij?’
Dinda draaide zich half om. Ze was onderweg naar de deur, vandaar. ‘Ik? Als je het per se weten wilt: ik ben zesentwintig.’
‘Per se was het niet nodig, maar nu ik het weet, vind ik het fijn om te weten.’
‘Jij bent een rare,’ zei ze. ‘Maar je bent die schrijver, toch?’
‘Welke schrijver bedoel je met die schrijver?’
‘Die ene.’
‘O, die. Nee, die ben ik niet. Ik ben die andere.’
Ze lachte haar gave tanden weer bloot en ging verder naar de deur. Niet heel sierlijk deed ze die open, verliet de gelagkamer en sloot diezelfde deur met een klap achter haar.
Ik was weer alleen.

Het was niet moeilijk om een lege tafel te vinden. Alle tafels waren leeg. Ik nam plaats op een stoel aan een tafel die door het raam uitkeek op het terras in de regen. Als je de andere kant op keek, zag je een groot deel van het café. Niet alles, want achterin was aan de linkerkant de toegang tot het zaaltje. Daar bevond zich ook het betreffende podium waarop ik leuke bandjes had gezien en zelf meerdere malen mijn verhalen had voorgelezen.

Ik ging zo eens door mijn geheugen en bladerde door de muziek die ik hier had mogen horen. Ralph de Jongh, Fillmore East, Ian Parker, dat waren zo wat namen die me gelijk te binnen schoten. Talloze andere muziekmakers, veelal plaatselijke prutsers. O ja, natuurlijk The FoolZ ook, die waren hier een tijdje kind aan huis en naast hun tientallen optredens, al dan niet akoestisch, had ik ook een paar keer meegeholpen hun podium én zaal te versieren voor hun speciale Halloweenconcerten. Leuk, hoor.
Hoe veel keer had ik hier zelf op het podium gestaan? Twee boekpresentaties, drie keer voorlezen met de columnisten van FOK!, een keer met De Drie Wijzen, twee keer Sambal, vijf grote voorleesvoorstellingen met het trio Bas, Willem en ik. Bijna raakte ik de tel kwijt.
In het zaaltje had De Vrouw haar vijftigste verjaardag gevierd. Ze was toen net hersteld van de borstkanker. De Sara op het podium droeg een afgedankte bril en de pruik die toen net een half jaar overbodig was.
Er was een tijd dat ik hier iedere zondagmiddag zat, luisterend naar de lokale muzikanten die er optraden, fiks bier uitdelend en een boel mensen ontmoetend.
Mooie herinneringen.

Het café was nog altijd leeg. En donker. Het was nog overdag, rond een uur of vier. Nu was het buiten niet echt zonnig (het regende, weet je nog), maar ook als het wel zonnig zou zijn, zou er weinig daglicht naar binnen vallen. Als het een beetje weer was, zou ik in de binnentuin achter het café zijn gaan zitten. Je waande je er in Zuid-Frankrijk, zo mooi en rustiek was het er, met het vele groen, de zitjes her en der, de druivenstruik die over de pergola heen groeide, de ruwe muur en gewoon de hele atmosfeer. Ik kan dat niet uitleggen en moet dat ook helemaal niet doen. Ik doe het dan ook niet. Bovendien is het er alleen maar mooi en rustiek als de zon schijnt en dat was zoals gezegd niet het geval.

Een diepe zucht ontsnapte me. Het was de vlaag van melancholie die het hem deed. De wereld verandert. Alles verandert. Daar doe ik niets aan. Die vlaag van melancholie had er alles mee van doen dat ik zelf niet mee was veranderd. Ik kan niet maken dat alles hetzelfde blijft. Soms zou ik dat willen, vaak ook niet. Wat ik wél kan veranderen, dat is hoe ik erover denk. Dat leek me een goede eerste stap.
Mijn volgende gedachte was: Waar blijft dat water? Zit er geen kraan in de toog hier? Moet die Linda of Dinda of Pinda naar de binnenplaats om het daar uit de bodem te pompen of zo?

Ik gaf een zachte klap op het tafelblad, stond op en ging naar huis. Daar zette ik de computer aan en opende ik het tekstverwerkingsprogramma. Ik wilde beginnen met schrijven, maar er kwam niets. Ja, het enige wat ik kon bedenken was een titel.


Apeldoorn, september 2021

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

16-09-2021

Vrijheid

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2021 — bazbo @ 01:00

Er zat een man naast me in de bus. Nou, naast me klopt niet helemaal. Er zat een gangpad tussen. Hij had zijn mondmasker onder zijn kin hangen en las in een krant én op zijn telefoon door elkaar of tegelijkertijd. En dat was niet het enige dat hij deed. Een ware multitasker, deze meneer. Hij zat ook nog eens luid te hoesten en te snotteren. Heel fijn.

Ik was sinds een tijdje weer af en toe in kantoor en dus reisde ik met de bus naar mijn werkplek. Ja, ik ga twee dagen in de week naar kantoor (de andere dagen werk ik thuis) en ja, ik woon dik vijfentwintig kilometer van mijn werkplek vandaan en ja, ik heb geen auto dus ja, ik ben gedwongen om met het openbaar vervoer te gaan. Gelukkig zei de stem in de bus niet langer ‘Reis alleen als het echt nodig is’, maar nog wel ‘In het openbaar vervoer is een mondkapje verplicht voor reizigers van dertien jaar en ouder’ en ‘Vermijd drukke tijden’. Nu was het ’s morgens om half zeven doorgaans niet zo heel erg druk in de bus, dus waren de meeste banken nog vrij. Toen ik een mooie plek had gevonden, waren we bij de volgende halte en stapte deze meneer in. Hij kwam naast mij zitten. Althans, op de bank naast mij en zat het gangpad nog tussen ons in. Al snel had hij zijn krant en telefoon op zijn schoot, trok hij zijn mondmasker onder zijn kin en begon hij luid te hoesten en te snotteren. Heel fijn.

‘Ah, meneer,’ begon ik, ‘zou u uw mondmasker over uw neus en mond willen doen?’
‘Waarom?’ zei hij luid. ‘Het is een vrij land.’
‘Dat klopt,’ zei ik. ‘Daarom nam ik de vrijheid om u de vraag te stellen.’
‘Dictatuur!’ Hij werd rood en zijn slapen trilden. ‘Ik ben niet zoals de schapen! Ik denk zelf na en ga mijn vrijheid niet verkwanselen.’
Ik vroeg me af wat ik gezegd had waaruit de meneer kon opmaken dat ik niet zelf nadenk. ‘Meneer,’ zei ik, ‘ik vroeg u of u uw mondmasker over uw neus en mond wilde doen, zoals de voorschriften in deze bus …’
‘Precies!’ onderbrak hij me. Hij hoestte en ik zag spetters mijn kant op komen.
Nog verder naar achteren deinzen kon ik niet. Ik zat al strak tegen het raam. Gelukkig bereikte het sputum mij net niet. Waarom had hij eigenlijk een mondmasker onder zijn kin als hij toch niet van plan was om hem correct te dragen? Dan kon hij hem net zo goed thuis laten.
‘Ik laat mij niet meeslepen in de dictatuur!’ ging de meneer kuchend verder. Hij kwam duidelijk lucht te kort. ‘Na de tweede wereldoorlog zeiden we: dit nooit meer, maar we laten het gewoon weer gebeuren. Ze nemen onze grondrechten en vrijheid af.’

Naakt, rennen, poepen, schreeuwen, in een weiland
Dat is vrijheid
Naakt, rennen, vellen schijten, schreeuwen, in het weiland
Dat is vrijheid
(Bob Fosko)

‘Dat laat ik niet toe!’ De ruiten besloegen. ‘Niemand vertelt mij wat ik moet doen. Wacht maar tot je je moet verantwoorden voor het Tribunaal dat …’ Hij begon te rochelen en leek heel langzaam te stikken.

Ik lachte hardop, stond op, pakte mijn tas en ging een heel eind achter de meneer weer zitten op een lege bank. Daar was nog genoeg plaats.
Een heel eind voor mij in de bus zakte iemand opzij en hing piepend, hijgend en naar adem happend half over het gangpad. Niemand besteedde er aandacht aan. Ik had ondertussen mijn boek tevoorschijn gehaald, sloeg het open daar waar ik was gebleven en was blij dat ik al geruime tijd volledig gevaccineerd was.


Apeldoorn, september 2021

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

02-09-2021

Bloemenmeisje – Lotgenoten (0035)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2021 — bazbo @ 01:00

Lotgenoten,

Koud en regenachtig is het, ook hier op de markt. Het bloemenmeisje is bezig met het uitstallen van de koopwaar. Ze haalt potten met planten van een palletwagen en zet ze neer op de natte klinkers van het marktplein. Altijd leuk om naar haar te kijken. Ze draagt witte sportschoenen onder haar strakke grijze broek. Een rond gezichtje heeft ze, met heldere ogen. Haar halflange haren zitten strak naar achteren in een korte paardenstaart. Ze ziet me niet en blijft geconcentreerd bezig met haar werkzaamheden. Ik zucht en vervolg mijn weg.

Wat zei ik nou laatst? Dat ik, sinds de coronacrisis en sinds ik thuis werk, geen last meer heb gehad van wisselende stemmingen? Waarom zeg ik dat soort dingen dan ook?
Nee, het is niet de regen die me somber maakt, ook niet dat het bloemenmeisje me niet ziet staan. Het zijn gewoon buien die net als de regen komen en weer verdwijnen. Ik heb er geen invloed op. Als ze me overkomen, dan weet ik wel wat ik kan doen om droog te blijven: ontspannen en de dingen doen die er toe doen. Eerder raakte ik in paniek als een bui zich aandiende; tegenwoordig weet ik dat het weer droog wordt.

Daar heb je een viskraam. Erachter staat een meisje. Een vismeisje. Ik heb nog nooit een vismeisje gehad. Het lijkt me wel wat. Als die ’s avonds thuis komt, dan mag ik haar helpen met douchen. Dan zeep ik haar in en besprenkel ik haar met heerlijke geuren. De vislucht verdrijven is mijn opdracht. En daarna lief voor haar zijn. Toch kleeft er ook wel een nadeel aan een vismeisje. Als ze ouder wordt, wordt ze een viswijf. Dat is dan weer minder. Tevreden dat ik er goed aan doe, wandel ik door.

Tja, evolutionair gezien ben ik wat ik ben: een exemplaar van de mannelijke soort, voortdurend op zoek naar een vrouwelijke partner om mij voort te planten, opdat de soort blijft bestaan. Wat ik ook ben, is niet gek. Wel somber. Ik ben heus niet zo gek dat ik denk dat ik op mijn zesenvijftigste nog enige kans maak bij zo’n kind van een jaar of achttien. Voortplanten zit er trouwens geeneens meer in sinds ik een jaar of vijftien geleden rigoureus de leidingen heb laten doorknippen. Seks heb ik nog regelmatig en als resultaat daarvan spuit ik ook nog, maar zaad kun je het niet meer noemen. Al ben ik dan niet meer op zoek naar een partner om mij voort te planten, de radar staat wel nog altijd aan. Ik maak mij daarbij geen enkele illusie en verwacht van geen enkele vrouw dat de interesse wederzijds is. Verder dan een vriendelijke groet of een nietszeggend praatje over het (rot)weer, de koopwaar of de klimaatcrisis ga ik ook niet.

Ik kan het niet helpen. Bij de grote kraam moet ik kijken of ze er is. Nee, het groentemeisje van lange tijd geleden is nog altijd weg. Ze was lief en beleefd en gaf mij het gevoel dat ik bijzonder ben en dat ze iets moois met mij deelde. Tot ik had betaald en ze een andere klant ging helpen. Dan bleek ze tegen de andere klant net zo lief en beleefd als tegen mij. De hoer. Met een later groentemeisje had ik ook iets speciaals; af en toe zag ik haar in de bus als ze van haar opleiding terug reisde naar huis. Ze groette me beleefd en de zaterdagmorgen erna vroeg ze, terwijl ze de mandarijnen telde en in een plastic zak stopte: ‘Ik zag u toch in de bus?’ Met een dergelijk vergeetachtige deerne zou het nooit wat worden. Nee, illusies maak ik me niet meer. Bovendien, ook zij is al tijden niet meer werkzaam bij de groentekraam. Daarnaast: ik koop sinds een jaar of twee helemaal niets meer bij dit grote bedrijf. Sinds er een biologische boerderij op de markt staat, doe ik mijn boodschappen daar. In die kraam echter alleen maar twee wat oudere dames. Ze zijn heel aardig hoor, maar evolutionair gezien zijn ze van geen enkele betekenis meer. Ikzelf trouwens ook niet. Ze groeten vriendelijk als ik in de kraam kom en mijn paraplu inklap en droog schud. Ik kijk op mijn lijstje en niet veel later is mijn boodschappentas gevuld met bosui, paprika, bananen, druiven, radijs, aardbeien en een fantastische mix van jonge bladsla. ‘Geniet ervan,’ zegt de ene dame als ik heb afgerekend. ‘En tot volgende week.’

Sinds maart 2020 werk ik thuis en een tijdje leek het of de neerslachtige vlagen weg bleven. Kwam het door de betrekkelijke rust? Geen onverwachte vragen aan mijn bureau, geen ‘Jij weet nog wel eens wat, hè?’ en geen ‘Nu ik je toch zie, kun jij even…?’ In alle rust kon ik mijn werkzaamheden plannen en uitvoeren. Maar na dik een half jaar ging het mis. Ik voelde me alleen en verlaten en miste alle kantoormensen om mij heen. In de dynamiek bij de koffieautomaat ontstaat veel en niet zelden zijn dat nieuwe werkzaamheden. Ik zat saai de dingen te doen die ik moest doen en werd steeds ongelukkiger. Huilend alarmeerde ik mijn leidinggevende. Die denkt met me mee en begrijpt dat ik collega’s om me heen nodig heb. Sindsdien werk ik een dag in de week weer in het kantoor. Het helpt. Maar de sombere buien zijn af en toe terug. Zoals vandaag, bijvoorbeeld. Gisterenavond begon het trouwens al. Van het ene moment op het andere voelde ik me heel opgejaagd en zat mijn hoofd vol met angstige gedachten. Vanmorgen bij het opstaan was het niet veel beter. Ik wist dat ik moest doen wat ertoe doet. Zorgen voor mijn gezin. Toen ik de deur uitging en zag dat het regende, werd ik daar niet meer of minder somber van. Het is zoals het is. Ik heb er geen invloed op. Maar leuk is het allemaal niet.

En dan, op mijn terugweg naar huis, dan kom ik weer langs de uitgebreide kraam van de bloemen- en plantenhandel. Ik kijk naar de waar die er uitgestald staat. Te midden van de potten, emmers, planten, takken en kleuren, in de vlagerige miezerregen, staat het bloemenmeisje. Ze kijkt me aan, glimlacht, zegt ‘Goedemorgen!’ en plots is even alles goed.

Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, augustus 2021

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

19-08-2021

Schiet mij maar lek

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2021 — bazbo @ 01:00

Schiet mij maar lek. Of nee, doe maar niet. Ik wil nog een tijdje rond blijven lopen op deze aarde. Niet dat ik het hier altijd even prettig heb. Ik ga soms gebukt onder neerslachtige buien, heb immer te weinig contanten om mijn mooie muziekverzameling uit te breiden en heb mijzelf te veel aan anderen moeten verplichten zodat ik te weinig toe kom aan wat ik liever zou willen doen: seks hebben met De Vrouw. Toch wil ik nog niet dood. Je weet maar nooit, wie weet gaan de buien over, overkomt me een onverwachte erfenis en weet De Vrouw uiteindelijk toch niets anders leukers te bedenken dan met mij in bed liggen. Daar komt nog eens bij: ik ben een angsthaas en een ontzettende schijtebroek en ben verschrikkelijk bang voor een eventueel naderend einde. Nee, laat mij nog maar even leven.

Toch slaat de twijfel soms toe. Wat is het vooruitzicht als ik op de wereld blijf? Geloof me, ik ben van nature een optimist en zeer positief ingesteld. Maar als ik zie hoe de diersoort waartoe ik behoor bezig is om diezelfde aarde geheel naar de tering te helpen, dan zinkt datzelfde optimisme en die positiviteit me in de schoenen. En met het mooie weer van het afgelopen weekend draag ik liefst helemaal geen schoenen.

Als ik zeg dat de mens doende is de wereld naar de tering te helpen, dan doel ik niet op rechts-populistische thema’s als migratie of de dreiging dat onze cultuur verdwijnt. (Migratie is van alle tijden. Door de eeuwen heen zijn mensen altijd op zoek geweest naar oorden waar het beter of veiliger vertoeven is. Hoe denk je dat wij zelf hier ooit terecht gekomen zijn? En cultuur is niet statisch, maar verandert voortdurend; iets kan alleen maar cultuur worden, juist omdát het verandert.) Ik doel op de roofbouw die de mens op de aarde pleegt, met z’n intensieve landbouw en veeteelt, met z’n vernietiging van bossen en alle andere natuur, met z’n niet-aflatende delving van fossiele grondstoffen, z’n CO2-uitstoot, z’n overconsumptie, hebzucht en economische groei. Ja, laat ik het eens hebben over natuur en milieu.

Dat de aarde naar de tering gaat, dat ze vervuilt en opwarmt, dat komt door de mens. Dat is geen mening; het is een feit. Het feit is wetenschappelijk onderbouwd door deskundige mensen die hun bevindingen hebben gedeeld in wetenschappelijke publicaties. Maar iemand die gewoon goed uit z’n doppen kijkt en z’n gezonde verstand gebruikt, kan op z’n klompen aanvoelen wat er gaande is. Het gaat slecht met onze bossen door verzuring en verdroging, de landbouwgronden zijn uitgeput en vergiftigd door kunstmest en pesticiden, de aantallen met uitsterven bedreigde plant- en diersoorten zijn steeds groter en groter, de overstromingen, stormen, bosbranden, extreme hittegolven en andere weerrampen zijn talrijker en door onze fratsen in onze vetgevreten geïndustrialiseerde landen zijn ze in Madagaskar de lul.

Het lijkt erop dat de klimaatcatastrofe ‘hip’ is. Overal waar je komt, wat je ook leest, wat er in de schappen ligt: woorden als ‘klimaat’, ‘klimaatneutraal’, ‘klimaatcrisis’ en ‘duurzaam’ leveren hogere kijkcijfers op.
Natuurlijk spelen bedrijven in op het thema; zij gebruiken de belangstelling ervoor om eraan te verdienen. Zo misbruiken supermarkten het begrip duurzaamheid: ‘Een plofkip is beter voor het milieu, want ze groeit in kortere tijd uit tot een vadsige hen dan een biologische.’ We kunnen dus beter kiezen voor een gruwelijk mishandelde kip dan voor een ‘beterlevenkip’. De standaard van een beschaving kun je mede afmeten aan hoe ze met dieren omgaat. Beter eet je dus helemaal geen kip of slechts de biologische kip die inderdaad echt buiten heeft rondgelopen.
De huidige wetgeving en belastingafspraken helpen ook niet mee. De grootste vervuilers, de grote bedrijven als Shell en Tata Steel, de bio-industrie, de vliegtuigmaatschappijen, de kledingindustrie en noem ze allemaal maar op, komen nog steeds weg met het dumpen van afval, het lozen en uitstoten van vuiligheden, het oneerlijke handeldrijven, het uitbuiten van personeel en het elkaar toeschuiven van exorbitante bonussen. Breek me de bek niet open over de subsidies en belastingvoordelen waarvan ze gebruik kunnen maken. De aandeelhouders wrijven nog altijd in hun handen.
Het is daarom aan de politiek om keuzes te maken hoe we de natuurramp van formaat nog enigszins tot bedaren kunnen krijgen. We hebben wereldleiders nodig die het voortouw nemen en daarna ligt er een pens werk op Europees, nationaal en zelfs lokaal niveau. Opdat we allen meedoen, een goed voorbeeld geven en niet alleen maar wijzen naar een ander: ‘Wij doen niks, want hunnie doen ook niks.’

We weten namelijk ook dat er mensen zijn die de natuur- en klimaatcatastrofe ontkennen. ‘Het klimaat verandert altijd, niets nieuws. We zijn met veel te veel mensen op aarde. Laat ze eerst in China maar eens iets doen. Het is een hoax, die ervoor zorgt dat we meer belasting gaan betalen. Ik moet wel gewoon kunnen barbecueën.’ Ik begrijp ze wel, hoor. Het is niet fijn om te horen dat je je onbezorgde leventje zult moeten veranderen. ‘Straks mag er helemaal niets meer.’ Je bent een mens, hebt creativiteit meegekregen; verzin voor jezelf iets anders dat óók leuk is, zeg.
Je kunt wel blijven mekkeren dat het niet leuk is en dat je je leven niet wilt veranderen, maar je zadelt anderen wel op met een probleem dat van ongekende omvang en onomkeerbaar is: een zo goed als onleefbare planeet.
‘Maar het moet allemaal wel betaalbaar blijven.’ Terwijl je drommels goed weet, dat als je nu niets doet om klimaatrampen te voorkomen, dan kost het je straks, als het echt helemaal uit de klauwen loopt, nog veel meer. Als je nu niets doet, nu niet investeert in de toekomst van de generaties achter ons en van onszelf, dan heb je straks geen reet aan al je poen en je mooie spullen. Je kop in het zand.
Die grote ontkenners, de gasten met geld, de grote bedrijven, de politiek, bij hen moeten we in eerste instantie zijn om de ommekeer te financieren. (Economische groei is niet de oplossing, eerder juist het probleem.) Maar iedereen en dus ook jij zal mee moeten doen en mee moeten betalen. Want ik zou niet willen dat jouw kleinkinderen straks gaan zeggen: ‘Nou oma of opa, bedankt. Omdat jij het klimaat te duur vond.’ Bovendien wil ik nog een tijdje rond blijven lopen op deze aarde.

En dan, in dezelfde week dat het uiterst verontrustende rapport IPCC verschijnt – een samenvatting van duizenden recente milieustudies, dat ons voor de zoveelste maal bewijst dat de mens de veroorzaker is van de klimaatcatastrofe door het desastreuze gebruik van fossiele grondstoffen – en ons nog eens ongenadig met onze neus op de feiten drukt, in diezelfde week komt ook het bericht dat een met meer dan 10.000 bezoekers zeer vervuilend prestige-evenement als de Formule 1 op circuit Zandvoort gewoon doorgang mag vinden. Even los nog van dat andere festivals niet door mogen gaan: wat kan ons die zeldzame gele kringspierkever, fikfazant of Innsbrucker lokspijsadder schelen, wie maalt er om de extra uitstoot van al die duizenden bezoekers die eropaf komen, van al die extra transporten, van al dat asfalt dat en die honderdduizenden voetstappen die door een uniek duinlandschap denderen, zo lang we maar voor ons eigen vermaak zo hard mogelijk met onze raceautootjes rond kunnen karren?
Nee. Schiet mij, de linkse klimaatdrammer, schiet mij maar lek.


Apeldoorn, augustus 2021

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

05-08-2021

Hoog tijd voor een kroegverhaal (24)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2021 — bazbo @ 01:00

Ze mogen weer open zijn tot zeer laat in de avond. Sterker nog: tot diep in de nacht. Ik red dat niet. Dit kroegverhaal speelt zich dan ook af bij daglicht. Ik bevond mij in café De Hoerenzoon. Vraag me niet waarom. Ik kan het me niet herinneren. Dat heeft niet te maken met dat ik (al) te veel gezopen had. Ik zuip namelijk niet. Niet meer. Ik heb genoeg gehad. Soms spreek ik af met iemand op het terras van een kroeg. Met Aad, Willem en Reinier, bijvoorbeeld. Maar dat was niet nu. Dat was een andere keer. Nu gaat het over deze keer, de keer dat ik mij in café De Hoerenzoon bevond.

Bij binnenkomst liep ik naar de bar.
‘Dag bardame,’ begon ik, ‘ik wil graag plat water. Liefst uit de kraan.’
‘Uit de kraan?’
‘Ja,’ zei ik. ‘Ding daarginds (met die bak eronder) op je toog, waar je aan kan draaien op dusdanige wijze dat er drinkwater uit komt. Doe mij een glas vol van dat drinkwater.’
Ze deed mij een glas vol van dat drinkwater. ‘Zal ik het voor je op een rekening zetten?’
‘Nee, liever niet,’ zei ik. ‘Breng me er trouwens straks nog maar een.’ Ik dronk het glas water in een paar teugen leeg, zette het terug op de bar, draaide me om en liep naar een lege tafel.

Ik was nog niet halverwege of iemand kwam mij tegemoet. Weer een dame. Een jongedame, nog wel. Ze had scheuren in haar spijkerbroek en lelijke knieën.
‘Mag ik jou wat vragen?’ vroeg ze.
‘Nee, dank je,’ zei ik. ‘Ik heb daarnet al goed seks gehad.’ Ik liep door. De lege tafel was nog steeds leeg en ik nam plaats.

Wat een afschuwelijk café was dit. Ik vond de meeste cafés afschuwelijk, maar deze sloeg echt alles. Het meubilair was duidelijk door een binnenhuisarchitect of interieuradviseur bij elkaar verzonnen. Lekker ludiek, al die verschillende stijlen stoelen die totaal niet lekker zaten en helemaal niet bij de tafels pasten. Op de ene stoel zat je veel te hoog; op de andere moest je debiel naar boven grijpen om je glas te pakken. Als je een glas kreeg, tenminste. Waar bleef mijn water? Of moesten ze het handmatig omhoog pompen?
‘Kijk eens,’ zei een stem.
‘Ik had mijn ogen niet dicht,’ zei ik, ook met een stem.
‘Pardon?’
‘Je zei: kijk eens. Maar dat deed ik al.’
‘Ben jij altijd zo gevat?’
‘Ben jij altijd zo snel aangebrand? Of alleen als ik je het vuur na aan de schenen leg?’
‘Ik begrijp je niet.’
‘Dat geeft niks,’ zei ik. ‘Ik kan – in tegenstelling tot veel andere mannen – een vrouw wel begrijpen.’
‘Hier is je water.’
‘Ik keek. Dus ik had het gezien.’
De bardame zette het voor mijn neus. ‘Anders nog iets?’
‘Nou, niet van je menukaart.’
‘O? Iets anders dan?’ vroeg ze.
‘Ik wil nog wel wat kwijt.’
‘Het toilet is die kant op.’
‘Dat weet ik óók. Ik ben hier vaker geweest.’
‘Nou, zeg het dan maar.’
Ik zei: ‘Ik heb een harde stang.’ Of nee, dat zei ik helemaal niet. Ik zei: ‘Die binnenhuisarchitect of interieuradviseur of wat voor pipo hier de inboedel bij elkaar heeft geharkt van de rommelmarkt; wie is dat geweest?’
‘Zeg dat maar niet hardop.’
‘Dat deed ik toch ook niet? Ik zei het met gedempte stem, zodat alleen jij het kon horen. Vooruit, wie was het? Van welk rariteitenbureau was hij? Of zij, dat kan natuurlijk ook. Lijkt me bij nader inzien logischer ook.’
‘Het was Frits.’
‘Frits?’
‘Ja, de caféeigenaar.’
‘Ik weet wie Frits is.’
‘Waarom vroeg je het dan?’
‘Het was een uitroep van opperste verbijstering.’
‘Met een vraagteken erachter?’
‘Ja! Met een vraagteken erachter!’
‘Excuus. Ik wist niet dat je boos werd.’
‘Ik werd niet boos! Of wacht, nu wel. Ik bedoel: net wel. (Lastig, dat met die verschillende tijden in zo’n verhaal.) Ik zette alleen een uitroepteken achter mijn zin.’
‘Zin?’ vroeg ze verward. ‘Zin? Hoezo zin?’
‘Dan maak je maar zin. Dat zei mijn moeder altijd.’
‘Grappig,’ lachte ze. ‘Dat zei mijn moeder ook altijd.’
Ik lachte met haar mee. Mijn moeder had het helemaal nooit gezegd. ‘Het is fijn met jou praten, … eh … hoe heet je eigenlijk?’
‘Linda.’
‘Linda, het is me een genoegen.’
‘Mij ook. Jij heet Bas, toch?’
‘Bas zonder toch.’
‘Huh? Wat bedoel je?’
Ik heet niet Bas toch. Ik heet Bas.’
‘Jij bent grappig.’
Ik lachte. Ik vond haar totaal niet grappig. Ik vond haar wel dom. ‘Dank je wel,’ zei ik.
‘Ik zou graag eens wat langer met je praten,’ zei Linda.
‘Nog langer?’ Ik schrok. ‘Dat ben ik niet gewend.’
‘Praat je dan nooit met je vrouw?’
‘De mensen kennen me te goed,’ zei ik. ‘Ze weten alles van mij en mijn vrouw.’
‘Kom,’ zei Linda. ‘Je schrijft veel over je vrouw, dus ik weet van haar bestaan.’
‘Sterker nog: je weet dat ik nooit met haar praat.’
‘Huh?’
‘Ja.’
‘Waar heb je het over, Bas?’
‘Lijd jij aan vroeg-dementie?’
‘Niet dat ik me kan herinneren.’
‘Linda, jij zei: praat je dan nooit met je vrouw?’
‘Dat was een retorische vraag, Bas.’
‘Niet van die moeilijke woorden gebruiken die niet bij je passen, Linda.’
‘Wat bedoel je?’
‘Inderdaad, ik praat nooit met mijn vrouw.’
‘O?’
‘Daar ben ik mee gestopt. Zo houd je een relatie goed. De meeste relaties stranden door misverstanden waarin de een niet begrijpt wat de ander wil zeggen. En omgekeerd.’
‘Omgekeerd?’
‘Ja, een soort verbaal standje negenenzestig.’
‘Ik volg het niet meer.’
‘Dat kan ik begrijpen. Ik maak het ook veel te ingewikkeld voor je.’
‘Wat doe ik eraan?’
‘Niet veel, Linda. Wat jij nodig hebt is een man die weinig praat.’
‘Vind er maar eens zo eentje.’
‘Ik zou eerst eens gaan zoeken, als ik jou was.’
‘Dat is een goed idee.’
‘Ja.’
‘Wat: ja?’
‘Ja, Linda.’
‘Ja?’
‘Vind jij het ook?’
‘Wat?’
‘Dat je eerst eens moet gaan zoeken?’
‘Dat vind ik ook.’
‘Waar wacht je dan op?’
‘…?’
‘Vooruit.’
‘Vooruit wat?’
‘Vooruit, ga zoeken, Linda.’
‘Nu?’
‘Nu!’
‘Oké, Bas.’
‘Tot kijk!’
Zowaar, ze draaide zich om en liep terug naar de toog.
Ik was bekaf.

‘Mag ik wat vragen?’ vroeg plots iemand achter mij.
Ik zuchtte. Iemand vraagt of hij of zij iets mag vragen. De kans was groot dat dit een net zo onmogelijke dialoog werd als die van zo-even. Ik draaide me om op mijn ongemakkelijke stoel. Daar stond de jongedame die eerder ook al iets aan mij had willen vragen. ‘Vooruit,’ zei ik. ‘Ga je gang. Stel je vraag maar.’
‘Excuus dat ik ernaar vraag. Het lijkt of ik je heb zitten afluisteren.’
‘Geeft niet. Had ik maar niet zo dicht op een kluitje met andere mensen moeten gaan zitten. Dat gebeurt nu eenmaal in een kroeg.’ Ik keek de jongedame aan. Ze had een mooi rond gezichtje met blauwe ogen en donkere halflange haren. Leuk topje met een goede vulling. Die spijkerbroek met scheuren stond haar nonchalant en maakte haar ongedwongen, gewoontjes, alsof ze mijn buurmeisje kon zijn. Dat was ze niet. Jammer. Ook jammer van die lelijke knieën die ik kon zien. ‘Kom op,’ zei ik, ‘wat wil je vragen?’
‘Ik hoorde je tegen de bardame zeggen … eh…’
‘Wat? Dat ik een harde stang had? Dat zei ik helemaal niet. Of toch? Maar wat is je vraag?’
‘Ga je nou zaad spuiten?’

Ik sloeg met vlakke hand op tafel, stond op en liep naar de bar. Zonder iets te zeggen legde ik een briefje van vijf euro op de toog. Vervolgens verliet ik café De Hoerenzoon. Thuis had ik weer een boel te schrijven.


Apeldoorn, juli 2021

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

22-07-2021

Voor Willem

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2021 — bazbo @ 01:00

Zojuist heb ik mijn mond gevuld met een goedje dat Perio-Aid heet. Althans, zo staat het op het etiket. Ik spoel vooral aan de rechterkant. In de spiegel zie ik mijn oude gegroefde kop met de lange grijze haren. Even bijdraaien voor een blik op mijn prille rimpelbillen. Vrolijk word ik er niet van. Daar komt nog bij: er zit een forse zwelling aan de binnenkant van mijn wang, rechtsonderin. Dat komt zo. Anderhalve week ervoor was ik bij een paradontoloog en die had me geopereerd. Pijn dat het deed. En nu dan die zwelling. Nadat die paradontolul de hechtingen had verwijderd, gaf hij me antibiotica en dit goedje dat Perio-Aid heet. Terwijl ik in mijn blootje voor de spiegel sta te spoelen, glijden mijn ogen langs het groene betonciré, de inbouwspotjes in het verlaagde plafond, het dure douchegarnituur, de grote witte tegels, het houten badmeubel, de glazen douchewand en de Marokkaans gedecoreerde waskom. Dat had die aannemer twee jaar geleden toch godfriedvictordirk allemaal maar mooi aangebracht. Als u voor een verbouwinkje ooit eens professionele hulp nodig hebt, dan kan ik u deze vakman van harte aanraden. Ik spuug mijn mond leeg op de Marokkaanse decoratie. Tot zover dit badkamerjournaal.

Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, januari 2021


Deze tekst is in aangepaste vorm te vinden in het boek Badkamer en suite (Willem Bierman) (2021)

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

08-07-2021

Lief – Lotgenoten (0034)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2021 — bazbo @ 01:00

Lotgenoten,

Galmend gebrabbel in de straat. En dat op de vroege morgen. Tien voor zes, is dat vroeg? Voor mij niet zo, voor mij is het vrij gewoon. Ik leg dat uit. Straks. Eerst over dat galmend gebrabbel.
De man loopt zoals altijd voor de vrouw uit. Een meter of tien. Hij waggelt wat, stapt onvast over de trottoirtegels in de richting van de bushalte. Erachter loopt de vrouw, zekerder op haar benen, maar langzaam.

Ik ken ze wel. Al is ‘kennen’ hier misschien niet het goede woord. ‘Herkennen’ is beter. Ik zie ze vaker bij de bushalte. In de tijd dat ik nog veel naar kantoor ging, stond ik iedere ochtend naast ze in die bushalte.
De man en de vrouw zijn beiden een jaar of zestig of vijfenzestig, mogelijk nog wat ouder. De man staat onvast op de benen, niet omdat hij dronken is (al lijkt dat wel zo en praat hij wel als dusdanig), maar omdat hij een probleem met zijn evenwicht heeft. Ik had de gehoorapparaatjes achter zijn oren ook al wel eens gezien. Als hij praat, dan klinkt dat luid, wat snibbig, niet zo duidelijk en met vrij veel sputum.
De vrouw is net als de man brildragend, heeft kleine pretoogjes (maar dat kan ook door die bril komen) en haar lange grijze haren hangen in een paardenstaart op haar rug. Ze praat de hele tijd tegen de man en is lief en behulpzaam voor hem. ‘Heb je je buskaart wel bij je?’ ‘We zijn op tijd.’ ‘Het wordt druk vandaag.’ Ze helpt hem met het opdoen van het mondmasker, want dat is voor de man met de grove motoriek wat lastig. De man reageert kortaf: ‘Ja, ja!’, kijkt haar niet aan en weert haar helpende handen af.
Ze stappen in de bus en vijf minuten later stappen ze er weer uit. Het is de halte bij wat we vroeger ‘de sociale werkplaats’ noemden. Tijdens het uitstappen zwaaien ze uitgebreid naar de chauffeur en roepen ze: ‘Fijne dag!’ Ze wil hem weer helpen met het mondmasker, maar hij trekt het bruusk van zijn gezicht en staat vervolgens te hannesen met de gehoorapparaatjes die hij bijna verliest. Door de ramen van de bus kan ik haar bijna horen zuchten; het omaatje bedoelt het goed maar hij wil er niets van weten. Dan heeft de bus vaartgemaakt en hebben we ze achtergelaten.
Als ik ze zie, vraag ik me af of ze een stelletje zijn. Zijn ze getrouwd en hebben ze kinderen? Ze lijken elkaar door en door te kennen; ik merk de kleine ergernissen tussen hen beiden van en herken de vertrouwdheid met elkaar.

Nu zie ik ze vanaf mijn balkon aan komen zwalken in ganzenpas. Ze zijn een half uur eerder dan dat ik van ze ken.
Sinds dik vier jaar woon ik hier nu in het appartement in de binnenstad van ons zo majestueuze Apeldoorn. Vanaf mijn balkon kijk ik op de winkelstraat waar gelukkig nauwelijks autoverkeer doorheen raast. Slechts fietsen en bussen rijden er. En die teringscooters, maar dat is stof voor een andere vertelling.
De wekker staat op vijf uur. Als ik thuis werk en het is mijn dag voor een ronde hardlopen, dan ben ik om zeven uur aan het werk. Vandaag ga ik naar kantoor. Dat kantoor is in een andere plaats en die plaats bereik ik met de bus. Die bus stopt voor de deur, om half zeven, welteverstaan. Dan ben ik om half acht op de werkplek. (Had ik al verteld dat ik al zo’n zeven jaar een nieuwe werkplek heb?) Ik heb dus ’s morgens vroeg ruim de tijd voor vertrek. Met dit mooie weer spendeer ik veel van die tijd op het balkon. Ik zit er uit de wind; het balkon is dicht met glazen schuifpuien, maar die staan nu open en ik voel een zwoele bries. De zon schijnt op de ramen van de appartementen tegenover en de weerkaatsing ervan doet mij mijn ogen dichter knijpen, zo fel is het licht. Vanaf het balkon heb ik prima zicht op de bushalte. Het is zes uur en over een half uur sta ik daar.

Ze zijn net op tijd; de bus van een half uur eerder komt er al aan. Ik hoor haar tegen hem praten. De straat is verder leeg en door de hoogbouw aan weerszijden van de straat galmt haar stem. De bus zelf hoor je niet, want sinds een jaar rijdt het vervoersbedrijf elektrisch. De man kijkt weg, houdt zijn handen beschermend voor zijn gezicht. Dan stopt de bus en zijn ze aan mijn oog onttrokken. Ik weet hoe lang ze erover doen voordat ze zijn ingestapt, dus dit kan even duren. Inderdaad, minuten later rijdt de bus weg.
Maar wat is dat nou? De man staat nog bij de halte. Hij kijkt de bus na en wuift. Vervolgens loopt hij in de richting van waar hij gekomen was.

Ik blijf nog even kijken, maar merk dat ik niet goed zie. Er trekt een waas van vocht voor mijn ogen en ik heb een brok in mijn keel. De mopperige, bruuske man is met de vrouw meegelopen naar de bushalte en zwaait haar uit. Om zes uur ’s morgens. Dat vind ik lief van hem. Ik heb me in hem vergist. En ook in mezelf. Wie had nou gedacht dat ik ooit geroerd zou zijn door twee oudere mensen die op een bus wachten en door de manier waarop ze met elkaar omgaan? Ik wrijf het plotselinge kippenvel van mijn armen, veeg de traan van mijn wang en ga mijn werktas maar eens pakken.

Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, juni 2021

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

24-06-2021

Gezond – Lotgenoten (0033)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2021 — bazbo @ 01:00

Lotgenoten,

Gezondheid kun je kopen. Moet je wel naar de juiste supermarkt gaan en daar de juiste spullen kopen. Nog altijd heb ik zo’n abonnement op een groentepakket van de biologisch-dynamische boerderij, die een paar kilometer buiten ons zo majestueuze Apeldoorn is gesitueerd. Jarenlang was het bij mij thuis een distributiepunt. Iedere vrijdagmorgen kwam er een vrachtwagen bij ons huis voorrijden die een stapel kratten onder onze carport achterliet. Abonnementhouders uit de buurt kwamen dan bij ons hun pakket ophalen. Sinds vier jaar is dat afhaalpunt elders. Ik heb het desbetreffende huis verkocht, vandaar. Op zich hadden we wel distributiepunt willen blijven, maar in een appartementencomplex op twee hoog in de binnenstad van het zo majestueuze Apeldoorn is dat niet zo handig. Nu wandel ik wekelijks naar een afhaalpunt bij mij in de buurt. Leuke wandeling, eveneens gezond. Maar waar was ik gebleven?

Ik liep op straat met in iedere hand een goed gevulde boodschappentas. In die boodschappentassen zaten levensmiddelen die niet alleen voedzaam zijn, maar ook nog eens gezond. Pure, zuivere producten, zonder toevoegingen als suiker en zout en zeker niet ultrabewerkt. Verse groenten en fruit van teelt die niet gebruik maakt van chemische bestrijdingsmiddelen, noten en zaden, stevig brood en weinig zuivel. Voeding en geen vulling. De biologische winkel had aan mij een goede en trouwe klant. Gezondheid kun je kopen, maar dat had ik al gezegd.

‘Ken ik jou niet ergens van?’ hoorde ik een stem ergens achter mij. ‘Hallo! Ken ik jou niet ergens van?’
Ik liep door. Als je mij ergens niet van kent, waarom ga je dan naar me schreeuwen? Het was vast niet voor mij. Overigens zou het best kunnen dat de iemand mij wél ergens van zou kennen.
‘Ben jij niet die schrijver?’ vragen mensen mij soms, op straat of in die supermarkt.
‘Nee,’ zeg ik dan. ‘Ik ben wél die schrijver,’ wil ik er dan achteraan zeggen, maar dan zijn ze al doorgelopen. Altijd lastig: een vraag met een ontkenning er in. Waarom zou je iemand vragen of hij het niet is? Je kunt beter vragen of iemand het wél is. Maar goed. Ondertussen was ik alweer anderhalve straat verder.

En ja, ik weet het: biologisch is niet synoniem aan gezond. Er zijn samengestelde biologische producten die toch veel suikers of zout bevatten, toegevoegd of niet. In een gewone supermarkt zijn er hele paden die ik structureel oversla en dat is in deze biowinkel niet anders. Koeken, snoep, voorgemonteerde sauzen, veel kant-en-klaar-spul, pizza’s en salades-in-bakjes: ik koop het niet, want ultrabewerkt. En moet je eens biologische ham kopen in de supermarkt en die vergelijken met de ham van mijn biologische slager. Dat scheelt liters water en kilo’s zout. Biologisch sinaasappelsap bevat grote hoeveelheden suiker. Ook niet zo gezond. Sinaasappels moet je pellen en niet persen. Of gelijk na het persen in je eetgat gutsen, dan schijnt het mee te vallen met die suikers. In ieder geval moet je ze niet uit een pak gieten.

De winkel die ik twee keer in de week bezoek, ligt nog geen twintig minuten lopen bij mijn huis vandaan. Ook in het centrum van ons zo majestueuze Apeldoorn, dus. Sinds ik hier woon, gebruik ik mijn fiets niet of nauwelijks, want alles is op loopafstand: het station, de markt, het theater, de poptempel, alle cafés waar ik toch nooit kom én de supermarkt. Ik loop dus waarlijk veel. Daarnaast ren ik om de dag een ronde om het centrum van ons zo majestueuze Apeldoorn, het liefst ’s morgens in alle vroegte. Als ik dan om zeven uur start met thuiswerken, heb ik mijn sportmoment er al ruimschoots op zitten. Daarnaast maak ik dagelijks na de lunch een wandeling van minimaal een half uur, liefst door parken en langs het kanaal of een van de vele beken en griften die Apeldoorn rijk is.
Piepende banden achter me. Ik schrok me rot. Een auto kwam naast me tot stilstand. Het was zo’n cabriolet, een convertable of hoe heet zo’n ding met een open dak. Volgens mij kende ik die wagen en was het die malloot die bij aardig weer iedere avond ik-weet-niet-hoe-veel keer met veel lawaai bij ons door de straat scheurt. Zeer dom, want hij rijdt zó snel dat we niet goed kunnen zien dat hij erin zit.
‘Waar kan ik hier het beste parkeren?’ brulde de malloot vanuit zijn auto.
Ik hield mijn pas in en draaide me naar links, in de richting van het voertuig.
De gast hing met een arm op het portier en boog over de bijrijdersstoel naar me toe.
‘Excuus,’ zei ik. ‘Ik kon je niet verstaan door het lawaai dat je kar maakt. Wat zei je?’
‘Waar kan ik hier het beste parkeren!’ gilde de malloot boven lawaai van zijn draaiende motor uit.
Daar hoefde ik niet lang over na te denken. ‘Buiten de bebouwde kom.’
Ik vervolgde mijn weg en mijn gedachtestroom.

Wat ik ook weet, is dat gezondheid niet alleen afhangt van wat je in je muil stopt. Er speelt ook nog iets als erfelijkheid, invloeden van buitenaf en domweg geluk. Of pech, als je de pech hebt dat je met een nare ziekte te maken krijgt buiten jouw eigen directe schuld om. We kennen allemaal het voorbeeld van die ene oom of buurman of vriend van de postbode van de schoonmaakster van de persoon in de kroeg die je net misliep omdat je een half uur later pas naar het café ging: hij had nooit gerookt, nooit gedronken, altijd gezond gegeten en op een dag pats boem dood hartstilstand. Topsport is ook niet gezond en helaas kan een Deense voetballer daar sinds enige tijd ook over meepraten. Maar een gezonde leefstijl – veel beweging, weinig stress, gezonde voeding – kan de kans op ziekte of aandoening wel verminderen. Bovendien: het maakt dat ik me lekker in mijn lijf voel. En als ik me lekker in mijn lijf voel, krijg ik ook weer zin om actief te zijn en te bewegen en daarvoor heb ik weer goede en gezonde voeding nodig en zo is de cirkel weer vicieus.

Ondertussen was ik aangekomen bij het appartementencomplex waarin zich mijn woning bevindt. Ik opende de deur naar het entree en liep naar binnen. Daar had ik de keus tussen de lift of de trap. Ik gebruik altijd de trap. Het is maar twee verdiepingen naar de galerij waarop ik woon en zo lang ik het kan, zal ik traplopen.
Ik was al bijna boven; nog maar een trede of acht. Op de galerij verscheen een man, die duidelijk van plan was om naar beneden te gaan. Met mijn volle boodschappentassen in mijn beide handen nam ik de gehele breedte van de traptreden in beslag.
Maar wat deed die vogel nou? In plaats van even wachten tot ik boven was, denderde hij driftig naar beneden en wrong die dikke pipo zich tegen de muur langs mij heen!
Van verbijstering wist ik even niet wat of ik moest doen of zeggen. Maar met dat hij mij opzij dwong, wist ik het weer wel. Mijn been schoot uit en haakte hem pootje, waardoor hij ongenuanceerd de trap af lazerde. Ik was inmiddels boven op de galerij aangekomen. Daar draaide ik mij om en ik keek naar beneden.
Die pief lag onder aan de trap te kermen. En nogal te bloeden, zo te zien. Ik glimlachte. Zo, die latente agressie had ik kortstondig manifest gemaakt en een ferme dosis dopamine overmeesterde mijn hersenen. Niet opkroppen, maar uiten. Wel zo gezond. Nu ging ik van grinniken naar luidop lachen. Ook gezond.

Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, juni 2021

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 
Volgende pagina »