bazbo – de wereld van Bas Langereis

Bas Langereis leest u voor!

22-07-2021

Voor Willem

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2021 — bazbo @ 01:00

Zojuist heb ik mijn mond gevuld met een goedje dat Perio-Aid heet. Althans, zo staat het op het etiket. Ik spoel vooral aan de rechterkant. In de spiegel zie ik mijn oude gegroefde kop met de lange grijze haren. Even bijdraaien voor een blik op mijn prille rimpelbillen. Vrolijk word ik er niet van. Daar komt nog bij: er zit een forse zwelling aan de binnenkant van mijn wang, rechtsonderin. Dat komt zo. Anderhalve week ervoor was ik bij een paradontoloog en die had me geopereerd. Pijn dat het deed. En nu dan die zwelling. Nadat die paradontolul de hechtingen had verwijderd, gaf hij me antibiotica en dit goedje dat Perio-Aid heet. Terwijl ik in mijn blootje voor de spiegel sta te spoelen, glijden mijn ogen langs het groene betonciré, de inbouwspotjes in het verlaagde plafond, het dure douchegarnituur, de grote witte tegels, het houten badmeubel, de glazen douchewand en de Marokkaans gedecoreerde waskom. Dat had die aannemer twee jaar geleden toch godfriedvictordirk allemaal maar mooi aangebracht. Als u voor een verbouwinkje ooit eens professionele hulp nodig hebt, dan kan ik u deze vakman van harte aanraden. Ik spuug mijn mond leeg op de Marokkaanse decoratie. Tot zover dit badkamerjournaal.

Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, januari 2021


Deze tekst is in aangepaste vorm te vinden in het boek Badkamer en suite (Willem Bierman) (2021)

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

08-07-2021

Lief – Lotgenoten (0034)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2021 — bazbo @ 01:00

Lotgenoten,

Galmend gebrabbel in de straat. En dat op de vroege morgen. Tien voor zes, is dat vroeg? Voor mij niet zo, voor mij is het vrij gewoon. Ik leg dat uit. Straks. Eerst over dat galmend gebrabbel.
De man loopt zoals altijd voor de vrouw uit. Een meter of tien. Hij waggelt wat, stapt onvast over de trottoirtegels in de richting van de bushalte. Erachter loopt de vrouw, zekerder op haar benen, maar langzaam.

Ik ken ze wel. Al is ‘kennen’ hier misschien niet het goede woord. ‘Herkennen’ is beter. Ik zie ze vaker bij de bushalte. In de tijd dat ik nog veel naar kantoor ging, stond ik iedere ochtend naast ze in die bushalte.
De man en de vrouw zijn beiden een jaar of zestig of vijfenzestig, mogelijk nog wat ouder. De man staat onvast op de benen, niet omdat hij dronken is (al lijkt dat wel zo en praat hij wel als dusdanig), maar omdat hij een probleem met zijn evenwicht heeft. Ik had de gehoorapparaatjes achter zijn oren ook al wel eens gezien. Als hij praat, dan klinkt dat luid, wat snibbig, niet zo duidelijk en met vrij veel sputum.
De vrouw is net als de man brildragend, heeft kleine pretoogjes (maar dat kan ook door die bril komen) en haar lange grijze haren hangen in een paardenstaart op haar rug. Ze praat de hele tijd tegen de man en is lief en behulpzaam voor hem. ‘Heb je je buskaart wel bij je?’ ‘We zijn op tijd.’ ‘Het wordt druk vandaag.’ Ze helpt hem met het opdoen van het mondmasker, want dat is voor de man met de grove motoriek wat lastig. De man reageert kortaf: ‘Ja, ja!’, kijkt haar niet aan en weert haar helpende handen af.
Ze stappen in de bus en vijf minuten later stappen ze er weer uit. Het is de halte bij wat we vroeger ‘de sociale werkplaats’ noemden. Tijdens het uitstappen zwaaien ze uitgebreid naar de chauffeur en roepen ze: ‘Fijne dag!’ Ze wil hem weer helpen met het mondmasker, maar hij trekt het bruusk van zijn gezicht en staat vervolgens te hannesen met de gehoorapparaatjes die hij bijna verliest. Door de ramen van de bus kan ik haar bijna horen zuchten; het omaatje bedoelt het goed maar hij wil er niets van weten. Dan heeft de bus vaartgemaakt en hebben we ze achtergelaten.
Als ik ze zie, vraag ik me af of ze een stelletje zijn. Zijn ze getrouwd en hebben ze kinderen? Ze lijken elkaar door en door te kennen; ik merk de kleine ergernissen tussen hen beiden van en herken de vertrouwdheid met elkaar.

Nu zie ik ze vanaf mijn balkon aan komen zwalken in ganzenpas. Ze zijn een half uur eerder dan dat ik van ze ken.
Sinds dik vier jaar woon ik hier nu in het appartement in de binnenstad van ons zo majestueuze Apeldoorn. Vanaf mijn balkon kijk ik op de winkelstraat waar gelukkig nauwelijks autoverkeer doorheen raast. Slechts fietsen en bussen rijden er. En die teringscooters, maar dat is stof voor een andere vertelling.
De wekker staat op vijf uur. Als ik thuis werk en het is mijn dag voor een ronde hardlopen, dan ben ik om zeven uur aan het werk. Vandaag ga ik naar kantoor. Dat kantoor is in een andere plaats en die plaats bereik ik met de bus. Die bus stopt voor de deur, om half zeven, welteverstaan. Dan ben ik om half acht op de werkplek. (Had ik al verteld dat ik al zo’n zeven jaar een nieuwe werkplek heb?) Ik heb dus ’s morgens vroeg ruim de tijd voor vertrek. Met dit mooie weer spendeer ik veel van die tijd op het balkon. Ik zit er uit de wind; het balkon is dicht met glazen schuifpuien, maar die staan nu open en ik voel een zwoele bries. De zon schijnt op de ramen van de appartementen tegenover en de weerkaatsing ervan doet mij mijn ogen dichter knijpen, zo fel is het licht. Vanaf het balkon heb ik prima zicht op de bushalte. Het is zes uur en over een half uur sta ik daar.

Ze zijn net op tijd; de bus van een half uur eerder komt er al aan. Ik hoor haar tegen hem praten. De straat is verder leeg en door de hoogbouw aan weerszijden van de straat galmt haar stem. De bus zelf hoor je niet, want sinds een jaar rijdt het vervoersbedrijf elektrisch. De man kijkt weg, houdt zijn handen beschermend voor zijn gezicht. Dan stopt de bus en zijn ze aan mijn oog onttrokken. Ik weet hoe lang ze erover doen voordat ze zijn ingestapt, dus dit kan even duren. Inderdaad, minuten later rijdt de bus weg.
Maar wat is dat nou? De man staat nog bij de halte. Hij kijkt de bus na en wuift. Vervolgens loopt hij in de richting van waar hij gekomen was.

Ik blijf nog even kijken, maar merk dat ik niet goed zie. Er trekt een waas van vocht voor mijn ogen en ik heb een brok in mijn keel. De mopperige, bruuske man is met de vrouw meegelopen naar de bushalte en zwaait haar uit. Om zes uur ’s morgens. Dat vind ik lief van hem. Ik heb me in hem vergist. En ook in mezelf. Wie had nou gedacht dat ik ooit geroerd zou zijn door twee oudere mensen die op een bus wachten en door de manier waarop ze met elkaar omgaan? Ik wrijf het plotselinge kippenvel van mijn armen, veeg de traan van mijn wang en ga mijn werktas maar eens pakken.

Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, juni 2021

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

24-06-2021

Gezond – Lotgenoten (0033)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2021 — bazbo @ 01:00

Lotgenoten,

Gezondheid kun je kopen. Moet je wel naar de juiste supermarkt gaan en daar de juiste spullen kopen. Nog altijd heb ik zo’n abonnement op een groentepakket van de biologisch-dynamische boerderij, die een paar kilometer buiten ons zo majestueuze Apeldoorn is gesitueerd. Jarenlang was het bij mij thuis een distributiepunt. Iedere vrijdagmorgen kwam er een vrachtwagen bij ons huis voorrijden die een stapel kratten onder onze carport achterliet. Abonnementhouders uit de buurt kwamen dan bij ons hun pakket ophalen. Sinds vier jaar is dat afhaalpunt elders. Ik heb het desbetreffende huis verkocht, vandaar. Op zich hadden we wel distributiepunt willen blijven, maar in een appartementencomplex op twee hoog in de binnenstad van het zo majestueuze Apeldoorn is dat niet zo handig. Nu wandel ik wekelijks naar een afhaalpunt bij mij in de buurt. Leuke wandeling, eveneens gezond. Maar waar was ik gebleven?

Ik liep op straat met in iedere hand een goed gevulde boodschappentas. In die boodschappentassen zaten levensmiddelen die niet alleen voedzaam zijn, maar ook nog eens gezond. Pure, zuivere producten, zonder toevoegingen als suiker en zout en zeker niet ultrabewerkt. Verse groenten en fruit van teelt die niet gebruik maakt van chemische bestrijdingsmiddelen, noten en zaden, stevig brood en weinig zuivel. Voeding en geen vulling. De biologische winkel had aan mij een goede en trouwe klant. Gezondheid kun je kopen, maar dat had ik al gezegd.

‘Ken ik jou niet ergens van?’ hoorde ik een stem ergens achter mij. ‘Hallo! Ken ik jou niet ergens van?’
Ik liep door. Als je mij ergens niet van kent, waarom ga je dan naar me schreeuwen? Het was vast niet voor mij. Overigens zou het best kunnen dat de iemand mij wél ergens van zou kennen.
‘Ben jij niet die schrijver?’ vragen mensen mij soms, op straat of in die supermarkt.
‘Nee,’ zeg ik dan. ‘Ik ben wél die schrijver,’ wil ik er dan achteraan zeggen, maar dan zijn ze al doorgelopen. Altijd lastig: een vraag met een ontkenning er in. Waarom zou je iemand vragen of hij het niet is? Je kunt beter vragen of iemand het wél is. Maar goed. Ondertussen was ik alweer anderhalve straat verder.

En ja, ik weet het: biologisch is niet synoniem aan gezond. Er zijn samengestelde biologische producten die toch veel suikers of zout bevatten, toegevoegd of niet. In een gewone supermarkt zijn er hele paden die ik structureel oversla en dat is in deze biowinkel niet anders. Koeken, snoep, voorgemonteerde sauzen, veel kant-en-klaar-spul, pizza’s en salades-in-bakjes: ik koop het niet, want ultrabewerkt. En moet je eens biologische ham kopen in de supermarkt en die vergelijken met de ham van mijn biologische slager. Dat scheelt liters water en kilo’s zout. Biologisch sinaasappelsap bevat grote hoeveelheden suiker. Ook niet zo gezond. Sinaasappels moet je pellen en niet persen. Of gelijk na het persen in je eetgat gutsen, dan schijnt het mee te vallen met die suikers. In ieder geval moet je ze niet uit een pak gieten.

De winkel die ik twee keer in de week bezoek, ligt nog geen twintig minuten lopen bij mijn huis vandaan. Ook in het centrum van ons zo majestueuze Apeldoorn, dus. Sinds ik hier woon, gebruik ik mijn fiets niet of nauwelijks, want alles is op loopafstand: het station, de markt, het theater, de poptempel, alle cafés waar ik toch nooit kom én de supermarkt. Ik loop dus waarlijk veel. Daarnaast ren ik om de dag een ronde om het centrum van ons zo majestueuze Apeldoorn, het liefst ’s morgens in alle vroegte. Als ik dan om zeven uur start met thuiswerken, heb ik mijn sportmoment er al ruimschoots op zitten. Daarnaast maak ik dagelijks na de lunch een wandeling van minimaal een half uur, liefst door parken en langs het kanaal of een van de vele beken en griften die Apeldoorn rijk is.
Piepende banden achter me. Ik schrok me rot. Een auto kwam naast me tot stilstand. Het was zo’n cabriolet, een convertable of hoe heet zo’n ding met een open dak. Volgens mij kende ik die wagen en was het die malloot die bij aardig weer iedere avond ik-weet-niet-hoe-veel keer met veel lawaai bij ons door de straat scheurt. Zeer dom, want hij rijdt zó snel dat we niet goed kunnen zien dat hij erin zit.
‘Waar kan ik hier het beste parkeren?’ brulde de malloot vanuit zijn auto.
Ik hield mijn pas in en draaide me naar links, in de richting van het voertuig.
De gast hing met een arm op het portier en boog over de bijrijdersstoel naar me toe.
‘Excuus,’ zei ik. ‘Ik kon je niet verstaan door het lawaai dat je kar maakt. Wat zei je?’
‘Waar kan ik hier het beste parkeren!’ gilde de malloot boven lawaai van zijn draaiende motor uit.
Daar hoefde ik niet lang over na te denken. ‘Buiten de bebouwde kom.’
Ik vervolgde mijn weg en mijn gedachtestroom.

Wat ik ook weet, is dat gezondheid niet alleen afhangt van wat je in je muil stopt. Er speelt ook nog iets als erfelijkheid, invloeden van buitenaf en domweg geluk. Of pech, als je de pech hebt dat je met een nare ziekte te maken krijgt buiten jouw eigen directe schuld om. We kennen allemaal het voorbeeld van die ene oom of buurman of vriend van de postbode van de schoonmaakster van de persoon in de kroeg die je net misliep omdat je een half uur later pas naar het café ging: hij had nooit gerookt, nooit gedronken, altijd gezond gegeten en op een dag pats boem dood hartstilstand. Topsport is ook niet gezond en helaas kan een Deense voetballer daar sinds enige tijd ook over meepraten. Maar een gezonde leefstijl – veel beweging, weinig stress, gezonde voeding – kan de kans op ziekte of aandoening wel verminderen. Bovendien: het maakt dat ik me lekker in mijn lijf voel. En als ik me lekker in mijn lijf voel, krijg ik ook weer zin om actief te zijn en te bewegen en daarvoor heb ik weer goede en gezonde voeding nodig en zo is de cirkel weer vicieus.

Ondertussen was ik aangekomen bij het appartementencomplex waarin zich mijn woning bevindt. Ik opende de deur naar het entree en liep naar binnen. Daar had ik de keus tussen de lift of de trap. Ik gebruik altijd de trap. Het is maar twee verdiepingen naar de galerij waarop ik woon en zo lang ik het kan, zal ik traplopen.
Ik was al bijna boven; nog maar een trede of acht. Op de galerij verscheen een man, die duidelijk van plan was om naar beneden te gaan. Met mijn volle boodschappentassen in mijn beide handen nam ik de gehele breedte van de traptreden in beslag.
Maar wat deed die vogel nou? In plaats van even wachten tot ik boven was, denderde hij driftig naar beneden en wrong die dikke pipo zich tegen de muur langs mij heen!
Van verbijstering wist ik even niet wat of ik moest doen of zeggen. Maar met dat hij mij opzij dwong, wist ik het weer wel. Mijn been schoot uit en haakte hem pootje, waardoor hij ongenuanceerd de trap af lazerde. Ik was inmiddels boven op de galerij aangekomen. Daar draaide ik mij om en ik keek naar beneden.
Die pief lag onder aan de trap te kermen. En nogal te bloeden, zo te zien. Ik glimlachte. Zo, die latente agressie had ik kortstondig manifest gemaakt en een ferme dosis dopamine overmeesterde mijn hersenen. Niet opkroppen, maar uiten. Wel zo gezond. Nu ging ik van grinniken naar luidop lachen. Ook gezond.

Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, juni 2021

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

10-06-2021

Hoog tijd voor een kroegverhaal (23)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2021 — bazbo @ 01:00

Precies. Vandaar dan ook dat ik te vinden was in café Kut. Of nee, daar ging ik helemaal niet heen. Belachelijk, niemand gelooft toch zo’n naam voor een café? Bovendien: het is een kutcafé; ik had daar niets te zoeken. Ik had sowieso niets te zoeken in een café – ik heb een gruwelijke hekel aan cafés – maar daar ging het nu niet om. Het ging erom dat het hoog tijd is voor een kroegverhaal en dus moet ik voor dit verhaal een café verzinnen waar ik naartoe ging. Laten we zeggen dat ik naar café De Wereldverbeteraar ging. Toen ik binnenkwam, vroeg de persoon achter de bar: ‘Heeft u gereserveerd?’
‘Nee, zei ik. Ik verliet het café De Wereldverbeteraar.

‘Rijdt iemand van jullie in die Mercedes die hier voor de deur staat?’ vroeg ik niet veel later aan het groepje mannen dat bij de bar van café Vrijgezel aan een tafel zat. Ik had het café net betreden en om naar een leeg tafeltje te komen, moest ik langs de toog, vandaar. Van de vier heren kende ik Victor, Joram en Hielke. De andere vent kende ik niet en hij zag er dusdanig uit dat ik niet graag kennis met hem ging maken.
‘Die is van mij,’ zei Joram.
Ik liep door naar achteren en vond daar zowaar een tafel die niet bezet was. Op een stoel die erbij stond nam ik plaats en ik keek het café eens rond.
Veel volk was er niet. Iets verderop zat iets wat op een stel leek aan een tafel, ieder met een mobiele telefoon in de weer. Gezellig. Bij de bar zat Govert op een kruk, die kende ik wel. Hij hing over de toog gebogen en leek in slaap te zijn gevallen. En dan had je dat groepje nog dat ik had aangesproken toen ik binnen kwam. Joram was inmiddels weg of in ieder geval naar buiten. Ook gezellig. Ik had het niet zo op Joram. Hij droeg zo’n schoudertasje en een te blauw maatpak met een broek waarvan de pijpen tot halverwege zijn kuiten waren omgeslagen. En dan ook nog eens geen sokken in zijn bruine schoenen. Je begrijpt het wel.

‘Goedemiddag,’ zei de dame die bij mijn tafel was komen staan. ‘Wat mag ik voor je inschenken?’
‘Een water graag, liefst uit de kraan,’ zei ik.
‘Anders nog iets?’
‘Zo koud mogelijk.’
‘Ben je alleen?’
‘Hoezo?’ vroeg ik.
‘Verwacht je nog meer mensen?’
‘Ik? Ik niet. Jullie hier wel, hoop ik.’
‘Was de vraag vreemd?’ De dame begon te blozen, zag ik. Met dat ik haar bekeek, merkte ik dat ze verlegen haar blik naar beneden wierp.
‘Een beetje,’ zei ik. ‘Even dacht ik dat je toenadering zocht.’
Ze keek me weer aan en glimlachte.
‘Ga anders even zitten,’ zei ik. Ik schoof de stoel naast me naar achteren.
‘Dat kan niet,’ zei ze snel. ‘Ik moet werken.’
‘O ja, jij bent de bardame.’
‘Zeg maar Suzan.’
‘Dag Suzan. Ik zou je graag een hand willen geven, maar ik ben pas een keer geprikt. Over drie weken krijg ik de tweede.’
‘Ik heb al corona gehad,’ zei ze.
‘Hoe kwam je daar zo aan?’
‘Ik was in de buurt geweest van iemand die besmet was.’
‘Ach zo. Weet jij eigenlijk wie het warme water heeft uitgevonden?’
‘Eh … nee?’
‘Dat geeft niet. Het is ook helemaal niet belangrijk om te weten wie het heeft uitgevonden. Het gaat erom dat er warm water uit de kraan komt als je de knop met de rode stip erop open draait.’
‘Als het niet belangrijk is, waarom vroeg je het dan eigenlijk?’
‘Suzan, ik zeg het niet graag, maar je hebt helemaal gelijk.’
‘Nu moet ik weer aan het werk, hoor.’
‘Tot hoe laat heb je dienst?’
‘Tot sluitingstijd in ieder geval en daarna moet ik nog schoonmaken, dus ik denk dat het wel een uur of half twee wordt vannacht.’
‘Dat is te laat voor mij.’
Ze glimlachte. ‘Maar voor die tijd zie ik je nog, toch?’
‘Dat hoop ik toch wel. Ik heb nog koud water uit de kraan van je tegoed.’
‘Ooooh!’ riep ze uit. Ze draaide zich om en liep snel naar de bar.

Ik keek haar na. Leuke vrouw. Toch vond ik ‘Ben je alleen?’ wel een vreemde vraag. Hoewel, met een kroegnaam als die van dit café kon je van alles verwachten. Ik was nog nooit in dit café geweest, realiseerde ik me. Zou ik hier ooit nog eens terug komen? Als ik het zou doen, dan zou het voorlopig enkel vanwege Suzan zijn. En niet voor de rest van het volk hier.
Barst, daar kwam Hielke naar me toe, met de onbekende gast uit het groepje in zijn kielzog.
‘Bas,’ zei Hielke. ‘Ik wil je graag voorstellen aan Jordie.’ Hij draaide zich half om naar de onbekende gast. ‘Jordie, dit is Bas.’
‘Aangenaam,’ mompelde Jordie.
Ik knikte hem toe.
‘Bas is de beroemde schrijver,’ ging Hielke verder. ‘Beroemd om zijn ontbrekende witregels.’

‘Nou, dat valt wel mee,’ zei ik.
‘O?’ Hielke leek wat verbolgen.
‘Schrijver?’ Jordie deed een stap naar voren. ‘Schrijver waarvan?’
‘Letters, woorden, zinnen, teksten,’ zei ik.
‘Ja, maar waar heb je gepubliceerd?’ Die Jordie klonk me wat te gretig.
‘Zeg het maar: tijdschriften, boeken, online, folders, flyers, stencils, brieven, kattenbelletjes, post-its.’
‘En hoe zei je dat je naam was?’
‘Ik heb mijn naam niet gezegd. Dat was Hielke.’
‘Hij heet Bas,’ hielp Hielke. ‘Bas Langereis.’
‘Langereis?’ vroeg Jordie. ‘Die naam hoor je niet zo vaak.’
‘Nee?’ zei ik. ‘Nou, ik wel. Bij mij in de familie alleen al ken ik er meerdere.’
‘Ja? Echt?’
‘En nu wegtiefen graag. Daar komt mijn water.’
Inderdaad. Daar had je Suzan. Met een glas water op een dienblad. ‘Kijk eens,’ zei ze.
‘Dat doe ik toch? Volgens mij heb je water bij je.’
‘Klopt.’
‘Voordat je het op tafel zet: wacht even tot deze twee heren zijn weggetieft.’
‘Oké.’
‘En vervolgens tot ik een ontbrekende witregel heb ingevoegd.’

‘Volgens mij zijn ze weggetieft,’ zei Suzan.
‘Fijn. Dat is goed nieuws.’
‘Kan ik dan het water nu voor je neus zetten?’
‘Ga ja gang.’
Ze zette het water voor mijn neus. ‘En zal ik je eens wat vertellen? Ik mag pauze houden, dus ik kan even bij je komen zitten.’
Ik pakte het glas water en goot het in een enkele teug naar binnen. ‘Gut wat jammer, maar ik moet er weer vandoor.’ Ik stond op, legde wat geld op tafel en liep het café Vrijgezel uit.

Het was inderdaad hoog tijd voor een kroegverhaal, maar nu had ik er voorlopig wel weer genoeg van.


Apeldoorn, juni 2021

Hier lees je ‘m op FOK!.

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

27-05-2021

Nudes – Lotgenoten (0032)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2021 — bazbo @ 01:00

Lotgenoten,

‘Hi’.
Een persoonlijk bericht! Ik had gisteren bij de notificaties al wel gezien dat deze Jennifer12354 was begonnen om me te volgen. Toen ik op haar profiel klikte, zag ik een foto van een jonge meid, leuk om te zien, fris gezicht, mooi lang blond haar, paars topje, veelbelovend begin van een decolleté. Oh, ze was pas sinds gisteren geregistreerd op dit medium, zag ik. En wie volgt ze? Een stuk of vijftig mensen. Ze had nu twaalf volgers. Ik kende er twee of drie van, want die volgde ik zelf ook.
Even wachten. Niet te begerig. Een uurtje later typte ik: ‘Hello. Welcome to Twitter :)’

Nog geen minuut erna plopte er een nieuw bericht op. ‘How are you doing today’. Erbij stond een emoticon: een lachend gezicht. Zo, was die even blij om mij te zien.
‘Doing fine, thanks,’ antwoordde ik. ‘Ik ben nu thuis aan het werk. Met jou ook alles oké?’
‘Same here,’ zei ze. Werkte ze ook thuis? Of was ze ook doing fine? ‘Thank you.’ Weer dat lachende gezicht. ‘Where are you located’ was haar volgende vraag.
‘In ons zo majestueuze Apeldoorn,’ zei ik traditiegetrouw. ‘In The Netherlands,’ tikte ik erachteraan. ‘En jij?’
‘The US, New York Brooklyn.’ Kijk aan. ‘Do you care for chat and get to know each other more better’.

More better? Wat was dat voor stonecoalenglish? En of ik wilde chatten? Wat waren we hier nu aan het doen dan? En ze wilde me beter leren kennen. Haha, daar geloofde ik geen fuck van. Stel dat zij inderdaad de persoon was voor wie ze zich uitgaf – een leuke jonge blonde meid -, wat zocht ze dan bij mij? Ik neem toch aan dat ze even in mijn postgeschiedenis had gekeken.
Ja, ik ben actief op Twitter. Ik promoot er mijn schrijversactiviteiten en deel er mijn liefde voor muziek. Zo volg ik schrijvers, muzikanten, theatermakers, fotografen, muziekliefhebbers en een paar persoonlijke vrienden en kennissen. Verder gebruik ik het medium om op de hoogte te blijven van maatschappelijke ontwikkelingen. Zo lees ik bijvoorbeeld Teletekst (ja, dat bestaat nog) en volg ik enkele politici. Meer eigenlijk niet.
Soms plaats ik een foto van mezelf als ik een boek zit te lezen of met een nieuw aangeschafte muziekaankoop wil pronken. Dan zie je mijn oude kop met de groeven erin en mijn lange grijze haren in verwilderde staat.
Deze Jennifer12354 was sinds gisteren geregistreerd en zocht nu toenadering. Goh. Ik besloot het spel eens mee te spelen.

‘Well, I’m at work right now,’ zei ik na een tijdje. ‘Maar ga je gang, dan zal ik antwoorden als ik in de gelegenheid ben.’
‘Okay no problem’.
Echt enthousiast leek ze me niet. En waarom typte ze geen punt achter haar zinnen? Weer iets nieuws hips? Eens kijken of ik haar wat uit de tent kon lokken. Voorzichtig beginnen: ‘Jij houdt ook van muziek? Welk genre? Zijn er specifieke artiesten die je veel luistert?’
‘Country side,’ was het antwoord. ‘And hip hop.’
Dat was het moment dat ik de hoorn op de haak had moeten gooien. Blokkeren, die trut. Ik haalde diep adem en – tolerant en vergevingsgezind als ik ben – besloot ik om even wijselijk mijn mond dicht te houden.
‘Don’t like much artist that much’.
Daar begreep ik geen zak van, maar dat wilde ik haar niet laten merken. Ik wachtte weer een uurtje of wat. ‘What brought you to Twitter?’ vroeg ik. ‘Ben je op zoek naar iets speciaals, heb je een bepaald doel of laat je je gewoon meeslepen door wat er voorbij komt?’
‘Something special indede’, was haar antwoord. Ze corrigeerde zichzelf: ‘Indeed*’.
Aha. Even het spelletje meespelen. ‘Ik hoop dat je het vindt. Twitter can be a nasty place, maar over het algemeen merk ik daar zelf weinig van. Ik heb hier contact met goede mensen en beleef veel plezier aan berichten en gesprekken over muziek, kunst, geschiedenis en natuur.’
‘Are you married and how about kid’, schreef Jennifer12354. ‘Same’.
Die stelt persoonlijke vragen om me uit de tent te lokken of zo. Alleen begreep ik niet waarom ze ‘Same’ had getypt.

‘Yep, gelukkig getrouwd, al meer dan dertig jaar. En er is De Zoon, die is ondertussen achtentwintig. Dus ik ben een dinosaurus, maar wel eentje die jong van hart en geest is.’ ’s Kijken hoe ze hier op zou reageren.
Het bleef stil. Het bleef lang stil. Barst, ik werd ongeduldig.
‘En jij? Als ik naar je profielfoto kijk, dan zie ik een jongedame.’
‘Sure I am’, zei ze snel. ‘Am single never married with no kids, but I have been in a bad relationship before and I don’t want that to happen to me anymore.’
‘Life can be a tough road.’ Ik ken m’n clichés. ‘Ik wens je van harte dat je gelukkig wordt en dat je ooit de ware zult vinden. Keep safe and strong.’ Ik zocht de emoticon van de aangespannen biceps en vond ‘m.
En toch verraste haar reactie me. ‘So are you happy with your marriage or you wanna try something new’. Erachteraan stond de emoticon van het knipogende gezicht.
Daar kwam de aap uit de mouw. Ondertussen was het voor mij bedtijd. Morgen zagen we wel weer verder.

‘Haha, still very happy,’ typte ik de volgende dag. ‘I’m too old for new trouble.’ Ik zette er een lachend gezicht achter.
‘Lol you’re funny’, zag ik na twee minuten. ‘Are you scare of something?’
Die Jennifer12354 kwam helemaal niet uit de Verenigde Staten of ze was zo dyslectisch als een douchekop. En plots kon ze het vraagteken vinden. Wat zou ik eens antwoorden? Ik had zin om te vertellen van de angstaanvallen die me nu al dik zeven jaar bij vlagen teisterden. Ik had ook zin om die paniekbuien lekker te overdrijven, inclusief de meest afgrijselijke details, en te verzwijgen dat ik tegenwoordig eigenlijk best redelijk kon leven met die wisselende stemmingen en neerslachtige buien. Maar nee, dat ging ik niet doen. Beetje kortaf en mysterieus blijven; met gelijke munt terugbetalen, dus. ‘Scared? Nee, gewoon tevreden met hoe het leven nu is.’
Het bleef een uur stil.
‘En jij?’ ging ik dus maar verder. ‘Waarom zou je willen weten of ik iets nieuws wil proberen? Is dat het something special dat je zoekt op Twitter?’
‘What do you think’ werd gevolgd door de emoticon van het lachende gezicht.
Bam. Raak.

‘Nou ja, aangezien jij in Brooklyn zit en ik in het zo majestueuze Apeldoorn en omdat reizen momenteel niet mogelijk is, plus omdat jij een jonge meid bent en ik een ouwe man that is not interested in new trouble, gaat dát dus niet werken of gebeuren, hè? Maar bedankt voor je belangstelling. Je maakt een oude man vrolijk.’
‘Hmm really. The distance is not a problem trust me am okay with it’.
Dat zou vast dure telefoonseks worden en ik had geen zin om regelmatig het beeldscherm te moeten schoonmaken. ‘Ik bewonder je vastberadenheid en je doorzettingsvermogen… lol. Nice try, but no thanks.’ Ik zette er maar weer een lachend gezicht achter. En: ‘Je kent me helemaal niet. What is it you’re looking for?’
Het was lang stil.

Anderhalve dag later knipperde het lampje op mijn smartphone weer. Ik had opnieuw een privébericht van Jennifer12354.
‘I guess am beginning to know you a bit or what do you think’.
‘You’re funny,’ typte ik. Erachteraan plakte ik een tweet die ze de vorige dag in het openbaar had geplaatst. Die tweet zei: ‘Am uplifted…wanna see my nudes?’ En daaronder schreef ik: ‘Ik ga nu afwassen.’

Het waren slechts twee borden, twee glazen, een koffiemok en wat bestek, maar het was tot dan toe de meest zinvolle activiteit van die dag.

Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, april 2021

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

13-05-2021

Prettige Hemelvaart (2)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2021 — bazbo @ 01:00

‘Hoi, je spreekt met Bas.’
‘Wat leuk dat je weer eens belt. Dat is lang geleden. Ik dacht al: ik hoor maar niets van hem.’
‘O? Je kunt mij ook gerust bellen, hoor.’
‘Dat is waar. Maar ik ben niet zo’n beller.’
Ik wenste hem een prettige hemelvaart en hing op.

Eigenlijk is hiermee dit stukje al wel zo’n beetje klaar. Ik zou de dialoog nog wat kunnen oprekken, maar de vraag is of ik dat wel moet doen. Ik doe het niet. Voor je het weet schotel ik De Lezer een lang verhaal voor waar hij of zij helemaal niet op zit te wachten. Bovendien is er het risico dat De Lezer halverwege afhaakt en de grap mist. Eigenlijk moet De Lezer niet zo zeuren en blij zijn dat ik hem of haar niet om de oren sla met een ellenlange uiteenzetting vol ontbrekende witregels, zoals mijn trouwe lezers zich uit mijn eerdere stukjes kunnen herinneren. Ik hoop van ganser harte dat mijn trouwe lezer zich überhaupt (sowieso ins Blauwe hinein ist es kaus bausen) iets herinnert en niet lijdt aan vasculaire dementie of een andere vorm van vergeetachtigheid. Het zal je gebeuren. Zoals mijn goede vriend Hendrik. Niet hij zelf, maar zijn levensgezel Bep werd onlangs opgenomen in een verpleeghuis, omdat ze thuis niet meer te harden was. Ik ontdekte deze gebeurtenis, toen Hendrik antwoordde op mijn mail waarin ik vroeg hoe of het toch met hem en zijn levensgezel Bep ging. In zijn bericht vertelde hij over het afsterven van de hersengebieden in de kop van Bep, veroorzaakt door een verstoring in de bloedtoevoer in de hersenen, eveneens in de kop van Bep. Zo zie je maar weer hoe alles met elkaar samenhangt. Hoe die verstoring bij Bep dan weer was veroorzaakt, vertelde het bericht van Hendrik niet. Wat ik weet is dat lage of hoge bloeddruk, hart- en vaatziekten, suikerziekte, roken, lacunaire infarcten en andere ellende de oorzaak kunnen zijn, maar bij Bep was voor zover ik weet geen sprake van lage of hoge bloeddruk, hart- en vaatziekten, suikerziekte, roken, lacunaire infarcten en andere ellende. Vraag is ook wat of ik aan die informatie zou hebben, als Hendrik het wél had verteld in zijn bericht. We krijgen er de oude Bep niet mee terug. De oude Bep is weliswaar tien jaar ouder dan Hendrik en Hendrik begin zeventig en godsamme, wat raken we tegenwoordig allemaal op leeftijd. Het lijkt nog gisteren dat in mijn beeld iemand van zeventig tot een totaal andere generatie behoorde (laat staan het oude besje Bep); vandaag de dag rekenen we iemand als Hendrik – die toch alweer begin zeventig is – tot onze generatiegenoten. Het komt allemaal dichtbij. Wat ‘allemaal’ precies is, weet ik ook niet goed. Wat of ik precies wil zeggen, ook niet. De tijd vliegt, zou dat het zijn? Zeker in de huidige omstandigheden, waarin het leven veel minder spektaculair is dan voorheen, met geen dank aan dat vorte virus. Ik zit in mijn thuiswerkkamer te werken en ga alleen de deur uit voor een boodschap, een pauzewandeling of ronde hardlopen (’s morgens vroeg). De mensen met wie ik het meest contact heb zijn mijn buren met wie ik de krant deel, in plaats van mijn goede vrienden en bekenden, mijn familieleden of collega’s. (Of nee, de persoon met wie ik het meest contact heb, dat is natuurlijk De Vrouw, al hebben we niet altijd meer veel nieuws aan elkaar te vertellen omdat we de hele dag op elkaars lip zitten en weinig meemaken.) Waar was ik ook weer? Het leven is saai en de tijd gaat hard, daar was ik. Hendrik had ik al bijna een jaar niet meer in levenden lijve gezien en gesproken. De laatste keer dat we elkaar wel zagen en spraken, was Bep ook al onderwerp van gesprek. Het ging niet goed met haar. Hendrik vertelde over haar plotse geheugenproblemen, slordige spraak en andere taalproblemen, duizeligheid, slapte in ledematen, oogproblemen, gebrek aan concentratie, dwaalgedrag, incontinentie, ongepaste lachen en schreeuwen en huilen, moeite met het opvolgen van instructies en problemen met omgaan met geld. We zaten in een grand café en ik mocht de rekening betalen, omdat Hendrik platzak was. Hij hoopte nog dat het beter zou gaan. Met Bep. Nu weet hij dat het niet beter wordt met Bep. Vasculaire dementie is niet te genezen. Wat ik dan weer weet – uit de boeken en van het internet -, is dat de ziekte, net als andere hart- en vaatziekten, soms voorkomen of vertraagd kan door middel van vetarme voeding, niet roken en niet drinken. Als je niet drinkt, ga je volgens mij dood. Doch ik begrijp ook heus wel dat ‘drinken’ hier slaat op ‘alcohol nuttigen’, waarom zetten ze dat er dan niet neer? Zelf eet ik zeer vetarm, heb ik nooit gerookt en drink ik al dik zeven jaar geen alcohol meer. Waar had ik het ook weer over? Even teruglezen. Over hoe je vasculaire dementie kunt voorkomen of vertragen. Maar dat terzijde. Bep is er niet meer mee geholpen. Die zit al in een verpleeghuis. Ik hoop voor haar dat een lijdensweg haar bespaard mag blijven. Volgens mij is het niet zo erg om zelf zo dement als een deur te zijn – je merkt er niet veel van of kunt het je niet herinneren -; het proces van aftakeling daarentegen moet afgrijselijk zijn, voor zowel de getroffene als de naaste omgeving. Het zal je maar gebeuren dat je niet meer weet wat je een minuut geleden hebt gezegd en gedaan en je bent je dat bewust. Dat moet toch erg zijn. Ik heb – even een zijpaadje, hoop dat u het niet erg vindt – om een of andere hier totaal niet ter zake doende redenen nogal veel te maken met mensen die op latere leeftijd hersenletsel hebben opgelopen en een van de mogelijke gevolgen van hersenletsel is problemen met het geheugen. Zowel het lange- als kortetermijngeheugen kan aangedaan zijn. Het lijkt me zeer vermoeiend dat je niet meer weet dat je net het gas hebt uitgedraaid en dus steeds weer van de bank moet opstaan om in de keuken te controleren of je het gas wel hebt uitgedraaid. Voor je het weet heb je artrose in je knieën erbij. Of erger. Zo sprak ik laatst iemand die zei: ‘Bas, een boek lezen lukt me niet meer. Na anderhalve bladzijde ben ik vergeten wat er op de eerste pagina is gebeurd.’ Dan kan ik grappen maken van: ‘Dan is iedere keer hetzelfde boek nieuw, kun je dus met een enkel boek af en dat scheelt een hoop boeken kopen,’ maar zelf kunt u de grappen waarschijnlijk veel leuker bedenken. Vervelender is het als iemand je voor de 12.354e keer hetzelfde verhaal vertelt en zeggen: ‘Ja, dat heb je net ook al verteld’ is niet alleen confronterend, het helpt de getroffene ook geen reet. Wat je dan wel moet doen of zeggen, weet ik ook niet goed. Of heb ik dat al verteld? Om een heel lang verhaal kort te maken: ik hoop voor Bep en voor alle mensen die haar dierbaar zijn of die Bep tot een dierbare rekenen, dat Bep een lijdensweg bespaard mag blijven. En ook u, trouwe lezer die het tot hier heeft gelezen (applaus hoor, na al die ontbrekende witregels), ook u wens ik een prettige hemelvaart.


Apeldoorn, mei 2021

Voor wie het zich niet kan herinneren, lees ook dit verhaal. ?

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

29-04-2021

Burgeroorlog – Lotgenoten (0031)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2021 — bazbo @ 01:00

Lotgenoten,

Omdat er doorgaans geen reet gebeurt vandaag de dag – dat is de bedoeling, we moeten zo min mogelijk met anderen in aanraking komen teneinde elkaar niet te besmetten met het zo actuele virus – let ik tegenwoordig op zaken en mensen die me voordat er sprake was van een pandemie helemaal aan mijn gat konden geuren.
Zo weet ik bijvoorbeeld tegenwoordig precies hoe laat de overbuurvrouw haar hondje uit gaat laten, in welke buurtafvalbak de achterbuurman zijn zakje vuilnis propt om maar geen afvalstoffenheffing te hoeven betalen, waar de dikke houtduif de twijgjes voor haar nest vandaan haalt en welke verkeersovertredingen fietsers weten te maken bij het met verkeerslichten versierde kruispunt hier op de hoek van de straat.
Mensen kijken is altijd al leuk geweest en het signaleren van de heetste trends is daar onderdeel van. Ik heb iets nieuws gespot, lui!

Er kwam me een jongeman tegemoet. Althans, ik nam aan dat het een jonge man was. De persoon in kwestie droeg sportschoenen en een zwarte trainingsbroek. Daaroverheen een halflange jas. Onder die jas droeg hij een hoodie; de capuchon daarvan had hij over zijn hoofd en voorhoofd getrokken. Hij liep met zijn handen in zijn zakken, hetgeen betekende dat ik slechts zijn gezicht kon waarnemen. Was het maar waar. Het personage had een mondmasker op! Een lichtblauw geval van honderdvierenveertig in een gros voor een prikkie bij de discountdrogisterij bedekte zijn kin, mond en neus, zodat ik slechts twee donkerbruine ogen kon zien.

Het nieuwe hip? Het nieuwe stoer?
Een mondmasker is vandaag de dag zeker niet iets bijzonders. Maar in deze situatie wel. Ik zag het de laatste tijd wel vaker. Gastjes die met mondmasker op door de lege winkelstraat lopen of fietsen. Stoere jochies. Zien we wel dat we ze niet zien? Zien we wel hoe stoer dat ze zijn door gemaskerd over straat te gaan? Onherkenbaar zijn ze, in staat om strafbare dingen te doen en wij kunnen niet zien wie het gedaan heeft. Zien we wel hoe zeer ze opvallen door niet herkenbaar te zijn? Beetje vergelijkbaar met de piefen die met grote en snelle en dure wagens door de binnenstad scheuren; die gaan zo hard dat wij niet zien dat zij erin zitten.
Is dit het nieuwe hip? Het nieuwe stoer?
Weten ze dan niet dat je buiten geen mondmasker hoeft te dragen? Ik geef toe: over straat met je mondmasker onder je kin, dat ziet er óók niet uit, maar onafgebroken met dat ding voor je bakkes – ook als het helemaal niet nodig is – is geen verrijking van het aanzicht.
Niet zelden lijken het me types die in het weekend gaan ‘koffie drinken’ in een of andere stad of provincieplaats. Verstopt achter een mondmasker boos schreeuwen dat je geen verplicht mondmasker wilt dragen. Zoiets.

Hahaha, laatst was er hier bij ons in het zo majestueuze Apeldoorn ook weer zo’n bijeenkomst aangekondigd. Tenminste, dat had de organisatie medegedeeld op de sociale media. Even vergeten een aanvraag te doen bij de gemeente. ‘Demonstreren mag in Apeldoorn,’ zei de burgemeester toen hij de dag vóór de actie er lucht van kreeg. ‘Maar je moet je demonstratie wel van te voren aanmelden. Dat heeft de organisatie niet gedaan.’ Dus kondigde hij een noodverordening af, waarin stond dat de politie preventief mocht fouilleren en ongewenste bezoekers de toegang tot de stad kon weigeren. In de krant een hoogst amusant stukje waarin een dame bij aankomst op het station al werd tegengehouden. ‘Er komt een burgeroorlog!’ had ze gegild. ‘Een agent hield me tegen, vroeg om mijn legitimatiebewijs en wilde me fouilleren. Dat mag helemaal niet!’ Nou mevrouw, dat mocht dus wel. Noodverordening en zo. Ik moest helemáál brullen van het lachen toen de mevrouw erachter kwam dat de betoging niet in Apeldoorn maar in Baarn plaatsvond en ze te laat was om daar alsnog heen te gaan.

De figuur met de hoodie, capuchon en het mondmasker keek me aan. Zag ik wel hoe stoer hij was?
Ik lachte hem recht in z’n gezicht uit. Of nee, dat lukte niet. Ik zag z’n gezicht niet eens, alleen z’n ogen maar. Ik lachte hem recht in z’n ogen uit. Hij keek een andere kant op, maar of dat was omdat hij beschaamd was, dat kon ik zo gauw niet zien. Ik moest mijn buik vasthouden van de lachpijn.
Hij was me voorbij. Ik keek hem na, zag hem wat onzeker zwalken met gebogen hoofd, alsof hij zich wilde verbergen. Zelf liep ik al achteromkijkend door en daardoor merkte ik dan weer die lantaarnpaal die zich midden op het voetpad bevond niet op. De botsing was bepaald onzacht.

Het personage met de hoodie, capuchon en het mondmasker hield zijn pas in en draaide zich om. Kennelijk vond hij het nu zijn beurt om te lachen. Ik zag zijn grijns niet, maar hoorde een sissende grinnik vanachter het mondmasker.
Hij was te ver weg om hem een rotschop te verkopen.

Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, april 2021

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

15-04-2021

Bijzonders – Lotgenoten (0030)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2021 — bazbo @ 01:00

Lotgenoten,

‘Wie heeft er nog wat bijzonders deze week?’ vroeg De Vrouw.
De zaterdag is de dag dat het gezin een uurtje lang compleet is. Dat uurtje vindt meestal plaats tussen half een en half twee. Lunchtijd. Bijna vijf jaar geleden ging De Zoon het huis uit. Soms komt hij doordeweeks een keer ’s avonds eten; de zaterdaglunch is vaste prik. Ik haal Turkse pide, zet allerlei biologische kazen en vleeswaren op tafel, hoop rauwkost erbij, sap, water, peper en zout en noem maar op. Vreetfeestje.

De vraag ‘Wie heeft er nog wat bijzonders deze week?’ is een logisch vervolg op ‘En hoe was het afgelopen week?’. De Zoon vertelt over zijn werk. Ik niet. Ik werk al meer dan een jaar thuis, dus De Vrouw weet wel hoe het op het werk staat. Zelf werkt ze deeltijd buiten de deur, dus zij heeft altijd wel wat te vertellen.

‘Het is saai,’ zeg ik als ik collega’s spreek. ‘Maar dat is de bedoeling.’
Een jaar thuiswerken. En dat niet alleen.
Een jaar geen verjaardagen, feesten en partijen. Nu moet ik eerlijk zeggen dat ik die niet zo mis. Vaak waren ze vol en druk en lawaaiig en niet zo goed voor mijn gemoedsrust.
Een jaar geen familiebezoek. Heel af en toe fiets ik naar mijn oude woonwijk en bezoek ik Onze Vader (die zevenentachtig is en zich uitstekend redt). Met de overige familie onderhoud ik app-, mail- of postkaartenverkeer.
Een jaar geen concerten of optredens. Het laatste was half februari 2020; De Amsterdam Klezmer Band speelde in Luxor Live in Arnhem. De kaarten voor vier concerten en twee kleine festivals in 2020 liggen nu al meer dan een jaar in de lade en keer op keer zie ik de nieuwe data ook weer verzet worden, nu naar 2022. Zelf heb ik sinds 9 februari 2020 ook niet meer op de planken gestaan.
Een jaar geen plezierreisjes of uitstapjes. Eén uitzondering: we konden in juli onze geplande vakantiereis maken. Al bijna twintig jaar reizen we iedere zomer naar Noordoost-Duitschland om een klein festival te onveilig te maken en vaak plannen we een bezoek aan een of twee steden in de buurt of onderweg erbij. Dat festival ging natuurlijk niet door, maar we wilden toch gaan. Een week of wat voordat we zouden vertrekken ging onze Oosterbuurman op groen en konden we veilig met de trein naar Duitschland. Het was uitzonderlijk rustig in Stralsund en op het schiereiland Rügen, zodat we op ons gemak konden rondkijken. De week in het dorp-van-het-festival was aangenaam en we waren niet de enigen die tóch waren gekomen.
Een jaar wel vrijwilligerswerk, maar op afstand. Veel achter de computer, veel online overleg.
Een jaar thuiswerken. Ik had al eens verteld dat ik vier jaar geleden heel klein ben gaan wonen. Ideaal; we hebben alleen nog de spullen die we echt nodig hebben en ik heb voortdurend het gevoel dat ik in een vakantiehuisje woon. Nou, na dik een half jaar thuiswerken kwamen de weinige muren die ik heb, enorm op me af. En daarom ga ik sinds oktober een dag in de week tóch naar kantoor, om mensen te zien en te spreken, om eruit te zijn, om de sleur te doorbreken.
Een jaar bijna helemaal geen ontmoetingen in levenden lijve vind ik toch leeg.

‘En jij dan?’ vraagt De Zoon. ‘Heb jij nog wat bijzonders deze week?’
De Vrouw denkt na. De Vrouw denkt lang na. Bijna een minuut. Dan zegt ze, tussen twee happen door: ‘Vrijdag komt de glazenwasser.’

Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, maart 2021

Hier lees je ‘m op FOK!.



• • •
 

01-04-2021

Het arrestatiebevel

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2021 — bazbo @ 01:00

Het arrestatiebevel brandde in zijn hand.
‘Wat sta je daar, Fred?’ hoorde hij.
Fred keek op. Het was Lian, de rechercheur in opleiding. Hij glimlachte.
‘Goed nieuws?’
‘Ik denk het,’ zei hij. ‘Een zaak die al jaren loopt, komt misschien snel tot een einde.’
‘Spannend.’ Haar ogen glommen.

Kijk jij maar uit, dacht Fred. Met je glimmende ogen. We hebben hem nog niet. Straks pakt hij jou ook. Je zult niet de eerste zijn die wervend gedrag vertoont en even later gruwelijk verminkt gevonden wordt.
Fred dacht aan hoe hij het eerste slachtoffer aantrof was. Het meisje lag in de sneeuw, op de hoek van een straat midden in het centrum van de stad, in het licht van een straatlantaarn. Ze was zo hard en veel geslagen, dat er nauwelijks een plekje op haar lijf te vinden was dat niet blauw was. Haar hond lag vlak naast haar, ook dood. Het duurde niet lang voor een volgend slachtoffer werd gevonden.

Zijn telefoon ging. Fred keek, zag ‘Onbekend nummer’ in het scherm en nam op. Nog voordat hij iets kon zeggen, begon de stem aan de andere kant zijn verhaal.
Dat verhaal was onsamenhangend. De stem wisselde voortdurend van toonhoogte. Dan klonk het snel, dan weer langzaam. Het ene moment hoorde hij rust, het andere moment was de woordenstroom gejaagd. Alles hoorde Fred. Opgetogenheid, spot, woede, waanzin, voldaanheid. Toen stelde de persoon aan de andere kant een vraag. Nee, een eis. Het was een opdracht.
‘Ik kom,’ fluisterde Fred.

‘Gaan we?’
Fred schrok op. Gaan we? Waarheen?
Lian kwam naar hem toe en legde haar hand op zijn arm. ‘Volgens mij gaan we.’
Was het moment dan eindelijk aangebroken? Fred pakte het papier weer op, zuchtte diep en liep voor de zoveelste maal met zijn ogen langs de zinnen. Het stond er echt. De naam, het adres: het was precies wat hij had gedacht en gehoopt. Nu zou het er dan echt van komen.
Ze gingen.

Lian reed. Fred bekeek haar van opzij. Wat was het toch met vrouwen dat ze zich zo opzichtig en uitdagend kleedden? De blonde krullen, de rode lippen, het rokje met de zwarte legging eronder, de blouse die net iets te ver open stond, het decolleté: het maakte van alles in hem los.
‘Vertel,’ zei Lian met haar ogen op de weg.
Fred vertelde van al die meisjes en vrouwen die waren gevonden. Het meisje met de hond, de prostituee, een volgende en nog een en nog een. Eén keer zelfs twee tegelijk. De een de hersens ingeslagen, de ander gewurgd of meerdere malen in de buik gestoken. En er waren ook kerels. Een hoerenloper, een pooier, nog een hoerenloper. Onthoofd, levend verdronken, de ogen uitgestoken of het hart uit het lijf gesneden. Het ging maar door. Aanvankelijk leek het toeval, op zichzelf staande incidenten, maar in de loop van de jaren ontdekte hij samen met het rechercheteam een patroon.
‘Maar,’ onderbrak Lian hem, ‘als het inderdaad een psychopatische en levensgevaarlijke seriemoordenaar betreft, waarom gaan we dan slechts met z’n tw…’
‘Hij wil dat ik alleen kom.’

Een hand op haar knie, zou hij dat kunnen maken? Haar eerst geruststellen, vragen of ze de auto even aan de kant wilde zetten, dan met zijn hand over haar dijbeen strelen, langzaam omhoog en ondertussen met een vinger langs haar wang. Ze was z’n collega. Dit kon niet. Dit kon hij niet maken. Hoe graag hij ook wilde.

Ze moesten stoppen bij een verkeerslicht. Lian draaide haar hoofd en keek hem aan.
‘Jezus, Fred.’ Shit, nou was ze boos. ‘Dit is bloedlink. Dit kan niet.’
‘Hij maakt zich bekend. Het is dé kans om hem te pakken. Als we daar met het hele team naartoe gaan met de gierende sirenes, dan is de vogel gevlogen en maakt hij nog meer slachtoffers.’
‘Echt, Fred. Denk je nou werkelijk dat dit stil kan blijven?’
‘We kunnen niet meer terug. Hij wacht op me.’
Lian schudde haar hoofd. Haar ogen spoten vuur.
Fred zuchtte en keek voor zich uit. Het verkeerslicht sprong op groen. ‘Je mag,’ zei hij.
Lian schakelde en gaf gas.

De kans op wat lichamelijk gewriemel met Lian was verkeken. Stel dat we dit overleven vandaag, dacht hij, dan zoek ik mijn vertier wel weer bij mijn vertrouwde adressen. Hij kende de wereld goed, had zelfs een paar van de lichamen herkend. Namen wist hij ook. Simone. Emmeline. Sharona. Selina. Vele anderen. Ze waren lekker geweest, deden wat hij wilde. Hij betaalde en zei: ‘Tot de volgende keer.’ Er waren volgende keren tot het moment dat hij toesloeg.

‘Hier links,’ zei hij.
‘De beruchte buurt.’ Lian keek om zich heen en draaide het stuur.
Nog geen twee minuten later stapten ze uit op de hoek van twee smalle straatjes. Ze liepen langs de etalages en de ramen. Bij een oud gevelhuis was een steeg.
‘Hier?’ vroeg Lian zacht.
Fred knikte.
Lian greep naar haar gordel en haalde haar dienstpistool tevoorschijn. Fred ging haar voor de steeg in. Na nog geen tien meter was de deur. Die stond op een kier. Fred sprong de deuropening voorbij. Binnen hoorde hij niets. Van onder zijn jas haalde hij zijn pistool tevoorschijn. Hij zuchtte diep en keek Lian aan.

Welkom. Je bent niet alleen. Je houdt je niet aan de afspraak. Ik zie je angst. Luister naar mijn stem. Ik vergeet het niet licht. Je tijd is gekomen. Ha, je dacht dat je me te pakken had? Je gevoel bedriegt je. Niet alles komt in de krant. Niet alles komt in het zicht. Je mist de anderen. Het is de noodzaak. Het bedrag is altijd te laag. Het water uit de vaart is de kracht. Je neus bedriegt je. Ik voel je onrust. Het geluid van het einde. Mijn strijd is klaar. De opdracht is vervuld. Ik haalde de deadline.

Naast hem duwde Lian de deur verder naar binnen open. Daar binnen was het donker, maar Fred kon zien dat er iemand naar hem toe kwam lopen. Stapels kranten in het halletje. Daar stond hij. Hij die hij de afgelopen jaren had gevolgd en gezocht. Ze hadden hem gevonden. De man droeg een lange regenjas en had zijn lederen aktentas in de hand. Iets zei hem dat ze niet op tijd waren.
Fred deed een stap naar binnen en richtte zijn pistool op de man. Die liet wat vallen. Er klonk gerinkel op de plavuizen. Een groot keukenmes met kartels. Fred keek langs de man heen. Zijn ogen waren nu gewend aan de duisternis in het huis. Op de grond lag het lichaam van een naakte vrouw. Haar buik was opengereten van haar borst tot aan haar schaamstreek. Langzaam verspreidde zich een plas donker bloed om haar heen.
‘Naam?’ vroeg Fred. Hij toonde hem het arrestatiebevel.

Hij keek niet naar het papier dat de rechercheur hem onder de neus hield. In plaats daarvan zag Fred de ondoordringbare blik die langs hem heen ging en waarin geen enkele spijt, mededogen of menselijkheid meer aanwezig was.
‘Haamschaar,’ zei ik met vlakke stem. ‘Ronald Haamschaar.’



E I N D E


Apeldoorn, maart 2021



Hier eindigt de serie over Ronald Haamschaar.
De eerste aflevering verscheen op maandag 4 september 2017; de daarop volgende delen kon je onregelmatig lezen hier op FOK!. Aan de afzonderlijke verhalen was niet te zien dat ze onderdeel waren van een serie. Trouwe lezers van mijn verhalen hier op FOK! kan het niet zijn ontgaan. In de jubileumcolumns in januari 2019, 2020 en 2021 vertel ik iets over de puzzel die er voor hen op te lossen is.
De serie besloeg uiteindelijk 21 afleveringen. In vijftien daarvan las je het verhaal vanuit het perspectief van Ronald. In zes gevallen ging het om iemand anders: drie vanuit de ogen van een prostituée, een door de bril van een klant, een andere vanuit het perspectief van een pooier en ten slotte vandaag vanuit de wereld van de rechercheur.
Oplettende lezers zagen de titels van de voorgaande afleveringen steeds weer terugkomen in de verhalen.
Hoeren, bloed, geweld, duivelse stemmen, een psychopatische seriemoordenaar en de dood: groot blijft de invloed van tuvokki op delen van mijn werk. De serie is dan ook aan hem opgedragen, in de hoop dat we ooit weer samen iets wereldverpletterends gaan maken. Wie weet.

Bas 31 maart 2021

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

18-03-2021

Lotgenoten (0029)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2021 — bazbo @ 01:00

Op de witte bus die ik voorbijliep stond: ‘Jager electrotechniek’. Ik negeerde de spelfaut, maar was wel benieuwd naar de inhoud van de elektrotechnische werkzaamheden die dit bedrijf uitvoert. Toen ik een blik door het voorportierraam wierp, zag ik een man werkkledij op zijn smartphone bezig. Ach zo.
Niet veel verderop was de markt gaande. Die markt was mijn reisdoel. Ik kocht fruit en groente bij de biologische groentekraam. Geen gif in mijn lijf of het moet een prik zijn straks. Nu nog langs de flappentap om contant geld te halen voor de schoonmaakster die deze week kwam.

Bij de geldautomaat moest ik even wachten, want er was een mevrouw voor mij. De mevrouw was net uit haar scootmobiel gestegen en bewoog zich moeizaam naar de knoppen en het beeldscherm. Ik had geen haast. Het was zaterdagmorgen kwart over acht en ik had het hele weekend nog voor mij. Terwijl ik wachtte, liet ik het program van het weekend in gedachten voorbij gaan. Straks nog naar de biologische slager en de biologische super, dan koffie met De Vrouw, vervolgens bij de Turkse bakker kijken of hij al verse pide heeft en om half een is De Zoon er om te komen lunchen. En dat was dan nog maar de zaterdagmorgen. De rest van het weekend kreeg ik in mijn hoofd niet gepland. Er kwam namelijk iemand aan gelopen die mijn aandacht trok.

De meneer liep naar de deur van het bankgebouw, net naast de geldautomaat. Toen de schuifdeur niet openging, maakte de meneer een beweging waaruit ik opmaakte dat hij schrok of verrast was. Vervolgens draaide hij zich om en liep naar de immense rij (ik was in mijn eentje) wachtenden bij de geldautomaat. Barst, ik had oogcontact. Dat betekende een gesprek. Welkom in ons zo majestueuze Apeldoorn.

‘Ook al gesloten,’ zei hij.
‘Het is nog geen half negen,’ zei ik. ‘Volgens mij gaat de bank pas om negen uur open.’
‘Zou u denken?’
‘Ik denk het. Maar ik weet het niet zeker. Als ik de poster op de schuifdeur zie …’
Op de poster op de schuifdeur stond in grote letters: ‘TE HUUR’.
‘Gaat deze ook al sluiten?’ vroeg de meneer.
‘Geen idee. Ik vermoed het.’
‘Waar kun je dan nog naar een balie? Bij ons in de wijk is ook alles al dicht. We worden gedwongen!’
Gedwongen? Waartoe? We? Ik werd helemaal niet gedwongen. En door wie dan?
‘Nu moet ik telebankieren!’
‘Ik denk het,’ zei ik maar.
‘Ze doen die bankfilialen allemaal maar dicht!’
Wie waren ‘ze’ toch? vroeg ik me nogmaals af. ‘Nou ja,’ zei ik, ‘ik denk dat het ons nog wel lukt om online te bankieren, maar ik merk om mij heen dat er veel ouderen zijn die het niet kunnen of die zelfs helemaal geen computer hebben.’
‘ik ben ook al drieënzestig!’ riep de man vanachter zijn mondmasker, dat bijna besloeg. ‘En ik heb een zoon die mij er af en toe mee helpt.’
‘Dan hebt u gelukkig iemand die u kan bijstaan,’ ging ik verder. ‘Ik heb een oudere buurvrouw van eind tachtig die geen computer heeft en ook niet iemand om haar te helpen met haar bankzaken.’ Dat de oude buurvrouw helemaal geen hulp wilde van wie dan ook, vertelde ik er maar niet bij.
‘We worden gedwongen!’
‘Ha, ik denk dat er achter ons een generatie is die niet eens weet wat een bankgebouw ís,’ zei ik.
‘Maar voor ons valt het allemaal niet mee, al die veranderingen!’
Al die veranderingen? Het sluiten van bankfilialen in de wijk is toch maar één verandering?
‘We worden gedwongen!’ De slapen van de meneer liepen wat rood aan. ‘Ze zeggen ook dat ik vegetarisch moet gaan eten!’
Ik volgde het even niet meer. Wie dwong deze meneer? Van wie moest hij vegetarisch gaan eten?
‘En ik vind dat helemaal niet lekker.’
Ik wilde zeggen dat hij het dan helemaal niet hoefde te doen, maar ik kreeg geen gelegenheid.
‘Ik eet twee keer in de week vlees,’ ging hij verder. In het weekend een gehaktbal en op woensdag eten we kip. En nu moet ik vegetarisch gaan eten en ik vind dat helemaal niet lekker.’
Wacht. Wat at hij dan de andere vijf dagen van de week? Geen vlees? Ik keek naar zijn goedkope sportschoenen. Volgens mij kocht hij geen dure vis de andere vijf dagen van de week, maar dat was een aanname. Wat bedoelde hij met ‘vegetarisch eten’? Die malle vleesvervangers die in de supermarkten te koop zijn? Die sojaburgers of ckipstucken? Als je geen vlees wilt eten, waarom zou je dan iets in je muil willen douwen wat op vlees lijkt?
‘We worden gedwongen!’ riep de meneer nog maar eens.

‘Maar u kunt toch gewoon zelf nadenken en kiezen in plaats van gelijk maar blind doen wat ‘ze’ u vertellen? Als iedereen in de sloot springt omdat ‘ze’ dat zeggen, doet u dat dan ook gelijk?’ wilde ik zeggen. Maar ik zei het niet. De mevrouw voor mij was klaar met haar geldtransactie, had zich weer in haar scootmobiel geworsteld en ik was aan de beurt bij de geldautomaat.

Ik pinde dertig euro – lekker goedkoop, onze schoonmaakster – en draaide me om naar de meneer. ‘Succes met telebankieren,’ groette ik hem. ‘En smakelijk eten vanavond.’
Fijne dag!‘ zei hij.
Achteraf had ik hem toen met een welgemikte kopstoot tegen de grond moeten rossen. In plaats daarvan stak ik mijn drie briefjes van tien euro en mijn bankpas in mijn broekzak.
Vanavond zou ik mijn beruchte pompoenrisotto gaan maken. Kastanjechampignons bakken, gesnipperde ui erbij, blokjes pompoen, honderd gram risottorijst (Arborio), driehonderd milliliter groentebouillon, een half uurtje al roerend laten koken, dan peper, zout en parmesan toevoegen en smullen maar. Vegetarisch, biologisch, zeer voedzaam en gezond en nog heel erg lekker ook. Terwijl het water me al de bek in liep, wandelde ik naar huis.

Wat een avonturen weer.

P.S. Ik heb gestemd.


Apeldoorn, maart 2021

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 
Volgende pagina »