bazbo – de wereld van Bas Langereis

Bas Langereis leest u voor!

06-06-2024

‘Piep!’ – Lotgenoten (0062)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2024 — bazbo @ 01:00

Lotgenoten,

‘Vuile huichelaar, pak jij je ko…’ Ik zet mijn zonnebril af. De chauffeur begroet me met een luid ‘Hoi!’ Hij heeft de radio aan en een Hollandstalige levenslied komt me tegemoet. De chauffeur zingt opgewekt mee.
Ik knik hem toe en zeg: ‘Goedemiddag.’ Het apparaatje piept. Ik loop naar achteren. Er zitten twee dames voorin, ieder apart op een bank van een vierzitje, met tassen van de Primark en van andere winkels om hen heen op de banken. Met z’n tweeën houden ze acht zitplaatsen bezet. Ze zijn met elkaar in gesprek. De een heeft een schelle stem. Achter ze zit een jongeman verdiept in zijn telefoon. Ik passeer ze en loop verder door naar achteren, zodat ik zo min mogelijk last heb van het luide gepraat van de twee dames. Helemaal op de achterbank zit een man met een kaal hoofd en een bomberjack te bellen. Dan moet ik dus niet ál te ver naar achteren doorlopen. Hier zo. We gaan rijden. Aardig van de chauffeur om even te wachten tot deze oude man eindelijk zit.
”s Nachts na tweeën, dan komt het dak hier altijd…’ Op mijn plek kun je de radio luid en duidelijk horen.
‘Vréselijk!’ roept een van de dames. ‘Wat zéí je?’ ‘Oftie niet een goedkopere had. Nee, die hattie niet. Dus ik zeg: je doet me die voor een tientje minder of ik ga naar een ander. Konnienie doen, zeitie!’ ‘Dus jij naar die ander?’ ‘Nee, dat was me te veel moeite. Gemak dient de mens, toch?’ ‘Het is ook altijd fakking wat met die lui.’ ‘Nooit ’s rekening houden met een ander.’
Ik zit aan de goede kant van de bus. De zon schijnt. Het is heerlijk warm op mijn plekje.
Wat gebeurt er? De man die achter in de bus zat komt al bellende naar voren en gaat op de bank naast mij zitten, aan de andere kant van het gangpad.
‘…ja, zeker zeg maar, dat zei ik ook dat, weet je, ja dus waarom niet zeg maar, kan het, mooi, nee dat zeg ik, dus zeg maar…’
‘Alle duiven op de dam, shalalalie, shalala…’
‘Ja, gillen!’ ‘O en toen heppik die jurk toch maar gekocht.’ ‘Duur?’ ‘Nee, Vinted.’ ‘O, dat vinnik niks, hoop gedoe en als je wat verkoopt krijg je je geld niet in je hand.’ ‘Ach als je eenmaal hebt geïnvesteerd, dan lukt het mij om heel lang kiet te spelen.’ ‘Ja jij wel.’ ‘Kep d’r al veel goedkoop gescoord.’
De knul die wat verderop voor mij zit, haalt zijn neus op en hoest. Hard. ‘Hmmmmmgggggggfffffff! Huuuche uuuuche!’
‘…wat zeg je, van hetzelfde, maar heb je haar nog zeg maar, jaha, ja, zekers te weten, niet dat ik weet zeg maar, dus toen zeg ik zeg maar, alles, ja…’
‘Ik verscheurde je foto, heb je brieven…’
De bus haalt een fietser in. Een jongen van een jaar of zestien die slingert op zijn vette fiets. Raakt hij nu de bus? Of raakt de bus hem? Ik probeer het te zien. De jongen weet het stuur in bedwang te houden. We zijn al voorbij. De chauffeur drukt langdurig op zijn toeter. Ben benieuwd of die jongen nog op zijn fiets kan blijven zitten, als ik hier binnen me al rot schrik van die claxon.
‘Reist u met een OV-chipkaart?!’ De intercom staat nogal hard. ‘Vergeet dan niet uit te checken!’
‘Waar?’ ‘Gewoon bij de Starbuks, waar anders?’ ‘Das de enige goeie koffie, daar. Niet die sterke zooi van de Mek. Die is fakking goor.’ ‘Bij de Mek kom ik nooit meer. Eén keer een grote bek gehad van zo’n snotneus.’ ‘Ja en dan die slappe frieten.’ ‘Patat moet je daar ook niet halen, meid. Hier, moet je ruiken, nieuwe geur. Van de Doeglas.’ ‘Kenner nie bij. Maar ken ‘m hier al horen meuren. Is mijn stijl nie. Hou meer van wat zoeter.’
‘Mexico, Mexiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiii…’
Bij de voordeur van de bus hangt een display en er hangt er ook eentje halverwege de bus, zodat ik het ook kan lezen. Alle resterende haltes kan ik erop zien. En de aansluitende bussen en treinen als we straks bij het station zijn. Niet dat je veel tijd krijgt om je aansluiting te controleren; voor je het weet is er reclame voor in de plaats. ‘Houd jij ook van een feestje?’ schreeuwt de reclame. ‘Probeer dan eens de kant-en-klare mixdrankjes van…!’ Het flitsende filmpje doet pijn aan mijn ogen. Het gaat zo snel, dat ik het niet kan volgen.
‘…ja mooi, dat je niet zeg maar, ja, ook lekker, nee, wat zeg je, hoor je mij, ik hoor jou niet, ja nu weer wel zeg maar, fijn, ja je moet ook niet, nee dat zeg ik, zeg dat dan, dat zeg ik, dus zeg maar…’
‘Je loog tegen mij, alsof ik een kind…’
De bus stopt. De voordeur gaat open. Er stapt iemand in en er klinkt een piepje. Iemand loopt door het gangpad naar achteren. Het meisje draagt een lichtblauwe spijkerbroek en een bijpassend lichtblauw spijkerjasje en witte sneakers en haar geblondeerde kroesharen zitten in een staart. Ze heeft een lichtbruine huid en vlezige lippen en donkere bruine ogen. Ik vind het een mooi meisje en ben ietwat vertederd door haar. Oude man. Een bank of twee voor mij gaat ze zitten.
‘…dus zeg maar, je weet wel, mooi de kanker, wat zeg je, dat zeg ik toch, ja maar, zeg maar, voorlopig wel, ben jij daar ook, ik ben er wel, ja ik ga wel, ga jij ook zeg maar, je kunt maar beter nu, dan dat je later zeg maar, ja precies, mooi de kanker…’
‘Daar in dat kleine café aan de…’
‘Hmmmmmgggggggfffffff! Huuuche uuuuche!’
Er stapt een oudere heer in. Een heel veel oudere heer. Met een stok en schuddend hoofd. Hij lijkt al dood, maar is het nog net niet. De twee dames maken geen plaats voor hem. Ik wil al opstaan, maak aanstalten, maar de meneer zegt: ‘Nee nee, doet u geen moeite. Ik kan staan.’ Ik wil zeggen dat er niets aan mijn ogen mankeert, maar de bus rijdt alweer en de meneer kijkt naar buiten, terwijl hij met zijn lege hand een lus aan een stang vast heeft gegrepen.
‘Haal bij het in- en uitchecken uw OV-kaart uit de portemonnee!’ giert de intercom. ‘Uitchecken kan nu ook met de bankpas! Deze bankpas wordt als eerste gekozen als ze beide worden aangeboden aan de in- en uitcheckapparatuur!’
‘…vertel mij wat, ja psies, nee nou dat, ik zou toch zweren, dat dan weer wel, ehmm, ja, datteh, tering zeg, zeg maar, waarom ook niet, ja dus jij dacht, nee zou ik ook, en anders wel zeg maar, daar zou ik nooit, nee daarom, groot gelijk, zou ik ook zeg maar, trouwens, mooi niet, jaja toch wel, maar heb je dan zeg maar, voor mij…’
‘We dansen de samba, je hoort de sambaballensamba overal…’
‘Hmmmmmgggggggfffffff! Huuuche uuuuche!’
‘Dus toen pakt-ie me zo beet en je weet, ik hou best van een beetje ruw.’ ‘Wat? Deettie dat echt? Nou, ik wou dat die gast van mij dat bij eens deed, maar nee die moet altijd van dat zachtzinnige.’ ‘Het kemmenie lomp genoeg weze, hoe rooier de striemen, hoe lekkerder.’ ‘En dattie me dan ruig van achteren pakt en volpompt.’ ‘Een kedoom moet er dan weer wel om, hoor! Ben geen goedkope fakking hoer of zo.’
Op het display verschijnt reclame voor een televisie. ‘Cashback tot wel €100!’ Heel grote letters. Ik wil helemaal geen cashback. Allemaal gedoe dat ik niet begrijp. Als het honderd euro goedkoper kan, waarom is de prijs dan niet gewoon honderd euro lager? We worden hier belazerd.
‘Hmmmmmgggggggfffffff! Huuuche uuuuche!’
‘Meid! Heb je dat gedáán? Ik sou het niet durven. Ech nie. Je lijk wel niet goed wijs!’ ‘Die mongool wist niet waarie kijken moest, dus ik heb me omgedraaid en ben naar buiten gelopen.’ ‘Goed zo, ik zou me ook niet zomaar laten beledigen.’ ‘Die avond wel weer goedgemaakt. Hebtie op een etentje getrakteerd.’ ‘Waaro?’ ‘Bij de Ketukkie Fraai Tsikken. Doe je mij geen plesier mee.’
‘Heb je even voor mij? Maak wat…’
‘…jonge zeg maar, dat zeg ik, dus ja, compleet kachel, maar boeien, zeg maar, alles naar de tering, voor mijn part dan en wat die, ja nee, nee, ja, je kunt het krijgen, zeg ik toch, ja wat mij betreft, ook goed, nee heus, als ik het niet dacht, nee dacht het niet, dus zeg maar…’
‘Hmmmmmgggggggfffffff! Huuuche uuuuche!’
En dan is het zover. Ik ben waar ik moet zijn. De bus stopt. Ik sta op, loop naar de deuren die open gaan, houd mijn kaart voor het apparaat (‘Piep!’) en stap uit. Buiten is de zon heel warm en de rust grandioos.

Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, mei 2024

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

23-05-2024

Drie Duitse gedichten (3)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2024 — bazbo @ 01:00

(Het eerste gedicht maakte ik twee jaar geleden al en het tweede was zo slecht dat ik ’t heb weggegooid.)



Als we de Dom binnenlopen, is er zowaar een mis aan de gang. En dat am Samstag.
Althans, er lopen twee rijen mensen door het middenpad naar het altaar.
Daar deelt een man met een lang gewaad en een mijter hosties uit.
De orgelmuziek is sloom en nauwelijks hoorbaar door alle geschuifel en ander geluid.

We zijn in de stad voor de jaarlijkse ontmoeting met verre vrienden.
Op zoek naar een plek die voor niemand heel ver was kwamen we uit op Münster.
Een van hen heeft hier gewoond en gestudeerd en weet hier de weg. Zegt-ie.
Da’s mooi, want op het programma van de oude muziekhippies staat: Schallplattenladen.

Warme zon valt door glas-in-loodramen; de orgelmuziek is nu echt niet meer te horen.
Langs de zijpaden lopen de hordes toeristen in hemdjes, korte rokjes en op teenslippers.
Ze praten hardop, wijzen en maken foto’s. Hun kinderen rennen gillend rond.
Te midden van alle tumult schuifelen de rijen onverstoorbaar ter communie.

Ik ben ook een toerist weet ik, maar wil zo stil mogelijk doen.
Hoe zeer ik ook afstand heb gedaan van de katholieke levensles van mijn ouders,
het heeft me geleerd de overtuiging van een ander te respecteren en gepast stil te zijn.
Ondanks dat: ook ik maak een foto en glip ongelovig op mijn Teva’s naar buiten.

Daar brandt de zon; het is een zomerse dag in mei. Tijd voor Holunderschorle mit Minz.
Aan het eind van de dag zijn we twee Schallplattenladen en vijf terrassen verder.
De verre vriend kijkt op van zijn Latte en vraagt: ‘Nichts gekauft?’
‘Nö,’ zeg ik in mijn Steinkohlendeutsch. ‘Hab schon ein Schallplatt.’


Apeldoorn, mei 2024

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

09-05-2024

Prettige Hemelvaart (3)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2024 — bazbo @ 01:00

‘Prettige Hemelvaart.’ Het klinkt wat raar. Toch wens ik het u allen toe. Dat is best lief van mij, niet? Ik maakte al twee keer eerder een stukje met deze titel en met deze openingszinnen. Zoek ze maar op. Ze staan vast nog wel ergens online. En als u ze niet kunt vinden, dan klikt u hier en hier.
Wat heeft de hemel in hemelsnaam met een vaart te maken? Bitter weinig, ben ik bang. ‘Vaart’ komt van het Oudnederlandse woord ‘opvaren’, wat omhoogvliegen betekent. Op Hemelvaartsdag vieren we of wacht dat is misschien niet zo’n gepast woord herdenken we dat Jezus is opgevaren naar de hemel en Zijn plaats heeft ingenomen naast God. Het is de veertigste dag na Zijn wederopstanding. Ergens in de negentiende eeuw gingen mensen ‘hemelvaren’: ze stonden op de veertigste dag na Pasen al om drie uur ’s nachts op om zingend en blootsvoets op het gras te dansen. Hier zou de term ‘dauwtrappen’ vandaan komen. De mensen stonden zo vroeg op, omdat de mis om negen uur ’s morgens begon en dan moesten ze weer terug zijn. Maar waarschijnlijk gaat de oorsprong van het dauwtrappen nog verder terug in de geschiedenis: in de eerste eeuw na Christus (alias Jezus) ontstond het dansen in het gras in de vroege morgen als onderdeel van de meifeesten waarin de Germanen de opkomst van het nieuwe leven in de natuur vierden. In de vorige eeuw werd het dauwtrappen een wandeltocht en later weer een fietstocht. Tegenwoordig is er geen trappen meer bij, want zo goed als iedereen rijdt elektrisch of op benzine. Zelf woon ik in een appartement op twee hoog en ik heb nog wel degelijk te maken met trappen. Bij mij op de verdieping is dan weer geen gras. Zo is het ook altijd gezeik. Dat is dan ook de enige les die we van de geschiedenis zouden kunnen leren. (Dat het altijd gezeik is.)
In een grijs verleden ben ik zelf vaak op Hemelvaartsdag in alle vroegte op de fiets gestapt. Was het niet in verenigingsverband, dan was het wel later met fanatieke vrienden. Al waren die vrienden ook weer niet zo héél fanatiek. Vaak verzamelden we bij een van ons thuis, dronken uitgebreid koffie en hadden een uur onenigheid over de te nemen route. Eind van de ochtend waren we goed en wel onderweg en toen was het natuurlijk tijd om uit te kijken naar een lunchgelegenheid. Heel laat thuis moesten we ook niet zijn, want de traditie wilde dat we nog eten gingen halen bij een lokale Chinees. En de discussie over de te bestellen gerechten nam (ook traditiegetrouw) een uur of langer in beslag, dus uiteindelijk betekende onze actieve Hemelvaartsdag dat we een rondje om de kerk reden. Qua menu waren overigens slechts de loempia’s en het bananentoetje in beslag bereid.
Al een jaar of tien sta ik op Hemelvaartsdag niet meer voor dag en dauw op. Althans, niet vroeger dan anders. Doorgaans is het rond een uur of zes. Dan is het – sinds een tijdje – al licht. Ik zou kunnen gaan dansen in het gras van het kleine stadspark hier op de hoek van de straat, maar ik ben bang dat ik struikel over de laveloze lichamen van de dak- en thuislozen en de vele verslaafden die er bivakkeren. Niet dat ik bang ben om in het park te zijn. Ik lach om die halfgare lui die daar een beetje tegen elkaar aan staan te schreeuwen. Vervelender vind ik het voor omwonenden en vooral de ouderen die het stadspark niet durven te betreden omdat ze zich er niet veilig voelen.
Bang ben ik dan weer voor andere dingen. Angst adem ik ieder moment in én uit. Ik ben altijd al een bangerik geweest, maar sinds die jaar of tien is de angst nadrukkelijker aanwezig. Soms krijg ik heel plots een vlaag van paniek. Zo’n angstaanval gaat heel diep. Er komen vaak lichamelijke verschijnselen bij. Ik kan bijna letterlijk verlamd zijn. Zweet, trillen, schokken, onvast op de benen, pijn, krachteloos, dood- en doodmoe. Gelukkig weet ik dat het – even onverwacht als het komt – ook weer voorbij gaat zijn. Soms duurt zo’n aanval een paar minuten, maar vaker neemt het veel meer tijd tot aan uren, dagen, weken aan toe. Waar ik op zo’n moment of in zo’n aanval dan precies bang voor ben, dat kan ik niet te zeggen. Het hier en nu, het daar en in het verleden, de toekomst en de dood. Dood, dood. Bang om te verliezen wie ik zo lief heb. Mijn dierbare vrouw, ons zo mooie kind, de oude vader. Och ja, de oude vader. Een paar maanden terug vierden we zijn negentigste verjaardag. Eerder riep ik dat hij op zijn oude dag nog zo sterk en vitaal is. Nu zie ik een broze man, die het gelukkig nog heel aardig redt in de Grote Boze Wereld, maar die steeds trager en fragieler wordt. Eerder riep ik dat hij wel alleen is, maar niet eenzaam. Nu zie ik een man die steeds meer generatiegenoten om zich heen ziet wegvallen. Hij is veel alleen, zit net als zijn bange zoon veel in zijn eigen hoofd, vol met gedachtestromen en piekercirkels en alles wordt erger en beangstigender. Had ik al gezegd dat ik steeds meer op hem lijk? Dat ik ook bang ben dat ik net zo eenzaam word als hij? Misschien zoek ik hem vandaag op, drink ik zijn lauwe thee en luister ik naar zijn geklaag, zijn overpeinzingen en naar dezelfde verhalen die hij altijd vertelt. Misschien neem ik contact op met De Zoon, vertel ik hem wat een fantastisch mens hij is en dat ik er altijd voor hem ben. Misschien blijf ik in bed, De Vrouw heel dicht tegen me aan houdend en luid biddend dat ik haar nooit mag verliezen.
Ik ben bang dat ik nog niet precies weet wat ik vandaag op deze bijzondere dag ga doen. Of wacht. In ieder geval schrijf ik dit stukje en wens ik u allen een prettige Hemelvaart.


Apeldoorn, mei 2024

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

25-04-2024

Mira

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2024 — bazbo @ 01:00

Hoe de band heet, weet hij niet meer. Hij heeft ook geen idee waarom hij eigenlijk naar dit concert is gekomen. Vanaf dat hij binnen liep, staat hij achter in de zaal op een verhoging. Zo te zien is er aardig wat volk. Vóór het podium is het zelfs druk te noemen; de mensen lijken elkaar daar te verdringen. Hier achterin is een prima plek. Hij kijkt net over het publiek heen en heeft aardig zicht op wat er daarginds op het podium gebeurt. Plus: zo komt hij ook te weten of er nog bekenden in de zaal zijn. Niet dat hij bekenden wil zien of spreken. Het liefst staat hij gewoon naar het concert te luisteren. Hij heeft toch al zo’n hekel aan mensen die door de muziek heen praten. Dutch disease; dóód moeten ze. De paar mensen die hij heeft herkend, heeft hij met een hoofdknik begroet: [..], […] en […]. Zelfs […]. Die wilde hij liever niet tegen komen, maar toch stak hij uit misplaatste beleefdheid een hand naar hem op. Verder negeerde hij hem. Gelukkig staat het geluid erg hard. Dat bespaart hem gesprekken. De geluidsman heeft trouwens ook poep in zijn oren, want het is niet alleen loeihard, maar ook vervormd. Of het hoort zo. Hij kent de muziek van deze band niet. Zijn blik dwaalt af over het publiek.
Lieve help, daar staat ze, links voor het podium. Ze danst. Af en toe strekt ze haar armen uit naar boven. Van een afstand lijkt ze helemaal in de muziek op te gaan. Hoe heet ze ook weer? Iets met een M. was het. Hij heeft haar maar een paar keer gezien. Laatste keer op een feestje bij R. Toen zat ze ergens ver weg in een van de woonkamers op een bank, met haar voeten onder haar billen. Toen leek ze hem niet op te merken en was ze druk aan het praten met allerlei mensen. Allerlei mensen; hij wilde ze niet zien en niet spreken, maar dat meisje M. wel. Ze had een keer meegedaan met een project en er kwamen foto’s van haar op Instagram voorbij. Zelden keek hij op Instagram, maar die foto’s wilde hij wel zien. Graag zelfs. Nu staat ze daar. In het publiek. Ze fluistert iets in het oor van iemand anders en lacht haar witte tanden bloot. Shit, ze is met iemand. Haar lange donkerblonde haren golven over haar schouders.
De gitarist op het podium slooft zich uit. Wat is dat toch met gitaristen dat ze zich zo belachelijk gedragen als ze wat mogen spelen? Dat je uit je dak gaat van wat je zelf doet. Zo geweldig vindt hij het werk van die gitarist niet. Nee, dan de bassiste. Die staat geconcentreerd een niet onaardige groove te spelen. Leuke meid. Hij knikt op de maat met haar mee. De band speelt nu al een uur en een kwartier. Het einde komt zicht. Het is tijd, dus.
Hij doet een stap vooruit en stapt van de verhoging af. Langzaam wurmt hij zich door het publiek naar voren. Af en toe moet hij even een hand op een schouder leggen of een duwtje in de rug geven. Sorry, maar hij moet er even langs. Dank je wel. Hij is benieuwd hoe de band er van dichtbij uitziet. Zo, daar is hij bij het podium. De gitarist negeert hij. Achter het drumstel zit een knul met bloot bovenlijf als een gek te rammen op de trommels. Het klinkt nergens naar. De gast achter de toetsen zit stoïcijns op zijn eigen vingers te kijken. Daar is dus niets aan te zien. Nee, dan die bassiste. Die speelt nog altijd dezelfde groove. Zou ze niks anders kunnen? Van dichtbij valt ze uiterlijk nogal tegen. Haar haren zijn ongewassen en haar blik is of het haar allemaal niet interesseert. Even doet hij zijn ogen dicht om het geluid van de band tot zich door te laten dringen; misschien als hij zich concentreert is het nog wat. Nee. De muziek lijkt nóg harder en rommelig. Heeft die geluidsman nou de schuiven nog verder open gezet? Wat een debiel.
Hij krijgt een tikje tegen zijn rug. Langzaam draait hij zich om. Daar is ze. Ze doet een stap naar voren en komt dichter naar hem toe. Hij glimlacht, blij dat ze hem heeft herkend. Ze draagt stevige schoenen en een stoere broek. Daarboven een zwart topje en haar schouders en armen zijn bloot. Haar haren zitten in de war, vast van het dansen. Haar gezicht lijkt opgezwollen, ze kijkt bijna door spleetjes, ziet hij. Ze steekt een hand met de wijsvinger omhoog. Ze zegt iets. Hij kijkt haar vragend aan. Mira. Dat was het. Haar hoofd beweegt, haar blik is leeg en ze lijkt langs hem heen te kijken. Ze wankelt. Ze is zo zat als een aap.
De muziek achter hem is stil gevallen. De zanger zegt iets. Het wordt het laatste nummer. Het publiek gilt en joelt. De band speelt weer. Hij kijkt opnieuw naar haar. Ze is verdwenen. Hij draait zich om naar het podium. Goed beschouwd is de band ook kut.


Apeldoorn, april 2024

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

11-04-2024

Uitkleedpartij – Lotgenoten (0061)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2024 — bazbo @ 01:00

Lotgenoten,

Heb ik alles? Mijn sleutels zitten in mijn broekzak; mijn telefoon heb ik ook. Het is donker in de woonkamer. Mijn blik valt op de bank. Daar liggen haar kleren. Nee, het is gisterenavond geen wilde uitkleedpartij geweest.

Nee, het is puur praktisch. In het kleine slaapkamertje is het gewoon veel te koud om je aan te kleden. Zelf lukt het me ’s morgens vroeg prima, want ik ben met een paar tellen klaar. Zij heeft nu eenmaal wat meer tijd nodig. De wind staat op het slaapkamertje en het is er ’s nachts gewoon erg koud. Sinds anderhalf jaar verwarmen we het huis met infraroodpanelen. In de kleine slaapkamer hangt een klein paneel en het duurt een tijdje voordat het er wat aangenaam is. Daarom kleedt ze zich ’s avonds laat uit en ’s morgens vroeg weer aan in de woonkamer. Vandaar dat haar kleren nu op de bank liggen. Ze ligt nog in bed te slapen. Zo vroeg is het.

Boven op het stapeltje ligt haar blauwe bh. Al een tijdje moet ze veel kleinere maat kopen. Door de bestraling is het weefsel in haar aangedane borst veranderd van structuur. Op een of andere manier is die rechterborst gaan slinken. Zo veel, dat ze alsnog aan een prothese moest. Na verloop van tijd kreeg ze toch rug-, nek- en schouderklachten en toen heeft ze haar goede borst laten verkleinen.
Over verkleinen gesproken. Sinds anderhalf jaar is haar hele garderobe veranderd. Allemensen, wat is ze afgevallen. In de nasleep van de kanker lukte het haar steeds minder goed om op gewicht te blijven. Na allerlei diëten en weetikveelwatallemaal ging ze in overleg met de huisarts en koos ze voor een rigoureuzere methode.
Door een complexe ingreep is ze vele kilo’s kwijt. Weg is de ruimvallende en onopvallende kleding. In plaats daarvan draagt ze fleurige jurkjes. Ze voelt zich lekkerder in haar lijf, ze beweegt gemakkelijker en durft gewoon de kleding te kopen die ze graag zou willen dragen. Ze mag gezien worden en dat vindt ze tegenwoordig zelf ook.

Helaas. Geen wilde uitkleedpartij, gisterenavond. Over seksuele activiteit hebben we niets te klagen, maar van ruige kleren-van-het-lijf-ruk-sessies is al een paar jaar geen sprake meer. We zijn er te oud voor; liever doen we teder. Had ik vroeger een stevige, bijna grote vrouw in bed; tegenwoordig ligt er een tenger en bijna breekbare vrouw naast me. Fysiek gezien is het of ik met een totaal ander iemand samenleef. Voor de rest is het nog altijd De Vrouw aan wie ik zo verknocht ben.

Nog een paar tellen kijk ik in het donker naar de kleding op de bank. Ik onderscheid een strak jurkje met bloemen erop, een vestje met enkele glitters en een felgekleurde legging. Al zie je in het duister niets van de kleuren. Daarbovenop dus die bh. Er prikt iets achter mijn ogen. Een oversentimentele zak, dat ben ik. Snel pak ik mijn werktas en ga ik de deur uit.

Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, april 2024

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

28-03-2024

Dat kunt u nu wel zeggen

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2024 — bazbo @ 01:00

Voorzitter,

dat kunt u nu wel zeggen,

met uw mooie woorden
met uw goede gedrag
met uw beste bedoelingen
met uw mond vol tanden
ja, met uw mond vol tanden

met uw zorgvuldig geformuleerde mening
met uw weldoordachte opinie
met uw formatiegesprekken
uw verkiezingsuitslag
uw spreidingswet
uw zonnepanelen
uw biologische boodschappen
en uw buurman die ook zoiets heeft meegemaakt, maar dan anders
ja, uw buurman heeft ook zoiets meegemaakt, maar dan anders

met uw welnemen
met uw hoogst genoten opleiding
uw nieuw sociaal contract
uw strakke plan
uw strakke broek
uw strakke smoel
uw goedgevulde goodiebag
uw abstracte tattoo
uw dure auto
met je suffe SUV
ja, met je suffe SUV

met uw vooruitziende blik
uw doorgesnoven tussenschot
uw lentekriebels
uw vorkheftruc
uw neuspeuterspeelzaal
je achterlijke kinderen
je facebook en je dickpic en je tiktok
met je desinformatie
en je draaideurconstructie
met uw land en zee
uw genocide en uw zelfbescherming
uw heks en levensgevaarlijk
uw populisme en hypocrisie
uw stemmingmakerij en stampij
je infantiele jijbakkerij
ja, je infantiele jijbakkerij

met uw strategische managementinformatiesysteem
met uw van armoe ingestorte implantaatvulling
met uw zwaarlijvigheid
uw door de ontstane situatie betreurde endeldarmverzakking
uw functioneel beheer
je financiële stortkoker
je uitgesproken afdruiprek
je xenofobe portfolio
jehovagetuige
justitionele dwaling
ja, justitionele dwaling

met uw verdienmodel
uw asfaltlijm
uw talenknobbel
je Europapa
je tradwives
je eigen keuze
je wappenkijk
met je vleesvervanger
je suikertaks
je afvalrace
je lege maag
je volle maaltijdbox
je volle verstand
ja, je volle verstand

met dat hoofd
met je vaste verkering en je open relatie
met je dikke tieten
met je protest
je trekkers en je asbest
je bedreiging en je enge

met je eigendunk
je bipolaire stoornis
je vette fiets
je instapmodel
met jou
met jouw postuur
met jouw talent
jouw budget
je vliegvakantie
je riante resort
je dynamische werkomgeving
je kwaliteitsmonitor
je beeldvorming
je zie je nou wel
je weet wel wat ik bedoel
je zitstakruk
juttemis
met je moeder
met wie, zeg je?
jaja, met je moeder

metworst
met mayo
met melk en suiker
met vereende krachten
met man en macht
met mate

met je mening
met je eigen onderzoek
je fascistoïde bovenkamer
met je fantasieloze urogenitale buis
met je enorme lul
met je enorme lulverhalen
ja, met je enorme lulverhalen

met je ogentroost
je plakvlies
je aardpeerrisotto
je zuurkoolplagiaat
je ventielzede
je mooie ogen
je twijfel
je glimlach
je mooie magnolia,
ja, je mooie magnolia

met je asverstrooiing
met je boekhouder
je vissenmodder
je pek en schuim
je kruimels roggebrood
met je knekelpolonaise
je voortschrijdend inzicht
met je stempel van schuld, voorbode van meer
je wortelende waarden
je zwarte tranen
ja, je zwarte tranen

dat kunt u nu wel zeggen,
maar als ik u was,
hield ik mijn mond dicht.


Apeldoorn, februari 2024

Voorgedragen tijdens De verjaardag van Anja, een intiem feest vol verhalen, gedichten en kleinkunst, afgelopen zondagmiddag 24 maart in zaal De Walvis in Gigant te Apeldoorn.

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

14-03-2024

Zeik – Lotgenoten (0060)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2024 — bazbo @ 01:00

Lotgenoten,

Luid zingend betreed ik het herentoilet. Normaal gesproken fluit of zing ik pas als ik ga plassen, zodat je mijn geklater niet hoort, maar nu heb ik gewoon een ongelofelijk gave deun in de kop die er niet uit gaat. Get Rhythm van Johnny Cash en dan in de uitvoering van Ry Cooder uit 1987, die met de gierende slidegitaar, maar die hoor je niet in mijn zangpartij.
Ik werp de deur open en stuit op iemand die bij een van de wastafels bezig is.
‘Hoi,’ zeg ik, mijn ‘when you get the blues’ onderbrekend. ‘U hier?’
De persoon in kwestie draait zich naar mij om. Het is Agnes, een collega van het secretariaat en ze staat met haar mond vol schuim. ‘Ja,’ mummelt ze, ‘ik moet zo naar de mondhygiëniste en poets even mijn tanden.’
‘Moet ook gebeuren,’ zeg ik. Ik open een deur van een van de wc’s. Er zijn er drie. Twee met een pot en eentje met een urinoir. Die twee met de pot zijn bezet, dus ik pak het urinoir, ga naar binnen en sluit diezelfde deur achter mij.

Wacht.
Nee, ik ben niet verbaasd dat er een vrouw in de herentoiletruimte staat. Die staan er wel vaker, voornamelijk als ze de betreffende ruimte schoonmaken. Maar dat zijn andere vrouwen. Op de werkplek zijn nogal wat dames in de schoonmaak werkzaam die de Nederlandse taal niet goed machtig zijn. ‘Clean your desk?’ vraagt eentje altijd op maandagmorgen als ze mijn kantoor binnen komt. Ik antwoord altijd in het Nederlands, in de hoop dat ze er iets van oppikken. ‘Goedemorgen!’ kunnen ze al aardig zeggen.
Mijn werkplek bevindt zich overigens in een middelgroot kantoorgebouw. Daar zijn noodgedwongen gescheiden dames- en herentoiletten. Voor wie het per se weten wil: het betreft een organisatie die zich bezighoudt met zorg- en dienstverlening aan mensen met een beperking. In het kantoorgebouw zijn de ondersteunende diensten en is de directie gevestigd. Ik mag er van alles doen en heb er in de loop van de jaren een boel leuke collega’s leren kennen.
Agnes bijvoorbeeld. Dat is een hardwerkende en vrolijke vrouw. Ze moppert graag op het vele werk waarmee iedereen haar opzadelt, maar ze is niet te beroerd om wat dan ook voor je te doen, zo lang je het vriendelijk vraagt. En als je het vriendelijk vraagt, maakt ze altijd tijd voor een praatje. En er valt een heleboel met haar te lachen.
Dat ze nu hier in de ruimte van de herentoiletten staat, daar schrik ik niet van. In de zorgsector werken nu eenmaal heel veel vrouwen en ik ben wel wat gewend. Zo kom ik nog wel eens op een congres en daar is dan de rij bij de damestoiletten enorm, terwijl ik zo kan doorlopen; ik zeg dan dat de dames gerust gebruik kunnen maken van het herentoilet. Ik begrijp alle ophef over genderneutrale wc’s of over hoe iemand aangesproken zou willen worden niet zo. Ja, het is nieuw en anders en het is gewoon even wennen om het te hebben over zij of hij of hen of het of wat dan ook? Onderling zijn we allemaal verschillend maar als mens zijn we allemaal gelijk. Voor mij is het een kleine moeite om me aan te passen aan de nieuwe ontwikkelingen op gendergebied en ik begrijp het goed dat iemand graag gewaardeerd wilt zijn om wie je bent. We moeten er dan ook niet zo boos en verontwaardigd over doen en gewoon met elkaar in gesprek gaan, nieuwsgierig blijven naar elkaar. Onlangs kwam ik iemand op de werkvloer tegen die ik een tijdje niet had gezien en nu – voor mij plots – een jurk en naaldhakken droeg in plaats van een hanenkam en kaalgeschoren kop; ik vroeg wat ze prettig vond in ons gesprek met elkaar en ik merkte dat hoe meer ik uit belangstelling doorvroeg, hoe opener ze werd in haar antwoorden. Toen ik later aan een collega vertelde dat ik haar had ontmoet, vergiste ik me meerdere malen door het te hebben over hem en hoe anders hij er tegenwoordig uitziet. Je wilt trouwens niet weten hoe vaak mensen mij aanspreken met ‘mevrouw’ omdat ik lang grijs haar heb en ze mijn baard nog niet hebben gezien. Overigens: zelf vind ik het altijd prettig als mijn vrouw mij aanspreekt met: ‘God.’ Minder fijn is dat ze daarachteraan altijd zegt: ‘Hou toch op met je eeuwige gezeur.’
Al denkende hieraan ben ik ondertussen uitgeplast. Ik bedek de kwetsbare lichaamsdelen weer, spoel mijn afvalwater (zeik) weg en verlaat de kleine ruimte.

‘Ik vind het zo vreselijk, die mondhygiënist,’ vertelt Agnes, terwijl ze nog altijd volop bezig is met tandenpoetsen.
‘Ja?’ zeg ik. Ik hoop dat ik haar goed heb verstaan. Met haar mond vol. Ondertussen heb ik de kraan van de andere wastafel opengedraaid en reinig ik mijn handen zorgvuldig.
‘Och, dat ruwe gekrab en gekerf van dat mens.’
‘Hm, die van mij gebruikt een nogal ingenieus apparaat met een waterstraaltje. Daar voel je helemaal niets van.’ Ik werp een blik achter mij. De andere twee toiletdeuren zijn nog altijd gesloten en op slot.
‘De mijne is nog van het ouderwetse handwerk.’ Ze buigt voorover en laat een straal schuim in de wasbak vallen. ‘Die gaat tekeer!’
‘Ik benijd je niet,’ zeg ik, mijn handen drogend aan een papieren doekje. Zal ik haar vertellen dat ze zich niet bepaald in een genderneutrale ruimte bevindt?

Als ze net als ik altijd moet plassen na het tanden poetsen, dan ben ik wel benieuwd hoe ze dat straks dan doet boven het urinoir. Of zou ze een plastuit paraat hebben?
Ik heb echter geen tijd om dat af te wachten. Het werk wacht en ik ga snel naar mijn kamer om daar de sterren van de hemel te arbeiden.

Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, maart 2024

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

29-02-2024

Uniek

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2024 — bazbo @ 01:00

Het is de negentwintigste februari. De schrikkeldag. Uniek. Uniek? Is dit een unieke dag? Waarom? Hij begint met dat de zon opkomt en eindigt met dat hij onder gaat. Net als alle andere dagen. Wat is er uniek aan een dag die eens in de vier jaar voorkomt? Wat is er uniek aan een tijdsindeling die wij mensen zelf maar zo’n beetje hebben bedacht? Stel dat we niet de zonnewende hadden genomen als basis voor onze tijd, maar het interval tussen de waarneming van de eerste krokus in het Oranjepark en het eerstvolgende moment dat de burgemeester naar de wc moet om te poepen, dan hadden onze horloges er toch heel anders uitgezien.
U begrijpt: ik zit in de stinkende streekbus onderweg naar de nieuwe werkplek, kijk uit het raam en laat me meevoeren door alles wat er mijn hoofd binnen komt. Dat is nogal wat. De chauffeur heeft de radio heel hard staan en hoe ver ik ook achterin de bus ben gaan zitten, de hollandstalige schlagerhoempapa doet me pijn in mijn kop. Buiten is het nog donker. Het is vroeg en druk op de snelweg. Binnen is storm. Wat als –



Bam. Angst. Ik zit er midden in. Van het ene op het andere. Een wervelwind van worsteling. Ik wil dit niet, maar het is er. Warm, koud. Links, rechts. Onder, boven. Het draait. Buiten is het donker maar het wordt nog duisterder en binnen is het licht en dat licht doet pijn aan mijn ogen en ik knijp ze dicht en het doet nog meer pijn en ik wil dat het voorbij is en ik wil dat alles voorbij is. Ken je het gevoel dat iemand met een stoeptegel schuin op je kop drukt, perst, plet, vermorzelt? Nee? Ik wel. Soms heb ik het en ik heb het nu en ik wil hier weg en ik moet hier weg maar waar moet ik naartoe. Niet in paniek raken nu maar het is al te laat want ik ben al in paniek maar ik blijf rustig want wie moet ik lastigvallen met mijn onbetekenende weetikveelwatvooronbetekenends. Niemand kan me helpen want ik kan mezelf niet eens helpen en ik moet geen hulp en ik red het wel want ik heb het alle andere keren ook gered al twijfel ik nu wel of ik het nu ga redden maar ook dat heb ik me alle andere keren ook afgevraagd. De vraag drukt, perst, plet, vermorzelt. De vraag maakt alles kapot. Alles kan kapot. Waar ken ik dat van? De kwetsbaarheid van het al. Ik wil koesteren. Tegelijkertijd hoe meer ik het zie als uniek, als enig, als goed en mooi en van onschatbare waarde, hoe kwetsbaarder het al en hoe banger ik ben het kwijt te raken. Mijn lijf, mijn oude lijf, hoe moet dat toch, de souplesse is eruit, mijn ronde hardlopen gaat moeizamer en moeizamer en ik houd het niet meer vol en ik pak steeds vaker de lift in plaats van dat ik de trap neem naar de tweede verdieping; mijn handen, mijn mooie soepele en zachte handen, ze zijn oud en gerimpeld en versleten en pijnlijker – overbelast – al meer dan dertig jaar tuur ik naar een beeldscherm en druk ik op knopjes. Mijn oude ooit zo sierlijke pianovingers, ze zijn ruw en dik en gieren van de artrose. Wat zeg je? Mijn gehoor wordt minder en minder en mijn liefde voor muziek groter en groter. Daar is-ie, de snijdende pieptoon, ik kon erop wachten. Zie het als – ik zie niets zonder leesbril of zonder vergroot beeld op de monitor. Wat kan mij die telefoon schelen? Televisie al helemaal niet meer; ik zie het niet, kan het niet volgen, het gaat me te snel, ik mis zo veel maar vaak weet ik niet dat -. De wereld is verrot we maken haar kapot zie je dat dan niet? Waar is iedereen, waar zijn de goede mensen van weleer? Mijn herinneringen, van toen en nu en straks en morgen, ik raak er steeds meer kwijt en soms duiken er nieuwe herinneringen op. Van vroeger, heel vroeger, van een paar jaar geleden, onlangs, van vorige maand, gisteren. Van donkere wolken en altijd op de vlucht zijn voor regen en onweer en van wat nog meer van alles. Van samen en alleen en eenzaam en verlaten. Van geluk en leegte, van liefde en geen liefde en van haar en haar en haar. Ze is er nog. Goddank op mijn knieën, ze is er nog. Als ik haar zie word ik blij. Allerlei ziektes en aandoeningen en gruwelijks doorstaan, daar zit ze. Zo veel anders, zo veel ouder, zo veel wijzer, zo veel mooier. Ik wil haar niet kwijt, wat moet ik dan? Zonder haar heeft niets zin, ben ik niets, nul, nada noppes en dus moet ik eerder dan zij – ik wil niets ik – ga ik, mag ik, hunker ik – roep, gil, schreeuw, kreet – druk, pers, plet, vermorzel kapot – zwart, rood – geen lucht mijn keel knijpt dicht, ik stik mijn kop ontploft – van vorst, kou, ijs, smeul, vlam, brand, scherp, snij, kerf, hak, klief – bam – bloed, dood – dood,



– als weet ik veel. Woesj. Weg.
Even zo plots als het is gekomen, is het verdwenen. Mazzel. Dit keer was het kort. Andere keren duurt het een dag of twee dagen of een week of met een beetje pech langer. De ene keer is het heviger en de andere keer minder. Nu was het kort en krachtig. Mijn voorhoofd is nat en ik heb het koud. Ik ril en tril nog na. Plots is daar die zin. Maarten Biesheuvel schreef: ‘Ik ben niet gek; ik ben alleen maar krankzinnig.’ Hoe meer de tijd verstrijkt, hoe meer ik hem begrijp. Het prikt achter mijn ogen. Ik laat het gaan. Huil. Dat mag.

Dan. Diep zucht ik. De bus stopt en ik stap uit. Alles draait. Ik wankel, maar blijf staan. Grote teugen ijskille lucht zuig ik naar binnen.
Het is wéér vroeger licht. Ook niet uniek.


Apeldoorn, februari 2024

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

15-02-2024

Debiel – Lotgenoten (0059)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2024 — bazbo @ 01:00

Lotgenoten,

‘Kijk uit, debiel!’
Ik schrok en deed een stap terug het trottoir op. Wie zei dat?
Het was zo’n vette fiets. Waar kwam die zo snel vandaan?

Het leuke van wonen in het centrum van ons zo majestueuze Apeldoorn is dat ik overal te voet heen kan. Een auto is niet in mijn bezit; ik heb hem niet nodig, want ik kan overal komen met het openbaar vervoer. Daar komt bij: ik zou niet weten waar ik het ding zou moeten parkeren en ik kan niet eens rijden. Ik heb een fiets, maar die gebruik ik nauwelijks. Het ding staat al jaren te roesten in onze berging in het souterrain.
Alles is te voet te doen. Iedere woensdag- en zaterdagmorgen wandel ik een boodschappenrondje naar mijn vaste super. Het station ligt op nog geen tien minuten lopen. De poptempel, het cultureel centrum, de bibliotheek en de pleinen en straten met de cafés en restaurants en de winkels met alle relevante zaken zijn dichtbij. De McDonalds is hier op de hoek van de straat, maar daar kom ik dan weer nooit. Ja, zelfs de praktijkruimte van mijn tandarts is op loopafstand. En de bushalte van waar de stinkende streekbus naar mijn nieuwe werkplek vertrekt, bevindt zich bij ons aan de overkant van de straat.

Vandaar dan ook dat uw schrijver veel te zien is in het Apeldoornse straatbeeld. Al wandelend observeer ik van alles en niet zelden leiden die waarnemingen tot een amusant stukje op deze webpagina. Waarvan akte.
Ik ben echter niet de enige die gebruik maakt van de verkeersinfrastructuur. Met mij zijn er veel andere voetgangers, enkele drukke fietsroutes lopen door het centrum en er is zowaar een heuse centrumring, die regelmatig vaststaat vol autoverkeer.

Raar eigenlijk, dat we onze steden meer inrichten op verkeer dan op de inwoners. Zo gauw het druk wordt of er staan files, denken we de oplossing te vinden in meer asfalt in plaats van in minder auto’s of weggebruikers. Ik ben dan ook een groot voorstander van investeren in goed openbaar vervoer (veel lijnen, vaak rijden en betaalbaar voor de gebruiker) en het terugdringen van gemotoriseerd verkeer. Tja, milieuhippie en klimaatdrammer, hè?

Zeer ergerlijk vind ik bestuurders van auto’s die menen dat niet alleen de straat, maar ook de fietspaden en trottoirs er alleen voor hen zijn. Pakketbezorgers, vrachtwagenchauffeurs of gewoon mensen die oma of opa moeten laden en lossen: ze zetten hun voertuig hoppa op het fietspad of op het trottoir. Je zal maar net aan komen met je kinderwagen, je rollator, je scootmobiel, rolstoel of met je twee brede boodschappentassen in beide handen. Waar moet je heen? Precies: die drukke doorgaande straat op.

Ik was die ochtend onderweg naar een klusje aan de andere kant van het centrum van de stad. Dat was nog een hele onderneming, want om de haverklap was de doorgang op het trottoir versperd door een geparkeerde auto of bestelbus of vrachtwagen. Met gevaar voor eigen leven was ik al diverse malen de straat op gestapt. U boft dat u dit nog kunt lezen, want het was levensgevaarlijk. Ik voelde mij als voetganger een paria op het trottoir.

Ik heb even overwogen om foto’s in dit stukje te plakken, maar ik denk dat u wel ongeveer begrijpt wat ik bedoel.
Nee? Nou, even voor de duidelijkheid dan:
WEGTYFEN! Pleur op naar je eigen deel van de straat! De straat is voor auto’s, het fietspad is voor fietsen en het trottoir is voor voetgangers. Hoe moeilijk kan het zijn? Maar nee! ‘Niemand gaat mij vertellen wat ik moet doen. Dat maak ik zelf wel uit. Weg met de regels. Ik doe mijn eigen onderzoek.’ Wat een schijthekel krijg ik aan autobestuurders. Ik wil heus niet iedereen over een kam scheren, maar de kwaden verpesten het voor de goeden. Dus, kwaden: WEGTYFEN!

‘Kijk uit, debiel!’
Wie zei dat? Ik had heus wel goed achterom gekeken of daar wat aan kwam en dat was niet het geval. Toch was daar die vette fiets. Waar kwam die zo snel vandaan? Ja, die zijn geruisloos, snel en wendbaar en kunnen overal tussendoor slingeren. Dus dat ik ‘m had gemist, was niet heel raar. Zoef, daar was-ie al voorbij.
Trillend stond ik op de stoeprand. Ik haalde een paar keer diep adem om mijn kloppende hart uit mijn keel te krijgen. Na anderhalve minuut leek de rust in mijn lijf wedergekeerd en stapte ik opnieuw het wegdek op.
TOEOEOEOEOET! Een zoveelste truck met oplegger nam de gehele breedte van de straat in en dreigde me alsnog overhoop te rijden. Ik liet me niet kennen en maakte me groot. Met piepende banden kwam het gevaarte vlak voor me tot stilstand.
Ik glimlachte vriendelijk naar de geblindeerde voorruit, knikte en stak een wijsvinger als bedankje omhoog. Doodkalm wandelde ik over de straat langs de geparkeerde SUV en bereikte uiteindelijk veilig en wel het trottoir.

Wat een avonturen weer.


Apeldoorn, februari 2024

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

01-02-2024

Rukkie en de rellen (2)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2024 — bazbo @ 01:00

Kijk, daar heb je Rukkie.
Je kunt hem bijna niet zien, want het is al donker op straat.
Rukkie duwt een kruiwagen. Waar zou hij naartoe gaan?
Hij loopt naar de hoek van de straat.
Daar staat Rachid.

‘Hoi Rachid,’ zegt Rukkie. ‘Ga je mee?’
‘Waar gaan we naartoe?’ vraagt Rachid.
‘Naar het winkelcentrum!’
‘Wat gaan we daar doen?’
‘Rellen!’ roept Rukkie.
‘Rellen, leuk!’ zegt Rachid. ‘Maar waarom precies?’
Rukkie loopt door.

Rachid komt hem achterna. ‘Waarom gaan we rellen?’
‘We moeten een voorbeeld nemen aan Duitsland,’ legt Rukkie uit. ‘Daar weten ze wel raad met alle problemen.’
‘Welke problemen hebben ze daar dan?
Wa-ter-o-ver-last?
Spoor-sta-kin-gen?
O-be-si-tas?’
‘Nee,’ zegt Rukkie. ‘Bui-ten-lan-ders.
Mi-gran-ten.
A-siel-zoe-kers.
Ge-luks-zoe-kers.
Net als hier.’
‘Enne…?’ vraagt Rachid voorzichtig. ‘En wat is het plan in Duitsland dan?’
‘De-por-te-ren. Allemaal.’
‘O?’ Rachid wordt een beetje stil. Of nee. Hij zegt: ‘O?’ En dan: ‘Kijk, daar heb je Jos.’

Daar heb je Jos.
Hij draagt twee grote boodschappentassen.
‘Ha Jos,’ zegt Rukkie. ‘Ga je mee naar het winkelcentrum?’
‘Nee,’ zegt Jos. ‘Daar kom ik net vandaan. Kijk maar, ik heb boodschappen gedaan.’
‘Dan ga je toch mee terug?’ vraagt Rukkie. ‘Samen is leuker.
Hoe meer mensen, hoe meer vreugd.’
‘Dat is waar, zegt Jos. ‘Maar wat ga je daar doen?’
‘Rellen!’ zegt Rukkie.

‘Huh? Rellen?’ vraagt Jos. ‘Wat ga je precies doen?’
‘Een koran verbranden. Hier kijk maar.’
Rukkie wijst op zijn kruiwagen.
Daarin liggen takken, lucifers, oude kranten, een jerrycan benzine en een boek.
‘Waarom ga je een boek verbranden, Rukkie?’
‘Omdat alle buitenlanders en asielzoekers weg moeten. Islamieten helemaal.’
‘O ja?’ vraagt Jos. ‘Waarom moeten ze weg?’
‘Ons land is te vol,’ zegt Rukkie. ‘Hun cultuur is anders.
Die past hier niet.
Ze zijn werkloos.
Ze zijn crimineel.
Ze pikken onze huizen in.
Onze eigen kinderen kunnen nergens wonen.
Ze openen kebabtenten en kapperszaken op iedere hoek van de straat.
Ze verkrachten onze vrouwen.’
‘Jij hebt niet eens een vrouw, Rukkie.’
‘Toch is ons land te vol.
Ze moeten weg.
Koffers pakken.
Wij moeten doen zoals in Duitsland: de-por-te-ren.’
‘En Rachid?’ vraagt Jos.
‘Rachid? Wat is er met hem?’
‘Ja, die heeft toch ook een mi-gra-tie-ach-ter-grond?’
‘Nee, Rachid niet. Rachid is onze vriend*.’

‘Luister Rukkie,’ zegt Jos. ‘Migratie is van alle tijden.
Altijd al zijn mensen op zoek geweest naar een beter leven
voor hun kinderen,
voor hun gezin,
voor hun familie en voor zichzelf.
Iedereen is toch een gelukszoeker?
De meeste mensen met een migrantieachtergrond wonen hier al jaren,
of ze zijn hier geboren.
De meeste migranten zijn arbeidsmigranten.
Die willen gewoon werken.
Asielzoekers willen hier ook werken.
En niet de hele dag in een asielzoekerscentrum lummelen.
Nog geen kwart van alle migranten is asielzoeker.
Een klein deel daarvan mag blijven en wordt statushouder.
Nog geen zeven procent van de statushouders krijgt een nieuw huis aangeboden, las ik laatst.
Of was het nu andersom? 
Dat zeven procent van de nieuwe huizen naar een statushouder gaat?
Zo zie je maar. 
In plaats van po-la-ri-se-ren, roep-toe-te-ren en na-bla-ten
kun je beter eens de cijfers goed uitzoeken, Rukkie.
Laten we niet de boel gaan op-rui-en en ruzie zoeken.
Daar maak je het probleem alleen maar erger mee.
Laten we vooral medemenselijk* zijn,
begrip* hebben voor een ander,
met elkaar in gesprek gaan
en nadenken over hoe we respectvol* samen kunnen leven.
Over hoe we met vluchtelingen humaan* omgaan.
De wereld verandert.
Wen er maar aan.
Alle mensen zijn verschillend en dat is juist mooi.
Je kunt zo veel leren van elkaar.’

‘Jos?’ vraagt Rukkie voorzichtig. ‘Ben jij een link-se deu-ger?’ 
‘Misschien,’ zegt Jos. ‘Maar dat kan mij niet schelen.
Ik praat vanuit mijn hart*.
Heb je het nieuws verder gevolgd, Rukkie?
In Duitsland is ook heel veel protest.
Protest tégen die partij die mensen met een migratieachtergrond het land uit wil zetten.
Honderdduizenden mensen zijn de afgelopen weken de straat op gegaan,
om te protesteren tegen fas-cis-me en tegen ra-cis-me,
tegen donkere tijden van discriminatie, ongelijkheid en onrecht.
Zij geloven meer in liefde* dan in haat.
Laten we ervoor zorgen dat mensen met een migratieachtergrond erbijhoren*,
dat ze gewoon meedoen* en meetellen*.
Net zoals Rachid bij onze vriendengroep hoort.’

‘Jos? vraagt Rukkie voorzichtig. ‘Ben jij een link-se deu-ger?’
‘Misschien,’ zegt Jos. ‘Maar dat kan mij niet schelen.
Ik praat vanuit mijn hart*.
Heb je het nieuws verder gevolgd, Rukkie?
In Duitsland is ook heel veel protest.
Protest tégen die partij die mensen met een migratieachtergrond het land uit wil zetten.
Honderdduizenden mensen zijn de afgelopen weken de straat op gegaan,
om te protesteren tegen fas-cis-me en tegen ra-cis-me,
tegen donkere tijden van discriminatie, ongelijkheid en onrecht.
Zij geloven meer in liefde* dan in haat.
Laten we ervoor zorgen dat mensen met een migratieachtergrond erbijhoren*,
dat ze gewoon meedoen* en meetellen*.
Net zoals Rachid bij onze vriendengroep hoort.’

‘Bovendien,’ gaat Jos verder,
‘een koran verbranden valt onder o-pen-ba-re brand-stich-ting.
Dat mag toch niet?’
‘Het is allemaal haatzaaierij wat er in dat boek staat,’ probeert Rukkie nog.
Jos zegt: ‘Haatzaaierij?
En wat ben jij nu van plan dan?
Is dat niet hetzelfde?’

Rukkie buigt zijn hoofd.
Hij weet dat Jos gelijk heeft.
‘Maar wat ging jij eigenlijk doen vanavond, Jos?’ vraagt Rukkie snel.

‘Bij ons in de straat houden we een buurtfeest,’ vertelt Jos. ‘Een winterbarbecue.
Doen jullie mee?
Kijk, ik was net bij de supermarkt.
Daar heb ik net voor sluitingstijd een boel karbonade gekocht.’
‘Maar dat is haram,’ zegt Rachid.
Rukkie zegt: ‘Wat een moeilijk woord.’
‘Ik mag dat niet eten,’ legt Rachid uit.
Jos houdt de tas verder open en lacht: ‘Hier, moet je kijken.
Er zijn ook paprika’s, hoor.’

Dan is het goed.
Nu lachen ze allemaal.
Ze zijn weer vrienden*.

Dag Jos.
Dag Rachid.
Dag Rukkie.
Eet smakelijk.


Apeldoorn, januari 2024

* Weet je een woord niet? Vraag een volwassene om het in te typen op Wikipedia.

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 
Volgende pagina »