Gif – Lotgenoten (0075)
Lotgenoten,
Het is nog donker. Verderop klinkt het gekras van de vele kauwtjes in de bomen. Ik zie ze niet, maar hoor ze om de haverklap opvliegen. Een hele zwerm is het en ze maken enorm veel lawaai op deze vroege morgen.
Bij de bushalte is het rustig. Het is kwart over zeven. Er komen meerdere buslijnen hier voorbij en er is ruimte voor veel wachtenden. Meerdere banken zijn overdekt en er zit slechts één iemand.
Zij zit er wel vaker. Te roken. Op anderhalve meter vóór haar ligt een stoeptegel met daarop ‘Rookvrij’. Het gerook, het gerook. Het is erg met mij. Ik kom uit een gezin waarin mijn beide ouders stevig rookten. Als er een verjaardag was, moest ik naar de benzinepomp om daar pakjes sigaretten van allerlei merken te kopen, want oom Henk rookte Caballero, tante Mies Belinda, oma menthol en opa Mantano filter, en die sigaretten stonden keurig gesorteerd in glaasjes op tafel. Mijn bloedeigen vrouw rookte de eerste jaren van onze relatie, stopte tijdens de zwangerschap van onze zoon en startte daarna weer, tot ze er uiteindelijk, nu pas achttien jaar geleden, definitief een punt achter zette. Ik had nooit bezwaar als anderen in mijn bijzijn of in dezelfde ruimte rookten, maar tegenwoordig vind ik het vies, zó verschrikkelijk smerig en góór, dat ik rokers – waar dan ook – omstandig uit de weg ga. Zelfs als ze tien meter voor me uit lopen of fietsen, ruik ik het. Met een wijde boog loop ik om ze heen of ik houd ik mijn fietstempo dusdanig in dat de afstand tussen ons groter en groter wordt. Ook erg: het winkelpersoneel dat vlakbij de voordeur van de zaak staat te paffen. Moet je door een gordijn van rook heen als je de winkel in wilt. Ik wil die winkel al niet meer in. ‘Overdrijf niet zo,’ zei er laatst eentje. Ik legde uit: ‘Kijk meneer, ik kies bewust voor een zo gezond mogelijk leven, zonder gif in mijn lijf. U maakt me dat moeilijk zo niet onmogelijk, door uw rook in mijn richting te blazen. Een roker vervuilt willens en wetens de lucht die een ander moet inademen. En dat terwijl de lucht in ons zo majestueuze Apeldoorn toch al niet zo zuiver is.’
De jongedame op de bank bij de bushalte mag er dan nog zo aantrekkelijk uitzien; dat ze rookt, maakt dat ik ver uit haar buurt wens te blijven. Ik gruwel zelfs even en kijk snel een andere kant op.
Kijk, daar heb je hem ook weer. Hij heeft zijn fiets aan een hek vast gezet en ploft neer op een andere bank bij de bushalte. Het hele bushok trilt heen en weer. Ik weet wat er komen gaat. Uit zijn jaszak haalt hij een plastic zak en daarin zie ik de drie croissants zitten. In vijf minuten tijd propt hij ze naar binnen en spoelt hij ze weg met een halve liter cola. Hij zorgt wel voor afwisseling in zijn dieet, want morgen haalt hij een halve liter sinas uit zijn jas. Straks stapt hij met enige moeite de bus in en houdt hij twee plekken bezet. Niet moedwillig, dat zou ik niet willen beweren. Hij kan niet anders. Ik zal het netjes formuleren: de stoelen van de bus zijn te smal.
Zelf ben ik van de bewuste en gezonde voeding. Geen gif in mijn lijf, dus dat betekent zo veel mogelijk biologisch en zo min mogelijk bewerkt. Toen ik onlangs weer eens een slok frisdrank aangeboden kreeg, vond ik het niet eens lekker. Mijn systeem is andere voeding gewend. Ik voel me er goed bij.
De jongeman verslikt zich bijna en hoest zich een ongeluk. Hij komt adem te kort. Ik zou kunnen zeggen dat het zijn eigen schuld is, maar ik voel mededogen. Ook hij is slachtoffer van verleiding en een machtige industrie en: hij is niet alleen. Ik woon in het centrum van ons zo majestueuze Apeldoorn en als ik door de winkelstraat loop en ik zie de mensen die ik passeer, dan blijf ik mij verbazen over al het overgewicht. Verbazen is niet het goede woord; het schokt me wel. Jong, oud, man, vrouw, wit, zwart: driekwart van de mensen heeft een buikje, vetrollen, dikke benen, onderkin, pafkop en kan nauwelijks soepel voortbewegen en velen gieten al lopende blikken leeg in hun gezicht of slaan gehaast worsten, koeken, chips of hamburgers naar binnen. Ja, misschien is het hun dagje uit en trakteren ze zichzelf; die mogelijkheid probeer ik mezelf steeds voor ogen te houden. Maar gezien hun postuur gaan ze dan wel vaak een dagje uit.
De jongeman is uitgehoest. Hij schraapt zijn keel en grijpt dan nogmaals in zijn jaszak. Wat krijgen we nu? Een tweede plastic zak komt tevoorschijn. Met zijn mollige hand vist hij een chocoladebroodje eruit dat rap in zijn eetgat verdwijnt en dan gaat de hand nogmaals de plastic zak in. Ik word een beetje misselijk.
Maar wacht. Daar is ze.
Vandaag draagt ze haar lange donkere jas. Eronderuit een rok tot halverwege haar enkels en daaronder weer die stevige stappers à la legerkistjes. Haar gezicht is wat bleek en steekt af bij het donkerrode halflange haar dat steil langs haar gezicht valt. Bovenop haar hoofd een klein staartje dat de koptelefoon op z’n plek houdt. Helder en vol aandacht kijkt ze voor zich uit. Ze heeft een schitterend verende tred; ze golft als het ware over het trottoir. Onverstoorbaar danst ze voor de bushalte langs. Het staartje beweegt zachtjes mee en ik kijk haar na hoe ze verderop de straat oversteekt.
Nee, echt knap vind ik haar niet, maar haar uitstraling is mooi en heerlijk en ik vind haar leuk zoals ze is en ze zorgt voor licht in mijn duisternis en mijn ochtend is weer goed.
Wat een avonturen toch weer.
–
Apeldoorn, december 2025