Wegdek – Lotgenoten (0076)
Lotgenoten,
Bam. Au.
Tot op dat moment had ik blessureloos drie keer in de week mijn rondje hardgelopen. Ja, u leest het goed: uw favoriete auteur loopt drie keer in de week een rondje hard. Geen groot of lang rondje. Geen idee trouwens hoe groot de afstand is die ik ren. Ik loop dik een half uur, soms drie kwartier. Hoe kwam dat zo? Dat kwam zo.
In een tijd dat het leven voor mij zeer ingewikkeld was, vroeg de psycholoog bij wie ik onder behandeling was: ‘Bas, wanneer ga jij eens bewegen?’ Als antwoord op die vraag kocht ik elf jaar geleden goede loopschoenen en goedkope sportkledij en vond op het internet trainingsschema’s voor beginners. Na drie maanden kon ik een kwartier onafgebroken rennen; nog weer vier maanden later lukte dat een half uur lang. Ik heb een paar vaste routes om en buiten het centrum van ons zo majestueuze Apeldoorn en drie keer in de week ga ik ’s morgens vroeg vóór zes uur de deur uit, met slechts mijn huissleutel in de zak van mijn hardloopbroek. Mensen die horen dat ik hardloop vragen wel eens of ik ook aan wedstrijden meedoe en dan antwoord ik: ‘Nee.’ Het gaat me niet om de prestatie. Ik vind hardlopen nog altijd niet leuk, maar ik weet dat me goed doet. Ik kijk er wél naar uit dat ik mijn hoofd om de dag mag leegmaken.
Bam. Au. Hier keek ik dan weer níét naar uit.
Op vrijdagmorgen gaat mijn route meestal langs het kleine water de Grift, dat vanuit het Orderbos door het centrum van ons zo majestueuze Apeldoorn loopt. Het stroomt zo ongeveer bij ons voor de deur door de straat en gaat dan langs plantsoen en door park. Ernaast is een wandelpad en zeker ’s morgens vroeg is het daar aangenaam hardlopen. Je passeert het voormalige landgoed Marialust en vervolgens stroomt de Grift naar het kanaal. Vanaf Apeldoorn-Noord loopt de Grift enkele meters parallel aan het kanaal, tot het bij Hattem in het kanaal en IJssel uitmondt. Zo ver loop ik echter nooit.
Ik was achter Marialust langs gelopen en rende nu over het zopas gerepareerde asfaltweggetje dat achter nieuwgebouwde woningen in de richting van de Laan van Kerschoten slingerde. Onlangs lag de Laan van Kerschoten helemaal open en moest ik via de nieuwe woonwijk een omweg maken. Nu was de weg weer vrij voor verkeer. Ik sloeg er rechtsaf om vijftig meter verder de Vlijtseweg over te steken en zo via het Zwitsalterrein naar het kanaal te komen. Vanaf daar was het een fijn stukje over het fietspad langs het kanaal tot ik weer thuis was.
Bam. Au.
Een oneffenheid in de weg, ik wist dat die er was, maar was er op het belangrijke moment niet alert op. Het was er nogal donker; de straatlantaarn stond wat verderop. Het nieuw gelegde asfalt van de Laan van Kerschoten lag vijf centimeter lager dan het oude asfalt op de kruising met de Vlijtseweg. In volle vaart struikelde ik over de verhoging. Dit ging fout. Ik ving mijn lijf met beide handen op, maar kennelijk was mijn snelheid hoger dan ik inschatte.
Bam. Au. ‘Kut.’
Met mijn handen, knieën en mijn snuit lag ik voorover op het wegdek. Ik voelde de structuur van het asfalt op mijn kin, bovenlip en neus. Dit was niet goed, wist ik. Ik rolde opzij, greep naar mijn gezicht en duwde mijn handen over mijn neus en bovenlip. Snel probeerde ik op te staan. Ik lag midden op straat. Er kwamen geen auto’s aan, zag ik. Twee tellen later stond ik op het smalle trottoir. Had ik pijn? Ik drukte mijn handen nog steeds stevig in mijn gezicht. Er was nog geen pijn. Oei, mijn gebit. Met mijn tong voelde ik voorzichtig naar mijn voortanden. Gelukkig, geen beschadiging, alles zat nog op z’n vertrouwde scheve plek. Nu had ik pijn. Vooral op mijn bovenkaak.
Wat moest ik doen? Ik was net op het verste punt van mijn hardlooproute. Ik stapte naar de lantaarnpaal en haalde mijn rechterhand van mijn gezicht. De zwarte sporthandschoen was doorweekt en op de mouw en borst van mijn hardloopshirt zaten grote rode vlekken. Het bloedde als een rund. Met mijn twee handen weer tegen mijn gezicht aan gedrukt, liep ik de Vlijtseweg af in de richting van huis.
Daar trok ik mijn hardloopschoenen uit en ging ik naar de badkamer. Nu pas zag ik de schade. Op mijn neus, bovenlip en kin zat een fikse schaafwond, aan de binnenkant van mijn bovenlip een snee die nog altijd bloedde, met dank aan mijn scheve voortand. Dikke bek. Toen realiseerde ik mij dat mijn knieën ook pijn deden. Ik trok mijn lange hardloopbroek uit en inderdaad. Dat hardloopshirt leek op de werkkleding van een slachter. Mijn lijf en de wonden moesten schoon. De douchepartij werd dit keer nogal wat langer dan normaal.
Voor de zekerheid belde ik de huisarts. De assistente kon in de archieven geen datum vinden van de laatste keer dat ik een tetanusinjectie had gehad. Twee uur later zat ik bij haar in de spreekkamer en joeg ze de naald in mijn bovenarm. Ik kon er weer tien jaar tegen.
Bam. Au. Als ik die psycholoog ooit nog eens tegen kom, dan sla ik hem op z’n snufferd, zodanig dat hij een net zo dikke bek heeft als ik.
Gelukkig, nu na een week zie je al bijna niets meer van de verwondingen in mijn gezicht, al zullen de dikke korsten op mijn knieën en de zwelling in mijn lip nog langere tijd merkbaar blijven. Als ik erop druk doet het zeer.
Wat een avonturen toch weer.
–
Apeldoorn, februari 2026





















































































































































