bazbo – de wereld van Bas Langereis, het middelpunt der aarde

Bas Langereis leest u voor!

16-07-2026

Moeite – Lotgenoten (0081)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2026 — bazbo @ 01:00

Lotgenoten,

Ik ga de moeite niet eens doen. Ik heb nu wel wat anders aan mijn hoofd. De donkere lucht lijkt eindeloos, eerder nóg donkerder te worden. De regen kletst in mijn gezicht en op mijn kleren. Mijn blote voeten worden nat. Het waait, het stormt bijna. Mijn lange haren wapperen in doorweekte strengen rondom mijn hoofd en plakken voor mijn ogen. Ik hoor niets. Niets anders dan het geronk van de motor, het gegier van de wind en het geruis van het water. Het is koud, de doorbloeding van mijn vingers stokt. Ik kan maar nauwelijks foto’s maken.
Maar dat deert me allemaal niet. Ik zit ademloos om me heen te kijken.

Drie dagen geleden zat ik ook al op het water. Ook toen woei de wind en was het kil. Maar de zon scheen veelal, de lucht was blauw, de weinige wolken indrukwekkend en het zicht reikte ver. Het blauwe bootje was heel klein, zes passagiers en twee bemanningsleden. We voeren langs Kerrera, Maiden en Heather Island, zagen in de verte de grotere eilanden Mull, Lismore en Iona. In de verte ontwaarden we Duart Castle en Lady’s Rock Lighthouse. Dichterbij het stadje Oban met de schilderachtige baai en de boven op de steile heuvel torenende McCaig’s Tower, iets verderop Dunollie Castle en The Dog Stone. Adembenemende landschappen met rotsen en groen en schapen. Een zeehondenkolonie, albatrossen en bruinvissen. Het weer was net te onstuimig voor een ontmoeting met dolfijnen. De vier Amerikaanse medepassagiers zeiden weinig, maar de bemanningslieden beantwoordden alle vragen en vertelden zo veel dat we er stil van werden en nauwelijks nog dingen méér hoefden te weten. Wat een tocht.

Nu is het stil hierboven aan dek. Het enige wat ik hoor is het regelmatige maar zachte gestamp van de motor van het schip, daarboven klinkt het ruisen van het water en het geloei van de stormachtige wind. Het meer is diep, heel diep. Op veel plekken meer dan tweehonderd meter, weet ik. De bui wordt heviger en ik heb mijn regenjas aan. Om mij heen een soort zwart-witfoto. De donkere heuvels die in het zwarte water lijken te zakken, in de verte datzelfde meer dat tussen heuvels meandert en verdwijnt en daarboven de grijze lucht. De regen maakt het zicht wazig en mistig en mystiek. De natuur op zijn puurst. Water spettert in mijn gezicht. Nessie is nergens te zien, maar gezien de onrustige baren en de onheilspellende atmosfeer op het duistere water, lijkt ze dichtbij. En ik denk.

Dit is het waar het om gaat. Ik. Hier. Nu. Op het lange, diepe water. Al het andere is niet belangrijk en betekent niets. Het is niet belangrijk of ik veel geld heb, dat ik de baas kan spelen of dat mijn telefoon wel of geen bereik heeft. Het doet er niet toe. Het is ook niet belangrijk of ik woorden vind voor de Schotse brokken in mijn brein. Of dat ik dit overleef. Ik ben slechts een kleine schakel in het grootse van deze woeste wereld om mij heen. Hier. Nu. Op het lange, diepe water. Nietig, niets. Dit is waar het om gaat. Ik geef me er volledig aan over. En het is fantastisch en ik ben volmaakt gelukkig. Hier. Nu. Op het lange, diepe water.
Eén met de elementen of zoiets. Niet uit te leggen. Ik ga de moeite niet eens doen.

Wat een avonturen toch weer.


Apeldoorn, juni 2026

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

02-07-2026

Gestrand – Lotgenoten (0080)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2026 — bazbo @ 01:00

Lotgenoten,

De trein stopt. Dat is niet vreemd. We zijn bij een station. Er klinkt een omroepbericht in het Duits. Ik versta het niet, want iedereen in de coupé zit er geanimeerd doorheen te praten. De stem door de intercom herhaalt het bericht, nu luid en duidelijk voor iedereen hoorbaar. We moeten de trein verlaten. Sinds gisteren zijn er even verderop vandalen aan de gang die obstakels op het spoor hebben gelegd. De politie is nu onderzoek aan het doen en tot die tijd kan er geen trein over het traject rijden.
We verlaten de trein en begeven ons naar het stationsplein. We zijn niet de enigen die zijn gestrand in Gronau.

Het is verrekte druk voor een zondagmiddag in het Duitse industriestadje. Uit de opmerkingen van de vele reizigers maak ik op dat deze situatie al even speelt. ‘Ik sta hier al vier uur!’ roept iemand geërgerd uit. Aan de overkant van het plein zijn bushaltes. De Vrouw en ik lopen ernaar toe en bestuderen de dienstregelingen. We kunnen naar Reine en daar een trein naar Hengelo pakken of een rechtstreekse bus naar Enschede, maar onduidelijk is wanneer en of hij rijdt op zondag.
‘Weet u of ik hier een taxi kan bellen?’ vraagt iemand anders.
Ik kijk hem aan. Het is een man van eind zestig met een baseballcap op zijn hoofd en een rolkoffer aan de hand.
‘Geen idee,’ zeg ik. ‘Er komen hier wel bussen, maar die rijden maar eens in het uur.’
‘Ik probeer een Uber te vinden,’ bemoeit een jongeman zich ermee. ‘Ik heb de aanvraag lopen. Zullen we een taxi delen? Geschatte kosten om van hier naar Enschede te komen zijn zo’n achtentwintig euro.’
‘Puik plan,’ zeg ik. ‘Hier heb je vast veertien euro.’ De jongeman ziet eruit of hij studeert en het geld goed kan gebruiken bij een of andere studentenverenigingsborrel.
‘Ik kom net terug uit Afrika,’ vertelt de oudere heer, terwijl ook hij geld aan de jongeman geeft. ‘Als ik dit allemaal eerder had geweten, dan had ik gisteren iets anders geregeld.’
Goh.

‘Ik moet mijn telefoon opladen,’ zegt de jongeman. ‘De app is nog altijd bezig een connectie te maken met Uber.’ In de kleine kiosk van het station is een zitje met stopcontacten en daar gaat hij naartoe.
De oudere man gaat verder met zijn verhaal. Gisteren is zijn vliegtuig geland in Frankfurt en heeft hij overnacht in Münster. ‘Als ik in Frankfurt een ticket voor de hele reis naar Nederland had gekocht, dan hadden ze me daar vast al verteld dat de trein tussen Münster en Enschede vandaag niet verder rijdt dan Gronau. Dan had ik een ander plan gemaakt,’ gromt hij.
Ik betwijfel dat. Wij hadden aanvankelijk gepland om vandaag twee uur eerder vanaf Münster te reizen en zo staat het ook op onze ticket, maar we besloten vanmorgen om eerder te vertrekken en dus hadden we bij een infobalie gevraagd of dat kan en mag. Het mocht. We zeggen de man niets. Maar wat moest hij in Afrika?
Hij was bij zijn vriendin in Kenia op bezoek geweest, om er drie weken lang te onderzoeken of er een prettige plek in het land was om samen te gaan wonen. ‘Ze woont in Mombasa, maar het klimaat is me te gek, daar. Veel te warm. In de laagvlakte gaat het dan nog wel, maar de steden als Nairobi zijn voor een blanke niet aan te raden.’
‘Hoe dat zo?’ vraag ik naar de bekende weg.
‘Het is niet alleen heet, maar je wordt ook overal afgeperst. Ik ken verhalen van mensen die een taxi nemen naar een andere stad of dorp, kilometers verderop. Dan heb je een bepaald bedrag afgesproken en al betaald en halverwege stoppen ze en dan moet je bijbetalen, anders rijden ze niet verder. Heb ik meegemaakt, maar mijn vriendin is niet op haar mond gevallen en die heeft die chauffeur toen even goed de waarheid verteld en na een boel gedoe kwamen we uiteindelijk wel op de plaats van bestemming.’
‘Wat is er zo leuk aan het land dat je er wilt gaan wonen?’ vroeg ik. Behalve die vriendin dan, dacht ik.
‘Het klimaat, maar dan niet in Mombasa dus. En het leeftempo van de mensen. Je moet er geen haast hebben, he? Heerlijk is dat.’

Er is reuring om ons heen. We zien mensen terug naar het station gaan en het perron op lopen. Verdomd, er lijkt een trein te gaan vertrekken.
De jongeman komt naar buiten. ‘Dat wordt niets met die Uber,’ zegt hij.
Gevieren lopen we naar het perron en in de trein vinden we plek met z’n vieren dicht bij elkaar.
‘Hier,’ zegt de jongeman. ‘Jullie geld terug. Dank voor het vertrouwen.’ Leuke knul.
Dan klinkt een stem door de intercom.
De politie blijkt nog steeds gaande met het onderzoek en de trein kan toch niet vertrekken. Dat zal de gehele dag verder zo blijven. Er komen vervangende bussen.
‘Het lijkt Afrika wel,’ zegt de oudere heer als we weer op het stationsplein staan. ‘Daar moet je ook geen haast hebben.’
‘Afrika?’ vraagt de jongeman. Die heeft een verhaal of wat gemist. De man begint dat verhaal opnieuw. We wachten nog wat.
‘Het komt vast goed,’ zeg ik. ‘Het is nog vroeg.’ Ondertussen staan we twee uur hier in Gronau. De zon schijnt en het is heerlijk weer en de mensen om ons heen worden ongeduldig.

Eindelijk komt er een bus. Hij stopt net niet voor onze neus. Iedereen rent naar de voordeur. Ook de achterdeuren gaan open. We doen een stap naar voren, maar zijn niet de enigen. Een hele meute dromt ernaartoe. Er is geen bijkomen aan. We doen dezelfde stap weer terug.
Plots zie ik tussen de vechtende mensen een baseballcap. Het is de oudere heer met de rolkoffer. Hij wringt zich als een malloot door de mensenmenigte naar voren, schreeuwt dat ze hem voor moeten laten gaan en forceert zich de bus in. De deuren kunnen maar net dicht. Het lijkt Afrika wel.
‘Je moet geen haast hebben,’ zeg ik. ‘Heerlijk is dat.’ Wij wachten wel even op de volgende.

Wat een avonturen toch weer.


Apeldoorn, mei 2026

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

18-06-2026

Avonturen – Lotgenoten (0079)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2026 — bazbo @ 01:00

Lotgenoten,

Er is wat gaande. Ik bevind mij in goed gezelschap. De boeken-, cd- en platenkast zit nu toch echt vol. Op de hoek van de straat is de bovenetage van een leegstaand pand afgebrand. De korst op mijn knie laat los, de wond is weer open en daardoor zitten er bloedvlekjes in het dekbedovertrek. Doordat bewoners in ons appartementencomplex allerlei schoonmaakdoekjes en maandverband in het toilet hebben gegooid is het riool verstopt geraakt en daarom ligt het trottoir in de straat open. We moeten alweer nadenken over het programma van de volgende voorstelling van Helemaal stuk. De buren zijn weer terug van hun halfjaarlijkse verblijf van een maand in een luxe hotel aan de Spaanse kust. Twee mannen stonden midden op straat tegenover elkaar, soms spraken ze bozig in een onbekende taal en gebaarden ze wild, dan weer omhelsden ze elkaar alsof ze iets goed te maken hadden; ik kwam langs gelopen en zag naast ze op het wegdek een knuppel en een mes liggen. Het bankstel is versleten. Gisterenavond heb ik weer eens die geweldige salade van bloemkool, paprika, tomaat, mango, rozijnen en linzen met knoflooktahindressing uit de oven gemaakt en er is zo veel van overgebleven, dat we er vandaag nog eens van eten. De markt is tijdelijk verplaatst. Allemensen, ik ben alweer eenenzestig. Het frisse lentegroen maakt plaats voor dat zompige zomerdoffe. De laatste albums van Gong, Soft Machine, Pat Metheny en Richard Barbieri vind ik geweldig. Het stel waterhoentjes heeft vijf kuikens in het nest. Voor onze vakantiereis is bijna alles klaar: treinpas en busritten geregeld, accommodaties geboekt en de reispapieren in orde, nu alleen nog koffers pakken. Buslijn 231 – vroeger een interliner – gaat verdwijnen. Mijn oude vader is na een verblijf in het ziekenhuis en een herstelcentrum opgenomen op een gesloten afdeling in een verpleeghuis; er is sprake van beginnende dementie en het wachten is nu op een definitieve plek in een woonlocatie. De overbuurman maakt op het balkon ruzie met zijn half inwonende zoon. Op naar de volgende voorstelling. Na twee dagen zoeken vond ik mijn twee kazoos terug: van eentje was het vloeipapiertje gescheurd, dus die deed het niet meer en ik heb geen flauw idee waar ik vloeipapier vandaan haal. Iemand viert een jubileum. Het huis staat vol met orchideeën. Er rijdt een oudere man op een fatbike over het trottoir. Dat ik dat lange gedicht in tien dagen tijd van binnen en van buiten uit mijn hoofd heb kunnen leren, daarmee heb ik mijzelf opnieuw verbaasd. Open Monumentendag valt op 12 en 13 september. Ik kijk nauwelijks meer op Twitter, maar ik zeg mijn account nog niet op, want er zijn daar nog een paar mensen die ik wil volgen en die niet op Bluesky of Insta zitten. Het kunstwerk in het Amaliapark is beklad. De tochtstrip aan de binnenzijde van onze voordeur zit los, die moet hoognodig vervangen. Aan de achterzijde van het station zitten of liggen tegenwoordig vaak dak- of thuislozen. Een amalgaamvulling in een kies aan de linkerzijde van mijn onderkaak moest vervangen. De pretzelcrackers met kaas zijn uit het assortiment. Die straatveegkarretjes maken een boel lawaai en de bestuurdersstoel is aan de rechterkant. Op het fietspad langs het kanaal stonden drie stellen ganzenouders met in totaal negen kuikens naar me te blazen. Er stond een hoogwerker van de brandweer voor de deur, omringd door vijf politiewagens. Het vervoerbedrijf gaat buslijn 231 opheffen. Veel winkelleegstand, maar daartegenover staat dat de horecatentjes als paddenstoelen uit de grond schieten. Het strooizout is op. De bus reed ’s morgens vroeg door een wijk met oude herenhuizen en ik zag een jongeman op de stoep staan die blootsvoets bezig was zijn tanden te poetsen. Het stel bijzondere vrienden gaat uit elkaar. De wereld staat in brand.

Wat een avonturen toch weer.


Apeldoorn, april 2026

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

04-06-2026

Kakken van verliefdheid

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2026 — bazbo @ 01:00

Tijd is relatief. Hoor je wel eens zeggen. Toch kom ik vaak concreet tijd te kort. Ik wil zo veel doen, maar heb aan vierentwintig uur in een etmaal te weinig. Bijkomende ellende: ik heb dan wel vierentwintig uur in een etmaal, maar daarvan lig ik er acht in mijn nest. Niet dat ik dan altijd slaap, want soms lukt dat niet goed. Ik doe wat ontspannings- en ademhalingsoefeningen en daarmee slaap ik dan wel redelijk in, maar vaak komt het voor dat ik ’s nachts weer wakker word. Dan moet ik plassen of heb ik spierpijn in mijn nek, ondanks dat ik onlangs een schitterend goed nieuw kussen heb gekocht.

Van de resterende zestien uur in een dag moet ik op vier dagen in de week acht uur besteden aan werk. En tweeënhalf uur aan reistijd. Vervolgens doe ik op die dagen in de dan nog overgebleven tijd afwas, maak ik een wandeling van zeker een half uur, pak ik De Vrouw beet, volg ik een enkel sociaal medium, beluister ik muziek en lees ik een boek. Zo blijft er weinig over. Op de drie dagen in de week dat ik niet werk besteed ik nogal wat tijd aan mantelzorg van mijn oude vader, aan eten koken, aan huishouden, boodschappen en contact met deze en gene. Tussendoor schrijf ik stukken als dit, ben ik betrokken bij een paar theaterprojecten, leer ik tekst, treed ik op en catalogiseer ik mijn muziekverzameling. Sporadisch vind ik een gaatje in de agenda voor een concert, museum, stedentrip of zomervakantie. Dan is de tijd op.

Tijd te weinig dus. Maar wat zou ik dan allemaal nog zo graag willen doen? Eerst even de dingen die ‘moeten’ en die blijven liggen. Het ‘plafond’ van ons balkon schilderen, bijvoorbeeld. Of de internetkabel in de woonkamer een beetje netjes wegwerken. De voorraadkast doornemen op levensmiddelen die (ver) over de datum zijn. De keuken eens grondig reinigen, vooral bovenop de keukenkastjes. Die tochtstrip onderaan de voordeur vervangen. De wagonlading muziektijdschriften herlezen en dan wegmieteren. Sowieso ruimte maken in de boeken- en platenkast. En wat ik nu nog vergeet aan wat ik allemaal moet doen en wat is blijven liggen, daaraan helpt De Vrouw mij regelmatig herinneren.

En wat ik allemaal nog wíl? Ik heb een jaar geleden weer een piano aangeschaft om mijn abominabele speltechniek te kunnen onderhouden en het is er nog niet van gekomen. Ik wil de rest van mijn cd-collectie verder catalogiseren, de vele dvd’s met films en series eens gaan (her)bekijken. Er liggen nog een paar manuscripten klaar om eindelijk eens iets mee te gaan doen. Ik heb nog veel ideeën en opzetten voor verhalen en boeken en theaterwerk. Eigenlijk zou ik ook een vorm van bewegen willen vinden die beter bij mij past dan dat hardlopen waarmee ik mijn knieën in rap tempo verslijt. Er zijn steden die we willen bekijken. Dordrecht, Delft en Leiden in ons eigen land. Madrid, Porto en (terug naar) Lisboa iets verderop. O en ik wil de trein- en bootreis naar mijn oude goede vriend Arie maken, die enkele jaren geleden emigreerde naar Turkije.

Stel dat ik niet meer hoef te werken, dan zou ik meer tijd hebben voor al deze zaken. Echter, het einde van mijn werkzame leven is nog niet in zicht. Althans, niet op korte termijn. Sowieso ins blaue hinein überhaupt es ist kaus bausen zou ik niet willen stoppen met werk. Het levert niet alleen inkomen op om allerlei leuks te kunnen doen, maar brengt ook structuur aan in het leven en wat dachten we van de sociale contacten en het besef dat ik ertoe doe, van waarde ben en al die hele enigszins zweverige shit erbij? Waarom stopt dat eigenlijk als je met pensioen gaat? Daarna wil ik óók nog van betekenis zijn, net zoals in sommige culturen waar ouderen tot op hoge leeftijd actief zijn en een wezenlijke bijdrage leveren aan de samenleving, dus het liefst stop ik nooit. Tuurlijk, het lichaam takelt af, dus dat ik (nog) minder werk op mijn oude dag, lijkt me begrijpelijk.
Behalve al het positieve dat werk oplevert, is er ook een andere kant: werk kost me ook het een en ander. Bijvoorbeeld: mijn klauwen. Een golfersarm en artritis in de poten is niet fijn, gelooft u mij. Voortdurend turen naar een beeldscherm is ook geen pretje. Stress en werkdruk zorgen niet echt voor rust en stabiliteit in mijn toch al zo kwetsbare psyche. Maar wat het ook kost: vier keer acht uur en tweeënhalf uur reistijd per dag, da’s een heleboel tijd die ik ook had kunnen besteden aan al dat leuks doen, dat dan weer wel. Wat een ingewikkeld gedoe toch eigenlijk allemaal.
De pensioengerechtigde leeftijd bevindt zich op nog zeker zesenhalf jaar afstand. Maar ik blijf geen zesenhalf jaar werken. Zoals het er nu voor staat, blijf ik nog vier jaar werkzaam op de nieuwe werkplek. Dan ben ik veertig jaar in dienst bij de werkgever en kan het financieel uit om ermee te kappen. Nu nog hopen dat in die vier jaar de wereld niet naar de tyfus gaat en alle moeite voor niets is geweest. Want tijd is niet het enige dat relatief is.
Hoe dan ook, dit alles heeft niets van doen met dat iemand zou moeten kakken van verliefdheid.


Apeldoorn, mei 2026

Hier lees je’m op FOK!.

• • •
 

21-05-2026

Een andere keer (00001)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2026 — bazbo @ 01:00

Ik heet Bas Langereis en werd geboren op 17 mei 1965 aan de Govert Flinckstraat 37 in het zo majestueuze Apeldoorn, waardoor Apeldoorn gelijk nog een stuk majestueuzer werd.

Ik ben de kleinzoon van een slager en van een kapper.
De grootvader van mijn moeders kant begon in de jaren dertig van de vorige eeuw een varkensslagerij in de joodse buurt van Amsterdam. ‘Mijn vlees kopen ze wel!’ riep hij, overtuigd van zijn koopmanschap. Nog geen jaar later was zijn winkel failliet. Hoewel, dat weet ik niet eens zeker. Wel weet ik dat hij vlak vóór de oorlog in loondienst ging bij de slagerij van zijn broer, gesitueerd in de Kinkerstraat. Van deze grootvader van moeders kant heb ik de neiging om enthousiast en onbezonnen ergens aan te beginnen.
De grootvader van mijn vaders kant was herenkapper in Amsterdam Oud-Zuid. Hij ging bejaardenhuizen af en knipte daar de mannen. Van deze grootvader van vaders kant heb ik de neiging om overal de schaar in te zetten.

Mijn vader zelf ging na de mulo naar de avond-hbs en de avond-hts. Hij werd werktuigbouwkundige en ging werken bij het Luchtvaartlaboratorium en na een jaar of acht vond hij een baan bij een nieuw filiaal van Philips in het zo majestueuze Apeldoorn. Van mijn vader heb ik niets technisch in mijn genen: ik werd geboren met twee linkerhanden.
Mijn moeder werkte eind jaren vijftig en begin jaren zestig bij de Geïllustreerde Pers in Amsterdam. Zo maakte ze enige tijd deel uit van de redactie van de Margriet, meer bepaald was zij een van de redactrices van de rubriek ‘Lieve Mona’. Van haar heb ik mijn liefde voor taal en teksten en kan ik de gekste dingen verzinnen. Waarvan akte. Toen mijn vader die baan bij Philips kreeg, hing zij de mechanische typmachine aan de wilgen en ging zij maar wat graag met haar man mee naar het zo majestueuze Apeldoorn.

Kleine rekensom: mijn ouders kwamen in januari 1965 vanuit de Johannes Verhulststraat in Amsterdam naar Apeldoorn en ik werd geboren op 17 mei 1965 aan de Govert Flinckstraat 37 in het zo majestueuze Apeldoorn. Dat betekent dat ik werd verwekt in het iets minder majestueuze Amsterdam. Daar heb ik toch een kleine tik van meegekregen. Niet zozeer een psychische tik, alswel een culturele. Vooral qua taligheden: woorden, uitdrukkingen, de dunne n en harde sisklank ook bij de letter s. Maar ook cultureel-gewoonte: de humor, de adremheid, altijd leuk willen wezen, uiterst vriendelijk als ik je te woord sta maar ondertussen.
Mijn vader kwam dus oorspronkelijk uit Oud-Zuid en daar bestond het volksgebruik om iedereen aan te spreken met een bijnaam. Zo woonden er in de Sluisstraat een Gekke Gerrit, een Vieze Fietje en een Schele Ko. Op verjaardagen en partijen begroette men elkaar steevast met andere namen. Vond men leuk. Vader nam het gebruik mee naar zijn gezin. Mijn oudste broer, oorspronkelijk vernoemd naar zijn overgrootvader, grootvader en vader Martinus, noemde hij ‘Joducus’, ‘Felix’, ‘Just’, ‘Ramses’, ‘Jos’ en een keer – heel geestig – ‘Basje’. Dat vond mijn moeder zó’n leuke naam! Toen de tweede zoon (ik, dus) op komst was, was de naam Jan voor mij gekozen, maar korte tijd voor mijn komst werd er in de familie al een Jan geboren, dus moest er voor mij iets anders verzonnen. Het werd ‘Bas’.

Kortom: mijn naam is een grap.
Zo heb ik mij mijn hele leven ook gevoeld: één grote grap. En zo heb ik jaren lang het hele leven ook beschouwd: één grote grap.
Ik heb nog een tweede voornaam. Maar daarover meer een andere keer.


Apeldoorn, maart 2025

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

07-05-2026

Klachten – Lotgenoten (0078)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2026 — bazbo @ 01:00

Lotgenoten,

Eens in de zoveel dagen controleer ik onze mailbox. De Vrouw en ik hebben ieder ons eigen mailadres op een gmail- of hotmailaccount, maar er is ook een gezamenlijk adres via onze puike internetprovider. Nu keek ik daar weer eens in en zowaar: er was mail en nog van een onbekende afzender ook. Nieuwsgierig ging ik ’s kijken wat die te melden had.

Aandacht voor alle begunstigden,
Deze e-mailmelding komt rechtstreeks van de Afrikaanse Unie (AU) naar u
Van het team van de Commissie voor fraudebestrijding van de Republiek Togo, in samenwerking met van de Verenigde Naties (VN) in Lome-Togo met station, P-4 postcode-AF /RP/RDBCPN/SHS/0001.az in verband met een omvangrijke inval tegen internetfraudeurs
(arrestaties). Vanwege het hoge aantal klachten heeft de Verenigde Naties Afrikaanse burgers komen naar ons toe vanuit hun organisatie (VN). op het niveau van oplichters/fraudeurs. Dat hebben alle ISP’s gemerkt van Afrikaanse landen naar andere continenten toegenomen
e-mail verkeer.
Bij deze inval zijn tot nu toe driehonderdzes (306) fraudeurs gearresteerd en de de inval is nog steeds gaande. We hebben 857 miljoen dollar van hen teruggevorderd totaalbedrag, waarvan ook de liquide middelen en activa bevestigd dat ze van hun slachtoffers zijn. Sinds honderdduizenden We vonden een e-mailadres uit de slachtofferlijst. Op dit punt
we nemen contact met je op.

We hebben verschillende keren geprobeerd om het te bereiken zonder succes, dus dit is het dan
een herinnering wordt als laatste verzonden, gevolgd door de Verenigde Naties
De Compensatiecommissie kan niet anders dan de 750 schrappen 000,00 USD aan compensatiegeld en markeer het. dan niet gevraagd, dus gelieve deze brief onmiddellijk te beantwoorden om dit te verduidelijken standpunt over deze kwestie, kom in actie voordat het te laat is snel en volg de instructies voor uw eigen bestwil. Hoe verder gedetailleerde informatie over de details ontvangt u wanneer u contact opneemt met de Met United Bank of Africa Lome, Togo
Uw gegevens zijn genoemd door een van de syndicaten genaamd Operations werd gearresteerd als een van zijn slachtoffers. Wij waarschuwen u hierbij geef ze dit bericht niet en herhaal het om welke reden dan ook niet. Als agent van de Amerikaanse geheime dienst Hij is al op het spoor van andere criminelen

Stuur hem de volgende informatie over de geaccrediteerde ATM VISA
Om uw kaart op uw adres te bezorgen.
Volledige naam=======================
Uw land van herkomst===================
Uw huisadres is ===================
E-mailadres ======================
Uw telefoonnummer is ====================
Uw leeftijd =========================
Uw geslacht =========================
Uw beroep =======================

Nvt Dus reageer vandaag meteen op mij
Met vriendelijke groet, Het team van de Commissie voor fraudebestrijding van de Afrikaanse Unie (AU), bijkantoor in Togo


Doorzichtig. Haha, mij misleiden ze niet.
Toch balen. Nu kon ik wéér aan het werk. Ik slaakte een diepe zucht, klikte op ‘Beantwoorden’ en vulde mijn gegevens in.

Wat een avonturen toch weer.


Apeldoorn, maart 2026

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

23-04-2026

Piercing – Lotgenoten (0077)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2026 — bazbo @ 01:00

Lotgenoten,

De kraag van mijn winterjas trek ik nog maar eens omhoog. Het is nog echt koud, zo vroeg op de ochtend. Gelukkig hoef ik niet lang te wachten bij te bushalte; mijn overstaptijd is zelden langer dan tien minuten. Doorgaans dood ik de tijd door allerlei toneeltekst in mijzelf op te zeggen. Zo repeteer ik allerlei poëzie en teksten voor de theatervoorstellingen die ik met ons toneelgezelschap op de planken breng.
Al stilletjes voor mij uit declamerend kijk ik om mij heen. Links van mij zit een jongedame op een bankje. Ze is verdiept in haar telefoon. Ik weet dat ze straks in dezelfde bus stapt. Kijk, ze houdt de telefoon een eindje van zich af en steekt met haar andere hand twee vingers op. Vervolgens houdt ze haar hoofd schuin, tuit ze haar lippen en zit ze even stil. Ach, ze maakt een foto van zichzelf. Verder is er niemand bij de bushalte.

Hoewel, daar komt net iemand aangelopen. Een andere jonge vrouw is het. Het barst van de scholieren in de morgen. Het meisje loopt voor ons langs en zet haar tas op een ander bankje dat iets verderop aan de lange abri gemonteerd is. Ze is niet groot, klein zelfs. Haar huid is lichtbruin en ze heeft donkere ogen. Haar zwarte lange haar hangt steil over haar schouders. Het is echt lang, het komt tot zeker halverwege haar rug. Onder haar lange zwarte winterjas zie ik een spijkerbroek met wijd uitlopende pijpen en witte sportschoenen.
De tekst in mijn hoofd loopt al bijna automatisch. Wat doet ze nu? Ze trekt haar dikke winterjas uit, pakt iets uit haar tas en begint haar lange zwarte haren te borstelen. Ik heb het koud. Zij kennelijk niet. Ze buigt zijwaarts, haar haren hangen bijna op de stoeptegels en ze laat haar borstel herhaaldelijk door haar lange haar glijden. Al borstelende draait ze zich om en ziet mij. Ik kijk weg en struikel over de woorden die ik dacht als vanzelf te kennen. Als ik weer kijk, is ze nog altijd in de weer met haar haren.

Ik pak de draad van de poëzie weer op en al snel hervind ik het ritme. Campert en Lucebert. Terwijl ik de zinsflarden mompel, beweeg ik weer naar rechts. Het meisje is gestopt met haren borstelen en trekt nu met beide handen haar truitje omhoog. Ik zie een slank middeltje met een blote buik. Ze heeft een glimmende piercing door haar navel. Ze buigt voorover, haar hand grijpt naar het zilverkleurige dingetje en ze begint eraan te frunniken. Ze kijkt op. Ik kijk weg. Als ik weer kijk, is ze nog altijd aan het frummelen. Ze kijkt op. Ik kijk weg. Dat gaat zo nog een keer. En nog een keer. Iedere keer voel ik me betrapt en de poëtische zinnen beginnen weer te stamelen. Ik vlucht met mijn blik naar de verte, van waaruit de bus moet komen. Nog niet.

‘Meneer?’ vraagt iemand naast mij. Ik draai mij naar rechts. ‘Heeft u toevallig zakdoekjes bij u?’ Het meisje staat voor mijn neus, met blote buik en al. Ik kijk niet naar haar navel, al moet ik mijn blik wel naar beneden werpen, wil ik haar in haar ogen kijken. ‘Pardon,’ zeg ik. ‘Wat zei je?’
‘Heeft u toevallig zakdoekjes?’
Ik durf niet te vragen of ze iets te hard aan haar piercing heeft gefrunnikt. ‘Zakdoekjes?’ herhaal ik. ‘Eh…’ In mijn jaszak zitten wat papieren servetten, gevouwen en verfrommeld, meegenomen uit de EXKi in Brussel. Hoe lang zitten die al in mijn zak? We waren er met Kerst, dus reken maar uit. Die durf ik haar niet te geven. ‘Sorry, nee. Helaas.’
‘Jammer,’ zegt ze. ‘Maar dank u wel.’ Ze loopt verder naar het andere bankje en vraagt hetzelfde aan de jongedame van de foto van zichzelf. ‘Hallo, heb jij toevallig zakdoekjes?’
Glimlachend kijk ik weer naar de verte.

Daar zie ik mijn bus aankomen. Ik graai in mijn jaszak. De OV-chipkaart zit tegen mijn telefoon gedrukt en daaronder zitten de half gepropte papieren servetten. Voor noodgevallen. Is dit meisje een noodgeval? De bus stopt voor mijn neus. Ik stap in en ga zitten op een lege bank halverwege de bus. Vanuit mijn ooghoek zie ik dat de jongedame van de foto van zichzelf op de eerste de beste bank voorin is gaan zitten. Het meisje van de piercing komt me voorbij, haar jas hangt over haar arm. Ze loopt naar de achterbank. Geen idee of ze een zakdoekje heeft weten te bemachtigen.
Het is koud in de bus en ik ben mijn tekst kwijt.

Wat een avonturen toch weer.


Apeldoorn, april 2026

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

09-04-2026

Pornoverhaal – Hoog tijd voor een kroegverhaal (39)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2026 — bazbo @ 01:00

‘Fijn dat je hier weer eens bent,’ zei ze. ‘Dat was even geleden.’
Ik kon mij niet herinneren dat ik ooit in dit café Zaadfontein was geweest en zei: ‘Ik kan mij niet herinneren dat ik ooit in dit café Zaadfontein ben geweest.’
‘Nee?’ Ze was zichtbaar van haar stuk. ‘Ik zou toch zweren dat ik…’
‘Niet doen,’ onderbrak ik haar. ‘Hoeft niet. Voor hetzelfde geld zit ik er helemaal naast.’
‘Je vroeg toen om water,’ ging ze verder. ‘Het liefst uit de kraan.’
‘Dat zou kunnen,’ zei ik. ‘Dat drink ik namelijk altijd als ik ergens ben.’
‘Wat drink je nu?’ vroeg ze.
‘Nu? Niets. Nog niets. Je hebt het me nog niet gevraagd, wat of ik wil drinken.’
‘Wat wil je drinken?’ vroeg ze.
‘Water. Het liefst uit de kraan. Of heb je iets anders wat niets kost?’
‘Niet dat ik weet,’ zei ze. ‘Een water, dus. Anders nog iets?’
‘Niet dat ík weet,’ antwoordde ik. ‘Ik zou niet weten waarom ik twee drankjes tegelijk zou moeten bestellen. Wat ik ook niet weet: hoe jij heet.’
‘Sandinista.’
‘Maar werkte je dan niet in dat andere café?’
‘Welk andere café?’
‘Weet ik veel hoe die cafés in al deze verhalen allemaal heten? Voor mijn part was het café Constipatie. Nou, zeg het eens?’
‘In café Constipatie heb ik nooit gewerkt. Wel in een paar andere cafés.’
‘Aha, dan ben ik je daar tegengekomen.’
‘En heb je daar toen ook water besteld,’ zei ze. ‘Het liefst uit de kraan.’

Plots tikte iemand mij op de schouder. Ik draaide mij om. Er stond een man, een wat gedrongen man met een beetje slonzige kleding. Spijkerbroek, iets te wijde trui, wat kalend. Ik kende hem niet. Wie was dit? Ik kreeg geen kans om dit bij hem na te gaan.
‘Waarom schrijf jij eigenlijk nooit een pornoverhaal?’
De vraag verraste me. Kennelijk had hij mij wel herkend.
‘Tja, waarom zou ik dat moeten doen?’ vroeg ik terug.
De man haalde zijn schouders op, draaide zich om en liep weg.

‘Maar nu ik je toch spreek, Sandrina,’ ging ik verder.
‘Sandinista,’ corrigeerde ze.
‘Je gaat me niet vertellen dat je bent vernoemd naar…’
‘Jawel,’ onderbrak ze. ‘Naar een driedubbelelpee van The Clash.’
‘Mijn broer had ‘m,’ zei ik. ‘Zelf heb ik niet zo veel met p…’
‘Ik ook niet,’ gaf ze toe. ‘Ik wilde ‘m ook niet per se horen, maar mijn moeder jakkerde de plaat dagelijks door de woonkamer, toen ik klein was.’
‘Toch zie je er veel jonger uit,’ zei ik.
‘Ik zei toch niet dat mijn moeder mij kreeg toen die driedubbelaar net uit was? Ik ben van veel later en mijn moeder liep hopeloos achter, met haar achterlijke punkrock.’
‘Hoe oud ben je dan, als ik vragen mag?’
‘Zeventien,’ zei ze. ‘En ik weet nog hoe je me vorige keer noemde.’
‘Vorige keer?’
‘Ja, in het andere café waar ik toen werkte. Ik weet weer waar het was.’
‘Waar was het dan?’
‘In café De Kringspier,’ zei ze.
‘Och zo.’
‘Geen schoonheid.’
‘Pardon?’
‘Geen schoonheid. Zo noemde je me toen.’
‘Wie? Ik?’
‘Ja. Jij, Bas.’
‘Ik heb het niet zo op uiterlijk vertoon.’
‘Je probeert je er aardig uit te lullen,’ lachte ze. ‘Maar even wat anders. Wat moest die vent eigenlijk van je?’ vroeg Sandinista.
‘Welke vent?’
‘Die vent van daarnet.’
‘Nee. Geen idee.’
‘Zoiets vermoede ik al.’
‘Zo zie je maar weer, Sanitaria.’
‘Sandinista.’
‘Dat zei ik. En ik zei: je weet wat ervan komt.’
Ze keek op haar horloge en zei: ‘Ik weet het.’


Apeldoorn, februari 2026

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

26-03-2026

Ben ik nou helemaal

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2026 — bazbo @ 01:00

Ze vroegen: ‘Wat ben je nou helemaal?’
Dat zei mijn moeder ook vaak tegen me:
‘Ben jij nou helemáál!’
Wat ben ik nou helemaal?
Nou, ik ben zo veel, inclusief:

Jongen
Man
Kind
Zoon
Broer
Vader
Neef
Achterneef
Partner
Echtgenoot
Geliefde
Oom
Zwager
Schoonzoon
Vriend
Goede vriend
Kennis
Vage kennis
Héél vage kennis
Mantelzorger
Buurman
Onderbuurman
Bovenbuurman
Collega
Oud-collega
Tegenspeler
Medespeler

Vrijwilliger
Inwoner
Stedeling
Apeldoorner
Veluwenaar
Gelderlander
Nederlander
Europeaan
Wereldburger
Burger
Bezorgde burger
Klant
Patiënt
Cliënt
Slachtoffer
Dader
Toeschouwer
Voorbijganger
Voetganger
Fietser
Passagier
Reiziger

Abonnee
Lezer
Schrijver
Dichter
Acteur
Muzikant
Pianist
Luisteraar
Liefhebber
Verzamelaar
Zestiger
Oudere jongere
Ouwe zeur
Fossiel
Dove!

Binnenvetter
Angsthaas
Leugenaar
Langharig tuig
Boomer
Beest
Geile beer
Lul
Klootzak
Gave gast
Held
Antiheld

Karduwer
Pleitbezorger
Hardloper
Doodloper
Vroege vogel
Doener
Structopaat
Rommelkont
Lotgenoot
SCHREEUWLELIJK!

De rust zelve
Rots in de branding
Haar Alles (althans, dat zegt mijn vrouw)
Schoolvoorbeeld
Slapjanus
Einzelgänger
Toch een mensenmens
Braverik
Moraalridder
Klimaatdrammer
Vegetariër
Idealist
Pacifist
Gelukszoeker
Dromer

Kortom: ik ben mens.
Mens? [kijkt naar zaal en wijst]
Maar mensen, dáár wil ik toch niet bij horen?


Apeldoorn, januari 2025


Voorgedragen tijdens Helemaal stuk, een voorstelling van zaken op zondag 15 maart in een uitverkochte zaal De Walvis in Gigant te Apeldoorn.

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

12-03-2026

Wegdek – Lotgenoten (0076)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2026 — bazbo @ 01:00

Lotgenoten,

Bam. Au.
Tot op dat moment had ik blessureloos drie keer in de week mijn rondje hardgelopen. Ja, u leest het goed: uw favoriete auteur loopt drie keer in de week een rondje hard. Geen groot of lang rondje. Geen idee trouwens hoe groot de afstand is die ik ren. Ik loop dik een half uur, soms drie kwartier. Hoe kwam dat zo? Dat kwam zo.

In een tijd dat het leven voor mij zeer ingewikkeld was, vroeg de psycholoog bij wie ik onder behandeling was: ‘Bas, wanneer ga jij eens bewegen?’ Als antwoord op die vraag kocht ik elf jaar geleden goede loopschoenen en goedkope sportkledij en vond op het internet trainingsschema’s voor beginners. Na drie maanden kon ik een kwartier onafgebroken rennen; nog weer vier maanden later lukte dat een half uur lang. Ik heb een paar vaste routes om en buiten het centrum van ons zo majestueuze Apeldoorn en drie keer in de week ga ik ’s morgens vroeg vóór zes uur de deur uit, met slechts mijn huissleutel in de zak van mijn hardloopbroek. Mensen die horen dat ik hardloop vragen wel eens of ik ook aan wedstrijden meedoe en dan antwoord ik: ‘Nee.’ Het gaat me niet om de prestatie. Ik vind hardlopen nog altijd niet leuk, maar ik weet dat me goed doet. Ik kijk er wél naar uit dat ik mijn hoofd om de dag mag leegmaken.

Bam. Au. Hier keek ik dan weer níét naar uit.
Op vrijdagmorgen gaat mijn route meestal langs het kleine water de Grift, dat vanuit het Orderbos door het centrum van ons zo majestueuze Apeldoorn loopt. Het stroomt zo ongeveer bij ons voor de deur door de straat en gaat dan langs plantsoen en door park. Ernaast is een wandelpad en zeker ’s morgens vroeg is het daar aangenaam hardlopen. Je passeert het voormalige landgoed Marialust en vervolgens stroomt de Grift naar het kanaal. Vanaf Apeldoorn-Noord loopt de Grift enkele meters parallel aan het kanaal, tot het bij Hattem in het kanaal en IJssel uitmondt. Zo ver loop ik echter nooit.
Ik was achter Marialust langs gelopen en rende nu over het zopas gerepareerde asfaltweggetje dat achter nieuwgebouwde woningen in de richting van de Laan van Kerschoten slingerde. Onlangs lag de Laan van Kerschoten helemaal open en moest ik via de nieuwe woonwijk een omweg maken. Nu was de weg weer vrij voor verkeer. Ik sloeg er rechtsaf om vijftig meter verder de Vlijtseweg over te steken en zo via het Zwitsalterrein naar het kanaal te komen. Vanaf daar was het een fijn stukje over het fietspad langs het kanaal tot ik weer thuis was.

Bam. Au.
Een oneffenheid in de weg, ik wist dat die er was, maar was er op het belangrijke moment niet alert op. Het was er nogal donker; de straatlantaarn stond wat verderop. Het nieuw gelegde asfalt van de Laan van Kerschoten lag vijf centimeter lager dan het oude asfalt op de kruising met de Vlijtseweg. In volle vaart struikelde ik over de verhoging. Dit ging fout. Ik ving mijn lijf met beide handen op, maar kennelijk was mijn snelheid hoger dan ik inschatte.

Bam. Au. ‘Kut.’
Met mijn handen, knieën en mijn snuit lag ik voorover op het wegdek. Ik voelde de structuur van het asfalt op mijn kin, bovenlip en neus. Dit was niet goed, wist ik. Ik rolde opzij, greep naar mijn gezicht en duwde mijn handen over mijn neus en bovenlip. Snel probeerde ik op te staan. Ik lag midden op straat. Er kwamen geen auto’s aan, zag ik. Twee tellen later stond ik op het smalle trottoir. Had ik pijn? Ik drukte mijn handen nog steeds stevig in mijn gezicht. Er was nog geen pijn. Oei, mijn gebit. Met mijn tong voelde ik voorzichtig naar mijn voortanden. Gelukkig, geen beschadiging, alles zat nog op z’n vertrouwde scheve plek. Nu had ik pijn. Vooral op mijn bovenkaak.
Wat moest ik doen? Ik was net op het verste punt van mijn hardlooproute. Ik stapte naar de lantaarnpaal en haalde mijn rechterhand van mijn gezicht. De zwarte sporthandschoen was doorweekt en op de mouw en borst van mijn hardloopshirt zaten grote rode vlekken. Het bloedde als een rund. Met mijn twee handen weer tegen mijn gezicht aan gedrukt, liep ik de Vlijtseweg af in de richting van huis.

Daar trok ik mijn hardloopschoenen uit en ging ik naar de badkamer. Nu pas zag ik de schade. Op mijn neus, bovenlip en kin zat een fikse schaafwond, aan de binnenkant van mijn bovenlip een snee die nog altijd bloedde, met dank aan mijn scheve voortand. Dikke bek. Toen realiseerde ik mij dat mijn knieën ook pijn deden. Ik trok mijn lange hardloopbroek uit en inderdaad. Dat hardloopshirt leek op de werkkleding van een slachter. Mijn lijf en de wonden moesten schoon. De douchepartij werd dit keer nogal wat langer dan normaal.
Voor de zekerheid belde ik de huisarts. De assistente kon in de archieven geen datum vinden van de laatste keer dat ik een tetanusinjectie had gehad. Twee uur later zat ik bij haar in de spreekkamer en joeg ze de naald in mijn bovenarm. Ik kon er weer tien jaar tegen.

Bam. Au. Als ik die psycholoog ooit nog eens tegen kom, dan sla ik hem op z’n snufferd, zodanig dat hij een net zo dikke bek heeft als ik.
Gelukkig, nu na een week zie je al bijna niets meer van de verwondingen in mijn gezicht, al zullen de dikke korsten op mijn knieën en de zwelling in mijn lip nog langere tijd merkbaar blijven. Als ik erop druk doet het zeer.

Wat een avonturen toch weer.


Apeldoorn, februari 2026

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 
Volgende pagina »