bazbo – de wereld van Bas Langereis, het middelpunt der aarde

Bas Langereis leest u voor!

08-10-2026

De hand

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2026 — bazbo @ 01:00

De jonge vrouw met de prachtig bruine huid vertelt. Ik hoor, het eerste wat ik doe is wat ze vertelt op mijzelf betrekken. Zo van: wat zij kan, dat kan ik ook. Ik kan vertellen, ik kan uitleggen en
een opsomming maken over alles wat telt, over alles wat me boeit, de dingen die ik heb meegemaakt en als zwaar heb ervaren, alles waar ik aan vast zit. Maar dat is alleen maar leuk en aardig voor de vorm, de lachers op mijn hand. Wat zij kan, dat kan ik ook. Maar ik kan het niet. De jonge vrouw met de prachtig bruine huid vertelt. Ik weet: ik hoor, maar ik luister niet.
Wie ben ik om te –
Wie ben ík

De jonge vrouw met de prachtig bruine huid vertelt, ze is mooi, ze is bevlogen, ze is jong en ik vraag me af wat ze zelf heeft meegemaakt – het doet totaal niet ter zake, waarom vraag ik het dan? Als afleidingsmanoeuvre, wil ik het niet hebben over wat ze aankaart, moet het weer over mijzelf gaan of is er iets anders, iets diepers, iets wezenlijkers? Iets wat ik niet zie, wat ik niet wil zien? Wat is er toch met me aan de hand?
Wie ben ik om te –
Wie ben ík

De jonge vrouw met de prachtig bruine huid vertelt over haar voorvaderen, voormoeders, voorouders, die hebben gruwelijke zaken meegemaakt. Mijn voorvaderen, voormoeders, voorouders hebben ook zaken meegemaakt, ook gruwelijk. Of ze vergelijkbaar zijn, weet ik niet.
Is gruwelijkheid, onmenselijkheid meetbaar? ‘Op een schaal van nul tot tien is uw factor gruwelijk onmenselijk: acht punt twee.’ De lachers op mijn hand. Maar wat als die hand geketend is.
Wie ben ik om te –
Wie ben ík

De jonge vrouw met de prachtig bruine huid vertelt en het gaat niet om mij – het gaat vanavond/vanmiddag niet om mij, niet nu – vandaag gaat het over de ander. Over de ander die hetzelfde is, niets meer of minder dan ikzelf. Ikzelf. Toch weer. De ander die hetzelfde is, maar het verleden, ver verleden en recent, laat zien dat we die ander toch hebben beschouwd als anders, als minder, als niets. ‘Mag ik een grapje, mag ik dat grapje over negers maken? Het betekent niets. Je moet het in de tijd zien.’ Ik heb het niet in de hand.
Wie ben ik om te –
Wie ben ík

De jonge vrouw met de prachtig bruine huid vertelt. Ik luister nu ademloos toe. De geschiedenis, ons koloniale verleden, de slavernij, het blijft boeiend. Ha, daar heb je ze weer: de hand en de lachers. Zoals ik al zei: wat zij kan, dat kan ik ook. Ik kan vertellen over, ik kan uitleggen,
ik kan een eindeloze opsomming maken, maar hoe het is om werkelijk geketend te zijn voor het leven, het leven van je voorvaderen, je voormoeders, je voorouders, jezelf, je kinderen, je kleinkinderen, je achterkleinkinderen en alle generaties na je, daarover kan ik geen voorstelling maken.
Jonge vrouw met de prachtig bruine huid, neem me bij de hand en vertel –
Wie bén ik?

–
Apeldoorn, juli 2026

–
Voorgedragen op 26 en 27 september 2026 tijdens Helemaal stuk, een voorstelling van zaken in zaal De Walvis in Gigant te Apeldoorn.

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

24-09-2026

Wind – Lotgenoten (0084)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2026 — bazbo @ 01:00

Lotgenoten,

Er is iets gaande. Er is niemand op straat. Het is stil. Net een beetje licht ook. De straat is leeg; niemand die op het vroege uur op pad is. Het is al geen doorgaande weg waaraan ik woon, maar nu is er echt niemand te zien. Wacht, in de flat aan de overkant is beweging. Er gaat een schemerlamp aan en iemand zet de deur naar het balkon open. Straks – weet ik – komt een overbuurman naar buiten met zijn hondje en die loopt naar het parkje even verderop. De stad wordt wakker.

Daar is iets gaande. Ik zit niet vanaf mijn stoel de boel te inspecteren, maar vanuit mijn ooghoek zie ik beweging. Voordat ik een van de eerste bussen aan de overkant van de straat neem en naar het werk ga, mag ik graag hier buiten op het balkon zitten. Ik eet mijn ontbijt, scroll door eventueel belangrijke berichten op mijn telefoon en snuif de frisse morgenlucht op.

Daar aan de overkant, daar is iets gaande. Maar wat is het? Het gebeurt bij de ingang van het appartementencomplex. Ik zie een ekster, volgens mij een jong expemplaar, een juveniel, rondhopsen. Maar waar zit hij achteraan? Wat is dat? Ik heb mijn bril niet op. Mijn bril is een leesbril, dus daar heb ik hier in de verte niets aan.
Bij vlagen zie ik heel slecht. Lezen bijvoorbeeld, dat lukt me nauwelijks zonder hulpmiddel. Die leesbrillen van mij. Ik heb er nogal wat. In huis een stuk of twintig, denk ik. Op de werkplek ook zeker vijf. Het zijn allemaal goedkopies, de meeste aangeschaft tijdens de recentelijke bezoeken aan Duitsche plaatsen en steden. In de Rossmann of de DM zijn prima leesbrillen verkrijgbaar, ze hebben ze zelfs in mijn thermopanesterkte. Als we een keertje in Münster of Köln zijn, dan neem ik altijd een exemplaar of wat mee. Voor verder weg zou ik waarschijnlijk ook aan een bril moeten; mijn broers en zus dragen allen een permanente bril. We zijn allemaal 55+ en ik ben de enige die geen bril draagt. Ik stel het ook graag nog een jaar of wat uit. Uit ijdelheid, lijkt het misschien, maar dat is het niet; ik draag mijn leesbrillen graag en liefst kies ik ze uit met een opvallend en kleurrijk montuur. Eerder is het vanwege het praktisch gedoe waar ik geen zin in heb. En daar komt bij: ik red me nog redelijk zonder. Hoewel.

Wat is het? Een zwart langwerpig iets. Een muis? Een rat? Nee, dat is het niet. Wacht. Boven de deur van het appartementencomplex daar is een luifel en doordat het portiek iets naar achteren is, staat daar in die hoek vaak een bijzondere wind. Een soort miniwindhoos. In de herfst zie ik er bladeren in cirkels rondwaaien, soms gaan ze een stukje omhoog, maar na een meter of zo is zo’n blad te zwaar voor de wind en dan zakt het weer.

Ja, wat ik zie is iets wat door de wind rondgeblazen wordt. Het is geen levend iets, geen dier, maar wat is het wel? Het is zwart, wat verfrommeld, eh … ik knijp mijn ogen tot spleetjes, maar het helpt niet. Toch blijf ik turen. En dan. Dan gaat me een licht op en zie ik het en weet ik het. Het is een leeg hondenpoepzakje.

Wat een avonturen toch weer.

–
Apeldoorn, juli 2026

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

10-09-2026

Hoog tijd voor een kroegverhaal (41)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2026 — bazbo @ 01:00

‘Zeg, loopt die serie van je nou nog steeds?’
‘Jazeker. Vandaar dat ik hier ben.’
‘Dat snap ik niet.’
‘Dat geeft niet. Snappen is niet jouw sterkste kant, dat is welbekend.’
Bart keek me niet-begrijpend aan.
‘Zie, dat bedoel ik,’ zei ik.
‘Je hebt me wel eens verteld,’ zei hij, ‘dat je in die serie beschrijft waarom je het niet meer leuk vindt om een café te bezoeken.’
‘Met je geheugen lijkt me niet zo veel mis, Bart.’
‘Dat begrijp ik niet.’
‘Met je begripsvermogen echter wel.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Hoe bedoel je: hoe bedoel je?’
‘Ik kan het niet meer volgen.’

Toch zei ik niet iets ingewikkelds, wist ik.
Bart was aan tafel erbij gaan zitten.
Ik vroeg: ‘Waarom kom jij hier eigenlijk nog?’
‘Om wat te drinken.’
‘Ga weg.’
‘En om te ontsnappen aan de gekte van alledag.’
‘Is hier geen gekte dan? En waarom ben je hier dan alle dagen?’ Het was een drukte van belang in café De Uitsmijter.
‘En om lekkere wijven te ontmoeten.’ Hij stak zijn tong uit een mondhoek.
Ik keek om me heen. Wijven zag ik niet en behalve de serveerster Charlotte was hier niemand aanwezig die je ‘lekker’ zou kunnen noemen.

‘Dag Charlotte,’ zei ik. ‘Deze meneer Bart hier die zegt dat hij hier komt om lekkere wijven te ontmoeten, maar ik zie geen wijven en de enige die ik ‘lekker’ zou willen noemen, dat ben jij.’
‘Hoi Bas,’ lachte ze. ‘Ik weet dat je het als compliment bedoelt. Dank je wel.’
‘Niets te danken, want het is de waarheid en ik kan niet anders dan de waarheid benoemen.’
‘Wil je iets drinken?’
‘Water graag. Liefst uit de kraan. Wist je dat deze meneer Bart hier, naast dat hij een café bezoekt om lekkere wijven te ontmoeten, dat hij hier ook komt om iets te drinken? Maar je vroeg het aan mij, dus het is eerst mijn beurt en daarna pas die van hem. Hij betaalt overigens zelf.’
‘Hahaha, komt goed, hoor.’
‘Hoe was je vakantie in Zweden?’
‘O mooi! Dat je dat nog weet. Lief dat je het vraagt. Ik heb heel veel gezien en gewandeld en het is er zo mooi en rustig.’
‘En leeg.’
‘En leeg.’
‘In tegenstelling tot dit café.’
‘Ja, het is druk vanavond.’
‘Je kunt niet lang blijven praten, dus.’
‘Klopt,’ knikte ze. ‘Ik ga je water halen.’
‘Fijn, dan wacht ik even.’

‘Wat zit jij hier die griet op te geilen?’ vroeg Bart. ‘Denk niet dat ik je niet doorheb.’
‘Heb jij zo vroeg op de dag al zo veel te veel gedronken?’
‘Klets d’r niet omheen. Ik zie je toch die meid versieren?’
‘Ik hoef haar niet te versieren,’ zei ik. ‘Ze is van zichzelf al mooi genoeg.’
‘Met zo’n opmerking krijg je haar het nest niet in, Bas.’
‘Dat was dan ook niet de bedoeling van de opmerking.’
‘Huh? Nee? Je zit dat wijf toch lekker te maken?’
‘Bart. Het is geen wijf en ik zit haar niet lekker te maken.’
‘Waarom niet? Zou je haar niet willen doen?’
‘Ze is lief en tof en knap, maar ik zou haar niet ‘willen doen’,’ zei ik. ‘Ik ben heel gelukkig gehuwd.’
‘Wou je zeggen dat jullie, jij en je vrouw, nog steeds eh …’
‘Kijk Bart, de vele vonken van het begin van onze relatie en de eerste jaren van ons huwelijk die zijn er wat vanaf. De frequentie van de geslachtelijke ommegang is in de loop van de jaren wat minder geworden en het hoeft vandaag de dag allemaal niet meer zo acrobatisch, maar ik heb toch nog altijd regelmatig dat ik na afloop denk: Was me dat neuken.’

‘Je water, alsjeblieft.’ Charlotte stond weer bij de tafel en zette een groot glas vol met een doorzichtige vloeistof neer. Ik keek haar aan. Ze leek geschrokken.
‘Je lijkt geschrokken,’ zei ik.
‘Eh nou, ik hoor wat je net zei.’
‘Excuus. Het was niet tegen jou, maar tegen die pief hier tegenover, die mij beticht van buitenechtelijk geflirt.’
‘Jij? Buitenechtelijk?’ Ze barstte in lachen uit.
‘Precies. Ongelofelijk, niet?’
‘Iedereen die jou ook maar een beetje kent, Bas…’
‘Charlotte, niets menselijks is mij vreemd. Ik heb een groot hart en wie zou niet warme gevoelens koesteren voor een lieve en knappe jongedame als jij? Maar om die warme gevoelens te gaan manifesteren in initiatieven of handelingen die je zou kunnen scharen onder ‘ontrouw’, dat gaat mij veel te ver.’
‘Scharen?’ vroeg Bart.
‘Is daar wat mis mee, met scharen?’ Ik keek hem geërgerd aan. ‘En kijk niet zo verlekkerd.’
‘Ik voel me hoogst geïntimideerd,’ zei Charlotte, enigszins wit weggetrokken.
‘Bart,’ zei ik hem, ‘had ik jou eigenlijk gevraagd, uitgenodigd, toestemming gegeven om hier aan tafel te komen zitten?’
‘Is hij opdringerig?’ vroeg Charlotte. Ze trok een pump uit en hield die in de aanslag, alsof ze Bart er ieder moment een mep mee kon geven. ‘En niks drinken ook nog? Het is hier een café, het is de bedoeling dat je hier iets te drinken bestelt, mocht je het nog niet weten.’
‘Kan ik…’ bibberde Bart.
‘Nee,’ zei Charlotte. ‘Je kan maar één ding en dat is oprotten voordat ik je er hier hoogst persoonlijk uit laat gooien.’
‘Oké oké, ik ga al.’ Hij ging.

‘Wat een avonturen toch weer,’ zei ik. ‘Of nee, die zin hoort in een andere serie.’
Charlotte reageerde niet. ‘Gaat het wel?’ vroeg ik.
‘Gudrun houdt niet van scharen,’ zei ze, in het niets voor zich uit starend.
‘Dat is jammer,’ zei ik. ‘Zeker als jij er wél van houdt en het graag met haar zou doen. Maar liefde overwint alles. Jullie vinden wel een andere manier om het lichamelijke verlangen te bevredigen die jullie allebei behaagt.’
‘Mooie woorden, Bas.’
‘Ja, ik zou ze moeten opschr…’
‘Ik weet het,’ onderbrak ze me. ‘Het is hoog tijd, hè?’
‘Heel hoog.’

–
Apeldoorn, juli 2026

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

27-08-2026

Swoesj – Lotgenoten (0083)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2026 — bazbo @ 01:00

Lotgenoten,

‘Swoesj,’ klinkt het zacht op het asfalt. Ik draai me om en zie iemand de heuvel af komen rijden. Ze is lang, ze houdt haar lange benen stil. Beetje freewheelend. Ze fietst echt. Het is een gewone fiets, geen elektrische, dat zie je zo. haar lange gekrulde donkerblonde haren dansen in de wind achter haar hoofd. De zon is scherp in mijn ogen.
Ik kijk weer terug, de weg naar beneden volgend. In de verte nog geen spoor van de bus waarop ik wacht. Hij is laat en het is niet erg.

Het ‘Swoesj’ is nu luider en als ik mijn hoofd naar haar draai zie ik dat ze vlakbij is gekomen.
Ze is een jaar of veertien of vijftien, maar zestien of zeventien kan ook. Ik kan dat niet zo goed zien en ik ben ook niet zo goed in het inschatten van leeftijd. Ze heeft een lichte spijkerbroek aan met onder de knieën wijd uitlopende pijpen, een luchtig shirt dat wappert door de wind en de snelheid waarmee ze komt aangecrosst. Achter haar bril heeft ze haar blik op de weg gericht. Dat moet ook wel, ze rijdt best hard. Straks ligt er een obstakel op het wegdek en je moet er niet aan denken dat zo veel prille schoonheid door een val op het asfalt…

En als ze me passeert, dan hoor ik het. Ze zingt! Ik kan niet thuisbrengen wat het is dat ze zingt, maar haar heldere stem brengt een vlotte melodie voort. Ze draait haar hoofd naar mij en ziet een man van begin zestig met lang grijs haar staan grijnzen bij de bushalte. Ze ziet dat ik naar haar kijk. Haar lippen wijken, haar tanden zijn wit, ze lacht me toe en blijft zingen, boven de ‘Swoesj’ uit. Dan kijkt ze weer voor zich uit en is ze voorbij.

Ik kijk haar na, de ‘Swoesj’ is niet meer te horen, ze rijdt door zonder te trappen, zij, hier, nu, zingend met heldere stem en opgewekte melodie, haar haren zwierend achter haar aan, dan wordt haar stem zachter en hoor ik haar niet meer en voor ik het weet is ze nog verder weg en hoewel ze nog niet echt héél ver weg is, kan ik haar nauwelijks nog zien want mijn blik wordt troebel door de tranen die er in mijn ogen zijn komen staan.

Wat een avonturen weer.

–
Apeldoorn, augustus 2026

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

13-08-2026

Fles – Lotgenoten (0082)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2026 — bazbo @ 01:00

Lotgenoten,

Beweging. Vanuit mijn ooghoek. Ik kijk. Mijn blik glijdt vanaf het balkon naar beneden, naar de straat en dan naar het fietspad en het voetpad onder mij. Daar. Er staat een jongeman uitziend iemand voor de deur van ons appartementencomplex. Die deur is twee verdiepingen lager en een woning of vier verderop. Ik kan de deur niet zien, maar hem wel. Hij draagt donkere kleding en een baseballpet en hij houdt iets tegen zijn oor gedrukt. Een telefoon, een zilverkleurige telefoon. Terwijl hij een paar passen naar achteren heeft gedaan en kennelijk belt, kijkt hij omhoog, speurt de gevel af of hij iets of iemand ziet. Heeft hij een afspraak met iemand? Heeft hij aangebeld en doet de bewoner bij wie hij heeft aangebeld niet open? Zou goed kunnen. Terwijl hij blijft telefoneren, heeft hij in zijn andere hand iets vast waarmee hij zwaait. Een langwerpig iets, lichtgekleurd. Een lege fles? Ik kan het niet goed zien, want het is nog wat donker buiten. Bovendien heeft de jongeman een heel donkere huid. Het is half zes.

Vandaag is het vrijdag en vrijdag is mijn thuiswerkdag. Ik had de wekker op de gebruikelijke tijd gezet en dus ging die af om vijf uur. Mijn hardloopkleding heb ik aangetrokken en een klein ontbijt heb ik al op. Nu alleen nog de sportschoenen aan. Die staan hier naast me op de balkonvloer. Ik buig voorover. Het is heerlijk buiten, een fris windje waait de hitte van de afgelopen dagen weg.
Dat de aanbeller niet zomaar het gebouw binnen kan, heeft iets te maken met veiligheid. Er zijn in het verleden nogal wat ongenode bezoekers in het appartementencomplex aangetroffen. Kinderen die ruw met de lift speelden waardoor die defect raakte, jongeren die kwamen hangen en vernielen op het dak, dak- en thuislozen die sliepen in de centrale entree, dat werk. Er zijn nu twee voordeuren. Vanaf de straat kom je eerst in een halletje. Daar bevinden zich de brievenbussen. Daarna is er een tweede voordeur, die je van buitenaf alleen met een sleutel of tag kunt openen. Het is de toegang tot de grote entree waar de lift en de trappen zijn. Overdag kan de postbode vanaf de straat met een beetje kracht de eerste voordeur openduwen om vervolgens post in de brievenbussen te doen. Die buitendeur gaat van half acht ’s avonds tot zes uur ’s morgens op het nachtslot en dan kun je alleen maar in het halletje komen als je een sleutel of tag hebt.

Ik heb mijn hardloopschoenen aangetrokken en wil naar buiten, klaar voor mijn ronde. Hoe zal ik eens lopen vanmorgen? Een eindje langs de Grift die door het centrum van ons zo majestueuze Apeldoorn stroomt en dan langs het kanaal weer terug? Dat zal het zijn. Ik sta op.
Buiten op straat staat de donkere jongeman nog altijd omhoog te kijken, te wachten tot iemand de deur open doet. Als ik straks beneden kom, dan moet ik natuurlijk de deur van binnenuit open doen. Wat als hij dan naar binnen wil? We hebben in de Vereniging van Eigenaren afgesproken dat we niemand van buitenaf laten ‘meeliften’ als we de deur openen. Iedereen moet aanbellen en de bewoner moet dan vanaf boven de buitendeur voor de bezoeker openen. Ik zal hem moeten zeggen dat ik hem niet binnen zal laten. Hij ziet er groot en sterk uit. Straks heeft hij kwaad in de zin. Wie weet wat hij mij aandoet. Ik haal diep adem, pak mijn huissleutel en ga de deur uit.

Als ik de laatste trap af kom, gaat in de entree automatisch het licht aan. Ik kijk door het glas van de twee voordeuren heen en zie dat de jongeman op de bank in het bushokje aan de overkant van de straat is gaan zitten. Nu het licht in de hal aan is gegaan, staat hij op en begint hij de straat over te steken.
Ik druk op de ellenboogschakelaar en doe daarmee de twee voordeuren open. De donkere jongeman komt naar de voordeur toegesneld, zwaaiend met wat hij bij zich heeft. Hij grijnst. Zijn tanden zijn wit en zijn ogen glimmen. Ik zie dat hij mij ontwijkt, hij wil langs mij heen glippen en naar binnen. Ik stop om hem tegen te gaan houden en houd mijn hart alvast vast, maar dan zie ik wat hij in zijn hand heeft. Een krant. Daarna valt mijn oog op de fiets met de grote rode fietstassen die naast de voordeur tegen de gevel staat.
‘Hoi,’ zeg ik lachend. ‘Je bent vroeg, te vroeg. De deur gaat om zes uur van het nachtslot. Dan kun je bij de brievenbussen. Maar je hebt mazzel. Nu kun je er ook al bij.’
‘Dank u,’ zegt hij, terwijl hij mij passeert en naar de brievenbussen loopt.

Wat een avonturen weer.
En wat een vooroordelen toch ook.

–
Apeldoorn, juli 2026

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

30-07-2026

Hoog tijd voor een kroegverhaal (40)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2026 — bazbo @ 01:00

Het was weer een drukte van belang in café De Boerstoel. Vandaar dat ik er niet naar binnen ging. Even verderop was café Tafelscheiding en daar zat bijna niemand, dus opende ik de deur.
‘Mag de muziek zachter?’ schreeuwde ik naar de pief achter de toog.
‘Wat zeg je?’ brulde hij terug.
Ik deed de deur weer dicht en liep nog een paar panden verder. Maar goed dat we hier redelijk veel horeca hebben, al vraag ik me iedere keer weer af wat of ik er zoek. Dit is wel wat kort voor een verhaal, dus verzin ik er nog wat bij. Op de hoek van het plein bevond zich café Doorn in het Oog, maar dat stond niet zo goed bekend. Ik weet ook niet waarom. Toch meed ik het als de pest. Als je bij de hoek van het plein rechtsaf gaat, zie je links gelijk café De Boezemkamer. Daar was ik nog nooit geweest. Eens proberen.

Er waren niet veel mensen en de muziek stond niet al te luid, toen ik binnen kwam. Dat zou nog kunnen veranderen, maar ik waagde de gok en deed deur achter me dicht. Bij het raam was een aardige tafel leeg en daar nam ik plaats. Voor ik het wist stond er iemand naast me.
‘Mag ik hier plaatsnemen?’ vroeg ik.
‘Maar natuurlijk,’ zei de wat oudere dame. Hoewel, zo oud was ze waarschijnlijk niet eens. Misschien een jaar of wat gevorderder dan ikzelf.
‘Of dat ik hier plaats mag nemen,’ zei ik. ‘En sorry dat ik dat al had gedaan.’
‘Wat bedoelt u?’ Het mens keek me niet-begrijpend aan.
‘Of ik iets wil bestellen?’ vroeg ik. ‘Moet dat per se? Het is wel gebruikelijk in een café, hè?’
De verwarring bij de dame werd zichtbaar groter. ‘Wat mag het zijn?’ leek een vraag waarmee ze zich poogde te redden.
‘Water alstublieft,’ zei ik. ‘Maar doet u niet te veel moeite, hoor.’
‘Ik begrijp u niet?’
‘Dat u niet helemaal naar achteren gaat of naar het magazijn.’
‘Waar hebt u het over?’
‘Over water,’ zei ik. ‘Weet u wat? Doet u maar water uit de kraan, dat is wel zo gemakkelijk.’
‘Ik denk niet dat ik het kan volgen.’
‘Dat geeft niet. Kan de beste gebeuren. Heb ik ook wel eens. Niet vaak, overigens. Water, uit de kraan, soms ook wel eens leutig ‘gemeentepils’ genoemd. Wist u dat in sommige steden het water zó smerig smaakt, dat ze het beter ‘gemeentepis’ hadden kunnen noemen?’
De vrouw keek me stomverbaasd aan.
‘Dat wist u niet. Ik zie het aan uw gezicht. Ook dat geeft niets. Kan de beste gebeuren. Heb ik ook wel eens. Niet vaak, overigens. Zeker niet als het over zoiets essentieels als water gaat. Of gemeentepils of gemeentepis. Al moet ik eraan toevoegen dat ik nog nooit pis heb gedronken, dus ik kan wat dat betreft geen verslag van een vergelijkend warenonderzoek geven. Haha, ik wilde bijna zeggen: vergelijkend wateronderzoek, maar op een dergelijke flauwe woordspeling zult u mij niet snel betrappen. Ondertussen begin ik wel een beetje dorst te krijgen, mevrouw.’
Ze zuchtte, draaide zich om, liep naar de toog en sprak daar een jongedame aan. Ze moest vast even aan de jeugd vragen waar de kraan zich bevond.

’s Kijken, wat ging ik hier zoal doen in dit café? Ik geloof niet dat ik een afspraak had met iemand, dus hoefde ik niet te wachten tot degene met wie ik die afspraak had hier zou zijn. Aanvankelijk had ik ook geen dorst, dus dat was de reden ook niet om dit café te betreden. Ook gevoelde ik nog niet de behoefte om van sanitaire voorzieningen gebruik te gaan maken. ‘Leuk mensen kijken’ misschien? Wat kon mij die andere mensen schelen. Hebben die ooit anders dan verbaasd, boos of geërgerd naar mij gekeken, dat ik nu opeens geïnteresseerd naar hen moest koekeloeren? Zo mooi waren de meeste mensen nou ook weer niet. Evenmin had ik zin, trek of goesting gehad om naar de kroeg te gaan, dus wat ik hier deed, was me een raadsel.

‘Uw water, meneer,’ zei iemand.
Ik keek op. Het was de jongedame die daarnet nog bij de toog stond. Ze was lang, slank, had een zongebruinde huid, donkere ogen en halflange, bijna zwarte krullen. Kortom: een leuke jongedame.
‘Dag jongedame,’ zei ik. ‘Wat fijn dat je het komt brengen. Dat scheelt mij heen en weer lopen.’
‘Graag gedaan,’ glimlachte ze.
‘Is het uit de kraan?’ vroeg ik.
‘Ik heb het zelf getapt.’
‘Knap, hoor.’
‘Dank u wel.’
‘Heb je een dienst van die wat oudere dame overgenomen?’ vroeg ik.
‘Nee,’ zei ze. ‘Ze wist niet goed wat ze met u aan moest.’
‘Met mij aan moest? Maar het was helemaal niet aan tussen ons. Ik bedoel: ik vroeg haar om water, maar ze zei steeds dat ze mij niet begreep. Onder ons gezegd: ik ben bang dat de zogenaamde mentie haar te pakken krijgt of dat ze al de ziekte van Zheimer heeft. Maar dat is een aanname van mijn kant, hoor.’
‘Ze weet niet wie u bent,’ zei ze. ‘Ik bedoel: ze herkende u niet.’
‘Herkennen? Mij?’ Ik keek angstig om mij heen. ‘Heb ik iets misdaan, dan? Staat er een prijs op mijn hoofd?’
‘Nee,’ zei ze geruststellend.
‘Geen hoofdprijs?’
Ze lachte.
‘Mag ik wat zeggen?’
‘Maar natuurlijk. Ga uw gang.’
‘Ik mag wat zeggen?’
‘Dat zeg ik toch?’
‘Fijn, hoor. Ik wist niet dat u boos werd.’
‘Ik ben niet boos!’
‘Nou, zeg. Weten we dat ook weer. Ik dank u voor de medewerking.’
‘Maar u wilde iets zeggen,’ zei ze. ‘Is dat nog steeds het geval?’
‘Jazeker.’
‘Ik ben benieuwd en een en al oor.’
‘Hartelijk dank voor uw aandacht.’
‘Was dat wat u wilde zeggen?’
‘Nee.’
‘Dan gaat u me nu zeggen wat u wilde zeggen.’
‘O.’
‘Ja.’
‘Nou. Wat wou ik nou ook weer zeggen? Ik weet het even niet meer. Dat geheugen van mij toch. Ik ben ook de jongste niet meer, hè. Of wacht: ik weet het weer. Ik vind je een leuke en mooie jongedame.’

‘Dat is lief van u, dat u dat zegt.’
‘Ik mocht wat zeggen. Daar heb je me zelf toestemming voor gegeven. Excuus als ik het beter niet had kunnen doen.’
‘Nee nee, ik vind het fijn dat u het hebt gezegd. Ik waardeer uw woorden.’
‘Dat is het mooiste wat je tegen een schrijver kunt zeggen.’
‘Ik weet het,’ zei ze.
‘Ik ook. Wat ik alleen nog niet weet is hoe je heet.’
‘Ik heet Loes.’
‘Nu weet ik het wel. De wereld om ons heen verandert zo snel, hè.’
‘En hoe ú heet, dat weet ik.’
‘Hoe weet je dat nou weer? De jeugd van tegenwoordig weet zo veel. Meer dan we denken.’
‘Ik weet uw naam, ik ken uw verhalen, weet waar ik ze kan vinden en lezen en straks weet ik hoe laat of het is.’
‘Het zal weer eens niet,’ zei ik. ‘Je weet veel, wist je dat?’
‘Mag ik nu eens iets zeggen?’
‘O pardon, praat ik te veel?’
‘U praat me niet genoeg,’ zei ze lachend. ‘Ik hoor u graag.’
‘Nou dan, zit er niet doorheen.’
‘Och, sorry.’
‘Nee, je wou iets zeggen en dat mag, hoor. Maar mijn toestemming heb je heel niet nodig. Volgens mij ben je oud en wijs genoeg om daar zelf over te beslissen.’
‘Dank u.’
‘Zeg maar je, hoor,’ zei ik. ‘Wil je misschien iets drinken? Er is nog plek aan deze tafel.’
‘Nee, dank u.’
‘Wat zei ik nou net? Laten we ophouden met elkaar te vousvoyeren. Althans jij. Dan blijf ik gewoon u zeggen, als het u niet uitmaakt.’
‘Hahaha, nee dank je.’ Ze bleef lachen. ‘Ik heb dienst. Maar het lijkt me leuk om een keer iets samen te drinken, ook al is het water.’
‘Wat is er mis met water?’ schrok ik. ‘Is het over de datum? Of vind je water sowieso minderwaardig? Je weet dat je zelf voor het merendeel uit water bestaat, hè?’
Ze legde haar hand op die van mij. ‘Er is helemaal niets mis met water,’ zei ze, terwijl ze me aankeek.
‘Gelukkig. Fijn. Dat dacht ik toch ook niet,’ zei ik.
‘Ik wil graag iets met je drinken en dan samen verder praten en vooral veel lachen.’
‘Dat lijkt me leuk,’ zei ik. ‘Ik kijk ernaar uit. Maar vertel: wat wil je me nou zeggen? Want eh…’
‘Precies,’ zei ze glimlachend. ‘Ik weet het.’
‘Je weet zo veel, Loes. Leuke Loes. Wat weet je deze keer?’
‘Bas,’ zei ze, ‘het is hoog tijd.’

–
Apeldoorn, juli 2026

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

16-07-2026

Moeite – Lotgenoten (0081)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2026 — bazbo @ 01:00

Lotgenoten,

Ik ga de moeite niet eens doen. Ik heb nu wel wat anders aan mijn hoofd. De donkere lucht lijkt eindeloos, eerder nóg donkerder te worden. De regen kletst in mijn gezicht en op mijn kleren. Mijn blote voeten worden nat. Het waait, het stormt bijna. Mijn lange haren wapperen in doorweekte strengen rondom mijn hoofd en plakken voor mijn ogen. Ik hoor niets. Niets anders dan het geronk van de motor, het gegier van de wind en het geruis van het water. Het is koud, de doorbloeding van mijn vingers stokt. Ik kan maar nauwelijks foto’s maken.
Maar dat deert me allemaal niet. Ik zit ademloos om me heen te kijken.

Drie dagen geleden zat ik ook al op het water. Ook toen woei de wind en was het kil. Maar de zon scheen veelal, de lucht was blauw, de weinige wolken indrukwekkend en het zicht reikte ver. Het blauwe bootje was heel klein, zes passagiers en twee bemanningsleden. We voeren langs Kerrera, Maiden en Heather Island, zagen in de verte de grotere eilanden Mull, Lismore en Iona. In de verte ontwaarden we Duart Castle en Lady’s Rock Lighthouse. Dichterbij het stadje Oban met de schilderachtige baai en de boven op de steile heuvel torenende McCaig’s Tower, iets verderop Dunollie Castle en The Dog Stone. Adembenemende landschappen met rotsen en groen en schapen. Een zeehondenkolonie, albatrossen en bruinvissen. Het weer was net te onstuimig voor een ontmoeting met dolfijnen. De vier Amerikaanse medepassagiers zeiden weinig, maar de bemanningslieden beantwoordden alle vragen en vertelden zo veel dat we er stil van werden en nauwelijks nog dingen méér hoefden te weten. Wat een tocht.

Nu is het stil hierboven aan dek. Het enige wat ik hoor is het regelmatige maar zachte gestamp van de motor van het schip, daarboven klinkt het ruisen van het water en het geloei van de stormachtige wind. Het meer is diep, heel diep. Op veel plekken meer dan tweehonderd meter, weet ik. De bui wordt heviger en ik heb mijn regenjas aan. Om mij heen een soort zwart-witfoto. De donkere heuvels die in het zwarte water lijken te zakken, in de verte datzelfde meer dat tussen heuvels meandert en verdwijnt en daarboven de grijze lucht. De regen maakt het zicht wazig en mistig en mystiek. De natuur op zijn puurst. Water spettert in mijn gezicht. Nessie is nergens te zien, maar gezien de onrustige baren en de onheilspellende atmosfeer op het duistere water, lijkt ze dichtbij. En ik denk.

Dit is het waar het om gaat. Ik. Hier. Nu. Op het lange, diepe water. Al het andere is niet belangrijk en betekent niets. Het is niet belangrijk of ik veel geld heb, dat ik de baas kan spelen of dat mijn telefoon wel of geen bereik heeft. Het doet er niet toe. Het is ook niet belangrijk of ik woorden vind voor de Schotse brokken in mijn brein. Of dat ik dit overleef. Ik ben slechts een kleine schakel in het grootse van deze woeste wereld om mij heen. Hier. Nu. Op het lange, diepe water. Nietig, niets. Dit is waar het om gaat. Ik geef me er volledig aan over. En het is fantastisch en ik ben volmaakt gelukkig. Hier. Nu. Op het lange, diepe water.
Eén met de elementen of zoiets. Niet uit te leggen. Ik ga de moeite niet eens doen.

Wat een avonturen toch weer.

–
Apeldoorn, juni 2026

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

02-07-2026

Gestrand – Lotgenoten (0080)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2026 — bazbo @ 01:00

Lotgenoten,

De trein stopt. Dat is niet vreemd. We zijn bij een station. Er klinkt een omroepbericht in het Duits. Ik versta het niet, want iedereen in de coupé zit er geanimeerd doorheen te praten. De stem door de intercom herhaalt het bericht, nu luid en duidelijk voor iedereen hoorbaar. We moeten de trein verlaten. Sinds gisteren zijn er even verderop vandalen aan de gang die obstakels op het spoor hebben gelegd. De politie is nu onderzoek aan het doen en tot die tijd kan er geen trein over het traject rijden.
We verlaten de trein en begeven ons naar het stationsplein. We zijn niet de enigen die zijn gestrand in Gronau.

Het is verrekte druk voor een zondagmiddag in het Duitse industriestadje. Uit de opmerkingen van de vele reizigers maak ik op dat deze situatie al even speelt. ‘Ik sta hier al vier uur!’ roept iemand geërgerd uit. Aan de overkant van het plein zijn bushaltes. De Vrouw en ik lopen ernaar toe en bestuderen de dienstregelingen. We kunnen naar Reine en daar een trein naar Hengelo pakken of een rechtstreekse bus naar Enschede, maar onduidelijk is wanneer en of hij rijdt op zondag.
‘Weet u of ik hier een taxi kan bellen?’ vraagt iemand anders.
Ik kijk hem aan. Het is een man van eind zestig met een baseballcap op zijn hoofd en een rolkoffer aan de hand.
‘Geen idee,’ zeg ik. ‘Er komen hier wel bussen, maar die rijden maar eens in het uur.’
‘Ik probeer een Uber te vinden,’ bemoeit een jongeman zich ermee. ‘Ik heb de aanvraag lopen. Zullen we een taxi delen? Geschatte kosten om van hier naar Enschede te komen zijn zo’n achtentwintig euro.’
‘Puik plan,’ zeg ik. ‘Hier heb je vast veertien euro.’ De jongeman ziet eruit of hij studeert en het geld goed kan gebruiken bij een of andere studentenverenigingsborrel.
‘Ik kom net terug uit Afrika,’ vertelt de oudere heer, terwijl ook hij geld aan de jongeman geeft. ‘Als ik dit allemaal eerder had geweten, dan had ik gisteren iets anders geregeld.’
Goh.

‘Ik moet mijn telefoon opladen,’ zegt de jongeman. ‘De app is nog altijd bezig een connectie te maken met Uber.’ In de kleine kiosk van het station is een zitje met stopcontacten en daar gaat hij naartoe.
De oudere man gaat verder met zijn verhaal. Gisteren is zijn vliegtuig geland in Frankfurt en heeft hij overnacht in Münster. ‘Als ik in Frankfurt een ticket voor de hele reis naar Nederland had gekocht, dan hadden ze me daar vast al verteld dat de trein tussen Münster en Enschede vandaag niet verder rijdt dan Gronau. Dan had ik een ander plan gemaakt,’ gromt hij.
Ik betwijfel dat. Wij hadden aanvankelijk gepland om vandaag twee uur eerder vanaf Münster te reizen en zo staat het ook op onze ticket, maar we besloten vanmorgen om eerder te vertrekken en dus hadden we bij een infobalie gevraagd of dat kan en mag. Het mocht. We zeggen de man niets. Maar wat moest hij in Afrika?
Hij was bij zijn vriendin in Kenia op bezoek geweest, om er drie weken lang te onderzoeken of er een prettige plek in het land was om samen te gaan wonen. ‘Ze woont in Mombasa, maar het klimaat is me te gek, daar. Veel te warm. In de laagvlakte gaat het dan nog wel, maar de steden als Nairobi zijn voor een blanke niet aan te raden.’
‘Hoe dat zo?’ vraag ik naar de bekende weg.
‘Het is niet alleen heet, maar je wordt ook overal afgeperst. Ik ken verhalen van mensen die een taxi nemen naar een andere stad of dorp, kilometers verderop. Dan heb je een bepaald bedrag afgesproken en al betaald en halverwege stoppen ze en dan moet je bijbetalen, anders rijden ze niet verder. Heb ik meegemaakt, maar mijn vriendin is niet op haar mond gevallen en die heeft die chauffeur toen even goed de waarheid verteld en na een boel gedoe kwamen we uiteindelijk wel op de plaats van bestemming.’
‘Wat is er zo leuk aan het land dat je er wilt gaan wonen?’ vroeg ik. Behalve die vriendin dan, dacht ik.
‘Het klimaat, maar dan niet in Mombasa dus. En het leeftempo van de mensen. Je moet er geen haast hebben, he? Heerlijk is dat.’

Er is reuring om ons heen. We zien mensen terug naar het station gaan en het perron op lopen. Verdomd, er lijkt een trein te gaan vertrekken.
De jongeman komt naar buiten. ‘Dat wordt niets met die Uber,’ zegt hij.
Gevieren lopen we naar het perron en in de trein vinden we plek met z’n vieren dicht bij elkaar.
‘Hier,’ zegt de jongeman. ‘Jullie geld terug. Dank voor het vertrouwen.’ Leuke knul.
Dan klinkt een stem door de intercom.
De politie blijkt nog steeds gaande met het onderzoek en de trein kan toch niet vertrekken. Dat zal de gehele dag verder zo blijven. Er komen vervangende bussen.
‘Het lijkt Afrika wel,’ zegt de oudere heer als we weer op het stationsplein staan. ‘Daar moet je ook geen haast hebben.’
‘Afrika?’ vraagt de jongeman. Die heeft een verhaal of wat gemist. De man begint dat verhaal opnieuw. We wachten nog wat.
‘Het komt vast goed,’ zeg ik. ‘Het is nog vroeg.’ Ondertussen staan we twee uur hier in Gronau. De zon schijnt en het is heerlijk weer en de mensen om ons heen worden ongeduldig.

Eindelijk komt er een bus. Hij stopt net niet voor onze neus. Iedereen rent naar de voordeur. Ook de achterdeuren gaan open. We doen een stap naar voren, maar zijn niet de enigen. Een hele meute dromt ernaartoe. Er is geen bijkomen aan. We doen dezelfde stap weer terug.
Plots zie ik tussen de vechtende mensen een baseballcap. Het is de oudere heer met de rolkoffer. Hij wringt zich als een malloot door de mensenmenigte naar voren, schreeuwt dat ze hem voor moeten laten gaan en forceert zich de bus in. De deuren kunnen maar net dicht. Het lijkt Afrika wel.
‘Je moet geen haast hebben,’ zeg ik. ‘Heerlijk is dat.’ Wij wachten wel even op de volgende.

Wat een avonturen toch weer.

–
Apeldoorn, mei 2026

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

18-06-2026

Avonturen – Lotgenoten (0079)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2026 — bazbo @ 01:00

Lotgenoten,

Er is wat gaande. Ik bevind mij in goed gezelschap. De boeken-, cd- en platenkast zit nu toch echt vol. Op de hoek van de straat is de bovenetage van een leegstaand pand afgebrand. De korst op mijn knie laat los, de wond is weer open en daardoor zitten er bloedvlekjes in het dekbedovertrek. Doordat bewoners in ons appartementencomplex allerlei schoonmaakdoekjes en maandverband in het toilet hebben gegooid is het riool verstopt geraakt en daarom ligt het trottoir in de straat open. We moeten alweer nadenken over het programma van de volgende voorstelling van Helemaal stuk. De buren zijn weer terug van hun halfjaarlijkse verblijf van een maand in een luxe hotel aan de Spaanse kust. Twee mannen stonden midden op straat tegenover elkaar, soms spraken ze bozig in een onbekende taal en gebaarden ze wild, dan weer omhelsden ze elkaar alsof ze iets goed te maken hadden; ik kwam langs gelopen en zag naast ze op het wegdek een knuppel en een mes liggen. Het bankstel is versleten. Gisterenavond heb ik weer eens die geweldige salade van bloemkool, paprika, tomaat, mango, rozijnen en linzen met knoflooktahindressing uit de oven gemaakt en er is zo veel van overgebleven, dat we er vandaag nog eens van eten. De markt is tijdelijk verplaatst. Allemensen, ik ben alweer eenenzestig. Het frisse lentegroen maakt plaats voor dat zompige zomerdoffe. De laatste albums van Gong, Soft Machine, Pat Metheny en Richard Barbieri vind ik geweldig. Het stel waterhoentjes heeft vijf kuikens in het nest. Voor onze vakantiereis is bijna alles klaar: treinpas en busritten geregeld, accommodaties geboekt en de reispapieren in orde, nu alleen nog koffers pakken. Buslijn 231 – vroeger een interliner – gaat verdwijnen. Mijn oude vader is na een verblijf in het ziekenhuis en een herstelcentrum opgenomen op een gesloten afdeling in een verpleeghuis; er is sprake van beginnende dementie en het wachten is nu op een definitieve plek in een woonlocatie. De overbuurman maakt op het balkon ruzie met zijn half inwonende zoon. Op naar de volgende voorstelling. Na twee dagen zoeken vond ik mijn twee kazoos terug: van eentje was het vloeipapiertje gescheurd, dus die deed het niet meer en ik heb geen flauw idee waar ik vloeipapier vandaan haal. Iemand viert een jubileum. Het huis staat vol met orchideeën. Er rijdt een oudere man op een fatbike over het trottoir. Dat ik dat lange gedicht in tien dagen tijd van binnen en van buiten uit mijn hoofd heb kunnen leren, daarmee heb ik mijzelf opnieuw verbaasd. Open Monumentendag valt op 12 en 13 september. Ik kijk nauwelijks meer op Twitter, maar ik zeg mijn account nog niet op, want er zijn daar nog een paar mensen die ik wil volgen en die niet op Bluesky of Insta zitten. Het kunstwerk in het Amaliapark is beklad. De tochtstrip aan de binnenzijde van onze voordeur zit los, die moet hoognodig vervangen. Aan de achterzijde van het station zitten of liggen tegenwoordig vaak dak- of thuislozen. Een amalgaamvulling in een kies aan de linkerzijde van mijn onderkaak moest vervangen. De pretzelcrackers met kaas zijn uit het assortiment. Die straatveegkarretjes maken een boel lawaai en de bestuurdersstoel is aan de rechterkant. Op het fietspad langs het kanaal stonden drie stellen ganzenouders met in totaal negen kuikens naar me te blazen. Er stond een hoogwerker van de brandweer voor de deur, omringd door vijf politiewagens. Het vervoerbedrijf gaat buslijn 231 opheffen. Veel winkelleegstand, maar daartegenover staat dat de horecatentjes als paddenstoelen uit de grond schieten. Het strooizout is op. De bus reed ’s morgens vroeg door een wijk met oude herenhuizen en ik zag een jongeman op de stoep staan die blootsvoets bezig was zijn tanden te poetsen. Het stel bijzondere vrienden gaat uit elkaar. De wereld staat in brand.

Wat een avonturen toch weer.

–
Apeldoorn, april 2026

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

04-06-2026

Kakken van verliefdheid

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2026 — bazbo @ 01:00

Tijd is relatief. Hoor je wel eens zeggen. Toch kom ik vaak concreet tijd te kort. Ik wil zo veel doen, maar heb aan vierentwintig uur in een etmaal te weinig. Bijkomende ellende: ik heb dan wel vierentwintig uur in een etmaal, maar daarvan lig ik er acht in mijn nest. Niet dat ik dan altijd slaap, want soms lukt dat niet goed. Ik doe wat ontspannings- en ademhalingsoefeningen en daarmee slaap ik dan wel redelijk in, maar vaak komt het voor dat ik ’s nachts weer wakker word. Dan moet ik plassen of heb ik spierpijn in mijn nek, ondanks dat ik onlangs een schitterend goed nieuw kussen heb gekocht.

Van de resterende zestien uur in een dag moet ik op vier dagen in de week acht uur besteden aan werk. En tweeënhalf uur aan reistijd. Vervolgens doe ik op die dagen in de dan nog overgebleven tijd afwas, maak ik een wandeling van zeker een half uur, pak ik De Vrouw beet, volg ik een enkel sociaal medium, beluister ik muziek en lees ik een boek. Zo blijft er weinig over. Op de drie dagen in de week dat ik niet werk besteed ik nogal wat tijd aan mantelzorg van mijn oude vader, aan eten koken, aan huishouden, boodschappen en contact met deze en gene. Tussendoor schrijf ik stukken als dit, ben ik betrokken bij een paar theaterprojecten, leer ik tekst, treed ik op en catalogiseer ik mijn muziekverzameling. Sporadisch vind ik een gaatje in de agenda voor een concert, museum, stedentrip of zomervakantie. Dan is de tijd op.

Tijd te weinig dus. Maar wat zou ik dan allemaal nog zo graag willen doen? Eerst even de dingen die ‘moeten’ en die blijven liggen. Het ‘plafond’ van ons balkon schilderen, bijvoorbeeld. Of de internetkabel in de woonkamer een beetje netjes wegwerken. De voorraadkast doornemen op levensmiddelen die (ver) over de datum zijn. De keuken eens grondig reinigen, vooral bovenop de keukenkastjes. Die tochtstrip onderaan de voordeur vervangen. De wagonlading muziektijdschriften herlezen en dan wegmieteren. Sowieso ruimte maken in de boeken- en platenkast. En wat ik nu nog vergeet aan wat ik allemaal moet doen en wat is blijven liggen, daaraan helpt De Vrouw mij regelmatig herinneren.

En wat ik allemaal nog wíl? Ik heb een jaar geleden weer een piano aangeschaft om mijn abominabele speltechniek te kunnen onderhouden en het is er nog niet van gekomen. Ik wil de rest van mijn cd-collectie verder catalogiseren, de vele dvd’s met films en series eens gaan (her)bekijken. Er liggen nog een paar manuscripten klaar om eindelijk eens iets mee te gaan doen. Ik heb nog veel ideeën en opzetten voor verhalen en boeken en theaterwerk. Eigenlijk zou ik ook een vorm van bewegen willen vinden die beter bij mij past dan dat hardlopen waarmee ik mijn knieën in rap tempo verslijt. Er zijn steden die we willen bekijken. Dordrecht, Delft en Leiden in ons eigen land. Madrid, Porto en (terug naar) Lisboa iets verderop. O en ik wil de trein- en bootreis naar mijn oude goede vriend Arie maken, die enkele jaren geleden emigreerde naar Turkije.

Stel dat ik niet meer hoef te werken, dan zou ik meer tijd hebben voor al deze zaken. Echter, het einde van mijn werkzame leven is nog niet in zicht. Althans, niet op korte termijn. Sowieso ins blaue hinein überhaupt es ist kaus bausen zou ik niet willen stoppen met werk. Het levert niet alleen inkomen op om allerlei leuks te kunnen doen, maar brengt ook structuur aan in het leven en wat dachten we van de sociale contacten en het besef dat ik ertoe doe, van waarde ben en al die hele enigszins zweverige shit erbij? Waarom stopt dat eigenlijk als je met pensioen gaat? Daarna wil ik óók nog van betekenis zijn, net zoals in sommige culturen waar ouderen tot op hoge leeftijd actief zijn en een wezenlijke bijdrage leveren aan de samenleving, dus het liefst stop ik nooit. Tuurlijk, het lichaam takelt af, dus dat ik (nog) minder werk op mijn oude dag, lijkt me begrijpelijk.
Behalve al het positieve dat werk oplevert, is er ook een andere kant: werk kost me ook het een en ander. Bijvoorbeeld: mijn klauwen. Een golfersarm en artritis in de poten is niet fijn, gelooft u mij. Voortdurend turen naar een beeldscherm is ook geen pretje. Stress en werkdruk zorgen niet echt voor rust en stabiliteit in mijn toch al zo kwetsbare psyche. Maar wat het ook kost: vier keer acht uur en tweeënhalf uur reistijd per dag, da’s een heleboel tijd die ik ook had kunnen besteden aan al dat leuks doen, dat dan weer wel. Wat een ingewikkeld gedoe toch eigenlijk allemaal.
De pensioengerechtigde leeftijd bevindt zich op nog zeker zesenhalf jaar afstand. Maar ik blijf geen zesenhalf jaar werken. Zoals het er nu voor staat, blijf ik nog vier jaar werkzaam op de nieuwe werkplek. Dan ben ik veertig jaar in dienst bij de werkgever en kan het financieel uit om ermee te kappen. Nu nog hopen dat in die vier jaar de wereld niet naar de tyfus gaat en alle moeite voor niets is geweest. Want tijd is niet het enige dat relatief is.
Hoe dan ook, dit alles heeft niets van doen met dat iemand zou moeten kakken van verliefdheid.

–
Apeldoorn, mei 2026

Hier lees je’m op FOK!.

• • •
 
Volgende pagina »