Vakantie 2024 – dag 9: woensdag 4 september – Barcelona – Gaudi-dag












































































































































































































































































































































































































































































































































–
Vrijdag 20 september:
Redelijk geslapen. Op tijd naar de werkplek, want klusje aldaar. Rond half twee is het gedaan en ga ik weer terug. Kwart over drie thuis. Op de fiets naar Peter-Jan om met hem onder aansporing van Aad onze mimografie nogmaals in te studeren. Kwart voor zes thuis. Even ontspannen en dan door naar Heidi en Auke. Die trakteren ons op eten en een mooie avond. We praten uitgebreid bij. Kwart over elf zijn we thuis. Niet veel later ga ik slapen.
Muziek vandaag: geen



–
Donderdag 19 september: pas vierendertig jaar gehuwd
Van harte gefeliciteerd, Tim en Chantal! Ik ben weer op tijd op de werkplek en verricht daar werkzaamheden. Tussen de middag wandel ik door bos en veld en zon. In de middag verricht ik werkzaamheden. Half zes thuis. Een kwartier later wandelen we naar een Indiaas restaurant in het centrum. Zelf vieren we vandaag ook een huwelijk en dat doen we met samosa, curry’s, knoflookkip, peshwarinaan en thee. Zeer goed. Tegen half tien zijn we thuis. Even wat lezen en om tien uur ga ik weer slapen.
Muziek vandaag: geen








–
Woensdag 18 september:
Kwart voor zes. Ik loop een ronde hard en die gaat niet eens onaardig. Krant van gisteren. Begin van de ochtend wandel ik naar de super. Koffie. Dan naar Gigant voor de repetitie van Wirwar. De groep gaat fiks aan de slag voor een uitvoering van Ik pas! half november in het Hoftheater in Raalte. Veel zit er nog in; voor de zekerheid oefenen we met ‘stand ins’ mocht iemand afvallen. Mooi om iedereen weer te zien en de groep is nog altijd zeer gemotiveerd. Twaalf uur thuis. Koffie met De Vrouw. Dan lunch. Afwasje en huishoudelijks. Ik wandel een klein rondje. Even ontspannen. Eind van de middag maak ik avondeten: een ferme chili met courgette en ernaast een salade van bosui, koolrabi, komkommer en zilverui. Voor De Vrouw bak ik tartaar. We eten er goed van. Afwasje. Krant. Webstek. Foto’s. Lezen.
Muziek vandaag: All This And Heaven Too (Andrew Gold), 1492 – Conquest Of Paradise (Vangelis), A Flare On The Lens – Live In London (Big Big Train)





–
Dinsdag 17 september:
Het is weer donker als ik de deur uitga. Op de werkplek is weer van alles om te doen. Tussen de middag wandel ik door bos. Ook in de middag van alles te doen en in betrekkelijke rust ook. Kwart over vijf thuis. De Vrouw serveert het restant van de daal van gisteren met een salade ernaast. Opnieuw zeer smakelijk. Afwasje. Dan fiets ik naar Peter-Jan en vervolgens gaat het naar Klein Noordijk voor de full dress rehearsal. Hans bedient licht en geluid en Aad is er voor de laatste regieaanwijzingen. Qua spel is alles dik in orde; aan de overgangen van de scènes moeten we de komende laatste repetities nog schaven. Pas om elf uur thuis. Even bijpraten en dan slapen.
Muziek vandaag: geen










–
Maandag 16 september:
De wekker gaat weer even na vijf uur. Geen probleem. Op tijd op de werkplek. Daar valt de hoeveelheid die ik bij mag werken erg mee. Tussen de middag wandel ik door bos. In de middag werk ik in alle rust het laatste bij en dan is het klaar. Op de terugweg koop ik in een plaatselijke platenwinkel mijn bestelling. Kwart over vijf thuis. De Vrouw serveert een goede daal met ernaast een frisse salade. Zeer smakelijk. Natafelen. Afwasje en afval. Webstek. Foto’s. Lezen.
Muziek vandaag: het eerste plaatje uit de doos Apostrophe (‘) – 50th Anniversary Edition (Frank Zappa), Aeolus (Theo Travis)
–
Zondag 15 september:
Kwart voor zes. Mijn ronde hardlopen gaat langs kanaal en lukt redelijk. Thuis nog terug in bed. Om negen uur staan we op. Koffie. Allerlei. Meer koffie met De Vrouw op de galerij in de zon. De Zoon is er om half een voor lunch. Afwasje en stofzuigen. Ik wandel een rondje langs het kanaal. Foto’s. Eind van de middag maak ik avondeten: zapallitorisotto met kastanjechampignon. Het restant salade van gisteren vul ik aan met komkommer en kerstomaat. Voor De Vrouw bak ik runderschnitzel. We eten alles op. Afwasje. Krant. Webstek. Lezen.
Muziek vandaag: Chariots Of Fire (Vangelis), What’s Wrong With This Picture? (Andrew Gold), Storia, Storia (Mayra Andrade), Soil Festivities (Vangelis)






–
Zaterdag 14 september:
Half zeven. Koffie en allerlei. Begin van de ochtend loop ik de gebruikelijke zaterdagmorgenronde langs slager en super. Koffie met De Vrouw. Dan opnieuw het centrum in naar een andere super, de markt en de Syrische winkel. Meer koffie met De Vrouw. Tussendoor foto’s. Lunch. Afwasje en huishoudelijks. We wandelen naar een winkelstraat, alwaar een soort van eindzomermarkt is. Er is niet veel. Aan. Na een uurtje zijn we weer terug. Verder met foto’s. Eind van de middag maak ik avondeten. Ik leg aardappel in de oven. De restanten van gisteren en eergisteren gaan ook in de oven. Voorts maak ik een fikse salade van bosui, koolrabi, komkommer, kerstomaat en artisjok. Voor De Vrouw bak ik steak bavette. Op de salade na eten we alles op. Afwasje. Foto’s. Webstek. Lezen.
Muziek vandaag: Sála (Kati Rán), Earth (Vangelis), Heaven And Hell (Vangelis), Tinsel Town Rebellion (Frank Zappa), de twee audiodvd’s die mee kwamen met Bursting Out! – The Inflatable Edition (Jethro Tull)



‘Laten we even uitrusten, Beitel. Het is ook zo warm.’ Ze waren wat verder het park in gelopen dan anders. ‘Hier is schaduw en kijk, daar is een bank.’ Meneer Vuistsnede trok aan de riem en de kleine mopshond volgde gehoorzaam. ‘Zo. Hèhè.’ Beitel ging bijna onder de bank liggen. Het diertje hijgde en liet zijn tong uit de bek hangen. ‘Braaf.’ Hij boog voorover en klopte het hondje zachtjes op de kop.
Er klonk geluid, anders dan de warme bries die tussen de bomen. Lichte voetstappen waren het. Meneer Vuistsnede keek op. Het was een jonge vrouw die op het pad kwam aanlopen. ‘Goedemiddag,’ zei ze en wees op de bank. ‘Vindt u het goed als ik hier plaatsneem?’
Meneer Vuistsnede knikte en ze kwam rechts naast hem zitten op de bank. ‘Dank u.’
Meneer Vuistsnede keek een andere kant op. Hij vond het niet netjes om de jongedame uitgebreid te bekijken.
De bank stond langs het wandelpad, ietwat onder een paar bomen. De schaduw viel precies op de plek waar ze nu zaten. Aan de overzijde van het pad was een strook gras, dat wat verschroeid was door de felle zon van de afgelopen dagen. Daarachter groeiden hoge struiken; het volle gebladerte ontnamen het zicht. De meeste struiken waren inmiddels uitgebloeid en de bladeren werden doffer groen en langzaam geel. Het eind van de zomer kwam in zicht. Toch was het nog heel warm. Al dagen.
Plots gebeurde er iets. Lawaai, geruis, alsof er een enorm grote stofzuiger naast hem stond. Maar dan anders. Hij schrok. Het geluid leek van boven te komen, maar toen meneer Vuistsnede keek, zag hij niets. Althans, niet boven in de lucht. Zou het ergens achter de bomen…? Hij boog zich naar links om langs een grote struik te kunnen kijken, maar hoe hij zich ook uitstrekte: hij zag niets. Het gierende geluid hield aan, maar na korte tijd zwakte het af tot een zacht, maar doordringend gezoem. Toen klonken er metalen klappen. Ging er ergens een poort open? Wacht, daar! Daar achter dat bosje. Een rood knipperlicht. Of nee, nu was het weer weg. Hoorde hij nu voetstappen? Het was een metalig soort getrippel, dat dichterbij kwam. Hij voelde zich onprettig, angstig, kil. En daar was het. Druk, druk op de keel, die hem de adem benam. Tegelijkertijd klonk er nieuw geluid, gesis, dat zich ontwikkelde tot een gegier en snijdende pieptoon die hem dwars door het hoofd sneed. Oorverdovend. Misselijkmakend. Verstikkend. Er kwam een soort mist voor zijn ogen, die dikker en dikker werd en donkerder en donkerder. Hij wilde vechten, maar dat lukte niet. Toen werd alles zwart.
‘Meneer?’
Meneer Vuistsnede schrok op.
‘Meneer? Gaat het met u?’
Hij draaide zijn hoofd en keek in de donkerbruine ogen van de jonge vrouw.
Ze had zich naar hem toe gedraaid en haar hand bezorgd op zijn onderarm gelegd. ‘Meneer, gaat alles goed met u?’
‘Eh ja,’ stamelde hij. ‘Ik denk het.’
‘Het leek of u onwel werd. U trok heel bleek weg, haalde geen adem meer en zat te trillen.’
‘Hoorde jij dat ook?’ vroeg hij.
‘Wat?’ vroeg ze. ‘Wat hoorde ik?’
‘Dat geluid.’ Hij keek haar aan.
Ze schudde haar hoofd niet-begrijpend. ‘Ik weet niet wat u bedoelt.’
‘Dat geronk, gezoem, de klap alsof er een ijzeren deur dicht slaat. Oorverdovend en gekmakend gegier. Zag je die verblindende en verstikkende mist? De duisternis?’
‘Nee, dat heb ik niet gehoord en gezien. Weet u het zeker?’
‘Ik zou toch…’
‘Gaat het goed met u?’
‘Jaja, het gaat. Ik ben misschien wat in de war.’
‘U was ook zo in gedachten. Misschien hebt u het gedroomd?’
‘Nee, dat lijkt me…’
‘Misschien is het de warmte. Ik blijf even bij u, mag dat?’
‘Och ja, hoor. Je zat hier toch al?’
‘Dat is waar.’ Een tijdje bleef ze stil naar hem zitten kijken.
‘Mag ik je wat vragen?’ zei meneer Vuistsnede. ‘Zo’n doek die jij draagt, hoe heet dat ook weer? Volgens mij is het geen boerkini, toch? Of wel?’
Ze lachte. ‘Nee, dat is het zeker niet. U bedoelt waarschijnlijk een boerka. Dat is een doek waarmee je het hele gezicht bedekt en alleen de ogen zichtbaar zijn. Een boerkini is een zwempak dat het hele lichaam bedekt, behalve handen, voeten en gezicht. Ik draag een hijab.’
‘Ach ja,’ verontschuldigde meneer Vuistsnede zich. ‘Dat was het. Ik vergeet het steeds.’
‘Het geeft niet, hoor.’ Er glom iets in haar donkere ogen. ‘U vraagt het netjes en respectvol. Dat maak ik wel eens anders mee.’ Voordat meneer Vuistsnede daarop in kon gaan, zei ze: ‘Als er nog iets is wat u wilt weten, vraagt u gerust. Zelf ben ik ook altijd heel nieuwsgierig naar andere mensen.’
‘Naar mij ook?’ Meneer Vuistsnede was verbaasd. Behoedzaam bekeek hij haar. Ze droeg een koningsblauw tuniek en een wijdvallende, bijbehorende net zo koningsblauwe broek. Daaronder witte sportschoenen of hoe heetten die tegenwoordig? Sniekers? Haar witte hijab viel om haar smalle gezicht. Ze was niet uitbundig opgemaakt; meneer Vuistsnede zag een bijna onopvallende lippenstift en wat mascara.
‘Ja,’ zei ze. ‘Naar u ook. Woont u hier in de buurt? Komt u vaker in het park? Ik loop hier veel van mijn school naar huis, maar ik heb u nog niet eerder gezien.’
‘Ja, wij zijn hier iedere dag,’ vertelde meneer Vuistsnede, ‘maar meestal op andere tijden. Dit keer waren we een andere route gelopen en zochten we wat schaduw, vanwege de warmte.’
‘Nu mag u mij weer wat vragen.’ De donkere ogen glommen nog steeds.
‘Mag ik vragen hoe je heet?’ flapte hij eruit.
‘Elif,’ zei ze.
Meneer Vuistsnede keek moeilijk.
‘U kijkt moeilijk,’ lachte de jonge vrouw.
‘Sorry.’
‘Dat geeft niets, hoor. Veel Nederlandse mensen vinden Turkse namen moeilijk om uit te spreken en te onthouden. Al is Elif denk ik niet zo moeilijk.’
‘Elif.’
‘Precies. U zegt het heel goed.’
‘Elif. Mooie naam, wel. Betekent het iets?’
‘Het is afgeleid van alif, de eerste letter van het Arabische alfabet. In het Turks betekent Elif ook slank of tenger.’
‘Ik vind het een mooie naam, Elif.’
‘Dank u. En u? Hoe heet u?’
‘Meneer Vuistsnede.’
‘Ik ben bang dat ik uw naam ook moeilijk vind om uit te spreken of te onthouden. Meneer Vuist…?
‘Vuistsnede.’
‘Vuistsnede.’
Ze lachten allebei. Beitel sprong op en kefte mee.
‘En dit is Beitel,’ zei meneer Vuistsnede.
‘Beitel,’ zei Elif. ‘Wat een grappige naam.’
Ze praatten nog een tijdje. Meneer Vuistsnede vroeg of de hijabdracht ook onderhevig is aan mode en Elif wilde alles weten over Beitel. Toen stond ze op, aaide Beitel over de kop en zei: ‘Ik moet gaan.’
‘Dag Elif,’ zei meneer Vuistsnede. Uit beleefdheid was hij ook opgestaan. Hij stak een hand uit.
Die pakte ze beet en schudde ze. ‘Dag meneer Vuistsnede. Ik hoop dat het heel goed met u gaat en misschien zien we elkaar nog een keer hier in het park.’
‘Ja, wie weet.’
‘Dat zou ik leuk vinden.’ Ze knikte hem toe, draaide zich om en liep weg.
Meneer Vuistsnede wilde haar niet nakijken, dat leek hem ongepast. Hij ging weer zitten en boog naar Beitel. Maar wat was dat? Er klonk weer geluid. Het kwam uit de richting waarin Elif was gelopen. Hij keek en hoorde het. Die sniekers van haar veroorzaakten een metalig soort getrippel.
Aan het eind van het pad draaide ze zich nog een keer om, zwaaide naar hem en sloeg af. Al snel was ze achter het struikgewas verdwenen.
Meneer Vuistsnede zuchtte. De hitte was zo langzamerhand niet meer te harden. Toen viel hem iets op. Het was doodstil.
–
Apeldoorn, juli 2024
Lotgenoten,
‘Goedemiddag. We hebben een kamer gereserveerd.’
‘Excuse me. Iek geen Niederlands. Can you speak English?’
Nu is mijn Frans nog verrotter dan mijn Duits, dus ik deed niet moeilijk. Maar wat was dit eigenlijk voor achterlijk gedoe? Kennelijk is de tweetaligheid van Brussel onder te verdelen in Frans en Engels en niet in Frans en Nederlands. We bevonden ons in de benedenstad en hier zou je toch verwachten dat Nederlands de voertaal is. En gezien de enorme aantallen kebabzaken hier in de buurt zouden er nog wel meer andere talen gesproken worden.
‘We booked a room,’ zei ik tegen de Pakistaan of wat dan ook.
Wat de man zei, dat begreep ik niet. Dat zei ik hem. Opnieuw klonk er een stortvloed van woorden. Uit zijn onverstaanbare Anglais de charbon maakte ik wel op dat we tweehonderd euro borg moesten betalen. Maar waarom? Pourquoi? But why? Opnieuw een hele uiteenzetting waar ik niets van kon volgen, behalve dat we die tweehonderd ballen weer terug kregen bij vertrek. Als we de chambre tenminste niet op z’n Keith Moons hadden achtergelaten. Ik had geen tweehonderd euro op zak. Pinnen kon niet. Met credit card, dat kon dan weer wel. Ik had geen credit card. Waar is hier een geldautomaat? ‘ATM? Money machine?’ gebaarde ik?
De Aziaat gebaarde iets terug. Dus hier de deur uit, twee keer links en dan rechts en dan aan je rechterhand. Ach zo.
Verroest, we kwamen uit op de Rue de Anspach, die kende ik wel.
‘Hier rechts moet het dan ergens zijn.’ Ik trok zowel De Vrouw als het rolkoffertje achter me aan. Lang. Heel lang. Hier, eindelijk: een geldautomaat. ‘Mijn Frans is niet meer wat het ook nooit geweest is,’ zei ik, ‘maar volgens mij staat er dat hij buiten werking is.’
‘Ik kijk even op Google Maps of ik er eentje in de buurt kan vinden.’
‘Google Maps? Bestaat dat nog? Heet dat tegenwoordig niet anders?’
De Vrouw antwoordde niet en verdiepte zich in haar telefoon. ‘Eh …’
‘Zeg het maar. Waar moeten we heen?’
‘Geen idee. Iets verderop, denk ik.’
Iets verderop werd een heel eind verderop. We passeerden Ancienne Belgique en kwamen uit bij de beurs.
‘Hier ergens moet er een zijn,’ zei ze.
‘Ik zie niks.’
‘Ik ook niet.’
‘Er is een metrostation.’
‘Maar dat zoeken we niet.’
‘Daar heb je soms, af en toe, vaak een geldautomaat.’
Verdomd. Er was er een. Met een immens lange rij ervoor. We waren niet de enigen op zoek naar contanten.
Dik anderhalf uur nadat we het hotel hadden verlaten, waren we er weer terug. Inchecken ging zonder al te veel verdere problemen, we kregen ieder een plastic kaart die als sleutel diende en gingen op zoek naar onze kamer. Her en der waren trappen en liften en na heel veel zoeken in een doolhof van gangen en bochten en tussentrapjes en branddeuren stonden we eindelijk voor kamer nummer zoveel.
Ik hield de plastic kaart voor het handvat van de deur. Er klonk een bemoedigend piepje, maar de deur bleef gesloten en een lampje werd rood. Nog eens proberen. Rood. Nog eens. Rood.
Ik zuchtte. ‘Ik ga even naar beneden. Als ik beneden terug kan vinden.’
Zowaar. En ik vond de balie van de receptie ook nog.
‘Hello,’ begon ik. ‘We hebben zojuist ingecheckt bij je collega, maar de key doet het niet.’
‘Not satisfied with your room?’ vroeg deze vent.
‘How can I be satisfied when I cannot enter the room? This key isn’t working.’
”k heb ‘m nochtans geactiveerd,’ zei hij met een nogal Vlaamse tongval.
‘Barst,’ zei ik.
‘Pardon?’
‘Hij doet niks. Nothing.’
Ik kreeg een nieuwe sleutel en keek toe hoe de vent ‘m activeerde door ‘m ergens overheen te wrijven. Terug naar boven. Weer een rood lampje. Weer naar beneden.
‘Ik heb hem toch echt opnieuw geactiveerd,’ zei de vent.
‘It’s toch echt not working,’ zei ik.
Ik kreeg wéér een nieuwe sleutel.
‘Gelukkig,’ zei ik, toen er een groen lampje brandde en de deur open ging. ‘Ben benieuwd hoe dat vanavond laat gaat. Of er dan iemand bij de receptie is.’
‘Dat zien we dan wel,’ zei De Vrouw. ‘Laten we gauw gaan. We hebben nog maar een uur om naar de zaal te komen én om wat te eten.’
Lieve help, dat broodje smaakte naar het kartonnen doosje waar het in lag. Wat er tussen lag, weet ik niet, maar het leek niet op de groenten die ik besteld meende te hebben. Dit was nauwelijks vulling en geen voeding. Gauw weg hier. Ik was bang dat fastfood in dit geval ook betekent dat het je lichaam snel verlaat.
We klommen naar de Bovenstad en vonden de ingang van Bozar.
De avond was genoeglijk. Mooie voorstelling, goede muziek, fijne ontmoeting met wat bekenden en toen was het afgelopen.
We daalden weer af naar de Benedenstad en iets na middernacht bereikten we het hotel.
‘Nee hè. Een rood lampje.’ Ik was doodmoe.
‘En nu?’ vroeg De Vrouw.
‘Ik ga naar beneden.’ Ik ging naar beneden.
‘Hello,’ begon ik. ‘This key is not working. Red light, door remains closed.’
Ik kreeg een nieuwe sleutel.
Rood lampje.
‘Hello,’ zei ik bij de receptie. ‘This key is not working. Red light, door remains closed.’
De pief achter de balie zuchtte en pakte een telefoon. Luid begon hij te praten. Toen legde hij hem weg. ‘Someone’s coming.’
Ergens in de lobby ging een deur open en een oudere Pakistaan in hemdsmouwen en slobberbroek en met een dikke buik waggelde naar me toe. ‘What’s problem?’ vroeg hij.
Ik liet hem mijn kaart zien. ‘This key is not working. Red light, door remains closed.’
‘Wait.’ Hij boog over de balie heen en griste een stapel sleutelkaarten tevoorschijn. ‘We use elevator,’ zei hij tegen mij.
Ik draaide me om en liep naar de lift.
‘No, this one.’ Ergens in een hoekje bleek nog een verborgen lift te zijn. Een heel smalle. Die had z’n eigen lift of zo.
Ik wees hem de weg, terwijl ik wist dat het belachelijk was. Dit was zijn hotel. ‘Here we are,’ zei ik, toen we de hoek omliepen en bij de kamer kwamen. Waar was De Vrouw? De deur van de kamer stond op een kier. Binnen brandde licht.
Ik draaide me verontschuldigend om en haalde mijn schouders op. De Pakistaan zuchtte en liep weg.
‘Hoe kom jij nou binnen?’ vroeg ik.
‘Ik had ook een sleutel, hè?’ zei ze. ‘Die van mij deed het wel.’
Het werd geen hete nacht in bed.
Bij het ontbijt bleek de Pakistaanse familie nog veel groter te zijn. Het was een krioelboel aan personeelsleden die overal borden en glazen en kommen van propvolle tafels gristen. De ontbijtzaal was enorm en de hoeveelheid hotelgasten ook. We vonden iets voedzaams, aten het op en gingen naar de receptie. Voor de zekerheid hadden we onze koffer vast ingepakt en meegenomen, zodat we niet weer voor een rood lampje kwamen te staan.
Zowaar, bij de balie kreeg ik die tweehonderd ballen weer terug. Fijn, merci, senkjoe. Onderweg naar het station moest ik die twee biljetten van honderd euro kapot zien te maken, want daar kun je in ons mooie Nederland niet mee aankomen. Bij een Ecki lukte het: koffie, broodje, salade en water voor onderweg.
Op het Centraal Station hoefden we niet lang te wachten op een trein naar Amsterdam. We vonden zitplaatsen en terwijl de trein zich weer in beweging zette, trok ik mijn dikke winterjas uit.
‘Barst!’ riep ik uit.
‘Wat is er?’ vroeg De Vrouw.
‘Mijn jasje! Waar is mijn jasje?’
‘Waar is die?’
‘Oei, die moet nog in de hotelkamer in de garderobekast hangen.’
‘Misschien kunnen ze hem nasturen?’
‘Met mijn zorgpas en ID-kaart er nog in.’
De Vrouw zuchtte. Ik maakte een plan.
Twee minuten later stapten we uit op Bruxelles-Nord. We liepen het station uit en vonden een rustige plek. Ik belde en kreeg iemand aan de lijn. Door een Pakistaans accent verstond ik niet met wie ik sprak. Wel begreep ik: ‘We gaan kijken.’
Ik hing op. We liepen de Vooruitgangstraat af, de Nieuwstraat in, over het Brouckèreplein, achter de Munt langs en de Zuidstraat in, tot we weer voor het hotel stonden.
Een schone dame achter de balie draaide zich om en pakte mijn jasje. ‘Kijkt u eens,’ zei ze glimlachend.
Snel pakte ik het van haar aan en ik controleerde gelijk de inhoud van de binnenzak. Pfff, het metalen mapje met mijn zorgpas en ID-kaart zat er nog in. De wonderen waren de wereld nog niet uit. Deze tent deugde.
Wat een avonturen weer.
–
Apeldoorn, mei 2024