bazbo – de wereld van Bas Langereis, het middelpunt der aarde

Bas Langereis leest u voor!

07-08-2008

Wat aten zij? – What did they eat? – 2008

Filed under: Wat aten zij? — bazbo @ 21:42

Hiephoi, dit aten zij!
Foto’s van ons voer met data erbij!

Hooray, this is what they ate!
Pictures of our food, complete with dates of consumption!

August 9, 2008 - Tortilla’s with hot meat in tomato sauce, spring onions, cheese and samba saucePreitaart, krieltjes en Vlaamse gehaktballen in tomatensaus - Leek pie, baked potatoes and Flemish meat balls in tomato sauce - Saturday, August 2, 2008Prei en tomaatjes uit de oven - Leeks and tomatoes in the oven - Monday, August 4, 2008

• • •
 

Mousaka

Filed under: Gastronomie - Gastronomy — bazbo @ 20:53

Een leuke én makkelijke variant op de traditionele Griekse mousaka, deze is met ei in plaats van aardappelen!

Ingrediënten:
500g kalfsgehakt, maar wij gebruikten rundergehakt
1 ui
2 teentjes knoflook
2 aubergines
2 courgettes
4 el tomatenpuree = 2 kleine blikjes
4 eieren
4dl room
150g gemalen oude kaas
cayennepeper
zwarte peper
zout
1 tl kaneelpoeder
4 el olijfolie

Verwarm de oven voor op 200C
Pel de ui en knoflook, snipper ze en bak ze in 1 el olie goed bruin.
Voeg het gehakt toe en bak het rul.
Wij deden er ook kleingesneden groene Turkse pepers bij en hebben die meegebakken.
Doe er tomatenpuree, cayennepeper, zout en kaneel bij.

Snijd de courgettes en aubergines in blokjes.
Bak deze in de rest van de olijfolie in een andere (koeken)pan.

Klop de eieren los in een kom.
Doe de room er doorheen en voeg wat zwarte peper en zout toe.
Roer alles goed door.

Vet een ovenschaal in.
Doe het gehaktmengsel in de ovenschaal.
Verdeel de helft van de gemalen kaas over het gehakt.
Giet de helft van het eiermengsel over het gehakt.
Verdeel de gebakken aubergines en courgettes eroverheen.
Strooi de rest van de gemalen kaas over het geheel.
Giet tenslotte de rest van het eiermengsel eroverheen.

Dek de schaal af met aluminiumfolie en laat het gerecht ongeveer een half uur gaar worden in de voorverwarmde oven.
Verwijder dan het folie en laat nog twintig minuten garen in de oven.
Eet ze!

Eeuwige tip: zet alle ingrediënten klaar. Snipper de uien en het knoflook.Verhit de olijfolie in de pan en bak het gehakt rul.Doe de uien en de knoflook erbij en bak mee tot ze glazig zijn.Wij deden er ook nog wat Turkse pepers doorheen. Die bakten we even mee. Doe er dan kaneel, cayennepeper, zout en tomatenpuree bij. Roer alles goed door.Snijd de courgette en aubergine in blokjes. Let op, want aubergine wordt snel bruin. Als laatste snijden, dus.Bak in een andere (koeken)pan de blokjes courgette en aubergine in de rest van de olijfolie.Rasp de kaas.Klop de eieren los in een kom. Roer er dan de room, zwarte peper en zout doorheen.Doe het gehaktmengsel in een ovenschaal, strooi de helft van de kaas eroverheen en giet de helft van het eiermengsel eroverheen.Doe tenslotte de aubergines en courgettes in de schaal en giet de rest van het eiermengsel eroverheen. Strooi de rest van de kaas eroverheen.Laat het gerecht eerst een half uur afgedekt met aluminiumfolie, en daarna nog twintig minuten zónder folie garen in de voorverwarmde oven (200C)Een leuke én makkelijke variant op de traditionele Griekse mousaka, deze is met ei in plaats van aardappelen!Eet smakelijk!

• • •
 

Avondschool

Filed under: Publicaties voor FOK! - Tim's corner — bazbo @ 20:52

Beeld: een dronken leraar, groep acht. Hij zit aan tafel met drie vrijwilligers van het afscheidskamp. Er staan vier legen wijnflessen op tafel. Een van de vrijwilligers van het kamp is een politieagent en de vader van Mariska. Mariska is een meisje uit mijn klas met een sterke bril en twee stengels van benen. Niemand durft Mariska te pesten, want haar vader is politieman. Hij is net als onze leraar nogal dronken. De andere twee vrijwilligers kijken ons ietwat beschaamd aan als we de kantine binnenkomen. We kunnen niet slapen van de herrie die ze maken. In de kantine is net door ons nog een feestje gegeven met veel discolampen, meegebracht door Eddy, want ze hebben thuis een elektrozaak. Eddy mocht daarom de discolampen meenemen, want die werden toch niet zo goed verkocht. Onder strenge voorwaarde dat hij er voorzichtig mee om zou gaan. Iedereen die te dicht in de buurt van de lampjes kwam die avond, kreeg een vernietigende blik of een duw van Eddy. Ik mocht Eddy niet zo. Vond hem een omhooggevallen lul. Nu nog steeds trouwens. Hij heeft nochtans zijn eigen zaak in het dorp waar ik geboren ben. Een zaak in elektrotechniek.

Terug naar de kantine. Lege zakjes chips liggen nog op de grond. De stereo staat aan en op de achtergrond horen we muziek die niemand van ons heeft meegebracht. De grond onder onze voeten voelt koud aan. We hebben geen sokken aan. Twee van mijn beste vrienden, die me het hele schooljaar trouw zijn gebleven, staan naast me. Met slaperige ogen beklagen we ons bij de adolescenten. Giechelend schreeuwen ze overdreven kwaad dat we naar bed moeten. Ik snap dat het een grap is, maar vind het niet prettig. Ik weet even niet wat ik moet doen. Verontwaardigd, braaf terug naar de slaapzaal, of met ze mee lachen? Ik wil naar huis, de week heeft lang genoeg geduurd. De dronken politieagent staat op en komt wankelend dichterbij. Zou Mariska hem ooit zo gezien hebben? Hij kijkt ons alle drie streng aan. Z’n ogen zijn rood, z’n politiepak zit vol vouwen en stinkt een beetje naar rook. Hij komt steeds dichterbij en begint me te gebaren om mijn oor tegen zijn mond te leggen. “We gaan even een blokje om. Dat doet je vast goed, frisse lucht,” zegt hij. Ik walg van de drankgeur, maar laat het niet merken.

We lopen in het bos dat grenst aan het scouting gebouw waar we al een hele week verblijven. Het begint ochtend te worden. Het schijnt allemaal mooi te wezen als ik de agent moet geloven. Volgens hem heeft God zo de wereld in gedachte gehad toen-ie hem schiep, of zoiets. Ik heb het alleen maar koud, want ik ben meteen meegegaan zonder jas aan te trekken. Ik sta in mijn pyjamaatje midden in het bos en ik heb alleen maar oog voor de agent. Dit klopt niet. Mijn vriendjes zijn meegegaan, maar zeuren dat ze terug willen. Ik luister niet naar ze, maar voel me ellendig en alleen. Zou mijn vader al wakker zijn? Voor een moment ruik ik warme broodjes en verse jus.

Agent laat een boer en excuseert zich. Mijn vriendjes lachen niet eens, maar kijken chagrijnig naar me. “Wanneer gaan we terug?”, fluisteren ze overdreven. Ik haal mijn schouders op. Ik maak een gebaar richting mijn hoofd, waaruit mijn vriendjes kunnen opmaken dat ik de agent nogal gestoord vind. Ze moeten zich alle twee erg inhouden om niet in lachen uit te barsten. De agent zegt ons dat we moeten zitten in een kringetje. We doen wat hij zegt. Een hele tijd gebeurt er niets. Soms moet een van ons niezen. Het is vreselijk koud en onaangenaam in dit bos. Niemand van ons durft wat te zeggen. Ik zucht eens diep, in de hoop iets te kunnen veroorzaken. Maar het blijft nog langer stil en ik kan het niet meer aan.

Naast mij hoor ik diep gesnurk. Hij is in slaap gevallen. Ik stoot een van mijn vriendjes aan. “Zullen we nu weggaan?”, fluistert-ie stil, bang om hem wakker te maken. Het lijkt een idioot plan, maar ook ik krijg plotseling zin om hem hier gewoon achter te laten. We kijken elkaar een voor een aan. Niemand durft op te staan.

We zijn terug in het scoutinggebouw. De kantine is leeg. Alle flessen drank staan er nog. In de hoek, bij de weekendtas van de politieagent, zie ik nog meer lege flessen. Als ik terug de slaapzaal inloop, zit Eddy rechtop in zijn bed. “Hangen mijn discolampen er nog?”, vraagt-ie snel. Ik geef geen antwoord, maar gebaar hem dat het oké is en kruip mijn bedje in. “Mariska huilt al een tijdje”, zegt Eddy. Ik luister aandachtig en hoor inderdaad zachtjes snikken. Mariska ligt aan de andere kant van de slaapzaal. Ik durf niet naar haar te kijken en probeer in slaap te vallen. Morgen gaan we naar huis. Eindelijk.

• • •
 

Geile boodschappen (2)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 01:00

“Wat zullen we vandaag eens eten?” vroeg ik me af, terwijl ik het boodschappenkarretje tussen de geparkeerde fietsen door naar de ingang van de supermarkt duwde. Het biologisch groentepakket bevatte deze week prei, groene bloemkool, zomerbietjes, sla, andijvie en kerstomaatjes.
Ik koop nooit groente en fruit bij de supermarkt, dus die deernes achter de kassa zullen zich vast wel eens afvragen hoe ongezond ik leef. Niet dat het me wat kan schelen, overigens.
Nou ja, bij één kassameisje maak ik een uitzondering. Bij háár kan het me wél wat schelen wat ze van mij denkt.

De schuifdeuren van de winkel waren nog niet open of ik wist dat ze dienst had. Mijn oog was onmiddellijk op haar gevallen. Ze zat achter de kassa en deed haar werk. Ik wist al bij wie ik in de rij ging staan.
Als je bij ons de winkel in wilt, moet je eerst langs de kassa’s. Dat geeft wel eens malle taferelen en botsingen. Binnenkomende klanten moeten zich een weg slingeren tussen klanten die al betaald hebben en klanten die bij de klantenservice staan te wachten. Soms is het een zootje.
Toen ik bij binnenkomst vlák langs haar kassa liep, wierp ik een vriendelijke blik naar haar, in de hoop dat ze die zou zien. Helaas, ze was te druk bezig om afgeleid te worden door een vette veertiger met lang grijs haar.

Snel pakte ik de spullen die ik moest hebben. Tomatensap, halfvolle melk, flesje witte wijn voor vrouwlief, … “Hee, het Hoegaarden witbier is in de aanbieding! Twee sixpacks voor de prijs van één. Snel vier sixpacks in mijn karretje en later even op zoek naar een leeg kratje, zodat ik het allemaal makkelijk meekrijg op mijn fiets. Hee, wacht eens even …. Als ik hier door het schap met ontbijtkoek heenkijk, zie ik haar precies goed zitten!”

Ik zag haar sowieso erg zitten. Dominique, zo heette ze. Hoe vaak had ik nu al naar het kleine witte kaartje op haar turquoise uniformblouse staan staren? Wat een mooie naam.
Ze had haar halflange donkerblonde haar meestal in een paardenstaartje achter op haar hoofd samengebonden. Twee prachtige bruine ogen in haar gezicht. Ze was niet groot, maar in haar manier van doen kwam ze kordaat over.
Rust leek ze niet in zich te hebben. Ze was geconcentreerd op haar klus. Snel pakte ze de spullen van de band en haalde ze over de scanner. Veel contact met de klanten had ze niet. Na al die weken dat ik haar nu al observeer, weet ik wat ze zegt. Een eenvoudig “Goedenavond”; meer niet.  Zag ik het goed, had ze onlangs haar haren een kleurtje gegeven? Het leek wel of haar staartje blonder was dan anders. Ze gaf een klant wisselgeld en deed de kassalade dicht. Gedreven werkte ze verder met de volgende klant.

“’s Kijken of ze op dit tijdstip nog wat brood hebben liggen. Bij de warme bakker is alles al op.” Met lichte tegenzin ging ik verder de winkel in. Het liefst zou ik zo uren blijven staan kijken, maar het leven gaat door en thuis wacht vrouwlief.
Zowaar, er was nog wat brood. “Wat neem ik ’s mee?” Veel keus had ik niet. Het werd óf een tarpan of een casino bruin. Dan maar casino bruin.
Vlakbij het brood is de vleesafdeling. De meeste weekaanbiedingen vond ik niet zo interessant en de rest was nauwelijks te bekostigen. “Dat wordt vegetarisch vandaag,” concludeerde ik. “Of nee, daar ligt nog wat kipfilet.”
Op naar de kassa; op naar Dominique! Ik kreeg het bij voorbaat al warm. Vooral in mijn broek.

Haar rij bij de kassa was lang, maar dat kon me niet schelen. Integendeel, hij kon me niet lang genoeg zijn. Hoe langer de rij, hoe meer tijd ik had om naar haar te kijken. Er waren nog meer kassa’s open en bij die kassa’s was de rij veel minder lang. “Wie denkt dat ik in die kortere rij ga staan bij die kwakbollen die zichzelf caissière durven te noemen, die vergist zich flink,” mompelde ik voor mij uit.
Normaal baal ik enorm als ik lang moet wachten bij de kassa. Vooral als er weer een of ander fossiel uit een vorige steentijd probeert contant af te rekenen en muntje voor muntje in de hand van de caissière legt.
Toen er plek op de band vrijkwam, haalde ik mijn boodschappen uit het karretje en legde ik ze op het zwarte rubber.

Het duurde heerlijk lang voor ik aan de beurt was. Ik had alle tijd.
“Wat is ze ijverig,” moest ik vaststellen. Energiek haalde ze de spullen van iemand voor mij over de scanner. “Het lijkt wel of ze haast heeft. Als ze maar niet net pauze heeft nu ík aan de beurt ben.”
Gelukkig was dat niet het geval. Er zijn dagen dat ik denk dat het leven stiekem tóch zin heeft. Ik kreeg er nu toch echt een harde plasser van.
Veel te snel was ik aan de beurt.

“Goedenavond,” zei ze en pas toen keek ze me aan. “Ah, daar bent u weer eens.”
“Hallo,” glimlachte ik. “Je hebt het druk, zie ik.”
“Valt wel mee, hoor,” antwoordde ze.
“Kijk ‘s, deze is voor zo meteen.” Ik legde de emballagebon op haar toonbankje.
“Dank u.”
“Ik heb achterop mijn wagentje ook een leeg kratje staan.”
“Een leeg kratje?”
“Ja, anders krijg ik die sixpacks Hoegaarden zo lastig mee naar huis. En de lege flesjes weer terug naar hier.”
“Ach zo.” Ze snuffelde wat op een kaartje naast de kassa en toetste een code in. Op het display verscheen: ‘Emballage: €1,50’.
“Wat moet je wel niet van mij denken?” durfde ik.
“Hoe bedoelt u, meneer?”
“Nou, ik kom hier met een boel bier, steeds.”
“Dat valt best wel mee, hoor. Ik moet soms invallen in de slijterij hiernaast. Daar komen sommige klanten zelfs meerdere keren per dag sterke drank inslaan.”
“Gelukkig heb ik die tijd achter de rug,” flapte ik eruit, terwijl ik mijn boodschappen terug in het karretje deed.
Oeps. Plotseling keek ze me met grote ogen aan.
“Maar mijn dokter zegt dat ik met dit weer veel moet drinken,” was mijn flauwe uitvlucht. “Mag ik pinnen, alsjeblieft?”
“Tuurlijk, gaat uw gang.”
Het is lastig om tegelijkertijd de juiste pincode in te toetsen én de lettertjes op het kaartje dat op haar borst zat gespeld te ontcijferen. Ik wist natuurlijk allang wat er op het kaartje stond. Haar naam, haar prachtige naam: Dominique. Wonder boven wonder lukte het me ook nog om de vier cijfers in de goede volgorde in te drukken.

“Ben je moe?” vroeg ik plotseling.
“Hoezo?” was haar reactie.
“Nou, zomaar,” zei ik zachtjes. “Je kijkt wat vermoeid uit je ogen.”
“Het is druk geweest sinds vanmorgen vroeg . En ik heb nog geen pauze gehad vanaf één uur.”
“En het is al bijna zeven uur! Je hebt het maar zwaar, hoor.”
“Het valt wel mee. Kijk eens, hier is uw bonnetje. Een fijne avond verder.”
“Heel veel sterkte, hè.” Ik keek haar nog eens aan.
Zij keek mij aan. Ik knipoogde. Ze lachte.
“Hoi,” lachte ik terug. “Tot kijk.”
“Dag hoor,” bloosde ze.
Ze ging alweer verder met haar werk. Een oude dame had koekjes en advocaat op de band gelegd.

Terwijl ik mijn karretje voortduwde in de richting van de uitgang, bleef ik naar het mooie kassameisje kijken. Ze stond nu rechtop achter de kassa de boodschappen van de dame achter mij in een tas te doen. De grote deuren schoven open voor de mevrouw die vóór mij de winkel verliet. Ik bleef nog héél even staren. Dominique bevond zich recht achter mij en ik liep langzaam van haar weg, met mijn hoofd bijna helemaal omgedraaid. Wat ik daarom niet zag, was dat de schuifdeuren alweer waren dicht gegaan. De sensor had mij niet meer in de gaten. Toen keek ik weer vóór mij en was ik in de veronderstelling dat de deuren open stonden. Ik gaf de kar een flinke duw vooruit.
“KLENG!” Het metaal van het winkelwagentje zorgde voor een luide klap op de ruit, waar onmiddellijk een lange barst in kwam. En nog één en nog één. Voor ik het goed en wel doorhad, was een groot deel van het glas uit de schuifdeur in stukken naar beneden gekletterd.
Wég was mijn harde plasser.


Apeldoorn, augustus 2008

• • •
 

31-07-2008

Bidden in het gras

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 22:55

Had ik al eens verteld dat ik een mijn nieuwe werkplek heb? Vast wel. Maar voor de mensen die het nog niet wisten: ik heb een nieuwe werkplek! Leuk, hoor. Een van de prettige bijkomstigheden van mijn nieuwe werkplek is dat ik met de fiets erheen kan en niet meer in die stinkende streekbus hoef.
Mijn fietsroute gaat langs allerlei fraai Apeldoorns landschap: woonwijken, weilanden, parken en kantoorkwartieren. Wat woon ik toch in een mooie plaats. Hoog tijd dat ik nog eens een column maak waarin ik de metropool Apeldoorn verheerlijk. Of wat zeg ik? Een column? Een heel boek ga ik eraan wijden. (Help me onthouden.)

Ik fiets door een woonwijk die eind jaren zestig en in de jaren zeventig flink is uitgebouwd. Kijk daar, de flat waarin vrouwlief en ik zijn gaan samenwonen. Hoe lang is dát nu alweer geleden? Ik zal het nooit vergeten. Het was 5 mei 1989.
“Kijk eens,” zei ik die ochtend tegen mijn moeder, toen ik uit het raam van het ouderlijk huis keek, “ik ga het huis uit en iedereen heeft de vlag uithangen!” Zij vond hem niet leuk. Ik wel. Het was wat je noemt Bevrijdingsdag.
Ons huis bevond zich op negen hoog. Wat een uitzicht. Bijna vier jaar hebben we er gewoond. Ons eerste (en tevens laatste) kind is er geboren. Of nee, dat was in het ziekenhuis. Maar na vier dagen was hij bij ons thuis in de flat. Toen vonden we het tijd voor een huis met een tuin. Een ruim half jaar later kregen we een dergelijk huis aangeboden door de woningstichting. Onze zoon vierde zijn eerste verjaardag in het nieuwe huis. Helaas werd het geen tuinfeest, want de regen kwam met bakken uit de hemel.

Nu is het mooi weer. De zon schijnt en het voelt warm aan. Het is maandag, en dan werk ik alleen ’s middags. Of had ik dat al eens verteld? Ik heb zojuist kaas gehaald op de markt. Van die Hollandse kaas met Italiaanse kruiden en olijven erin verwerkt. Goddelijk.
Iets verder dan de flat moet ik linksaf en dan weer rechts. Op de hoek staat een basisschool. Ervoor ligt een grasveldje. Het is kwart over twaalf, dus de school heeft pauze.

Op het voetbalveld zit een hele groep kinderen. Een vrouw staat rechtop; de kinderen zitten doodstil in kleermakerszit. Zie ik dat nou goed of hebben ze allemaal hun oogjes dicht? De vrouw heeft haar handen gevouwen. Met gesloten ogen zegt ze iets. Verhip, het is een overblijfgroep. De kinderen hebben hun handjes devoot in hun schoot liggen. De overblijfgroep bidt voor de lunch. In het openbaar; op het grasveld.

Onmiddellijk ben ik weer even een jongetje van tien jaar oud.
Om een of andere reden ging ik als enige uit ons gezin naar de ‘Prot. Chr. Basisschool De Bron’ op de hoek van de straat. En dat terwijl we thuis katholiek waren. Mijn broers en zusje gingen wel naar een rooms-katholieke basisschool.
Meester Veerman bad hardop, met stijf dichtgeknepen ogen. Ondertussen wreef hij onophoudelijk in zijn grote handen. Ik was thuis gewend dat we tijdens het bidden de ogen open hadden en keek twee keer op een dag – ’s morgens bij binnenkomst en aan het eind van de schooldag – de klas rond. Meester Veerman stond in zijn eentje met zijn ogen dicht zijn handen te wrijven en zijn ellenlange gebeden te improviseren. De rest van de klas zat malle gezichten te trekken.

Bij ons thuis ging het allemaal niet zo streng. Aan tafel baden we het ‘Wees Gegroet’. Vanaf dat ik een jaar of tien was, kreeg ik de taak dat ik moest vóórbidden. Ik durfde geen “nee” te zeggen.
Niet zelden liet ik na het slot: “In de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, amen,” nog even een venijnig: “Ik wou dat ze kwamen, en mijn zusje meenamen,” volgen.

Wel moesten we iedere zondag mee naar de kerk. Niet dat het erg was, want mama nam veel pepermunt mee en allerlei leesvoer, zodat we tijdens de preek stil waren. In het begin waren dat de Nutricia-boekjes. Voor de jongeren onder ons: dat waren kleine vierkante boekjes die je bij de producten van Nutricia kon sparen. Ze hadden gekartelde bladzijden en gingen vaak over kinderen die hun huisdier kwijt raakten, dieren die hun mama niet terug konden vinden of meisjes die het met een pony deden. (Weet ik veel. Het is allemaal zo lang geleden.) Uiteindelijk kwam alles goed in die boekjes, hoor. Toen we te groot werden voor de roze en lichtblauwe verhaaltjes, kwam mama met iets nieuws op de proppen: het levensverhaal van Jezus in stripvorm. Dat was nog eens spannend! Vaak miste ik de meligheid die Guust Flater wél had, maar we waren tenminste een kwartiertje zoet.
Toen ik naar de middelbare school ging, had ik een goed excuus om niet meer mee te hoeven. Het excuus heette huiswerk. Niet dat ik het maakte, dat huiswerk. Liever luisterde ik naar mijn Supertramp-platen.

De piepende banden van een auto maken een eind aan mijn dagdromerij. Ik schrik en knijp mijn rem in. Onmiddellijk ben ik terug waar ik was. Bijna ben ik de school voorbij.
Ik zet mijn fiets weer in beweging. Nog een keer kijk ik naar het grasveld. Nu kan ik ze ook horen. De kinderen zeggen allemaal tegelijk: “Amen.”
Even heb ik de neiging om met mijn rechterhand een kruis te slaan. Gelukkig doe ik het niet. Wel mompel ik nog even: “Ik wou dat ze kwamen. En mijn zusje meenamen.”


Apeldoorn, juli 2008

– Deze is voor mijn zusje, die vandaag haar verjaardag viert. Gefeliciteerd, meid!

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

30-07-2008

Tong

Filed under: Publicaties voor FOK! - Tim's corner — bazbo @ 23:29

Maak me volwassen!”, riep ik tenslotte uit. Twintig hele lange minuten wachtte ik al op een tongzoen van haar. In godsnaam, geef me dat kleverige lapje spier. Hier en nu! Ik was het wachten meer dan zat.

Ze droeg een leuk, rood ziekenfonds brilletje op haar geleerde snuit. Het was een beetje beslagen. Dat kwam door de enorme vrieskou. Niet van de zogenaamde opwinding die tussen ons nauwelijks te voelen was. Met min twintig stond ik onder een besneeuwde lantaarnpaal, die maar voor de helft goed scheen, haar ijskoude hand vast te houden. IJspegels vormden zich rond mijn neusgaten. Een dooie, van kou versteende kraai lag op de grond tussen ons in en stak met het kopje net boven de bevroren sneeuw uit. In mijn hoofd telde ik de keren dat ik op bijzondere momenten een kraai zag. Op de dag dat ik te horen kreeg dat mijn oom zich had opgehangen, keek ik gebiologeerd naar een kraai op de vensterbank. Met priemende ogen wilde het beest me iets vertellen. Ik kreeg er kippenvel van. Of op mijn achttiende verjaardag. De hele tuin zat vol met zwart gevogelte. Toen ik mijn schizofrene vriend naar het hospitaal bracht, hij helemaal buiten zinnen en ik angstig dat hij me iets zou aandoen, zaten er vier zwarte kraaien voor het portaal uitzinnig te krijsen. Deze keer was de vogel dood. Maar desondanks bleef het dier ons alle twee strak aankijken. Ze zag niet dat ik rilde van angst. Niet alleen van de kou, maar vooral van angst. Dit lieve, erg jonge, geleerde meisje kende nog geen angsten. Enkel de plicht om te gehoorzamen en aan alle verwachtingen te voldoen. En dat deed ze dan ook. Moeiteloos. Van het ene naar het andere examen vloog ze van verwachting naar volbrenging. En met dit meisje stond ik in de kou, midden in de nacht, buiten klaar om eindelijk de warmte van een meisjes tong te kunnen voelen. Ze zou me proeven en misschien wel merken dat mijn zenuwen en angsten door mijn hele lichaam gierden. Wat moest ik met haar aanvangen? Haar grote borsten bolden haar winterjas schitterend op. Ik kreeg zowaar een stijve. Binnen, in de warme kroeg zaten mijn vrienden klaar voor een gedetailleerd verslag. Zij hadden allemaal al eens gevreeën. Ik was de laatste van het stel.

Het was een wekelijks ritueel geworden. Vrijdag op meisjesjacht, zaterdag je teleurstelling verzuipen in diezelfde kroeg, maar dan zonder die wijven. Op zondag deed je het nog eens dunnetjes over, al moest je dan wel voor twaalf uur thuis zijn om niet al te brak op maandagochtend op de fiets naar school te racen. Vaak interesseerde me die wetenschap geen bal als het half twee werd. Rillend van veel te veel alcohol probeerde ik de volgende dag de les te volgen. Ik zoop omdat ik nooit contact kreeg met vrouwen. Al mijn vrienden zopen ook, maar kregen wel contact met vrouwen. Dat zorgde er weer voor dat ik nog meer zoop. En zo werd ik op mijn zestiende al een alcoholist. Enkel en alleen in het weekend weliswaar. Dat weekend begon overigens al vaak op woensdagmiddag. Wat kon het schelen. Een volle kop vol drank zorgde in elk geval dat mijn sociale stoornis wat betreft meisjes, hetzij tijdelijk, zo goed als verholpen was. Maar nog immer kreeg ik het niet voor elkaar een hart te breken, een borst te strelen, een tong te masseren.

Tot die avond dat ik buiten stond. Ik had met mijn zatte kloten gewoon een type uitgezocht dat alleen aan de toog hing. Ze verveelde zich (geleerde meisjes vervelen zich snel) en ze dronk sinas met een rietje. Ik bestelde een whisky zonder ijs, stapte op haar af en begon ouderwets te bullshitten. Weezer knalde hard uit de geluidsboxen. Ze kon me slecht verstaan, sleurde me naar buiten en dat was het dan. Mijn vrienden keken me, elkaar aanstotend, na.

Zij liep voor me. Eerlijk is eerlijk, ze had een lekker lijf. Een iets te dikke kont, dat wel. Maar wat wist ik toen nog van konten. Ik was bang voor konten. Ze droeg een lange, zwarte jurk met daaronder zwarte lakschoentjes. Ik hield de deur niet voor haar open. Meteen viel me die verrekte kraai op. Ik begon te schaterlachen om de terugkerende symboliek.

 ‘Waarom lach je?’ vroeg mijn prooi ongemakkelijk. Ik durfde haar geen eerlijk antwoord te geven.
Zomaar, ik vind het een gekke avond. Jij niet? Vind je het geen gekke avond?’ vroeg ik zenuwachtig.
Het gaat wel. Mijn zus zou hier nog naar toe komen, maar volgens mij is ze thuis voor de tv in slaap gevallen.’
‘Ach zo.’
Het bleef even stil tussen mij en het professortje.
Wil je wat drinken, ik bedoel zal ik wat te drinken voor je halen?’ probeerde ik.
Neuh, net al wat gehad, zei ze ongeïnteresseerd.
Alweer een flinke stilte. Ik kon nu goed horen welke muziek ze in de kroeg draaiden. Ik kon zelfs verdomd goed alle gesprekken binnen volgen.
Ik vind die dooie kraai maar eng. Kunnen we niet ergens anders naar toe?’ vroeg ze snel.
Nee, die dooie kraai vind ik wel mooi. Ik bedoel, hij kijkt wel kwaad maar ergens vind ik dat… hoewel… ik… vaker al eens kraaien heb gezien, mooie beesten soms wat te zwart of euh, onheilspellend maar altijd wel… gezellig.’ Goeie genade, wat een hoop onzin zat ik weer uit te kramen.
Maar het geleerde meisje leek verliefd. Ik had wel eens gelezen dat meisjes dol zijn op onbereikbare figuren, donkere types zogezegd. Ik kreeg de smaak te pakken en blaatte verder.

Mijn grootvader verzamelde kraaien. Hij trok dan een voor een hun pootjes uit om ze aan de deur van zijn kleinkinderen vast te nagelen. Soms trok hij er soep van. Mijn moeder heeft er nog nachtmerries van. Elke zondag,als ze op bezoek was bij mijn grootvader,kreeg ze kraaien soep voorgeschoteld. En als ze het weigerde te eten, dan stopte grootvader een flinke trechter in haar muil en begon-ie, zonder pardon, een echte rauwe kraai naar binnen te proppen. Kokhalzend rende mam dan naar het toilet om de kraai in de wc uit te kotsen. Dat vond mijn grootvader zo respectloos van mijn moeder, dat-ie er met de broekriem overheen ging, waarbij hij de nodige krasgeluiden maakte. Hij was ook altijd in het zwart gestoken, herinner ik me nu.’

Mijn god, wat een onzin allemaal. De whisky, in combinatie met speciale biertjes en een flinke joint die ik nog thuis had opgerookt voordat ik op stap ging, begon er behoorlijk in te hakken. Ik wilde zo snel mogelijk naar binnen, had helemaal geen zin meer in tong. Al die meisjes konden wat mij betreft gestolen worden. Ik kon niets anders dan maar door ratelen over mijn debiele grootvader die niet eens bestond.

Gelukkig is het de laatste tijd wat minder geworden met zijn kraaien obsessie. Hij heeft nochtans een plakboek met enkele bijzondere kraai soorten maar dat is het wel. Op regenachtige zondagen mogen wij er wel eens even in bladeren.’ Ik werd werkelijk misselijk van mezelf en kreeg zin in nog een whisky. Net toen ik aanstalten wilde maken om naar binnen te gaan voor nog een whisky, schuifelde ze iets dichterbij.
Je bent wat zenuwachtig, is het niet? Heb je nog nooit een meisje gezoend?’
Shit, ik viel behoorlijk door de mand. Ik voelde de spottende ogen van mijn vrienden, die zich inmiddels allemaal bij het raam hadden verdrongen, in mijn rug priemen. Vanuit een ooghoek zag ik dat ze vulgaire gebaren maakten. Ik hoopte maar dat zij het zou zien en dan van afschuw me een klap in het gezicht zou geven. Maar in plaats daarvan kwam ze steeds dichterbij.

Ik dacht aan kraaien. De eerste kraai die ik ooit zag,pikte me toen ik zes was. Ik zat rustig in de zandbak te spelen met mijn speelgoed vrachtwagen Ik ging zo op in het spel,dat ik niet meekreeg dat ik in de gaten gehouden werd door een kraai. Het beest moet me tijdens het hele spel hebben aangekeken, want ik was me van geen indringer bewust. Toen ik wilde opstaan om een plasje te doen, schrok de vogel op en omdat ik van schrik schreeuwde en met mijn knuisten het beest weg wilde slaan, pikte de kraai me boven in het oog. Ik schreeuwde het uit van angst. De pijn viel eigenlijk nog wel mee. Mama kwam naar buiten gerend en aaide me weer in rust.

Waar was mama nu?
Ze keek me vragend aan. Wat was de vraag ook alweer? Of ik eerder een meisje heb gezoend.
Ach ja zoveel,’ loog ik. ‘Of nee, toch niet,’ herstelde ik me. Ik vond het de hoogste tijd worden voor de waarheid, na al deze malligheid. Maak me volwassen!’ riep ik tenslotte uit. Ik drukte me lomp tegen haar aan en begon voorzichtig haar lippen te proeven. Ik hoorde ze joelen, mijn vrienden. Ik zou ze straks een voor een de strot afsnijden, stelletje asociale apen. Mij een beetje belachelijk maken op zo’n belangrijk moment.

Onze monden zochten elkaar. Ik schuurde met mijn koude lippen langs de hare. Wie van ons twee durfde als eerste een tong naar binnen te wurmen. Voorzichtig stak ik het puntje van mijn tong uit, ik raakte haar lip. Ik schrok. Zoveel had ik nog nooit van een meisje gevoeld. Duizend en een voorbeelden uit films schoten door mijn hoofd. Moest ik mijn hand nu op haar billen leggen of volstond een kleine aai over haar rug? Wat voor type was het eigenlijk? Moest ik hardhandig al in haar broek alvorens ik überhaupt nog maar een kus had gegeven of was ze meer het lieflijke type dat het rustig aan wilde doen? Stond ik niet gigantisch voor lul? Erg veel tijd om na te denken had ik niet. Met veel geweld propte ze haar tong in mijn mond en begon als een koe in het rond te draaien. Haar tong kwam diep in mijn gehemelte, maar ik kon het fatsoen nog houden om niet te kotsen. Ik voelde haar hand tussen mijn benen. Ze was bezig mijn pik te masseren, geen onprettig gevoel. Alleen dat oeverloos gedraai met haar tong! Ik werd er horendol van. En lang dat het duurde! Toen de geil geworden mondhygiëniste klaar was met de behandeling, duwde ze me ruw van zich af. Haar ogen draaiden omhoog en ze likte haar lippen.

Kan ik naar binnen?’ vroeg ik ijskoud.
Ik wachtte het antwoord niet af, stapte de kroeg in, wierp mijn vrienden een venijnige blik toe en bestelde een halve liter bier en dronk die in een teug leeg.

• • •
 

Rotkop

Filed under: Publicaties voor FOK! - overig — bazbo @ 01:00

Veel tijd om uit te praten kreeg deze specialist niet. Ik was al opgestaan en naar hem toegelopen. Voor hij het wist, had ik hem al een enorme ram voor zijn kop gegeven.

“Mevrouw, dit kan echt niet!” probeerde hij zich nog te verweren.
“Het kan wél!” gilde ik. “Kijk maar!” Met mijn vlakke hand gaf ik hem een ferme pets tegen zijn wang.
Hij probeerde op te staan om de telefoon te pakken, maar ik was hem voor. Met een handige beweging schoof ik het ding van zijn bureau. Het viel met veel lawaai op de grond.
“Ik begrijp uw teleurstelling over de uitslag van het onderzoek,” piepte de arts. “Maar u zou toch niet willen dat ik u een rooskleuriger toekomstbeeld zou voorschetsen als dat niet waar is?”
“Klootzak,” siste ik. “Ik ben potdomme net terug van vakantie. Je helpt mijn roes helemaal naar z’n grootje met je vuile leugens!”
“Mevrouw, de diagnose is hard en ik kan mij uw ontreddering helemaal voorstellen.” Hij had een tand door zijn lip. “Maar …”
“Dat kun je niet!” Mijn stem sloeg ervan over.
Whaakkkkkk! Nu gaf ik hem een beuk in zijn buik. Hij klapte dubbel. Alsof er een kerstbelletje rinkelde braken zijn tanden toen hij met zijn gezicht op zijn notenhouten bureau klapte. Ik maakte van de gelegenheid gebruik om me uit de voeten te maken.

Links de gang op. Langs de desk van de assistente, waar je een vervolgafspraak kunt maken. Mooi niet! Dan weer rechts. Daar zijn liften. Ik kende de weg ondertussen. Hoe vaak was ik hier nu al geweest de afgelopen maanden en vooral weken? Veel te vaak.
Ik rende een lift binnen, die op het punt stond om te vertrekken naar boven. Het leek potdomme wel een film. Net toen de deuren dicht gingen, kwam ik er aan. Ik stak mijn gladgeschoren been tussen de deuren en toen kon ik naar binnen. In de lift stonden allerlei mensen die ik in mijn hele leven niet zou hebben willen ontmoeten. We gingen met z’n allen met ons gezicht naar de deur staan kijken. Wat een idiote diersoort zijn we eigenlijk.

Drie verdiepingen hoger schoven de deuren weer open. Hier moest ik zijn. Hier was ze. Of niet?
Echt zeker weten deed ik het niet. Op welke afdeling werkte ze nou? En was het de linnenkamer of de klysmazuighelpdesk? Verdomme, hoe ik ook piekerde en zocht, ik wist het niet meer.
Ik stopte met rennen. Slaan moest ik, en niemand in de buurt. Hier, een leeg stukje muur. Nee, niet met een vuist, maar met de vlakke hand. Whapp. Au. Een muur is hard. Een menselijk gezicht slaat veel prettiger. Snel holde ik verder de gang door.
Ik kwam langs allerlei kantoren. Niet veel later was ik aan het eind van de gang en ik gokte dat ik er moest zijn. Mijn gissing was raak.

Daar stond Jasmijn, in haar vlotte verpleegstersuniform. Ik bleef rennen en viel in haar armen. Ze omhelsde me liefdevol.
“Stil maar, meisje,” fluisterde ze in mijn oor. “Wat is er?” Ze wist dat ik een dezer dagen hier in het ziekenhuis zou zijn voor de uitslag van mijn onderzoeken.
Ik zei niets, begroef me in haar armen en begon met twee vuisten op haar in te slaan. Haar greep om mij heen verstevigde zich. Mijn slagen werden slapper.
“Kom Pris,” zei Jasmijn. Ze pakte mijn hoofd beet en trok het van haar schouder weg. Ze keek me diep in mijn ogen. “Welkom terug op aarde.”
Ik haalde mijn schouders op en deed niet eens moeite om mijn tranen te verbergen.
“Och meisje,” zei ze. Haar handen maakten ondertussen zachte bewegingen over mijn rug en billen. Langzaam bracht ze haar mond naar die van mij.
We kusten lang en wild. Mijn lippen begonnen pijn te doen. Toen ik het écht niet meer volhield, gleed Jasmijns tong ineens langs mijn hals naar beneden. Het was lekker om haar vochtigheid in mijn decolleteetje te voelen kronkelen. Ondertussen was ze wat neergeknield en streelden haar handen mijn bovenbenen. Ik had alleen maar een luchtig jurkje aan. Het was mooi weer en mijn herinneringen aan het hete Turkije wilde ik nog even actueel houden.

Ik voelde hoe haar vingers langs mijn benen omhoog gleden en op zoek waren naar het boordje van mijn slip. Handig trokken ze die naar beneden, over mijn dijen heen. Plotseling lag haar tongetje op mijn knieën en lebberde het zich een weg naar boven. God, wat werd ik heet. Ik pakte haar hoofd bij haar lange haren beet en trok het in de richting van mijn warmte. Als snel kringelde haar tong langs gevoelige plekjes. Het ging maar door en door. Ik stond op het punt van hoogte.
“Jammer dat er geen lekkere kerel bij is,” hield Jasmijn ineens op. “Het zou wel fijn zijn als we zo’n kloppende zwelling tot onze beschikking hadden.”
Ik wist niet eens goed waarom ik afhaakte. Ruw duwde ik mijn beste vriendin van mij af.

“Wat heb jij toch de laatste tijd, Pris?” hijgde Jasmijn, die nog altijd op haar knieën lag.
“Er is écht iets niet goed in mijn hoofd,” was wat ik kon uitbrengen.
“Joh, je hebt wat koppijn,” zei ze. “En voor de rest ben je net zo knetter van seks als ik.”
Wist zij veel. Wist ik veel. Ik wist in ieder geval helemáál niet meer wat ik deed. Haar grapje maakte me furieus. Ik vouwde mijn vingers in elkaar en hief mijn handen omhoog. Met enorme kracht liet ik mijn knokkels op haar hoofd terecht komen. Ze viel onmiddellijk opzij. Bloed liep vanuit haar kruin naar onderen.
“Godver, Pris, waar is dat nou voor nodig?”
“Je maakt me woest, Jasmijn,” zei ik. Ik haalde uit en schopte haar midden in haar gezicht. Ze had een bloedneus. “Meer?” vroeg ik.
“Nee, hou op!”
“Kappen dan!”
“Waarmee, Pris? Jij zocht mij toch op?”
“Niet waar!” gilde ik. “Jij zit me overal en altijd op mijn lip! Met je geile lijf! Om mij jaloers te maken!”
Ik draaide me om en liep weg.
“Pris? Waar héb je het over?” vroeg Jasmijn.
Ik gaf geen antwoord. Ik hád ook geen antwoord.

Buiten deed de zon pijn aan mijn ogen. Ik liep. Waar zou ik ’s heengaan? Nergens. Gewoon lopen. En wat deed ik in de tussentijd? Ging ik het café in? Ik herinner me het niet goed. Helder denken was er niet bij, en ik had niet eens gezopen. Waar moest ik trouwens heen? Ik had geen zin in gezeik aan mijn kop. Gelukkig vond ik na lange tijd het studentenhuis waar ik nog steeds woon. Ik was er al lang niet geweest, maar vond op de tast mijn kamer.
Ik duwde de deur open en liep naar mijn kamer. Zelfverzekerd deed ik de deur achter me op slot. Op datzelfde moment overviel de vermoeidheid me. Ik deed twee stappen en liet mijn schouders hangen. Naast mijn voordeur hangt een grote spiegel. Ik keek erin.

Echt helder beeld had ik niet. Mijn ogen stonden immers vol met traanvocht.
Ik weet dat ik niet de mooiste van de klas ben. Toch ben ik niet ontevreden over mijn uiterlijk. Mannen knappen niet snel af op mijn lichaam; je kunt er fijne dingen mee doen. Ach, en dat ik dan mijn heupen soms wat te breed vind, of mijn tietjes te klein, wie ligt daar dan wakker van? Wat een leuk fris kapsel heb ik toch. Mijn haar is flexibel: ik kan ermee doen wat ik wil. Of ik het nu plat of omhoog gestyled wil; alles kan. Ik heb een vriendelijk gezichtje en ben trots op mijn mooie ogen. Met wat mascara verleiden ze iedere kerel die ik wil.
“Nee, het echte afstotelijke van mij zit van binnen,” moest ik zuchten.
En daar was-ie weer: de onhoudbare druk op mijn hersenen, die mijn ogen bijna deed uitpuilen. De allesoverbodigmakende pijn in mijn bovenkamer, die de spieren in mijn hele lichaam liet verslappen.
Ik boog mijn hoofd naar mijn borst en viel naar voren. De klap tegen de spiegel deed niet eens zeer. Er vielen scherven op de grond en ik voelde een straaltje bloed vanuit een wenkbrauw in mijn oog stromen. Terwijl ik door mijn knieën zakte, wierp ik door mijn tranen heen nog één blik in de gebarsten spiegel. Je kon het van buiten niet zien, maar in mijn hoofd is er iets vreselijk mis, en ik ben de enige die dat kan zien.
“Wat een rótkop.”

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

29-07-2008

Courgettesoep

Filed under: Gastronomie - Gastronomy — bazbo @ 21:26

Met dit mooie weer groeien courgettes als kool. (Kool?)
Een fijne soep voor warme dagen. Lekker met stokbrood.

Eet smakelijk!

Ingrediënten:

1 – 2 uien
4 courgettes
boter
1 liter bouillon
4 eieren
200g parmezaanse kaas
peterselie
basilicum
peper
zout
eventueel: spekjes

Pel de uien en hak ze fijn.
Snijd het kopje en kontje van de courgettes en snijd ze in stukken.
Bak de spekjes uit in een koekenpan. Laat ze uitlekken op keukenpapier.
Bak de uien in de boter glazig en voeg de courgettes toe. Bak alles glazig.
Voeg dan de bouillon toe en breng aan de kook. Laat alles 20 minuten koken.

Breek de eieren en doe ze in een kom. Roer ze los.
Rasp de parmezaanse kaas en doe deze erbij.
Voeg de basilicum en peterselie toe en roer alles goed door elkaar.

Pureer de soep.
Doe de uitgebakken spekjes in de soep en verwarm het geheel nog even goed.
Doe het vuur onder de pan uit en giet het eiermengsel door de soep.
Roer het goed door.
Breng de soep op smaak met peper en zout.

Tip: wil je een vegetarische versie, laat dan de spekjes weg en gebruik groentebouillon.
Tip2: wil je meer ‘bite’, doe dan rauwe rode paprikablokjes in de soep vlak voor het serveren.

Eet ze, weer!

Zet alle ingrediënten klaar.Pel de ui en hak hem fijn.Snijd de courgettes in stukken.Bak de uien in een pan en doe er de courgettes bij. Bak alles glazig.Bak de spekjes uit in een koekenpan.Laat alles rustig pruttelen.Doe 1 liter bouillon in de pan.Rasp de parmezaanse kaas.Doe de eieren in een kom en klop ze los.Voeg de parmezaanse kaas toe.Doe de peterselie en basilicum erbij.Roer alles goed door elkaar.Pureer de soep.Doe de uitgebakken spekjes bij de soep en verwarm alles goed.Doe het vuur onder de pan uit en voeg het eiermengsel toe.Roer alles goed door en breng op smaak met zout en peper.Eet smakelijk!

• • •
 

27-07-2008

The FoolZ – Bluescafé, Apeldoorn – July 25, 2008

Filed under: FoolZ — bazbo @ 16:40

The FoolZ ‘at home’ in the Bluescafé in Apeldoorn. This time with special guest Thomas (from Leipzig) on mouth harp during a few tunes.

The FoolZ - Bluescafé, Apeldoorn - July 25, 2008

Cynthia & ModifiedDogfriend & Martijnfriend & Emilefriend Martijn & friendEdje & friendThe FoolZ - Bluescafé, Apeldoorn - July 25, 2008Wan at the Hammon Organke & LexThe FoolZ - Bluescafé, Apeldoorn - July 25, 2008Lex & RemcoWan at the Hammon OrganLex & Remcoke Lex & RemcoThomas - special guestCynthia & au3Martijn (Tinus) & EmileEd - Edje Blij!Paulu$ & hidihiWanErwin & PedroWanLex Erwin Remco & PedroErwinWan at the Hammon OrganPedroWan ke Lex & Remcoke Lex Remco Erwin & PedroPedroRemcoWan at the Hammon OrganErwin & Pedro - “Ow ow ow!”Wan’s handskeke in full motionkePedroErwinLex Remco & ErwinThomas & LexThomas - special guestErwin & PedroWanThomas - special guestWan ke Lex RemcoThomas ke Lex & RemcoThomas - special guestWanke Thomas & LexLex & Remcoke Thomas & LexThomas - special guestke Lex Remco & PedroRemcokeThomasWan ke & ThomasWanke & LexWan & keke & RemcoRemco playing his final chords - view from outsideCynthia Remco & BillyCynthia Remco’s shirt & Billybazbo’s late night dish - kebab and cheeseBilly finished his dish

Youtube:

01 Sofa

02 Blessed Relief

03 Take Your Clothes Off When You Dance

04 I Don’t Wanna Get Drafted

05 Bazboomled By Love (with special guest Thomas on mouth harp)

06 Cosmik Debris (with a disfunctioning wah wah pedal on the viola)

07  Suicide Chump (with special guest Thomas on mouth harp)

Thomas - special guest

• • •
 

24-07-2008

Vreemd

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 07:26

Ik word wakker. Naast mij piept iets. Ik doe mijn ogen open en draai me om naar het geluid. Het komt uit een zwart kastje. Het kastje heeft een soort schermpje, waarin rode streepjes bepaalde symbolen vormen. Ik strek een deel van mijzelf uit en duw op een knopje bovenop het kastje. Het gepiep houdt op.

Ik voel beweging aan mijn andere kant. Als ik kijk, zie ik dat er naast mij een levend persoon ligt. Het persoon lijkt op mij: het heeft eenzelfde soort lichaam met een hoofd en ledematen. Toch is er ook verschil. Deze heeft twee bulten vóór op de romp.

Met een zwaai doe ik de lappen van mijn lichaam af. Ik sta op en verlaat de ruimte. Iets in mij weet welke kant ik op moet. Ik kom in een andere ruimte. Aan de muur hangt een glazen plaat met daarachter een soort metalen folie. Het zorgt ervoor dat mijn beeld weerspiegeld wordt en ik mijzelf kan zien. Ik ben een persoon. Op mijn hoofd groeit haar. Bovenop is het lang. Heel lang. Op mijn kin is het kort.

Ik pak een borsteltje met een lange steel. Uit een plastic omhulsel knijp ik wit spul en dat doe ik op de borstel. Dan open ik mijn mond en steek ik de borstel erin. Handig schrob ik de harde botten in mijn mond schoon. Het duurt niet lang of het voelt fris aan.
Als ik aan een metalen knop draai, komt er koud water uit een metalen pijp. Ik spoel mijn mond en maak er mijn gezicht en mijn lichaam mee schoon. Ik vind een doek en droog me ermee af.
In een hoek van de ruimte staat een grote witte buis met een deksel erop. Ik doe het deksel open. Onder aan mijn buik hangt een soort slurf. Die houd ik boven de witte buis. Geel water komt er uit mijn slurf. Dat stroomt in de buis. Na enige tijd is het gele water op en druk ik op een witte knop. Er komt nog meer water over mijn gele water heen en dan is het weg. Terug in de andere ruimte pak ik lappen en doeken en die wikkel ik om mijn lichaam.

Via houten planken loop ik naar beneden. Daar kom ik uit in een veel grotere ruimte. Ik open een grote kist die tegen de muur aan staat en haal daar koud aanvoelende dingen uit. Er komt nog een persoon de ruimte in. Het is een kleiner persoon dan ik. Het maakt geluid. Er komen klanken uit de mond van dit kleine persoon. Die begrijp ik en ik maak klanken terug.
Het kleine persoon pakt allerlei spullen uit houten kisten. Die zet hij op een houten plank die ondersteund wordt door vier rechtopstaande balken. Vervolgens gaat hij zitten op een lagere houten plank. Hij begint wat van die spullen in zijn mond te stoppen. Ik doe hetzelfde. Met behulp van een zwart apparaat heb ik zwart water gemaakt. Het is heet en ik giet voorzichtig kleine scheutjes in mijn mond.

Het kleine persoon staat op. Het stopt wat spullen in een doek die met een metalen sluiting afgesloten wordt. Dan hangt hij de doek op zijn rug. Uit zijn mond komt weer een klank. Mijn mond maakt bijna dezelfde klank. Het kleine persoon draait zich om en verlaat de ruimte.
Ook ik pak wat spullen en doe deze in een doek.

Ik pak de doek op en ga de ruimte uit. Nu is er niets meer boven mijn hoofd behalve de blauwe lucht. Ik loop een klein stukje naar een ander huisje. Uit het huisje haal ik een stalen constructie met twee ronde vormen eronder.
Behendig spring ik erop. Ik beweeg twee onderdelen met mijn voeten in het rond en met mijn handen houd ik mijzelf in evenwicht. Snel schiet ik vooruit.
Kennelijk weet ik waar ik heen moet. Onderweg zie ik meer personen op soortgelijke stalen constructies; anderen zitten in metalen dozen met vier ronde vormen eronder. De een rijdt hard, de ander langzamer. Soms moet ik stoppen omdat ik een lamp tegenkom die een bepaalde kleur heeft.

Ik kom aan bij een stenen gebouw. Daar zet ik mijn voertuig weg en ik loop naar binnen. In een kleine ruimte staat een grijs apparaat. Ik ga erbij zitten. Ik druk op knopjes en kijk naar een schermpje. Dan sta ik op en loop ik naar een andere ruimte. Daar zitten allerlei personen. Sommigen lijken op mij. Anderen hebben bulten. Ze brengen klanken voort. Ik ga erbij zitten en begin ook klanken voort te brengen. Eén persoon pakt een plastic staafje en drukt dat op een vel papier. Op het papier verschijnen tekens. Veel personen gieten zwart water in hun mond. Lange tijd zit ik hier met de andere personen.

Ik sta op en ga naar een kleine ruimte. Daar staat weer zo’n witte buis. Ik open een van de doeken om mijn lichaam en stroop die naar de grond. Dan ga ik op de witte buis zitten. Van achter, uit mijn onderrug, druk ik een donkerbruine substantie naar buiten. Met mijn hand pak ik papier van de muur en daarmee maak ik de opening in mijn onderrug schoon. Met een druk op een knop spoel ik alles met veel water weg.

Ik ga verder met op knopjes drukken en naar het schermpje kijken. Tussendoor haal ik iets uit de doek die ik heb meegenomen. Dat stop ik in mijn mond en slik ik door.
Een flinke tijd ben ik bezig met de knopjes en het schermpje. Ook doe ik van alles met andere personen. Uiteindelijk verlaat iedereen het stenen gebouw. Ik ook. Met de stalen constructie rijd ik terug naar de plek waar ik wakker ben geworden.

Als ik binnen kom, is het persoon dat naast mij lag wakker. Het zet dingen op de grote houten plank. Het kleine persoon is er ook weer. We gaan bij de houten plank zitten. We stoppen de dingen in onze monden. Het is warm. Met de harde botjes in onze mond malen we de warme dingen kapot. We slikken het door.
Als er niets meer op de plank over is, maken we hem schoon. De andere personen gaan naar een scherm kijken dat verderop in een ruimte staat.

Ik loop naar een apparaat met knopjes en een kleiner scherm. Daar ben ik aandachtig mee bezig. Ik stop schijfjes om beurten in een ander apparaat. Als ik een schijfje erin stop, klinken er klanken door de ruimte.

Het kleine persoon staat op en gaat naar boven. De andere persoon heeft kleine bruine glazen gepakt. Er zit bitter vocht in. Dat gieten we in onze mond. Buiten is het donker geworden.
Het andere persoon gaat naar boven. Ik loop achter het persoon aan. In de kleine ruimte laat ik nog wat geel water uit mijn slurf in de witte buis stromen. Ook maak ik de witte botjes in mijn mond schoon. Bij de plek waar ik wakker ben geworden haal ik de doeken van mijn lijf. Ik pak het kleine zwarte kastje en druk op een knopje. Dan ga ik liggen.

Het andere persoon heeft ook de lappen van het lichaam getrokken en gaat naast mij liggen. Ik pak het persoon bij de bulten. Ondertussen is mijn slurf hard geworden. Hij wijst recht vooruit. Ik ga boven op het persoon liggen en duw mijn slurf in een lichaamsopening van de ander. Ik druk hem diep erin, en trek hem dan weer iets terug. Dit herhaal ik een heleboel keer. Dan veranderen we van houding. De ander ademt zwaar. Ik grom. Er druipt vocht op mijn huid. De ander kreunt en begint te trillen. Mijn bewegingen worden ruwer. Er komt iets omhoog, een bepaald gevoel, een idee, dat ik niet meer kan tegenhouden. Dan spuit er iets uit mijn slurf in de ander en krijg ik een paar steken van volledige bevrijding door mijn hele lichaam. Ik schud en schok. Dan stop ik met bewegen. Ik voel mij prettig, verzadigd en ook erg moe. Ik doe mijn ogen dicht. Het andere persoon ook. Om mij heen is het donker.
Angstig wacht ik op wat er verder komen gaat.


Apeldoorn, juli 2008

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 
« Vorige paginaVolgende pagina »