bazbo – de wereld van Bas Langereis, het middelpunt der aarde

Bas Langereis leest u voor!

20-07-2008

Weekend Maastricht – July 19&20, 2008

Filed under: Fotogalerij 2007-2009 — bazbo @ 22:39

Maastricht

On our way to Maastricht - sms'ing with BillyMaastrichtMaastrichtLuuk & E outside café Falstaff - with lots of ErdingerBilly, Luuk & EE & Ethell, outside café FalstaffBilly, E & Luuk inside café FalstaffE & Luuk in FalstaffBillyE & Luuk in FalstaffCafé Falstaff in Maastrichtsoepie voorafLuuk & BillybazbobazboLuuk & Billy having a good timebazbo's dinner - zuurvleesE & LuukZuurvleesBilly and Ethell enjoying zuurvleesBilly and Ethell having coffeeMaastrichtMaastrichtMaastrichtEthell and Billy in the bus on our way to their houseLuuk in Billy's and Ethell's house - watching tvWatching the Zappanale 2006 DVD in Billy's and Ethell's house - Watch the rubber chicken onstage!Sunday July 20 - ValkenburgValkenburgtime for some coffee and beer: Ethell & BillyEthell & Billy in the Irish pubE, Ethell, Billy and LuukValkenburgValkenburgValkenburgValkenburgA break in UtrechtWitte TrappistBack in Apeldoorn - Luuk having dinner - shoarma HawaiE having dinnerbazbo's dinner - köfte with cheese!

• • •
 

17-07-2008

Voeten

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 07:17

Vanuit de opening van de keukendeur klinkt muziek. David Sylvian zingt: “It’s a wonderful world.” Hij heeft gelijk.
Ik lig onderuit in een tuinstoel. Naast mij, op de terrastafel, staat een halfvol flesje Dommelsch bier. Ernaast liggen twee kranten van vandaag. Het is stil in de tuin. Iets verderop, op het kleine stukje gras, staat de hangmat. De tuin wordt afgescheiden van de buren door een schutting. Achterin de tuin staan coniferen. Daarachter weer, in de gemeentetuin, staat een hoge esdoorn. Die geeft meestal veel schaduw, maar nu is de zon erachter vandaan gedraaid. Eerder klonken de laatste platen van Ry Cooder en Steve Winwood. In de lucht vliegt een vliegtuig. Met witte strepen erachteraan. In de boom zit een ekster, die krast. De lage zon schijnt fel in mijn ogen.

Mijn voeten liggen op een krukje. De linker ligt over de rechter. Ik kijk. Wat mooi. Het avondzonlicht valt op mijn voetjes. De tenen zijn licht. Het wordt tijd dat ik mijn teennagels weer eens knip, zie ik. Grappig; ik zie alle tenen, behalve de kleintjes van iedere voet, want die zitten verstopt achter mijn sandalen.
Het verhaal gaat dat mannen met grote voeten ook een grote piemel hebben. Ik heb net maatje eenenveertig en ben niet ontevreden over mijn orgaan. De pot op met die kroegwijsheden.

Ik draag Teva’s. Afgelopen september heb ik nieuwe gekocht. Ik loop hele zomers op sandalen en dan heb ik geen sokken aan. Zin in een mal verhaal? Ik heb een jaarlijkse weddenschap met een goede kennis van mij die in Oostenrijk woont; in de buurt van Wenen. We doen de wedstrijd wie als eerste in het seizoen zijn sokken en schoenen uittrekt en sandalen gaat dragen, en wie het ’t langste volhoudt. Hij is altijd de eerste; begin april meldt hij mij dat hij al op blote voeten in sandalen loopt. Ik win als het gaat om de lengte van de tijd. In september kan het al erg koud zijn in Wenen; ik loop vaak tot eind oktober of begin november nog op mijn sandalen.
Het zijn mooie Teva’s van het allernieuwste model. Ze lopen geweldig, alleen krijg je er enorme zweetpoten in. Zolang je ze aanhebt, merk je daar niets van, maar als je ze ’s avonds uittrekt, moet je alle ramen en deuren opzetten. Ikzelf zet ze buiten onder de carpoort.
Als ik ze uit zou trekken, dan heb ik ‘zebravoeten’. Er zitten witte strepen op mijn voeten, daar waar de bandjes van mijn sandalen hebben gezeten. Vanaf koninginnedag heb ik al volop in de zon gelopen, dus zou je het ook anders kunnen zien: ik heb bruingebronsde plekken op mijn wreef.

Er zitten haartjes op de bovenzijde van mijn voeten. Donkere, bijna zwarte haartjes. Ik heb nogal wat haar over mijn hele lichaam en dus ook op mijn voeten. Mijn broekspijpen zijn wat omhoog gestroopt, zodat ik ook een deel van mijn onderbenen zie. Ik krijg zin om mijn eigen voeten te strelen, maar ik laat ze even lekker liggen nog. Raar is dat, als ik mijn eigen voeten beetpak of streel, dan voelt dat veilig en vertrouwd; doet een ander het – vrouwlief bijvoorbeeld – , dan kietelt het en wil ik ze meteen wegtrekken. Er is één bepaald plekje op mijn voetzool en als je dat aanraakt, dan krijg ik een ferme erectie.
Op het terras komt een merel aanhippen. Hij is bijna onder het krukje waarop mijn voeten liggen. Even kijkt hij mij aan, zijn kopje schuin omhoog. Dan springt hij weer weg.

Mijn voeten hebben in de afgelopen drieënveertig jaar al heel wat kilometers afgelegd. Hoe ver zou een gemiddeld mens tijdens zijn leven lopen? Hoeveel keer heb ik de wereld al rondgesjouwd?
Als tiener zat ik bij scouting en hielden we lange wandeltochten. Zo’n hike zorgde vaak voor blaren op mijn tere tenen en zolen.
In allerlei Europese landen en steden heb ik voetstappen gezet: Zwitserland, Oostenrijk, Praag, de Algarve in Portugal, Parijs, rondom Hull en de omgeving van Bath in Engeland, op heel veel Duitse plekken, in verschillende steden in België, en als hoogtepunt het schitterende Istanbul. Ook in eigen land, hoor. Op het strand aan zee, in bossen en velden, en in de meeste steden en plaatsen.
Nog altijd loop ik veel. Dat krijg je als je geen auto hebt. Die paar boodschapjes haal ik lopend bij de super op de hoek. Ook op de trappers van mijn fiets zijn die voeten van mij vaak te vinden.

“Wat heb jij een zielige voeten,” zei ooit eens een meisje tegen mij. Ik wist gelijk dat het met haar wel nooit echt iets zou worden. Niet dat ik dat verwachtte, hoor. Want ik was veel te oud voor haar. Zelf had ze overigens lange smalle voeten met opvallend lange tenen. Toen ik dáár wat van zei, bleek dat ze ook figuurlijk lange tenen had. “Jij bent ook snel op je teentjes getrapt,” was mijn flauwe grapje. Ze keek me aan met bliksemschichten in haar ogen, draaide zich toen om en maakte zich uit de voeten. Haar achterkant bleef wel leuk om naar te kijken.

Nog heel even en dan komen de vleermuisjes. ’s Avonds in de schemering vliegen ze rond en tussen de woningen. Het zijn er drie. Vorig jaar nog twee, nu drie. Niet groter dan tien centimeter zijn ze. Razendsnel fladderen ze door de tuin. Dat ze nergens tegenop botsen, mag een wonder heten. Het wonder heet sonar, weet ik. Ik heb wel eens geprobeerd om ze in hun vlucht te fotograferen, maar moest achteraf bijna honderd foto’s van een lege lucht wissen.

Vroeger kon ik mijn grote tenen in mijn mond stoppen. Waar het voor nodig was, weet ik niet meer. Ik beet geen nagels. Tegenwoordig ben ik niet meer zo lenig. Bovendien zit mijn buikje in de weg. Ik heb ook helemaal geen zin om het uit te proberen. Of ik het nog steeds zou kunnen. Het liefst blijf ik nog even zo onderuit hangen. Straks sta ik wel op. Dan ga ik de tuin besproeien. De tomaatjes, komkommers en courgettes hebben dringend water nodig. Erna pak ik een nieuw biertje en ga ik weer zitten met mijn voeten op het krukje. De linker over de rechter. Kijk ze nou eens liggen.

“It’s a wonderful world,” klinkt de stem van David Sylvian nog steeds. Ik heb bijna tranen in mijn ogen.
Wat een mooie voeten heb ik, zeg. Raar, maar ik krijg een beetje harde plasser van mijn gedachten. Ik ben helemaal weg van mijn voeten. Ik ben voetverliefd.

Apeldoorn, juli 2008

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

16-07-2008

Kookles – July 16, 2008 – Spaghetti in tomatensaus

Filed under: Luuk = Lekker — bazbo @ 22:48

Rasp de parmezaanse kaas en serveer die naast je bord.

Eenvoudig én gezond:

Ingrediënten:

500g rundergehakt
25g bakboter
1 grote ui
1 paprika
(andere groente; ik had nog wat prei)
1 pakje gezeefde tomaten
1 bouillonblokje
oregano
basilicum
BigTonysaus
spaghetti
zonnebloemolie
parmezaanse kaas

Snipper de ui en snijd de paprika en andere groente fijn.
Bak het gehakt rul in de bakboter.
Doe de ui bij het gehakt en bak het even mee. Giet eventueel teveel aan water af.
Voeg de paprika en andere groenten mee en bak mee. Doe oregano en basilicum naar smaak erbij.
Doe dan de gezeefde tomaten erbij en breng zachtjes aan de kook.
Zet ondertussen een pan met ruim water op, doe er een fikse scheut olie in (tegen het plakken) en breng aan de kook. Doe dan de spaghetti erbij en kook volgens de aanwijzingen op de verpakking.
Als de saus kookt, doe er dan het bouillonblokje bij.
Maak de saus af met een scheutje BigTonysaus, of anders heet.
Rasp de parmezaanse kaas en doe die in een schaal(tje).
Als de spaghetti gaar is, giet hem dan af in een vergiet. Sprenkel er nog wat olie overheen en doe het weer terug in de pan.
Zet de pasta en saus op tafel en serveer met de parmezaanse kaas.
Lekker met een frisse komkommersalade.

Eet smakelijk!

Zet alle ingrediënten klaar: rundergehakt, bakboter, ui, paprika, gezeefde tomaten, kruiden, pasta en parmezaanse kaasHak de uien fijn en snijd de paprika in blokjes. Snijd ook de andere groente.Bak het gehakt rul in een ruime pan.Doe dan de uien erbij en bak mee. Ik had ook nog wat prei en dat heb ik ook meegebakken.Voeg ook de paprika toe en bak even mee. Doe dan ruim oregano en wat basilicum erbij.Doe de gezeefde tomaten erbij en breng aan de kook. Doe dan ook het bouillonblokje erbij. Tenslotte de BigTonysaus of andere heetmaker.Kook de pasta gaar volgens de aanwijzingen op de verpakking.Rasp de parmezaanse kaas en serveer die naast je bord.Eet smakelijk!En schep nog eens op!

• • •
 

Nu niet

Filed under: Publicaties voor FOK! - overig — bazbo @ 01:00

Ik zet mijn handtasje neer op het ronde, witte tafeltje naast de roodfluwelen bank en neem plaats. Het zit wel lekker. Ik zak onderuit, raak meteen slaperig, en dwing mezelf wakker te blijven. Met veel moeite probeer ik me te concentreren op de lectuur die voor me ligt uitgespreid. Op de tafel voor me ligt een stapel tijdschriften: Libelle, Autoweek, Yes; sommige wel vijf of zes jaar oud. Ik pak een willekeurig exemplaar van de stapel en laat me door Viva informeren over de bikinitips voor de zomer van 2003. Ik kan mijn aandacht niet houden bij de tekst; ik denk aan alles behalve bikini’s en ik dwing mezelf de bont opgemaakte alinea’s te lezen. Van diep in mijn hoofd komt het bekende gevoel opzetten. Het is de oorzaak waarom ik hier zit, waarom ik steeds vaker mijn werk moet verzuimen, waarom mijn moeder me dagelijks vijf of zes keer begon te bellen. Steeds erger voel ik mijn hartslag bonken, alsof er met elke pomp weer meer bloed mijn hoofd in wordt gestuwd.

“Doenk-doenk-doenk,” doet het in mijn kop. Mijn oren suizen en mijn ogen doen pijn van het felle licht in de ruimte. “Shit, dit moet ophouden!” fluister ik mijzelf toe. Ik leg Viva 32-2003 terug op de stapel en doe mijn ogen dicht. Na een paar minuten zakt de hoofdpijn weer een beetje en ik graai in mijn handtasje. Ik ontvouw het dubbelgevouwen kaartje. Eén regeltje, dat ik de afgelopen weken zo vaak heb gelezen, dat ik het kan dromen. “Dr. W.J. Schonewille, neuroloog, kamer 01.310, 15:30, 4 juli 2008.”

Het duurde vier weken voor meneer Schonewille eindelijk tijd voor me had. Ik ben dat niet gewend; meestal gooi ik gewoon mijn zwoele blik in de strijd, of trek ik een truitje aan waarin mijn bescheiden décolleteetje goed uitkomt, en sta ik bij alle mannen meteen vooraan in de rij. Dit keer niet. Nu niet.
Vandaag heb ik een slobbertrui en een oude, losse spijkerbroek aan en heb ik me maar weinig opgemaakt. Mijn kortgeknipte blonde haar staat sprieterig omhoog. Vier weken, achtentwintig dagen, kan ik al nergens anders meer aan denken. Voor stukken zoals dit verhaal moet ik talloze keren gaan zitten, omdat langer dan tien minuten intensief bezig zijn met iets me al de meest verschrikkelijke kloppingen bezorgt.

Ik laat me achterover zakken in het scharlaken pluche van de sofa en knijp mijn ogen tot streepjes. Door mijn wimpers zie ik de wachtkamer vervaagd, gevlekt, bedekt met een bruinzwarte waas. Het wordt er niet mooier op. Er zitten nog drie mensen. Een jongen van een jaar of vijfentwintig. Normaal zou ik druk naar hem gaan knipogen en heel hinterig doen. Nu niet. Niet meer. Hoewel, de gedachte eraan maakt dat het even warm wordt in mijn schoot. Maar dan valt mijn oog op de andere mensen. Een oude vrouw met grijs haar en een afzichtelijke rok aan, lichtelijk naar urine ruikend. Normaal zou ik afhaken. Nu niet. Een vent van een jaar of zestig, die zich verdiept in een Autoweek. Het is stil, hier, te stil. Niets behalve een heleboel om in stilte over te piekeren, tot die deur opengaat en mijn achternaam wordt geroepen.

Ik ben niet vaak in het ziekenhuis geweest. Een keer, decennia geleden, was ik bij het touwtjespringen ongelukkig gevallen en moesten er in het kinderziekenhuis röntgenfoto’s van mijn onderarm gemaakt worden. Niet veel later moesten mijn amandelen eruit. Verder een paar keer voor een SOA-test. Meer niet. Of het moet bij Jasmijn op bezoek zijn. Zij werkt in het ziekenhuis in mijn woonplaats.
Je zou kunnen zeggen dat ik het nu meteen goed aanpak, hetgeen best verklaarbaar zou zijn uit het feit dat ik doorgaans assertief en doelgericht ben. Maar het soort kwaaltjes dat ik nu heb: je kiest er niet voor. Ik had liever doelgericht mijn baan opgepakt, bot gedaan tegen klanten in de supermarkt, colleg’s op kantoor afgezeken, of assertief gestapt met mijn vriendinnen, maar in plaats daarvan zit ik hier. Te wachten. Dat eeuwige wachten.

De deur gaat open. Ik wil niet dat de zuster mijn naam roept. Ik wil weg. Ik wil 1500 milligram aspirine en mijn bed in. Slapen, dromen over avonturen van vroeger, van voor de hoofdpijn. Dromen van de goede tijd, van Priscilla, het kassameisje, van afhaken, van ballenrammen, overdrijven, stampende seks, van het studentenleven. Van alles waar jullie me inmiddels om kennen. Nu alleen nog als archiefbeelden in mijn nachtelijke strubbelingen. En ik wil vooral ook wakker worden. Honderd keer wakker worden. Wakker worden met glaasjes water. Wakker zijn op lange dagen vol leegte, dat is wat er overblijft nu. Het is vijf over half vier. En ik wil niet dat ze mijn naam roept. Nu niet. Alsjeblieft niet.

“Mevrouw Van Meerendonk?” Ik steek mijn hand moeizaam op, als teken dat ik de gelukkige ben. Dan sta ik op en voel de hoofdpijn onmiddellijk terugkomen. Snel gris ik mijn tasje van de tafel en stop ik mijn mobiele telefoon en het dokterskaartje terug tussen de make-up en prullaria. Langzaam loop ik de wachtkamer uit, de witte gang door, achter de zuster aan, naar kamer 01.310, naar dokter Schonewille, naar duidelijkheid, kop of munt, zwart of wit.
Kamer 310 is wit, zoals alle kamers in dit ziekenhuis. Er staan wat blauwe plastic kuipstoelen, een witte tafel en een glaswand met daarachter de ruimte met het grote apparaat.

Dokter Schonewille heet Wim. Hij is een jaar of veertig en heeft een witte doktersjas aan. Geen bloedvlekken, godzijdank. Daar had ik nachtmerries over. Normaal schat ik mannen direct in op bereidwilligheid, op erotische drang, reacties op avances. Nu niet. Hij geeft me een ferme handdruk en zegt zijn naam. Ik zeg de mijne. Hij heeft, naar zijn zeggen, mijn dossier al doorgelezen en wil meteen beginnen. Ik wil hem, zoals vroeger, een middelvinger geven, een knietje, hem in zijn eigen bloed raspend naar adem laten happen. Maar ik doe niets, niet meer, vergane glorie, times of yesteryear. Ik knik slechts en loop achter hem aan, de deur naast de glaswand door, naar het ronde ding.

Ik krijg kort instructies. Het ding is voor het hele lichaam, maar ik hoef er alleen in voor het deel boven mijn nek. Gelukkig hoef ik dus geen eng blauwgroen onflatteus ziekenhuisding aan.
“Godzijdank, nu nog niet,” denk ik onwillekeurig. Nog zo’n onvervuld schrikbeeld. Ondanks de overheersende angst krijg ik weer hoop. Als al die vooroordelen geen werkelijkheid worden, dan hoeft het niet waar te zijn, dan is er een kans.
Ik krijg van Wim een wit-plastic bekertje half gevuld met water. Snel giet ik het achterover. Dan ga ik liggen op de bedplank.
De dokter vertelt kort wat me te wachten staat. Ik luister maar half en voel mijn hoofd welhaast exploderen. Laat dit zo snel mogelijk voorbij zijn, alsjeblieft.

Ik sluit mijn ogen en word naar achteren geschoven, het ding in. Ik lig maar net of het begint rond te draaien en het lijkt wel of het apparaat aan het flitsen is. Flits-flits-flits, zie ik wit licht of is het mijn kop die raar doet, ogen dicht, “boenk-boenk-boenk” doet mijn hoofd. Wat ziet de dokter nu op de schermen naast de CAT-scan? Welke conclusies trekt hij? Wat als ik hieruit kom? Zoveel vragen. Weken ben ik nu al malend. Er zijn zo weinig antwoorden, tot over een paar minuten. Tot ik hieruit kom en hij kan zeggen wat er aan de hand is. Als hij het al kan zeggen. Tot ik naar huis mag met een potje paracetamolletjes, of direct een nieuwe afspraak mag maken voor, ja, wat? Ik wil het niet weten. Ik ben 24, niet nu, niet nu. Niet nu. De machine stopt met flitsen en licht geven. Langzaam rol ik het claustrofobie-aanjagende hol uit.

Ik knipper met mijn ogen, mijn lange wimpers tegen de onderkant van mijn ogen slaand, en kom overeind. “Boenk-boenk-boenk,” doet mijn hoofd nog steeds, en nog steeds en steeds erger. Elke dag weer meer, en minder hoop. De witte zuster geeft me dit keer iets te drinken, maar ik kan nu niets hebben.
“Nee dank je,” sla ik het af.
De deur opent zich en de dokter komt naar binnen. Hij werpt een korte blik op zijn papieren, en kijkt me aan. Zijn gelaatsuitdrukking is verzwaard, alsof er in een kamer hiernaast een doodgeboren kindje ter wereld is gekomen. Hij staat daar een paar seconden in de deuropening mij aan te staren. Die blik, niet nu, niet op dit moment, alsjeblieft, Wim.

Ik voel mezelf verzwaren, wegglijden. Mijn hoofd spat uit elkaar, alles suist. Dr. Schonewille opent zijn mond en geeft het verlossende woord. “We zijn klaar voor vandaag. De uitslag is over vier weken.” Tenzij het urgent is, dan hoor ik het binnen een paar dagen. Snel werkt het op me in, en ijlings zak ik weg in een land van palmbomen en tequila’s en hangmatten en kokosnoten en grote gespierde mannen in te strakke zwembroekjes. Nu toch echt. Nu wel.

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

14-07-2008

Tranen

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2007 — bazbo @ 14:52

Billy en ik in Duitschland. Altijd lachen. Twee vrienden die alles en tegelijkertijd niets serieus nemen. Een jonge knul (Billy) en een oude vent (ik) die zich overal misdragen. In een supermarkt, bijvoorbeeld.
De doos met shampooflessen was opengescheurd en de inhoud lag nu over de vloer in het gangpad. Ernaast zat een winkelmeisje op haar knieën de flessen weer op te rapen om ze in de schappen te zetten. Billy en ik keken elkaar aan en bedachten ons geen moment. Luid kletsend liepen we dwars door het bergje, de flacons flink van ons af trappend.
Even later stonden we bij de kassa om af te rekenen. Er zat een aardig wichtje aan de andere kant van de band. Ze keek ons met belangstelling aan. “Ja, kassameisje,” zei ik hardop en gewoon in het Nederlands, “nu kun jij wel zo vriendelijk naar ons zitten lachen, maar wij zijn het nog niet vergeten, hoor!”
Buikkrampen en tranen van het lachen. Om de meest misplaatste grappen.

Ik bevind mij in het noordoosten van Duitsland op een heel klein muziekfestival. In het nog geen duizend koppen tellende publiek is Billy ook ergens. Het is al wat later op de zaterdagavond van een zomerse dag in 2002. Om mij heen wordt het langzaam steeds een beetje donkerder. De zon staat op het punt om onder te gaan en de lucht achter het podium is oranjerood. Het is nog steeds mooi weer. Lekker warm; ik loop nog in mijn t-shirt. De voorlaatste act van vanavond staat op het podium. Hoe heten ze ook weer? O ja, ‘The Lewinskys’. Leuke naam.
Ik heb zojuist bier gehaald voor Billy en mijzelf. Ik wring mij naar voren om nog dichter bij het podium te komen. Daar staat mijn held. Hij is te gast bij de band. Mijn held heet Mike Keneally en hij speelt de sterren van de hemel. Allahmachtig, wat een gitaarvirtuoos. Het bandje maakt malle folkpop; liedjes die je meebrult zonder dat je ze ooit eerder gehoord hoeft te hebben.
Ik ben niet zo’n dans- en swingtype. Meestal sta ik bij een concert met mijn voet mee te tikken, of met mijn hoofd op de maat licht op en neer te bewegen. Tenzij het iets is waar ik helemaal in opga. Zoals nu. Er beweegt iets vanuit mijn knieën en heupen. Mijn hoofd begint heen en weer te schudden op het ritme van de muziek. Ik doe mijn ogen dicht en denk aan niets.

Een enorme Hell’s Angel staat schuin voor me. Hij is helemaal gekleed in zwart leer. Zelfs de lap die hij om zin hoofd heeft gebonden, is van donker leder. Hij heeft lang grijzend haar en een pluizige lange baard. Samen met wat andere mensen staat hij te dansen en te headbangen. Af en toe draait hij zich om en kijkt hij lachend het publiek rond. Zijn blik zegt: “Wat een lekkere muziek! Ik ga helemaal uit mijn dak!” Hij kijkt mij in de ogen en heft zijn plastic beker die halfvol bier zit. Ik lach terug en houd mijn beker ook omhoog. Dat is nog best lastig. Hij zit tot de rand vol en er kan een halve liter in. Waarom maken ze geen hengsels aan die dingen?
Een meisje verschijnt van achteren. Ze dringt zich door de kleine mensenmassa heen en duwt ook mij opzij. Dan vliegt ze de Hell’s Angel om de nek. Die draait zich naar haar om, zoent haar en neemt haar in de armen. Ik sta er naar te kijken, terwijl de muziek lekker doordendert. Het meisje is een mooi meisje. Een jaar of twintig oud. Ze heeft lang donkerblond haar, dat slordig krullend tot halverwege haar rug hangt. Twee blauwe ogen in een fris gezichtje. Ze draagt een bruin hemdje en een wijdvallende legergroene broek. Haar blote voeten in teenslippers zijn zwart van het zand. Aan haar polsen hangen armbanden en om haar hals een stuk of wat kettingen. En ze lacht. Vaak en veel. Ik vind het leuk om naar haar te kijken. Ze staat met de Hell’s Angel te dansen en te lachen. De Hell’s Angel draait zich weer om naar mij. In zijn hand heeft hij zijn plastic beker, die nu leeg is. Hij lacht weer naar mij en komt op mij af.
“Das ist meine Tochter!” brult hij in mijn oor.
“Ein hübsches Mädchen!” roep ik naar hem. Hij blijft lachen.
Het meisje komt naar mij toe en slaat een arm om mijn nek. “Ich bin besoffen!” gilt ze.
“Das macht nichts,” zeg ik, maar ik ben bang dat het te zacht is. Mijn Duits is niet best. Ik kan het goed verstaan, maar spreken lukt me maar moeizaam. Vier jaren Duits aan de middelbare school: veel is er niet van blijven hangen.
Ze wijst naar mijn bier. Wat bedoelt ze? Ineens pakt ze de beker uit mijn hand en brengt die naar haar mond.
“Oké?” vraagt ze. Ik knik vriendelijk. Ze neemt een fikse teug en geeft mij mijn beker weer terug. Dan komt ze dichterbij en geeft me een kusje op mijn wang. Ik bloos. Ze lacht en gaat weer bij haar vader staan. Ik kijk haar na. Ze ziet er leuk uit. Dan richt ik mijn aandacht weer op het podium. Billy komt langs.
“Goed hè¨?” roept hij. “Wat een pretband!”
Ik knik met wijd open ogen. “Jaaaaa! Fantastische feestmuziek!”
We staan een minuut of wat samen te headbangen.
“Ik ga nog even wat meer daarginds staan!” zegt Billy. Ik vind het oké en hij is weg. De muziek op het podium gaat nog lekker door.
Ineens tikt er naast mij iemand op mijn schouder. Het is het meisje weer. Ze wijst weer op mijn beker bier. Ik vind het best. Ze neemt opnieuw een ferme slok en geeft de beker weer terug. Ik krijg weer een kus. Ze blijft even naast mij staan. Ik lach naar haar. Ze heeft een lief lachje en mooie ogen.
Ik kijk weer naar het podium en neem een slokje. Mijn zicht is niet helemaal helder. Toch heb ik niet zoveel gedronken. Het zullen al deze indrukken wel zijn.
Opnieuw een arm om me heen en een hand die mijn beker pakt. Daarna weer twee lippen op mijn wang. Ze lacht opnieuw en blijft naast me staan. Ik wil haar niet steeds staan aangapen en kijk naar Mike Keneally die een zoveelste uit-je-dak-partij staat te gieren.

Ineens denk ik aan thuis. Aan mijn gezin. Aan mijn fantastische vrouw die nu alleen thuis zit met mijn zoon. Aan mijn zoon die ondertussen zo groot wordt, en die ondanks zijn ontwikkelingsstoornis uitgroeit tot een geweldig leuke knul. Aan de beste vriendin van mijn vrouw, die een afschuwelijke ziekte heeft en binnenkort zal doodgaan. Aan mijn eigen moeder, die ook al een tijd ziek is en veel dingen niet meer kan. Aan mijn vader, die er alles aan doet om haar goed te verzorgen.
Ik knijp mijn ogen even stijf dicht, in een poging om dit alles ook weer te vergeten. Dan doe ik ze weer open en ik kijk.

Ik kijk naar het podium, waarachter de mooiste zonsondergang gaande is die ik ooit heb gezien. Op dat podium staat mijn grote held een waanzinnige gitaarsolo te spelen. Ik kijk om mij heen en zie zoveel plezier. Zoveel mensen die in zomerse kleren staan te swingen en te lachen. Ik kijk naar Billy, die iets verderop staat. Ook hij heeft het naar zijn zin. Hij ziet mij en heft zijn plastic beker; ik zie hem en doe hetzelfde. Ik kijk voor mij en zie de Hell’s Angel die met allerlei mensen om zich heen staat te dansen. Ik kijk naast mij en zie het mooie meisje dat mijn beker weer heeft gepakt en die met een grote slok leegdrinkt. Ze legt haar arm om mijn nek en ik krijg weer een kusje op mijn wang.
En ineens komen de tranen.
Het meisje kijkt mij aan en moet lachen. Ze zegt iets dat ik niet hoor. Met een hand veegt ze het vocht van mijn wangen. Dan slaat ze beide armen om mijn nek en ze drukt zich tegen mij aan. Ze ruikt lekker. Haar lichaam is warm en haar lippen op mijn wang zijn zacht.

Ik heb kippenvel en ik ben volmaakt gelukkig.

Apeldoorn, september 2007

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Rituelen

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2007 — bazbo @ 14:51

“PIEP! PIEP! PIEP!” zegt de wekker. Ik draai me om naar het nachtkastje en druk op de grote knop. Het apparaatje is stil. Ik doe mijn ogen iets open om te kijken hoe laat of het is. Het is 05.45 uur. Ik sluit mijn ogen en val opnieuw in slaap.
“PIEP! PIEP! PIEP!” zegt de wekker weer. Ik open mijn ogen opnieuw en druk het schuifknopje van het apparaatje van me af. Nu staat hij echt uit. Het is 05.54 uur. Met een zwaai trek ik het dekbed van mij af. Ik ga zitten op de rand van het bed en sta op. Zachtjes loop ik de overloop op. Ik ga de badkamer in, maar doe het licht niet aan. De toiletbril is al naar beneden. Ik ga zitten en plas. Dan sta ik weer op en ga over de overloop in de richting van de trap. De houten treden voelen koud aan mijn blote voeten.
In de keuken doe ik het licht boven het aanrecht aan. Ik pak het waterreservoir van de Senseomachine af en vul hem onder de kraan. Ik druk op de grote knop om het water op te laten warmen. Ik haal de koffiepadhouder uit de machine en schud de gebruikte pads in het papieren zakje vol groen afval, dat op het aanrecht staat. Dan haal ik de bus met koffierondjes uit het aanrechtkastje, ik doe de houder weer terug in de machine en leg twee pads in de houder. Met een klik open ik de vaatwasser. Ik druk het apparaat uit en trek het bovenste rekje iets naar voren. Ik pak mijn vaste mok met de Swedish Cook van de Muppets uit de vaatwasser. Die mok staat altijd helemaal vooraan. Ik zet hem onder de Senseo. Dan schuif ik het onderste rek van de vaatwasser iets naar buiten. Ik pak de kunststof broodplank en de kaasschaaf, die voor in het bestekmandje staat. Zo kan ik er altijd snel bij. De vaatwasser is altijd op dezelfde vaste manier ingeruimd. Ik leg broodplank en kaasschaaf op het aanrecht. Het lampje van de Senseo knippert niet meer; het water is warm. Ik druk op het knopje met het symbool van twee kopjes koffie. De machine maakt een brommend lawaai.
Ik loop weer naar boven en ga de badkamer in. Ik pak de elektrische tandenborstel en druk er een borsteltje op. Ik knijp wat tandpasta uit de tube op het borsteltje. Dan breng ik het borsteltje in mijn mond en doe ik het apparaat aan. Ik poets mijn tanden. In de wasbak zie ik klodders tandpasta. Die zijn niet van mij. Met mijn natte vinger peuter ik de klodders weg. Na dik twee minuten doe ik de borstel weer uit en ik spoel hem onder de kraan schoon. Ik zet het borsteltje weer in de houder. Vervolgens loop ik naar de douchebak. Ik schuif het douchegordijn opzij en stap in de wasbak. Ik schuif het gordijn achter mij dicht. Met twee ringetjes tegen elkaar aan tegen de muur; zo spettert er geen water op de badkamervloer. Ik doe de warme kraan aan. Daarna draai ik de koudwaterkraan ook open. Ik voel of het water niet te heet of te koud is. Nee, nu is het lekker en ik ga onder de straal staan. Eerst was ik mijn haar en spoel ik het uit. Dan draai ik de douchekop opzij tegen de tegeltjeswand aan. Het water heeft nu de juiste temperatuur; als ik de kraan uitdoe, moet ik straks eerst weer zoeken naar de goede warmte. Ik pak de fles met douchegel en knijp een kwak op mijn handpalm. Ik smeer de gel uit over mijn hele lichaam. Dan draai ik de douchekop weer boven mijn hoofd en spoel het schuim van mijn lijf af. Ik doe de kraan uit, schuif het douchegordijn opzij en pak de grote handdoek. Ik droog eerst mijn haar af, dan mijn gezicht en hals en de voorkant van mijn romp. Vervolgens mijn armen en benen. Ik til een voet op, droog hem af en zet hem op de badkamervloer. Dan til ik mijn andere voet op en droog die af. Tenslotte droog ik mijn rug. Ik hang de handdoek terug op het haakje. Op de overloop hangt het wasrekje en ik haal er een schone onderbroek vanaf. Ik trek hem aan. Als ik de slaapkamer in loop, is het er nog donker. Op de stoel naast ons bed heb ik gisterenavond mijn kleren klaargelegd. Een spijkerbroek en een T-shirt vandaag. Als ik die aanheb, ga ik terug naar de badkamer. Ik borstel mijn haren. Ik peuter wat achtergebleven haren uit de borstel en gooi die in de toiletpot. Ik was mijn handen en ga naar beneden. Ik doe het luik in het trapgat achter mij dicht, zodat mijn slapende gezin geen last van mij heeft.
In de keuken neem ik een slok koffie. Dan loop ik door de woonkamer naar het halletje. Daar staat mijn tas. Ik pak hem op, ga ermee naar de woonkamer en zet hem op de driezitsbank. Ik open de tas en haal de broodtrommel eruit. Die leg ik naast de tas op de bank. Dan draai ik mij om naar de kast met de muziek erin. Ik kies vier cd’s uit. Voor sommige moet ik even op het kleine trapje staan om ze helemaal van de bovenste plank af te halen. Ik stop de cd’s in mijn tas. Ik haal de krant van eergisteren uit de tas en leg die op de salontafel. Bij de salontafel staan de schoenen van mijn zoon. Met mijn voet duw ik de schoenen onder de tafel, zodat ik er niet over kan struikelen. Ik pak de krant van gisteren van de salontafel en stop die in de tas. Met de broodtrommel in mijn hand loop ik weer naar de keuken. Ik leg de broodtrommel op het aanrecht. Uit de diepvries haal ik vier sneeën donker brood. Ik pak de kaas uit de koelkast. Met de kaasschaaf snijd ik stukken harde korst van de homp. Ik zie kroonkurken op het aanrecht liggen. Zuchtend pak ik ze op en wil ze weggooien, samen met de kaaskorsten. Ik open de prullenbak. “Verhip, die vuilniszak zit niet goed in de bak. Er zit veel lucht tussen de zak en de bak, zodat er bijna niets in kan.” Ik maak de zak los van de rand en druk de lucht tussen de zak en de bak uit. Nu kan er weer veel afval in. Met de kaasschaaf snijd ik plakken kaas. Ik pak ook sla, komkommer en tomaat. De boterhammen beleg ik met de kaas en het groenvoer. Ik stop alles in mijn broodtrommel. Ik neem nog een slok koffie. Als ik naar de woonkamer ga, neem ik de broodtrommel en de koffie mee. Ik zet de mok op het bureau naast de computer. Ik doe de broodtrommel in mijn tas en rits die dicht.
Terug bij de computer. Ik druk het beeldscherm aan. Dan open ik de mailbox. Geen nieuwe berichten. Ik open het tabblad van FOK! en controleer of er nieuwe reacties bij mijn column staan. In het forum voor columnisten kijk ik naar de laatste posts. Ondertussen drink ik mijn koffie verder op. Ik kijk of de downloads binnen zijn. Na de laatste teug sta ik op en doe ik het beeldscherm uit.
Ik ga naar de hal en doe de deur van het toilet open. Ik knoop mijn broek los en stroop hem naar beneden. Zachtjes ga ik zitten op de bril.
“Shit, de wc-rol hangt verkeerd om.” Ik haal de rol van de houder en draai hem om. “Het eerste velletje moet naar mij toe hangen, zodat ik hem meteen kan grijpen als ik hem nodig heb.” De afvalstoffen verlaten mijn lichaam.

“Alles moet altijd hetzelfde gaan. Waar ben ik in het leven zonder rituelen? Als ik alles volgens een vaste volgorde doe, alles op dezelfde manier, alles automatisch, dan hoef ik niet meer na te denken over de eenvoudigste handelingen in mijn leven. Een gestructureerd bestaan geeft me duidelijkheid, overzicht en rust. Rust in mijn hoofd. Waarom zou ik nadenken over dagelijkse handelingen als ik ze ook automatisch kan doen? Het geeft me de ruimte in mijn kop voor andere, belangrijker zaken. Maar dan moet iedereen wel meewerken. En de afwas een beetje netjes stapelen. Zo’n vaatwasser bouw je van achteren naar voren vol. De spullen die ik ’s morgens vroeg als eerste nodig heb, de kaasschaaf en mijn vaste mok, die moeten helemaal vooraan staan. Die rol pleepapier moet ook handig hangen, met het eerste velletje naar mij toe. De vuilniszak goed in de bak gedaan. Geen tandpastaklodders in de wasbak. Schoenen wegzetten in de hal en niet bij de salontafel. De kroonkurken niet op het aanrecht, maar in de prullenbak; je hoeft je alleen maar om te draaien en daar staat de vuilnisbak. En het allerergste wat er kan gebeuren is als ik ’s avonds bij het koken het gas wil aansteken. Dan open ik het doosje lucifers en kom tot de verschrikkelijke ontdekking dat iemand gebruikte lucifers heeft teruggestopt in het doosje! Het is maar goed dat ik niet in het bezit ben van een BIJL!!!”

Waarom zit ik hier ineens zo te schreeuwen op het toilet? Ik reinig mijn anus. Als ik opsta, kijk ik niet achter mij in de pot naar wat ik heb achtergelaten. Ik trek door. Dan hijs ik mijn broek op en knoop hem dicht. Terug naar de keuken.
Onderweg kom ik langs de computer. Ik pak de mok van het bureau en neem hem mee. Bij de gootsteen was ik mijn handen. Ik spoel de mok om, zet hem op het aanrecht en ga naar boven. In de slaapkamer leg ik een hand op de schouder van mijn vrouw. “Tot vanavond,” fluister ik. Ze draait zich naar mij toe. Ik geef haar een zoen. Ik wacht geen antwoord af, maar ga weer naar beneden naar de keuken. De klok op de magnetron zegt dat het 06.35 uur is.
De mok vul ik met tomatensap uit de koelkast. Met een teug drink ik de mok voor de helft leeg. Dan ga ik naar de hal. Ik trek mijn sandalen en mijn vest aan. Met een hand voel ik in mijn linkerbroekzak of mijn sleutelbos daar zit. Hij zit er. Met de andere hand controleer ik in mijn rechterbroekzak of mijn strippenkaart erin zit. Hij zit er. Ik loop weer naar de keuken. Met een teug drink ik de mok leeg. Ik spoel hem af onder de kraan en zet hem op het aanrecht. Ik loop terug naar de woonkamer. Bij de bank pak ik mijn tas en hang die over mijn schouder. Ik ga naar de hal en doe de voordeur open. Met een stap ben ik buiten. Ik trek de deur achter mij dicht.
De dag kan beginnen.

Apeldoorn, augustus/september 2007

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Requiem voor een kroeg

Filed under: Publicaties voor FOK! - Tim's corner — bazbo @ 10:30

Het was een huis voor velen. Als het regende, de Ark van Noach. Je kon er schuilen. Tegen pijn, verwarring en de liefde. Want de liefde zat je soms op de hielen. In het huis was een pinda en een trappist voldoende om de nare smaak van teleurstelling weg te spoelen.
Of de smaak van de eerste tongzoen. Zoiets smerigs had ik nog nooit meegemaakt. Het gebeurde plotseling buiten met het meisje dat ik niet eens echt zag zitten. “Maak me volwassen,” was het enige dat ik kon uitbrengen in de vrieskoude van december 1995. Toen ik me parmantig van haar afkeerde om terug naar binnen te lopen, rilde mijn hele lichaam. Mijn vrienden zaten al zeker een kwartier binnen op uitgebreid verslag te wachten. Een andere keer zag ik door het venster van mijn huis het meisje van wie ik echt hield iemand anders volwassen maken. Het gebeurde hier iedereen wel eens. Het bier steeg naar je hoofd; alles kwam goed. Na enkele uren stond je met een man arm in arm te zingen. Wat kon ons de rest nog schelen nu het drie uur in de nacht was.

Lantaarn palen schijnen, een toverlicht op straat.

De underdog vond er zijn kennel. De man met de hoed zat steevast aan het eerste tafeltje bij de deur. Hij hield er vele meningen op na. Een voor een vuurde hij ze af op niemand die het hoorde wilde. Bij een kaars, aan de bar, zat de eeuwige eenzame. Hij leek gelukkig met wat hij had. Met helemaal niets. Een foto van zijn overleden vrouw brandde al die jaren in z’n portemonnee. Heel af en toe, wanneer de avond langzaam verstreek en de laatste gasten hun schade aan de huismeester betaalden, de alcohol-nevel rond zijn droeve staalblauwe ogen een schaduw van hemzelf begon af te tekenen, keek hij nog eens naar de foto. Ooit was die vrouw op de foto ook hier regelmatig te gast. De laatste keer dat ze er kwam, kreeg hij ruzie met haar. Hij liet haar alleen naar huis gaan. Onderweg werd ze geschept door een dronken vrachtwagenchauffeur. Schuldgevoelens stapelden zich bij hem op, elke dag weer. Hij ging jaren gebukt onder zware huilbuien en gevoelens van spijt. Iedereen zag z’n betraande gezicht, de wallen onder z’n ogen die verraadden dat hij zelden sliep. Maar wat kon het hem schelen, nu het drie uur in de nacht was.

Een kerklok in de verte die vroeg zijn uren slaat.

De jeugd vond haar eerste liefde. Jonge meisjes zoenden ervaren mannen. Stuntelig tegen de rand van de bar, de tijd vergeten. Moeders lagen onrustig thuis in bed te woelen. Ze hadden al lang thuis moeten zijn. Maar jonge meisjes willen niet naar huis. De volgende dag huisarrest. Twee weken lang zag je ze niet meer in het huis. En dan opeens, wanneer je het niet verwachtte, waren ze er weer. Ze trokken zich niets aan van alle waarschuwingen die ze al twee weken te horen kregen van hun opvoeders. Want wat kon het ze nog schelen, nu het drie uur in de nacht was?

En niemand die zich druk maakt over wat er komen gaat.

We lieten ons huis in de steek. Vergaten de opvoeding die we er genoten. Geen ouder die ons bij kon bijbrengen wat we daar allemaal zagen, voelden en proefden. Soms een delirium nabij, maar altijd met de nodige nazorg. Door een vriend die je even hielp naar de plee. We gingen elders genieten. Treuren soms. De underdog vond zijn bot via het internet. Al twee jaar gelukkig samen. In een ander huis. Met dezelfde warme kachel, maar zonder al die heerlijke verschillende mensen. Maar met zichzelf en een nieuwe kans. De kussende meisjes vind je nu misschien in de Gouden Gids. Ze zijn voor zichzelf begonnen. Ze hoeven niemand meer te zoenen om in zichzelf te geloven. En ik? Ik zit al jaren in een verkeerde kroeg…

Je zou haast nog geloven dat dit sprookje nog bestaat.

*Het schuingedrukte zijn teksten van Oud West -Lantaarnpalen.

• • •
 

13-07-2008

The FoolZ – De Archipel, stadscafé Van Kinsbergen, Apeldoorn – July 12, 2008 – special concert for Pedro’s birthday

Filed under: FoolZ — bazbo @ 15:55

The FoolZ’ bass player Pedro celebrated his 50th birthday! For the occasion, The FoolZ played a short but pleasant set that Pedro put together. He was the centre of the show, announcing the songs and explaining his audience what the songs were about. Nice job, Pedro! And congratulations!

Birthday boy Pedro

Luuk joined for dinnerbazbo finished his kofta dinnerPaulu$ outside the stadscaféDe Archipel in stadscafé Van KinsbergenBirthday boy PedroThe FoolZ - De Archipel, stadscafé Van Kinsbergen, Apeldoorn - July 12, 2008 - special concert for Pedro’s birthdayRemco & kePedroLexbirthday boy PedroErwinWanDe Archipel in stadscafé Van KinsbergenPedroau3 trying to find out how her new camera worksErwinThe FoolZ - De Archipel, stadscafé Van Kinsbergen, Apeldoorn - July 12, 2008 - special concert for Pedro’s birthdayLex & WanErwinPedroLexWanPedro & RemcoErwinPaulu$ & au3RemcoPedroPaulu$Pedro introducing the bandThe FoolZ at Pedro’s birthday partyPedro, our birthday boy! sad but trueThe FoolZ at Pedro’s birthday partyPedro’s birthday job is done! Well-done! And congrats!Lex & au3The setlistPaulu$ Remco & au3

Youtube:

01 Uncle Remus

02 The Idiot Bastard Son

03 Echidna’s Arf (Of You)

04 Blessed Relief

05 Peaches En Regalia

The FoolZ at Pedro’s birthday party

• • •
 

12-07-2008

“Val dood!” – Zo vader, zo zoon, zo Brusselmans

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 15:23

“Ongelezen boeken ruiken naar verveling en nutteloze schrijverslevens.” (Uit: ‘De man die werk vond’)
“M’n grootvader begon op den duur graszoden te verzamelen, wat niet geheel normaal is, vooral niet omdat hij dubbele exemplaren uit zijn collectie verwijderde.”
(Uit: ‘De man die werk vond’)

‘Shit,’ zei mijn zoon onder het eten. ‘Ik moet voor school een boek lezen!’
‘O? En?’ vroeg ik.
‘Wie leest er nou een boek?’
Ik, dacht ik. Nogal veel. Maar ik zei het niet. Op dat soort dingen zit een jongen van veertien uit het derde leerjaar van het VMBO niet te wachten.
‘En het erge is,’ ging de knul verder, ‘dat ik over vier weken een verslag erover moet inleveren.’
‘Oei,’ zei ik. ‘Heb je al enig idee welk boek je gaat lezen?’
‘Nee. We krijgen nog een lijst.’
‘O.’
‘Ja.’
‘Of zoals ik al zei.’
‘Huh? Wat lul je nou weer, pa?’
‘Kabouters per definitie. Hoog in het zwerk de witte was.’
‘Wat is dat voor onzin?’
‘Nooit gehoord, jongen?’
De jongen zat me niet-begrijpend aan te kijken.
‘Aha!’ riep ik enthousiast uit. ‘Dan is het nu tijd voor opvoeding!’ Ik stond op van tafel en liep naar de stereo. Daar pakte ik de cd Val dood uit de kast. Op deze plaat leest Herman Brusselmans zijn columns voor. Ik zette Harry op. Mijn zoon lachte zich kapot.

In 1989 las ik op mijn werk een heel slecht tijdschrift uit de leesmap. Vraag me niet welk tijdschrift, want ik weet het echt niet meer. In het blad stond een paginagroot interview met ene Herman Brusselmans. Ik kende hem niet, maar lachte me een kriek om deze man met zijn gevatte uitspraken en de bizar-realistische thematiek in zijn boeken. Zijn verbale geweld en de verhalen over vrouwen en alcohol spraken me zeer aan. Op de terugweg naar huis reed ik langs de boekwinkel, en zowaar: ik vond Heden ben ik nuchter. In een goedkope pocket-editie. Diezelfde avond las ik het boek uit en toen begon de speurtocht naar de rest van zijn oeuvre. In een half jaar tijd had ik al zijn boeken gekocht en vanaf dat moment was het een kwestie van bijhouden.
Het grote Brusselmans meesterwerk is in mijn ogen nog altijd Vlucht voor mij. In de dagen dat ik dat boek las in 1990, ging er een wereld voor mij open. Ik was om. Dat het mogelijk was om zo te schrijven! Dat je zo kon schrijven wist ik al – want dat deed ik al jaren -, maar dat er een publiek en dus een markt voor was, dat had ik niet gedacht. Zoals hij zijn belevenissen beschreef in de vorm van half brief half dagboek, had ik nog niet eerder in boekvorm gezien. Ik herkende de manier van vastleggen wel. Brieven werden verhalen en verhalen werden brieven; alles liep door elkaar heen. Er bestond geen andere schrijver die boeken schreef over een hoofdpersonage met wie ik mij zo kon vereenzelvigen als die van de Gentenaar met het lange haar. In zijn boeken gebeurde van alles, maar uiteindelijk veranderde er geen reet.
Ik las en schreef sindsdien met Herman Brusselmans’ leven en oeuvre mee. Wat mij achteraf opvalt, is dat een aantal dingen in onze levens een beetje parallel liepen.
Ook ik kende een periode van gelukkig getrouwd zijn, terwijl ik zelf vol van angst en eigenwalg zat. ‘Ik moet de hele dag onzin vertellen. Gezeik als strijdmiddel tegen de allerdiepste gevoelens.’ (uit: Zijn er kanalen in Aalst?) Ik was als de dood voor de toekomst en de grote boze wereld, en zocht mijn vlucht in de omgang met leuke meisjes, met wie er helemaal niets gebeurde. Altijd weer kwam ik gewoon thuis en daar zat mijn lieve vrouw. Ondertussen dronk ik er niet naast. Brusselmans vond uiteindelijk een staat van rust waarin de meisjes minder prominent in zijn leven lijken te zijn. De grootste openbaring voor mijzelf vond ik toen Zul je mij altijd graag zien? verscheen. Wat de schrijver daar probeerde duidelijk te maken, dat was hoe het bij mij ook ging: al die andere meisjes die heb ik nodig om mijzelf steeds weer bewust te maken dat ik de vrouw en het geluk in mijn bloedeigen huis heb zitten. Dat inzicht, samen met het feit dat ik mijn veertigste levensjaar voelde naderen, maakte dat ik veel meer kalmte en zekerheid in mijn bliksem kreeg. Jarenlang schreef en schrijf ik over al deze zaken ellenlange brieven, verhalen, boeken en trilogieën.
Verschillen zijn er ook genoeg: ik ging niet scheiden, mijn moeder ging niet dood, en ik ging gewoon door met zuipen. En belangrijker: ik werd er niet beroemd mee. Nog niet. In die zin moet ik mijn Meerdere wel erkennen.

Mijn zoon jatte de Val dood!-cd mee naar zijn slaapkamer. Toen hij een dag later naar beneden kwam om te eten, stond er een vette grijns op zijn smoeltje.
‘Heb je al een boek voor je lijst?’ vroeg ik.
‘Nee,’ was zijn weinig enthousiaste antwoord.
Ik liep naar de boekenkast en hoefde niet lang te zoeken. Ze staan op een prominente plaats.
‘Hier,’ zei ik, toen ik mijn zoon De man die werk vond liet zien. ‘Misschien vind je deze leuk.’ Ik sloeg het boek open en las de eerste twee zinnen voor: ‘Wat ook mogelijk is, dacht de bibliothecaris op zekere ochtend, ik steek de boel in brand. Heel makkelijk met al die plastieken omhulsels.’
Mijn zoon zei: ‘Dat klinkt als die vent van die cd die ik boven draai. Lachen, man.’
Die boekbespreking van mijn zoon, dat wordt een dikke voldoende. Dat kan niet anders.

“De enige autobiografische zin van enige betekenis zou zijn: ‘Ik stop nu met schrijven.'” (Uit: ‘Vergeef mij de liefde’)

Apeldoorn, eind september 2007

(Deze column schreef ik oorspronkelijk voor de special rondom Herman Brusselmans die vijftig jaar oud werd op 9 oktober 2007. Weinig mensen hebben die column gelezen. Dit is een herkansing.)

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Een frisse wind

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2007 — bazbo @ 01:38

Vroeger bij ons thuis ging het alleen maar over poep. En scheten. We kletsten er niet alleen over, we brachten alles ook uitgebreid in de praktijk. Tjonge, d’r werd wat afgeruft bij ons.
Ik had zelf een aardige manier gevonden om alle aandacht te vestigen op het gas dat zo luidruchtig de achterkant van mijn lichaam verliet. Als ik iets voelde aankomen, tekende ik een denkbeeldig trekkoordje van boven naar beneden in de lucht. Vervolgens rukte ik daar uit alle macht aan en tegelijkertijd trok ik een been omhoog. Met en beetje geluk klonk een knoerthard knallende scheet en rolden we over de vloer van het lachen.
Het was de sport om de wind precies in het gezicht van een broer of zus te laten. Mijn jongste broertje deed zijn uiterste best, boog iets voorover bij het hoofd van mijn zus, die nietsvermoedend in de luie stoel tv zat te kijken. Hoe hij ook perste, er kwam niets. Mijn moeder was al dit gedoe een weinig moe en riep: “Nou is het afgelopen! Ga naar je kamer!” Mijn broertje draaide zich om, haalde zijn schouders op met een blik van “Mij best!” en met dat hij zich in beweging zette trok hij zijn bips ter hoogte van het gezicht van mijn zus en liet een riant ratelende ruft. Precies raak. De tranen liepen ons over de wangen van het lachen, behalve bij mijn zus. Bij haar liepen de tranen ook over de wangen, maar bij haar was het van de stank.
Het toppunt van speelgoed was een scheetzak.

Later verdween het grootste deel van deze obsessie met poep en scheten. Wel bleef de problematiek rondom mijn zwakke darmenstelsel. Allahmachtig, wat gedoe is dat, zeg.
(Ik heb er al wel vaker over geschreven. Kijk even in mijn columnoverzicht. Als je op mijn rubber kip gaat staan en klikt, krijg je een link naar mijn overzicht. Zoek naar het verhaal ‘Erg’, ergens helemaal onderaan in de lijst.)
Ik diarreer wat af. Tja, als ik moet, dan moet ik. En wel meteen. Zo ook enige tijd geleden.

Ik was ’s morgens vroeg onderweg naar de bushalte. Meestal probeer ik voordat ik de deur uitga, nog even op het toilet het nodige eruit te persen. Maar dat was vanmorgen niet gelukt. Hoe ik ook drukte en perste, steunde en kreunde. Even speelde ik met de gedachte om mijzelve te toucheren, zodat ik het porselein alsnog zou bevuilen, maar ik stop nu eenmaal geen vingers in het achterste van een man.
Ik had de bushalte bijna bereikt, toen ik iets in mijn endeldarm duidelijk voelde worden. Misschien was het alleen maar wat gas. Ik laat tegenwoordig geen scheten meer in het openbaar. Die tijd is echt voorbij. Nu was er echter niemand in de buurt. Ik zou dus met een gerust hart mijn wind kunnen laten vliegen. Voorzichtig zette ik wat druk op de anus. Ineens voelde ik een kleine warme golf mijn onderbroek binnengutsen.
Ai, vruchtbare humus! Jammer dat het zo verspild werd. Ik schrok.
Bliksemsnel draaide ik me om en liep terug. Er zat nog veel meer aan te komen, vertelde de verzwaarde endeldarm mij. Nu is het zo’n vijfhonderd meter terug naar mijn huis. Ik probeerde mijn sluitspier aan te spannen, maar wist eigenlijk al dat het vergeefse moeite was. De gruwelijke werkelijkheid drong zich tot mij door: ik ging de plee niet halen zonder mijzelf te bevuilen.
Toen ik de voordeur opendeed, liep de bagger me al uit de wijde broekspijpen over mijn blote voeten en sandalen. Het was mooi weer.

Aan de andere kant maak ik ook de mooiste momenten in het leven mee op het kleine kamertje. Intens genot kan ik bereiken als ik rustig op de pot zit en ik niet eens hoef te persen, maar dat de fecaliën zo uit mijn lichaam lopen. Mijn toiletruimte in mijn huis is dan ook de plek waar ik me het meest thuis voel. Er hangen foto’s van belangrijke mensen aan de muur en allerlei aandenkens aan bijzondere gebeurtenissen. Het is er ook ruim. Niets zo erg als een klein rothok waarin je voorovergebogen met je hoofd tegen de deur kracht moet zetten om de afvalstroom in werking te zetten. Nee, het liefst heb ik trouwens de deur wagenwijd open. Onze plee kijkt uit op de grote hal, die rijkelijk voorzien is van glas, zodat er ruim licht in valt. Zeker ’s morgens schijnt de zon in alle vroegte haar felle stralen de hal en dus ook het schijthuis in.
Kakken in het zonlicht, bestaat er iets mooiers?

Apeldoorn, september 2007

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 
« Vorige paginaVolgende pagina »