bazbo – de wereld van Bas Langereis, het middelpunt der aarde

Bas Langereis leest u voor!

12-07-2008

9-11: Grappig

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2007 — bazbo @ 01:30

Het was 9/11. Of was het nou 11/9? 11/11 kan ook, of 9/9. Weet ik veel. Het doet er ook eigenlijk niet eens toe.
De bus had me van het werk naar het station gebracht. Ik stapte uit en liep naar mijn fiets. Behendig opende ik alle sloten. Met een sprongetje belandde ik op het zadel. Het was mooi weer. De zon scheen en er stond een matig briesje. Ik pedaleerde opgewekt over de straten van het schilderachtige Apeldoorn.

Het was in de tijd dat kinderopvang nog te betalen was. Wij hadden ons kind echter niet ondergebracht bij een instelling, maar bij een heus gastoudergezin. Mijn vrouw werkte op onregelmatige tijden en ik moest vroeg weg. Aan reguliere buitenschoolse opvang hadden we niet zoveel. Via via hadden we deze mensen gevonden, die ’s morgens vroeg vanaf half acht en ’s middags na school wel op onze zoon wilden passen. Het was een fijn katholiek standaardgezin met twee dochtertjes, die allebei bij Luc op school zaten. Luc was een jaar of acht oud en had het er prima naar zijn zin.

Ik was inmiddels het woonkamergeluk van het gastgezin binnengestapt. Normaal zat de hele meute aan de keukentafel. Het was tenslotte etenstijd. Dit keer bevond iedereen zich in de woonkamer. En dat was vreemd. Het was in dit gezin niet de gewoonte dat er ’s middags televisie gekeken werd. Meestal moest Luc spelletjes doen, met Lego rommelen of buiten op het klimrek. Zowaar, iedereen zat stilletjes voor de buis.
“Goedenavond!” zei ik opvallend. Niemand zei iets terug. Alleen de moeder keek me aan en legde een vinger op de lippen. Ik begreep dat er iets belangrijks gaande was. Eens kijken op dat tv-scherm. Ik zag twee bekende Amerikaanse wolkenkrabbertorens. Maar een van die torens zag er nu heel anders uit.

Ik heb zo mijn momenten. Momenten dat ik zeg wat er in mij opkomt. Momenten dat ik heel grappig ben.
“Het schijnt dat die kantoren van het World Trade Centre erg benauwd waren. Maar dat is nou mooi opgelost, met die gevels en puien eruit. Wat een boel smog daar in New York, trouwens. Met zoveel luchtvervuiling zou je er toch niet willen wonen.”
Op de televisie vloog een vliegtuig het andere gebouw binnen.
“Allahmachtig, het lijkt wel of die piloot zijn brevet bij een wasmiddel cadeau heeft gekregen! Het vliegveld is mijlenver daarvandaan!”
Ik keek triomfantelijk het kringetje rond. De monden van de leden van ons gastgezin stonden wagenwijd open, net als de holle ogen die mij aanstaarden. Ik had geloof ik iets verkeerds gezegd, al begreep ik nog absoluut niet wat er op de beeldbuis gaande was.
Zonder verder nog veel te zeggen griste ik mijn kind tussen de televisiekijkende familie vandaan. Ik zwaaide naar iedereen, maar ze zwaaiden niet terug. De ogen waren weer gericht op het scherm.

Thuisgekomen zette ik onmiddellijk de televisie aan. Ontelbare keren kwamen de beelden voorbij. Beelden van een vliegtuig dat de bovenverdiepingen van een torenflat binnen vliegt. Een rode explosiewolk en een gele steekvlam aan de andere kant van de flat. En enorme pikzwarte wolken vol roet. Later op de avond beelden van paniek in de straat, van brandweerlieden die tevergeefs proberen te redden wat er te redden valt, en van mensen die van honderden verdiepingen hoog naar beneden – en dus een wisse dood tegemoet – springen. Toen uiteindelijk de twee reusachtige torens in elkaar stortten, was ik met stomheid geslagen.

Soms kan ik heel grappig zijn. Soms ook niet.

Apeldoorn, september 2007


Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Muziekcolumn – Emerson Lake & Palmer / Peter Gunn

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2007 — bazbo @ 01:23

Hoe die ene slag op een snare drum in één klap mijn leven veranderde.

“Neem je wel wat van jouw singles en elpees mee?” vroeg Sjoerd.
De zomer van 1980 was een dolle vakantieperiode. Eerst ging ik met mijn ouders en broers en zus een week naar Engelberg in Zwitserland. Aansluitend zaten we twee weken in een huisje in Nieuwe Niedorp in Noord-Holland. Een huisje aan het water. We hadden een roeibootje voor de deur. Twee weken lang voer ik dagelijks langs andere huisjes en haalde zoveel mogelijk kinderen op om met mij mee te varen.
“Wat doe je allemaal, Bas?” riep mama vanaf de kant. “Zoveel mensen kunnen er niet in dat bootje!”
“We spelen bootvluchtelingetje!” brulde ik terug. Het moge duidelijk zijn wat er op dat moment actueel in het nieuws was.
Ik was vijftien jaar oud en mocht ook nog een week logeren bij mijn neef Sjoerd uit Nijmegen. Of ik wat singles en elpees meenam. Ik had maar een paar discosingles. Die had ik in de twee voorgaande jaren gekocht. De meeste niet eens omdat ik ze echt mooi vond, maar omdat alle andere kinderen uit de klas ze ook kochten.
Nee, ik koos meer voor elpees. Ik had een paar platen van Electric Light Orchestra en Supertramp. Dat vond ik mooie muziek en ik luisterde er veel naar.
Sjoerd was een singletjesjongen. Hij had er een heleboel. In de dagen dat ik bij hem was, luisterden we elkaars platen. Daarnaast liet hij me Nijmegen en omgeving zien.

Iedere ochtend stond de wekker op tien voor acht. Zodat we om acht uur op de wekkerradio konden luisteren naar het nieuws en de grote hit van die dag. Die draaiden ze ieder uur na het journaal.
Het was mijn laatste ochtend bij mijn neef Sjoerd. We hadden het journaal gehad en wachtten op de hit van de dag. Er klonk gejuich uit de radio. Het was een live opname. Toen hoorden we een diepe bastoon, die secondenlang aanhield. Vervolgens speelde een trompet-achtig instrument een fanfare-achtig deuntje. Het wás geen trompet, dat hoorde ik wel, maar ik kon niet bedenken welk instrument het dan wel was. De spanning bouwde op en een mannenstem zei: “Ladies and Gentlemen,” waarna hij de naam van de band noemde. Ineens sloeg iemand heel hard op een snare drum. (Die klap op die snare drum veranderde mijn hele leven op slag.) Onmiddellijk daarna klonk een baslick, ondersteund door drums, die mijn hart sneller deed kloppen. Wat ik hoorde was een compositie van Henry Mancini, maar dat wist ik toen nog niet. Het thema van een televisieserie genaamd ‘Peter Gunn’. Hier werd het gespeeld door een band met de naam Emerson Lake & Palmer. En ik vond het fantastisch! In het midden van het nummer hoorde ik een solo, gespeeld op een in mijn oren vreemd klinkend instrument. Later bleek het een synthesizer.
Nog geen uur later zaten we aan de ontbijttafel. Het was negen uur. Weer het nieuws. Maar dat journaal kon mij niet zoveel schelen. Ik wachtte op de plaat van de dag. Daar was-ie weer! Wat een geweldig nummer!
“Sjoerd,” begon ik. “Ik ga zo weer terug naar huis. Jij zou me toch even met de bus naar het treinstation brengen? Kunnen we nog even onderweg langs de platenwinkel, want deze single móét ik hebben.”
Het lukte. Onderweg stapten we uit de bus. In de platenwinkel hadden ze zowaar het door mij fel begeerde singletje. Ik betaalde hem van mijn allerlaatste zakcenten.
Thuisgekomen zei ik gedag tegen iedereen en na een tijdje verdween ik naar mijn zolderkamer. Ik legde het plaatje op de draaitafel en daar ging ik. Helemaal uit mijn dak. Ik draaide ‘Peter Gunn’ een keer of zes. De b-kant was ook goed.

De zomer van 1980 was nog niet voorbij. Ik zat bij de scouting en het jaarlijkse zomerkamp vond plaats. Deze keer ging de reis naar Drenthe, naar een klein plaatsje nabij Grollo. Tot mijn grote schrik bleek het dorpje Elp te heten. Alles is toeval.
De week erop volgend ging ik op zoek naar een hele ELP-elpee en ik kwam er in de platenwinkel achter dat er een hele langspeelplaat was van het concert met ‘Peter Gunn’. Ik had inmiddels mijn zakgeld opgestreken en kon die plaat kopen.
Uren besteedde ik aan het uitpluizen van de platenhoes op zoek naar alle informatie die ik maar kon vinden. In gedachten speelde ik alle orgel- en pianopartijen mee. De vensterbank van mijn zolderkamer werd mijn toetsenbord. Ik was de beste ELP-playbacker. Nog geen half jaar later had ik alle ELP-platen. En toen moest ik op zoek naar nog meer symfonische rock of progrock. Na ELP kwamen bands als The Nice, Camel, Yes en King Crimson.

Vijftien jaar en toen al bedorven. Op school durfde ik niemand te vertellen van die gave muziek die ik had ontdekt. Ik liet het wel aan vriendjes horen, maar die snapten niets van Hammond orgels en Moog synthesizers die over het podium stuiterden. De zolderkamer bleef de enige plek waar ik kon luisteren naar die ingewikkelde muziek. Ikzelf vond het allemaal niet zo ingewikkeld. Ik kende maar twee soorten muziek: de muziek die ik mooi vond en de muziek die ik niet zo mooi vond. Emerson Lake & Palmer was de eerste band waar ik echt helemaal gek van was.

Toen ik drie jaar later besloot om zelf ook toetsen te gaan spelen, en ik een elektronisch orgel had gekocht, was de eerste lick die ik mij aanleerde, niet moeilijk te kiezen…

Apeldoorn, augustus 2007

‘Peter Gunn’ staat op het album ‘Emerson Lake & Palmer in Concert’. Deze plaat is een paar jaar geleden op cd heruitgegeven onder de naam ‘Works Live’.
En ik had graag wat songteksten ingevoegd, maar ’t is een instrumentaaltje, hè?

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Zin

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2007 — bazbo @ 01:19

De deurbel gaat. Ik wil niet open doen. Niet nu. Niet nu ik in deze omstandigheden verkeer.
Voorzichtig kijk ik door het raam. Er staat iemand bij de voordeur. Een man. Ik ken hem niet. Ik wil niet weten wie hij is. Ik wil niet met hem praten. Ik wil met niemand praten.

Gelukkig ging mijn zoon vanmorgen vroeg de deur al uit om naar school te gaan. Ik wekte hem, smeerde zijn boterhammen en zette zijn ontbijt klaar. Zonder veel te zeggen at hij zijn yoghurt met muesli en pakte hij zijn tas in. Niet veel later fietste hij weg. Snel ging ik weer naar boven en kroop in bed. Een half uur later voelde ik dat mijn vrouw naast mij wakker werd en opstond. Nog weer drie kwartier later hoorde ik de voordeur dichtslaan. Ik was alleen.
Na vijf minuten sloeg ik het dekbed van mij af. Ik ging douchen en beneden in de keuken maakte ik koffie.

De man bij de deur is weer weg. Ik zucht van opluchting.
Maandag is mijn dag alleen. Dan werk ik niet. Ik doe wat klusjes in en om huis. Het laatste restje was, kaas halen op de markt, de vaatwasser uitruimen en de boodschapjes voor de week. Dat is het. Dan kruip ik achter de computer. Ik schrijf wat aan verschillende columns of verhalen. Vaak werk ik aan meerdere stukken tegelijk. Ik controleer een IRC-kanaal, een forum en wat e-mail.
Maar vandaag kan ik het niet lang volhouden. Het kan me niet eens iets schelen. Tijd voor een lunch. Ik maak twee boterhammen met kaas en eet die op. Het is stil in huis.

Muziek. Een groot deel van mijn leven draait om muziek. Ik ben nooit de virtuoze musicus geworden die ik graag had willen worden. In mijn dromen. Mijn ongeduld maakt dat ik niet lang kan studeren op een wat ingewikkelder passage. Dan maar niet. In een kamertje boven in het huis staan allerlei instrumenten met een dikke laag stof erop. Ik heb mijn passie voor muziek dan maar omgezet in een onverzadigbare verzamelwoede. Besluiteloos sta ik voor de grote kast vol cd’s, dvd’s en elpees. Ik speur de planken af, op zoek naar iets helends. Tien minuten later heb ik nog niets gevonden. Er is helende muziek zat in mijn collectie. Van soundscapes tot wereldmuziekjes, van klassiek tot gitaargepiel. Van Tom Waits tot Peter Gabriel en van Robert Fripp tot David Sylvian, om maar wat namen te noemen. Meteen weer vergeten, die namen. Vandaag kan ik geen keuze maken.

Op maandag werk ik niet. Ik heb een contract van zesendertig uur en werk vier dagen van ieder negen uur. Lange dagen, maar daardoor kan ik op maandag vrij zijn. Maar ik wil nu niet denken aan werk. Dat wordt nog wat. De functie die ik heb, bestaat over vier weken niet meer. Dan ben ik ‘formeel boventallig’. Het is het gevolg van ‘doorontwikkeling’ in onze organisatie. ‘Doorontwikkeling’, dat is managementtaal voor ‘reorganisatie’ en het betekent dat functies verdwijnen en dat ik mijn baan verlies. Niet dat ik daar wakker van lig. Ik lig al wakker van andere dingen.

Ik kan geen keuze maken. Het blijft stil in de woonkamer. Ik ga naar boven. In de slaapkamer ga ik op bed liggen. Ik sluit mijn ogen. Als ik nou maar niet aan iets geils ga denken. Dat doe ik niet. Geen zin in seks, zeker niet met mezelf. Ik wil in slaap vallen, maar dat doe ik ook niet. Dat zul je altijd zien.
Vroeger had ik altijd allerlei meisjes en vrouwen om aan te denken. In gedachten laat ik er een paar voorbijkomen. Dat waren nog eens tijden. Zeer gelukkig getrouwd, en dan toch zoveel meisjes en vrouwen om aan te denken. Niet dat ik ooit ook maar iets met ze heb uitgespookt. Ik was te pas en te onpas verliefd op deze en gene, maar er gebeurde nooit iets. Al die meisjes en vrouwen – ik had ze nodig om mijzelf er steeds maar weer bewust van te houden hoe gelukkig ik het thuis heb. Boeken kan ik erover schrijven. Dat heb ik dan ook gedaan. Ik heb boeken geschreven en ze allemaal weer verscheurd en in de prullenmand gegooid. Die verliefdheden gingen daarmee overigens niet over. Dat kwam later pas. Toen ik veertig werd. Met het ouder worden verdween de behoefte aan andere meisjes en vrouwen om mij heen. Soms zie of ontmoet ik nog wel eens zo’n heerlijkheidje, en dan kijk ik en zucht ik eens, en dat is het dan. Geen gezeik meer met de wijven.
Ik sta weer op en ga naar beneden.

Hoe laat is het? Het is vier uur. Over een uurtje komt mijn zoon thuis; over drie uur mijn vrouw. Ik heb dorst. In de koelkast vind ik flesjes bier. Ik pak er een en maak hem open. Als ik het flesje aan mijn mond zet, klok ik het vocht met grote teugen naar binnen. Het smaakt niet. Gewoon doorgieten.

De telefoon gaat. Gelukkig heb ik mijn antwoordapparaat aanstaan. Stel je voor dat ik nu met iemand zou moeten praten. Dat zou ik niet aankunnen. Niet nu ik in deze omstandigheden verkeer.
Het bierflesje is leeg. Ik laat het los. Het valt op de plavuizen en spat uiteen. Ik zak door mijn knieën en ga tussen de scherven zitten.

Apeldoorn, augustus 2007

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Titel

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2007 — bazbo @ 01:12

Ineens was ik columnist bij FOK! en moest ik nog columns gaan schrijven ook. Een goede vriend had me bij mijn lange haren meegesleept en zei: “Zo. Dit hier is FOK! Hier kun je je talent eens echt gaan gebruiken. Weg van dat zolderkamertje! Schrijven, kreng! Wekelijks een meesterwerk, anders zwaait er wat.” Braaf deed ik wat er van mij verwacht werd.

(O, even voor de duidelijkheid: ik heb een hekel aan Engelse woorden als daar ook een goed Nederlands alternatief voor is. Dus de crew is de ploeg en de administrator een bestuurder. De user is een gebruiker en een moderator een politieagent.)

“De columns worden niet goed gelezen!” schreeuwde ineens een ploegleider. “Daar moet wat aan gebeuren!”
Dat lieten de columnisten zich geen twee keer zeggen. Als bezetenen gingen ze aan het werk. De schrijvers beulden zichzelf af. Normaal zit een columnist zielig op een kamertje te pennen met in de buurt alleen een fles Aldi-wijn en een goedkope hoer, maar voor die hoer was nu in een keer geen tijd meer. Het laatste restje wijn verschaalde in de fles. Plotseling verschenen er meer columns op een dag. Meestal twee, maar soms ook drie.
“Meer columns, dat leidt niet automatisch tot hogere kijkcijfers!” riep iemand uit de ploeg. “Behalve meer columns moeten we ze ook anders gaan schrijven!”
Dat lieten de columnisten zich geen twee keer zeggen. Als bezetenen gingen ze aan het werk. De schrijvers beulden zichzelf af. Niks geen wijn meer!

Hoe krijg je voor elkaar dat columns meer gelezen worden? Dat was de vraag waarover de ploeg columnisten zich ging buigen. Een paar schrijvers wisten het antwoord wel. “Als je een pakkende titel hebt, dan gaan meer gebruikers je columns lezen.” Goede gedachte. Maar wat is een pakkende titel?
En zo verschenen er steeds meer columns met een pakkende titel, waarin de benamingen voor de genitaliën als eerste in het oog springen. ‘Urenlang een keiharde erectie’, ‘De kut van de koningin’, ‘Soppend het weekend in’, ‘Kwak je zaad in haar gelaat’, ‘Geil voor de bijl’ of ‘Goedkope hoeren en Aldi-wijn’. Je kon ze zo gek niet bedenken. Het bleek besmettelijk. Zelfs columnisten die normaal gesproken literaire diarree schreven, gingen door de knieën. ‘Schone dame in négligé’, ‘De naakte feiten’, ‘Met het blote oog’, ‘Ik kom er rond voor uit’, enzovoorts, enzovoorts.

Zelfs i gaf er aan toe. Ik maakte een mooi verhaaltje over het leuke meisje dat in de supermarkt werkt en ik noemde het ‘Geile boodschappen’. En mijn bezoek aan de sauna, waarin ik een ‘vergelijkend warenonderzoek’ deed, noemde ik ‘Enorme prammen en kleine pikkies’. Ze werden allebei niet noemenswaardig meer gelezen. (Ik was toch al een kijkcijferkanon.)
Om de proef op de som te nemen, klikte ik eens op die column met de titel ‘Goedkope hoeren en Aldi-wijn’. Ik was in de veronderstelling dat ik een opwindend verhaal over de zelfkant van een zekere Amsterdamse wijk-bij-nacht te lezen zou krijgen. Ik had mijzelf bij voorbaat alvast getrakteerd op een ferme erectie. Helaas bleek de inhoud van het verhaal niet overeen te komen met mijn verwachting.

Kortom, weg met die vieze titels! Het helpt allemaal geen ene rattenreet! Ze zetten de lezer alleen maar op het verkeerde been. Ik moet gewoon een goed verhaal schrijven en daar een pakkende en allesverklarende titel boven zetten. Verder geen gedoe.
Mijn zoon van veertien kijkt trouwens ook wel eens over mijn schouder mee naar het beeldscherm van mijn computer. Dan loopt hij de kans geconfronteerd te worden met zinsnedes die de fantasie op erotische wijze prikkelen. Ik wil het niet voor hem verborgen houden – zo’n wereldvreeme naïeveling ben ik nou ook weer niet -, maar om het hem nou op te dringen, vind ik een ander uiterste.

Dus een oproep aan iedereen die columns schrijft of instuurt: geef je verhaal een pakkende titel die de lading dekt. Daar hoeven heus niet per se ‘seksueel prikkelende’ termen in, hoor. Als het functioneel is, zet er dan gerust een schuttingwoord in. Maar een geforceerde titel doet de aandacht van de lezer al gauw verslappen.

Zelf heb ik ook een titel. Omdat ik ooit eens een HBO-opleiding heb afgerond, mag ik mijzelf ‘bacchalaureus’ noemen. Iemand die daar geil van wordt?

Apeldoorn, augustus 2007

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Plaatsonbepaald

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2007 — bazbo @ 01:08

– voor TheGrandWazoo

“Bas, het is half twaalf. Ik moet zo weg.”
“Ik kom eraan!” zei ik, maar hij had de deur alweer dichtgedaan. Ik moest heel erg plassen. Snel gooide ik het dekbed van me af.
“Je krijgt een lekker warm bed,” had hij gezegd. “De avond ervoor heeft mijn ex erin geslapen.” Ik had gevraagd naar de hoeveelste ex dit van hem was, maar hij vond het geen leuk grapje. Het bed was warm, maar de nacht te kort om me intensief bezig te houden met de warmte of de geur van de ex. Het vele bier en de anderhalve fles wijn eiste zijn tol.
Ik haalde mijn tandenborstel en tandpasta uit mijn tas en liep de overloop op. Daar vond ik zowaar de badkamer. Die was vrij. Ik poetste snel mijn tanden. Daarna kleedde ik me aan en ging ik vlug naar beneden. Ik plaste op het toilet. Vervolgens liep ik de woonkamer in. Daar stond hij.
“In de keuken vind je alles wat je nodig hebt voor ontbijt,” legde hij uit. “Dan ga ik nu.”
“Wacht even,” zei ik snel. “Ik heb nog een ding van je nodig. Waar vind ik hier een bushalte?”
“Je loopt hier de deur uit en dan ga je links de straat in. Aan het einde van de weg rechts. Die straat loop je helemaal uit en daar zie je wel een bushalte. Ik moet nu weg.” De deur sloeg hard dicht. Hij was weg.
Ik zuchtte eens diep en keek de woonkamer rond. Dus hier woonde zijn moeder. In de boekenkast stonden muziek-dvd’s van Pink Floyd en de Beatles. Ik pakte mijn tas, trok mijn vest aan en ging de gang in. Voorzichtig trok ik de voordeur achter mij dicht. Ik liep het tuinpaadje af en ging linksaf.
Het huis was de helft van een dubbele woning, jaren zeventigbouw met lichte stenen. De straat was rustig. Het was zondag.
“Goed. De straat uit en aan het einde rechts,” mompelde ik in mijzelf. Aan het eind van de straat keek ik uit in een weiland. “In welke uithoek van dit land ben ik in vredesnaam terechtgekomen?”

Gisterenavond waren we in Roermond. Ik was te vroeg met de trein aangekomen. Voordat we elkaar zouden ontmoeten, had ik nog een uur. Ik besloot een rondje door de stad te lopen. Een tochtje door de winkelstraten, langs de Munsterkerk en de markt, via de stadswal, en toen weer terug naar het station. Daar ging ik op een muurtje zitten en haalde mijn papieren tevoorschijn.
“Hee!” Daar was hij. We begroetten elkaar. “Ik weet een goed restaurant.” Waarom heten alle Griekse eettentjes toch ‘Akropolis’? We namen brood met kaas vooraf. Hij bestelde gyros en ik een bord met gemenge vleesgerechten. En twee grote glazen bier. Dommelsch, natuurlijk.
Het begin van de avond verliep vlotjes. Na het eten liepen we langs de galerie ‘Pittstowe’, waar we kennismaakten met de eigenaar. Toen zochten we naar een geschikte plek om ons moed in te drinken. Op het grote plein bij de kerk was een heuse taptoe aan de gang.
“Wij Limburgers zijn gek op dit soort dingen,” vertelde hij en hij danste met een dronken zwerver. “Noem het onze Duitsche invloed.”
In een Iers café dronken we een paar glazen en selecteerden we onze teksten voor later die avond. We bezochten nog een paar kroegjes. Om elf uur waren we in de kunstwinkel ‘Pittstowe’ terug. Een Duitse jazz-zangeres deed haar best. Haar stem galmde in de kale, hoge ruimte.
“Dát wordt het podium,” zei dichter John. Hij wees op een hilde, drie meter boven de vloer. Niet veel later las John zijn gedichten. Zijn vriendin Danny droeg ook poëzie voor. We dronken rode wijn. De ene fles na de andere ging open. Naast mij stond hij; wij kwamen hierna.
“Weet je zeker dat jij na mij wil?” vroeg ik.
“Hoezo? Waarom niet?”
“Nou, anders val jij zo tegen.” Hij kon er de lol wel van inzien en lachte hardop door de gedichten heen. Er was niet veel volk. Het werd met recht een Lange Midzomer Cultuurnacht.
Ik las, vertelde, speelde, mimede, worstelde, sprak, fluisterde en schreeuwde mijn verhalen de lucht in. Na mij las hij. Beheerst, snel, bevlogen en grappig. We maakten indruk; we waren goed. Vier keer stonden we ieder op het podium. Toen was het half vier.
In het donker reed de taxi schijnbaar eindeloos lang door velden en over wegen. Ineens stopten we. We betaalden en stapten uit. We stonden in een straatje in een woonwijk. Hij liep een tuinpad in en opende een voordeur. We gingen naar binnen. Hij haalde een blik bier voor ons beiden. Ik kreeg hem niet op.
“Laten we gaan slapen. Het is nu vier uur. Ik moet morgen om tien uur uiterlijk weg,” zei hij.
Boven liet hij me mijn slaapkamer zien. Het bed was niet opgemaakt en zag er gebruikt uit. Er zat een deuk in het kussen en het dekbed lag verfrommeld op het hoeslaken. Ik draaide me naar hem om, maar hij was al verdwenen. Ik trok mijn kleren uit, ging op het bed liggen en trok het dekbed over me heen.

“Waar ben ik? Hoe heet dit dorp?” Ik liep en liep. Een buitenwijk. Het zag er niet naar uit dat ik naar het centrum van een woonkern liep. Daarginds was een wat grotere straat. Toen ik in de buurt kwam, bleek het een voorrangsweg te zijn. “Een provinciale weg. Maar van waar naar waar?” Op het kruispunt keek ik naar rechts. Ik zag de bushalte. Ik zag er twee. Aan iedere kant van de weg stond er een. Ik liep naar het bord van de dichtstbijzijnde halte en keek naar de naam ervan. Misschien wist ik dan in welk dorp ik mij bevond. De halte had geen naam. Die aan de overkant ook niet. Er stond ook niet naar welke plaatsen de bus reed. Alleen een lijnnummer. 61. Dat schoot op.
Ik wachtte. Hoe lang? Een kwartier? Een half uur? Geen idee. Ik draag geen horloge. Voortdurend keek ik naar twee kanten. Van iedere kant kon een bus aankomen. De eerste bus die langskwam, zou ik aanhouden en vragen waar hij heen ging.
Kijk! Daar! Er kwam iemand aanlopen aan de overkant van de weg. Een jonge vrouw die een babywagen voor zich uit duwde. Ik rende naar haar toe. “Mag ik u iets vragen? Weet u waar deze bus heen gaat?” De jonge vrouw beantwoordde mij in een taal die ik niet verstond. Achter mij hoorde ik geronk van een vrachtauto. Ik keek om. Het was de bus. ’61 Weert’ stond er boven de voorruit. “Dank u wel!” riep ik naar de jonge vrouw, terwijl ik weer naar de overkant terug rende.
“Ik moet naar Weert,” zei ik tegen de dikke chauffeur.
“U moet niet, u wilt graag!” zei hij.
Ik voelde mijn vuisten gaan branden, maar kon me beheersen. “Naar Weert, graag,” mummelde ik.
“Waar zijn we hier?” vroeg de chauffeur en hij haalde zijn leesbril tevoorschijn. Ik schrok me kapot. Hij wist het ook niet!
“Al slaat u me dood,” haalde ik mijn schouders op. Ik was allang blij dat deze bus naar een plaats reed die ik kende. Alleen van naam, maar de opluchting was er niet minder om. Mijn trein naar huis ging langs Weert. De chauffeur stempelde mijn strippenkaart bijna op. Godverdegodver. We wisten dan niet waar we waren; ik wist wel dat het een teringeind rijden zou zijn voordat ik in een bekend klinkende plaats zou zijn. Ik ging zitten op een ruime bank. De bus had zich in beweging gezet.
Wat volgde was een ellenlange rit door plaatsen, gehuchten en buurtschappen waar ik nog nooit van had gehoord, en die ik ervan verdacht dat ze op geen enkele kaart te vinden zouden zijn. Heythuisen. Leveroy. Ik zat alleen in de bus. Niemand stapte in. Hier leefden geen mensen. Het was tenslotte zondag. Ergens zag ik een wegwijzer met daarop de naam ‘Roggel’. “Hee, die plaatsnaam ken ik wel!” Ogenschijnlijk uren later passeerden we het bord ‘Weert’. Op het station nam ik de trein.
Langzaam kwam ik weer in de bewoonde wereld. Utrecht kwam in zicht. Nog even en ik was terug in het middelpunt van mijn aarde: Apeldoorn. Een gelukzalig gevoel van thuiskomen na een jarenlange wereldreis bekroop me.

Naschrift:
Limburg moet platgebombardeerd!
Maar TheGrandWazoo zal ik missen, zeker zijn columns hier op FOK!.

TheGrandWazoo, het allerbelangrijkste dat ik van je heb geleerd is: als het allemaal tegenzit, als je het echt niet meer ziet zitten, als het water je aan de lippen staat, als alles uitzichtsloos lijkt, bedenk dan: “Zelfmoord is ook een optie.”

(TheGrandWazoo weet hoe hij mijn rubber kip moet misbruiken – Zappanale festival, Bad Doberan, Duitschland, juli 2005)

bazbo

Apeldoorn, augustus 2007

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Carlo Piemol koopt pannen

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2007 — bazbo @ 01:06


Carlo Piemol koopt pannen.
Van een vertegenwoordiger.
Hij voelt zich genaaid.
Een leerzaam verhaal over zwendel en oplichting.

Carlo Piemol is op zijn werk.
Hij zit in zijn koffiepauze.
Het is mooi weer.
Dus is hij buiten.
Ineens staat er een man voor hem.
Het is een vent met een rood shirt aan.
En met dikke spierballen.
“Hallo,” zegt de man. “Ik heet Jan Brink.
Ik ben vertegenwoordiger.
Voor Solingen.
Kent u Solingen?”
Carlo Piemol baalt.
Hij heeft koffiepauze.
Maar hij is klantvriendelijk.
Hij antwoordt netjes.
“Ja hoor, Solingen ken ik wel.
Dat is toch van de messen en het bestek?”

“Inderdaad,” zegt Jan Brink. “Maar ook pannen en serviesgoed.
Kortom: een compleet horecagebeuren.”
Carlo Piemol begint een klein beetje aambeien te krijgen.
“Maar waar ik voor kom,” zegt Jan Brink, “is het volgende.
Jullie bedrijf staat nog niet in ons klantenbestand.
En we hebben net een heel mooie catalogus uit.”
“Fijn,” zegt Carlo Piemol.
“Ja, en nou wil ik graag dat jullie die catalogus ook krijgen.”
“Je verrast me niet,” zegt Carlo Piemol.
“Wie gaat er over dit soort zaken?” vraagt Jan Brink.
“De mevrouw die erover gaat, is vandaag afwezig,” liegt Carlo Piemol.
“Maar volgende week is ze er weer.”
“O, nou, dan stuur ik volgende week de catalogus wel op,” is het antwoord van Jan Brink.
“Maar nu ik hier toch ben…”
Carlo Piemol begint nog een klein beetje meer aambeien te krijgen.
“Ik heb nog een leuke pannenset waar ik vanaf moet,” vertelt Jan Brink.
“Ojajoh?” zegt Carlo Piemol.
Naast hem staan twee collega’s, Kees en Koos.
Die zijn geïnteresseerd in een pannenset.
“Wacht even,” zegt Jan Brink, “dan rijd ik mijn wagen even voor.”

Jan Brink rijdt zijn wagen voor.
De achterklep gaat open.
“Kijk,” vertelt Jan Brink, “We waren op een beurs.
En daar stonden al deze dozen met pannensets.
Van het merk Berghaus.
Die kunnen we nu niet meer verkopen in de winkels.
Dus moeten we ze op een andere manier kwijt.
Ik zal heel eerlijk zijn.
Van de opbrengst ga ik met mijn collega-vertegenwoordigers uit.
Dan gaan we een avond zuipen.
Normaal kost de pannenset €1400.
U mag hem hebben voor, laat ik mal doen, €250.”
Carlo Piemol houdt van koken.
“Vertel eens over de pannenset,” vraagt Carlo Piemol.
“Het is professioneel spul,” vertelt Jan Brink.
“Berghaus.
Goede pannen.
Deksels met een chip die vertelt hoe heet het in de pan is.
Levenslange garantie.
En nog meer.”
Er begint iets te kriebelen bij Carlo Piemol.
Zijn collega Kees zegt: “250?
Voor een avond zuipen?
Ik bied 150!”
Jan Brink zegt: “Oké, voor €175 is hij van jou.”

Collega Kees koopt een pannenset.
Collega Koos koopt een pannenset.
Carlo Piemol koopt een pannenset.
Jan Brink heeft €525 euro in zijn hand.
“Wil je koffie?” vraagt Carlo Piemol.
“Nee dank je wel,” zegt Jan Brink.
“Ik heb de hele ochtend al koffie gehad.
Tot ziens!”

Jan Brink is weg.
Kees loopt weg met zijn pannenset.
Koos loopt weg met zijn pannenset.
Carlo Piemol blijft staan met zijn pannenset.
Hij gaat naar een computer.
En googlet.
‘Berghaus’.
Hij komt op de site van Radar.
“Ook pannen gekocht uit de kofferbak van een vertegenwoordiger van Berghaus?”
“Shit,” denkt Carlo Piemol.
Hij scrolt naar beneden.
Carlo Piemol heeft nu knollen van aambeien.
Zijn hele gat staat in brand.

Wie gelooft er nou dat een pannenset die €1400 kost,
dat die nou ineens maar €250 of €175 kost?
Carlo Piemol voelt zich genomen.
Maar het zijn mooie pannen.

Dit is deeltje 4 uit de Carlo Piemol serie.
Meer deeltjes zijn in voorbereiding.

Apeldoorn, augustus 2007

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Hoe diep kun je zinken?

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2007 — bazbo @ 01:00

BazboSoms kom ik er niet onderuit. Dan moet ik mij onder de mensen begeven. De massa in. Ik zit daar persoonlijk niet op te wachten. Liever vertoef ik de meeste tijd thuis in de tuin of in de woonkamer van mijn huis. Daar waar andere mensen graag de menigte opzoeken in café of op feest, daar vind ik mijn geluk in kleine kring; het liefst met alleen mijn vrouw en zoontje om mij heen. Ik kan zeer verguld zijn met de rust in ons gezin en besteed uren luisterend naar muziek, lezend in een boek of een uitgebreide maaltijd bereidend.

Mijn zoontje was een woensdag vrij van school. “Dan kun jij mooi eens iets met hem ondernemen!” riep mijn vrouw. Ik deed wat me werd opgedragen. Soms doe ik niet moeilijk. Ik doe meestal erg moeilijk, maar er zijn momenten dat ik zo volgzaam als de pest ben. Ik regelde dat ik een dag van mijn werk kon wegblijven.
Vader en zoon samen op pad. Wat gingen we doen? Een heikele kwestie. Waar doe je je kind een plezier mee? Het was mooi weer, dus was het zeker dat we naar buiten zouden gaan. Hoe en waar bezorg je een jochie van acht jaar de dag van zijn leven? Juist ja.
“Wat zou je graag nog eens willen doen?”, vroeg ik Luc. “Waar wil je graag heen?”
Het antwoord was even resoluut als verschrikkelijk. “Naar een pretpark.” Ik moest eraan geloven.
Ik heb het niet zo op pretparken. Veel te massaal, onmogelijk duur en ik word kotsmisselijk van hoogtevrees in al die schommelschuitjes, achtbanen en duiktorens. Pretparken zijn voor het Centreparksvolk en daar reken ik mijzelf niet toe. Ik heb geen joggingpak. Een pretpark, godbetert. Hoe diep kun je zinken?
In Apeldoorn hebben we een gezellig familiepretpark; ideaal voor kinderen van de basisschoolleeftijd. Tenminste, dat werd me verteld. Nu was ik er vroeger als kind zelf wel eens geweest, maar dat was inmiddels ruim vijfentwintig jaar geleden. Ik zuchtte eens diep. De kogel was door de kerk: we gingen!

Samen fietsten we naar de Amersfoortsestraatweg. Een of andere oetlul had het pretpark helemaal bovenop een heuvel gelegd, zodat we al bekaf bij het park aankwamen voordat we ook nog maar een attractie hadden bekeken.
De kosten voor entree vielen mee en de koffie en thee waren zowaar gratis. Ik begon aan mijzelf te twijfelen. Straks ging ik dit nog leuk vinden ook! Mijn angst duurde gelukkig niet lang.
De ellende was: ik moest overal mee in. De knul was nog te klein om helemaal zelf zijn gang te laten gaan. En gezellig is het ook niet. Het liefst wilde ik ergens op een bankje gaan zitten, en hem geheel vrij laten. Maar dat was niet het doel van deze dag, die vader en zoon samen zouden doorbrengen.

En dus liepen we heen en weer tussen de draaimolens, de glijbanen, de ouderwetse carrousel, de botsautootjes en de kinderachtbaantjes. Luc had een leuke dag en ik volgde hem. Tussen de middag aten we patatjes en daarna gingen we weer verder. De dag vloog om. Aan het eind van de middag kwamen we in een deel van het park dat we nog niet hadden bezocht.

“Verhip,” ontglipte me. “Ze hebben die oude bootjesvijver nog steeds!” In een grote betonnen bak dreven vijf bootjes die op petroleum liepen. Tenminste, daar stonken ze nog altijd naar, net zoals vijfentwintig jaar geleden. Twee rode, twee gele en een blauw bootje. Er stond een hele rij mensen bij de betonnen bak te wachten. Iedere vijf minuten mochten twee mensen in een bootje stappen. Een chagrijnige kerel luidde een bel, en dat was het teken dat de bootjes naar de kant moesten.
“Ja, ik wil ook varen,” zei Luc.
“Is goed, maar dan moeten we wel even wachten.”
Het duurde even. Het duurde even nogal lang. Ik weet niet hoeveel mensen voor ons.
“We krijgen toch wel een rood bootje, hè?” vroeg Luc.
“Nou, dat weet ik niet, hoor. Het ligt eraan welk bootje vrij komt als wij aan de beurt zijn.”
Na een half uur kregen we het blauwe bootje. Luc keek nogal sip.
“Joh,” zei ik. “We zijn de enigen in een blauw bootje. Vallen we lekker op!”
Met tegenzin ging het jochie naast mij in het wankele bootje zitten. Hij wilde niet eens meer sturen. Ik probeerde nog wat op hem in te praten, maar hij ging met zijn armen over elkaar zitten mokken.
Behendig stuurde ik het bootje de vijver op. We voeren een paar ruime rondjes. Toen de vijf minuten om waren, klonk een bel. Ik wendde het bootje en we meerden weer aan.

“Kom, we hebben nog een half uurtje voordat we naar huis moeten,” vertelde ik mijn zoon. “We kunnen nog net één attractie doen.” Luc koos uit de draaimolens, de glijbanen, de ouderwetse carrousel, de botsautootjes en de kinderachtbaantjes voor een reuzenglijbaan. Nadat hij drie keer naar beneden was gezoefd, was het gezellige dagje van vader en zoon voorbij. Het was bijna sluitingstijd.

We liepen in de richting van de uitgang en kwamen langs de bootjesvijver. Het was er een drukte van belang.
“Wat een boel mensen,” zei Luc. “Willen die allemaal nog varen?”
“Er is iets aan de hand,” zei ik. “Kijk maar eens hoe ze over iets heen gebogen staan.”
“Gaan we kijken?”
“Vooruit.” We liepen naar de betonnen bak.
Langs de rand stonden allemaal medewerkers van het pretpark. Ze waren druk bezig om iets uit het water te trekken. Het kostte veel moeite. Ik ging iets verderop langs de rand van de vijver staan en keek over de rug van enkele mannen het water in.
Op de bodem van de vijver lag een blauw bootje.

Apeldoorn, augustus 2007

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Jos Brink is dood

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2007 — bazbo @ 00:57

BazboRaar hè? Ik volgde hem niet eens. Toch vind ik het erg. Dat-ie dood is.
Erg wel: zijn partner overleeft hem. Frank Sanders had ook kanker, maar genas grotendeels, geloof ik. Ik weet het niet eens zeker. Ik volgde hem immers niet. Vroeger wel.

Een eerste herinnering. Een theatershow op tv van het cabaret-ensemble ‘Tekstpierement’, waarin hij met zijn partner zogenaamd een fles jenever in vijf minuten leegzuipt en ondertussen allerlei vunzige opmerkingen zit te maken. Mijn moeder vond Jos Brink leuk, maar kreeg hier toch wel rode oortjes van. Ik was een jaar of tien. Het moet halverwege de jaren zeventig geweest zijn.
Of het taalspelletje ‘Babbelonië’ op televisie bij de AVRO. Jos Brink in het panel. En Pim Jacobs. En Lous Haasdijk. En nog wat anderen. Kregen ze een onbekend woord, en moesten ze vertellen wat het betekende. Of een vreemd voorwerp. Jos Brink wist er altijd iets hilarisch van te maken. Menigmaal had het gehele panel de slappe lach. Vanwege zijn dubbelzinnigheden.
En in welk jaar hield hij de toespraak voor koningin Juliana? “Lieve koningin,” begon hij. En daarna volgde een lange uiteenzetting over “de gouden caravan” van Prinsjesdag en andere vrolijke kwinkslagen over het koningshuis. Zo onbevangen. Ik hoorde andere volwassenen erover praten dat het onbetamelijk was om zo tegen de koningin te spreken, maar door zijn bijna kinderlijke onschuld kwam hij ermee weg. Mijn vader had deze toespraak op een elpee met cabaret-hoogtepunten en we luisterden hem veel. Altijd lachen.
Volgens mij was hij een van de eersten die met grotere musicals de theaters rondtrok. In de begin jaren tachtig moet dat geweest zijn. Soms was er een op televisie, en dan keken we die. Lagen we weer dubbel.

Toch had hij ook een serieuze kant. Hij was homo. En voorganger/predikant. Maar met dat homo-zijn liep hij niet te koop. Dat waar Paul de Leeuw voortdurend dubbelzinnigheden over maakt, daar hield Brink gewoon zijn mond over.
Dat predikant-zijn is wel intrigerend. Hoe zou dat zo gekomen zijn? Wel bijzonder dat een homo predikant is of wordt. De laatste jaren maakte Brink dan ook programma’s bij de NCRV. Soms zeer serieuze programma’. Ik verloor hem uit het oog. Maar ik verloor nóóit mijn respect voor hem.
Met het verscheiden van Jos Brink raakt Nederland een bijzondere persoonlijkheid kwijt. Ik vind het eigenlijk een vreemd idee dat een predikant, iemand die anderen ondersteunt bij levensbeschouwelijke zaken, zelf overlijdt. Alsof hij zelf het goede voorbeeld wil geven. Hij was echt een voorganger. Wie weet hoeveel lol God nu heeft nu hij bij Hem is.

Als uitsmijter een opmerking van Jos Brink die me mijn leven lang bij zal blijven. Herinneren we ons de grootschalige tv-show ‘Wedden Dat?’ nog? Nee? Ik wel! Tijdens een aflevering was er een vrouw met een bijzondere weddenschap. Zij was pedicure en kon de voeten van al haar cliënten herkennen. Kregen we allemaal voeten te zien en vertelde zij de naam erbij. Die vrouw was fantastisch; ze noemde alle namen goed! Zei Jos Brink: “Volgende keer zit hier een gynaecoloog.”

Apeldoorn, 17 augustus 2007

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Veilig naar huis

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2007 — bazbo @ 00:50

BazboHet grote nadeel van een vakantiereis is dat ze op enig moment afgelopen is. En dan moet je weer naar huis. De terugweg is een van de allerergste verschrikkingen van de globetrotter. Het gevoel van vrijheid is weg; je weet dat dat je binnen enkele uren weer vast zit in het patroon van de dagelijkse sleur.
Nog een deel uit bazbo’s vreselijke vakantieverhalen.

De taxi zette ons af bij de voordeur van luchthaven Istanbul. De koffers kwamen van onder de achterklep tevoorschijn. Daar stonden we.
“Wat heb jij daar nou in je hand?” vroeg mijn vrouw.
“Oh, dat is afval. We hebben net toch de laatste souvenirtjes gekocht? Ik heb die mooie shirts ontdaan van de verpakking en in de koffer gestopt. Stel dat we straks bij de bagagecontrole de koffer moeten openmaken, dan zien ze niet hoeveel we hebben gekocht. Je mag tenslotte niet al te veel textiel uit- en invoeren. Nu zit ik hier met de aankooptasjes en al dat plastic.” Ik had het zwarte plastic tasje met alles erin tot een dikke prop gekneed, maar zag geen afvalbak bij de ingang staan.
We liepen naar binnen en kwamen in een klein halletje. Ook daar geen prullenmand. We moesten gelijk door een veiligheidspoortje, en ook bagage werd onmiddellijk gecontroleerd. Wat deed ik met de afvalzak in mijn hand? Vanuit een ooghoek zag ik een lege tafel staan en daar legde ik het tasje neer. Snel ging ik naar het poortje. Ik legde mijn koffer en geldbuideltje op de band en liep zelf door de beveiligingsboog heen. Niets piepte. De koffer was ook veilig door de scanner gekomen.
Terwijl ik mijn buidel om mijn middel gespte, zag ik een van de bewakers iets van de band pakken. Het was mijn zwarte plastic tasje vol verpakkingsafval. Iemand van het personeel moest het hebben zien liggen en voor de zekerheid door de scanner hebben gehaald. De man pakte het tasje heel voorzichtig beet en begon nu bijzonder langzaam de prop open te vouwen. Hij keek heel ernstig en gespannen, alsof hij verwachtte dat de tas ieder moment zou kunnen ontploffen. Zijn collega’s kwamen erbij staan. Hij keek rond alsof hij in de omgeving zocht naar de onbekende eigenaar van dit tasje. Het klamme zweet brak mij uit en ik voelde een dunne substantie van binnen tegen mijn endeldarm drukken. Ik ben een angstig mens. Snel draaide ik mijn hoofd weg, maar ik hield de situatie vanuit een ooghoek in de gaten.
De bewaker peuterde traag wat verpakkingsplastic en kartonnen labeltjes uit het tasje. Hij haalde opgelucht adem. Ik ook. De terugreis kon beginnen.

Ik had de weinige handbagage in het bovenvak gelegd en was nu bezig de veiligheidsriem vast te maken. Gelukkig zat ik niet bij het raam, dus hoefde ik ook niet naar buiten te kijken. Ik sloeg het boek over het mooie Istanbul nog maar eens open en begon te lezen. De reisgids zou me drie uur lang wel afleiden van het onbehaaglijke gevoel in mijn lijf.
Het vliegtuig zat inmiddels bijna vol. De laatste passagiers kwamen binnen. Er kwam ook iemand van achter uit het toestel naar voren gelopen. Ik zag een stewardess bij de cockpit een kort gesprek voeren met de man, die door de ingang weer verdween.
“Heb je genoeg snoep voor bij het opstijgen?” vroeg mijn vrouwlief bezorgd. Ik knikte.
“Dames en heren, goedemiddag,” klonk ineens een stem door de intercom. Ik keek naar voren. Bij de cockpit stond een man in uniform zonder jasje. Hij hield een telefoon tegen zijn oor gedrukt en sprak. Het was zijn stem die we konden horen. “Welkom bij de KLM vlucht 1616 van Istanbul naar Amsterdam. Ik ben uw gezagvoerder Marco Duikstra en ik vraag uw aandacht voor een bijzondere situatie. Een van de passagiers heeft zojuist het toestel verlaten wegens ziekte. Hij kan de vlucht niet maken. Zijn koffers worden momenteel uit het ruim gehaald, maar het kan zijn dat er nog handbagage in de cabine is achtergebleven. Ik wil liever niet het hele vliegtuig ontruimen, maar we moeten toch vanwege de veiligheid controleren of er geen handbagage van hem in de bovenvakken of onder de stoelen staat. Ik zou u daarom willen vragen of u allemaal uw eigen handbagage weer uit de bovenvakken of van onder de stoelen wilt halen en op uw eigen schoot wilt zetten. Het personeel komt dan langs om overal te controleren of er achtergebleven spullen staan.”
Ineens was de hele cabine van het vliegtuig in rep en roer. Iedereen stond op en haalde zijn bezittingen uit de bagagebakken en onder de stoel vandaan. Vliegpersoneel hielp met tillen. Het was een onoverzichtelijke zooi. In het tumult voelde ik weer van alles tegen de binnenkant van mijn endeldarm drukken. Trillend zat ik met mijn boek op mijn knieën.
Toen iedereen met zijn rommel op schoot in de stoel zat, kwamen er stewardessen langs. De een controleerde de bagagebakken boven onze hoofden; de ander had een spiegel aan een lange steel, waarmee ze onder alle stoelen kon kijken. Alles bleek in orde. We konden vertrekken.
Ik keek naar voren en zag een stewardess de opgeluchte gezagvoerder een schouderklop geven. Betekende dit: “Goed gehandeld in deze stresssituatie”?
Stel, je hebt al wat vliegangst, en hebt al niet veel vertrouwen in deze manier van reizen, en wilt je zo min mogelijk overgeven aan de verantwoordelijkheden van anderen en liever de controle over de situatie in eigen handen houden, dan levert een dergelijk tafereel niet echt een bijdrage aan je gevoel van veiligheid.

Het vliegtuig steeg op. Na een tijdje ging het lampje ‘Fasten your seatbelts’ uit. Drie minuten later kwamen we volop in de turbulentie. Het toestel schudde als een postkoets die in volle vaart over een zandpad met kuilen denderde. Ik dacht dat dit vliegtuig het wel nooit zou halen en dat ik mijn dood tegemoet ging. Zat ik in ieder geval alvast in een kist.
“Wat ruik ik toch?” vroeg mijn vrouw. “Ben jij dat?”
“Ja,” gaf ik toe.
“Heb je het soms in je broek gedaan?”
Ik knikte.
“Maar waarom ga je dan niet even naar het toilet?”
“Ik ben nog niet klaar. Maar ik ben eigenlijk ook bang dat ik dunne poep tekort kom.”

Apeldoorn, augustus 2007

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Dronken in Istanbul

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2007 — bazbo @ 00:47

Bazbobazbo op vakantie. Altijd lachen. Lees hieronder over de zuipverhalen, de wilde seks, de levensgevaarlijke achtervolgingen en de ruige ontberingen in het land van de moslims. U bent gewaarschuwd.

Efes, zo heet het bekende bier in Turkije. Iedere avond dronken we een paar blikken leeg in onze hotelkamer. Bij de supermarkt waren ze niet te koop; wel bij zo’n ‘büfe’, een klein winkeltje dat op de hoek van iedere straat wel te vinden is. De verkoper pakte de vier blikken uit de koeling en stopte ze in een plastic tas. Terug in de hotelkamer verdwenen ze snel in de minibar.
Op het plein van Eminönü was het een drukte van belang. De verkiezingen waren in aantocht en overal reden promotiewagens die luid riepen op wie te stemmen. Het plein stond vol met kraampjes die verkiezingsreclame schreeuwden. We keken uit over het blauwe water van de Gouden Hoorn en werden aangesproken door een vriendelijke man. Hij was niet al te groot, flink grijzend en een jaar of zestig. Of we belangstelling hadden voor een bijzondere tocht langs de Bosporus. Nu hadden we voor die dag inderdaad zo’n plan.
Hij bood aan om ons met zijn auto naar het noorden te rijden, langs de Bosporus. “I’ll show you the Black Sea. The boat won’t bring you there.” Op een landkaart liet hij zien tot waar de veerboot voer. Hij wees op een plaatsje iets meer naar het noordwesten. Het ligt aan de Zwarte Zee. “There you can have lunch. No tourists there.”
Zestig lira vroeg hij voor de tocht. “But I’ll buy you your ticket for the boat back. And you pay me after I give you the tickets. That’s my guarantee.” Zestig lira de man, dat was in totaal ongeveer negentig euro voor ons drietjes. Veel geld, zeker voor Turkse begrippen. Maar dan kwamen we wel op plekken waar we anders niet geweest zouden zijn. We gingen akkoord.
Het verkeer in Istanbul is levensgevaarlijk. Auto’s toeteren, drukken, scheuren, remmen, slippen en draaien overal door de smalle straatjes. Onze chauffeur deed er vrolijk aan mee. Onderweg was hij ook nog in staat om ons uitleg te geven bij alle bezienswaardigheden.
“On Sunday you can’t drink any alcohol in Turkey,” vertelde hij ineens. “You know why?”
“Must be a religious thing?” gokte ik.
Hij antwoordde iets, maar ik kon hem niet goed verstaan. Verschillende auto’s toeterden erdoorheen. Ik ging er maar van uit dat ik het goed geraden had.
De man hield woord. Hij stopte bij alles wat we wilden zien. We deden bijna twee uur over de tocht van dertig kilometer langs de Bosporus. We aten mezzes en heerlijk gegrilde vis met salade in een dorpje aan de Zwarte Zee. Toen bracht hij ons naar de veerboot en kocht onze kaartjes. Die gaf hij aan ons en ik betaalde drie keer zestig lira. Gretig nam hij ze in ontvangst, gaf ons een hand en verdween. Het kaartje voor de veerboot kostte zeven lira per persoon. Reken zelf maar uit hoe goed zijn dag was geweest.

Die boottocht over de Bosporus vonden we zo mooi, dat we besloten om hem op de laatste dag van de vakantie nog een keer te doen. Het was een zonnige zondag. Deze keer kochten we een ‘smart ticket’, een retour. Die kostte twaalf lira de man. Aan het eind van de Bosporus kwamen we in een klein dorp dat opviel door de talloze eettentjes bij de haven. Het was lunchtijd. We kozen een goedkope locanta uit en bestelden wederom gegrilde vis en salade. Wat of we wilden drinken.
“Efes,” zei ik.
De ober trok nogal wit weg. Hij begon een heel verhaal in het Turks. Ik begreep iets van “problema”.
“Make that su,” zei ik. ‘Su’ is Turks voor ‘water’. “We zitten hier aan de Aziatische kant van Istanbul,” legde ik mijn vrouw en zoon uit. “Hier zijn ze wat strenger gelovig. Het is wat die chauffeur in de auto zei: hier mag je op zondag geen alcohol drinken.”
De vis smaakte uitstekend en niet veel later zaten we op de veerboot terug naar het plein van Eminönü. De tram bracht ons naar het hotel.
“Laten we nog even wat bier kopen voor in de hotelkamer,” zei ik. We liepen een ‘büfe’ binnen en ik vroeg om vier Efes. Zonder blikken of blozen pakte de jongeman achter de balie mijn boodschappen uit de koeling, stopte ze in een plastic tas en overhandigde mij die.
In de hotelkamer dronken we ze leeg. Toen hadden we honger. Op naar een restaurant. Weer de vraag wat of we wilden drinken.
“Efes, please,” was mijn antwoord.
“No Efes today,” kreeg ik te horen. “Today no alcohol in whole Turkey.”
Ik begon maar niet over de verkoper van de ‘büfe’. In plaats daarvan bestelden we ‘su’.
De iskender döner smaakte fantastisch en het was al donker toen we terugslenterden naar het hotel.
“Wacht, ik haal nog een paar blikken,” zei ik tegen mijn gezin en betrad opnieuw een ‘büfe’. Daar vroeg ik om vier blikken Efes. De verkoper kreeg een rood hoofd, maar pakte de gevraagde biertjes. Snel rolde hij ze in kranten en stopte ze in een ondoorzichtige plastic tas.
“Waarschijnlijk mag hij van zijn geloof echt geen alcohol verkopen,” zei ik tegen mijn vrouw. “Maar ja, handel is handel. Istanbul is tenslotte één grote winkel, vierentwintig uur per dag.”
In de hotelkamer legde ik de blikken weer in de minibar. Het was opvallend hoe koud ze waren. “Misschien heeft hij die kranten er alleen maar omheen gedaan om ze koel te houden.”
Wisten wij veel.

Twee dagen later zat ik in mijn vertrouwde woonkeuken de kranten van de afgelopen week door te bladeren. De krant van maandag kopte met een opmerkelijk bericht. ‘Verkiezingen in totaal drooggelegd Turkije’. Mijn interesse was gewekt.
De Turkse regering had afgekondigd dat op de dag van de verkiezingen in het hele land geen alcohol verkocht mocht worden. En wij de islam maar de schuld geven.
Ik klikte het laatste blik Efes dat we mee naar Nederland hadden genomen open en liet hem mij goed smaken.

(Gebruikelijke dagafsluiting in het hotel in Istanbul)

Apeldoorn, augustus 2007

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 
« Vorige paginaVolgende pagina »