Geile boodschappen (6)
Een markante kop keek mij van achter de stellage met weekaanbiedingen aan.
“Hé
buurman!” riep de buurman tussen de pakken muesli door. Het was de
buurman van een paar deuren en een halve straat verderop. Leuke vent.
Kun je wel mee oudehoeren. “Boodschappen aan het doen?”
“Nee,” antwoordde ik, “ik zoek informatie over hoe ik zo goedkoop mogelijk mijn grote legbatterijkip kan katheteriseren.”
“Ik ga eens macaroni maken,” zei hij. Ik begreep de relevantie niet zo goed. “Jij dan?”
“Boerenkoolstamppot zonder aardappelen.”
“Oh? Wat doe je daar dan in?”
“Boerenkool
en geen aardappelen. Maar wacht, ik vergeet de rode uien!” Snel maakte
ik me uit de voeten. Sociale contacten zijn leuk, maar je moet het ook
niet overdrijven. Zeg dat ik het gezegd heb.
Die rode uien had ik zo gevonden. Ze lagen bij de groenteafdeling. Boerenkool hoefde ik niet te zoeken, want die lag thuis, vanwege vorige week in het biologische groentepakket. Nu nog rundergehakt. Zowaar, het was in de aanbieding! Snel een vet pond in mijn karretje gedeponeerd. Kijk aan! Dommelsch is óók in de aanbieding. Dat is mooi! Bier hijsen zonder schuldgevoel dat ik teveel geld aan alcohol uitgeef. Maar wat kon mij dat op dit moment nou schelen? De kassa! Daar gaat het om bij het boodschappen doen!
De
buurman stond af te rekenen bij het kassameisje dat Ashlyn heet.
Ashlyn, ik vind het nogal een stomme naam. Maar het roept ook iets
mysterieus op. Iets ongrijpbaars. Iets popperigs. Zeg het maar. Ik kan
er even niet opkomen.
Snel sloot ik aan achter de buurman. Hij had al
zijn boodschappen rommelig op de band gesodemieterd. Daar houd ik niet
van. Er moet wel een beetje systeem in zitten. Zelf heb ik dat systeem
volledig geautomatiseerd; ik denk er niet meer bij na. De zware spullen
gaan als eerste langs de scanner, zodat ze ook als eerste het karretje
weer in gaan. Niks geen geplette boodschappen bij mij! De buurman at
vanavond geplette paprika in zijn macaroni. Omdat ik niet na hoefde te
denken bij het ordentelijk opstellen van mijn spullen op de band, had ik
weer alle gelegenheid om mijn volledige voorraad mondvocht te verliezen
bij het staan staren naar Ashlyn.
Ze had een ietwat merkwaardig kapsel. Ooit waren haar lange haren lichtblond geverfd geweest, maar het was helemaal uitgegroeid. De helft aan de uiteinden was dus lichtblond, de andere helft had haar natuurlijke donkerblonde kleur. Ze droeg een scheiding helemaal aan de rechterkant van haar hoofd, waardoor haar haren als een grote lange lok over haar voorhoofd hingen en haar mooie ogen niet goed zichtbaar waren. Haar neus leek wel Grieks. Ze droeg geen make-up. Alleen haar ogen had ze fors aangezet met mascara en haar nagels voorzien van pikzwarte lak.
“Heeft u deze niet afgewogen?” vroeg ze aan de buurman. Ze hield een zakje tomaten en een prei omhoog.
“Moet dat dan?”
Ik zuchtte. Twee keer. Eén keer van verlangen naar het leuke kassameisje en één keer van ergernis om de buurman.
“Nou, dan ga ik dat maar doen,” zei hij.
“Wilt
u een beetje opschieten?” deed ik zogenaamd boos tegen hem. “Dat duurt
maar! Alsof ik niets beters te doen heb op een dag.”
Ashlyn keek naar mij. Ik gaf haar een knipoog dat het allemaal maar voor de grap was.
Zo op het eerste gezicht was ze niet eens bloedmooi. Het lange gelaat en de bijna Grieks grote neus, haar onvolkomen huid en haar lange haren die wild voor haar gezicht hingen; je zou de indruk kunnen krijgen dat ze een heks was. Maar als je haar wat beter bekeek, en je werd meegezogen door de wereld van haar ogen en haar fenomenale lach, dan kon je niet anders concluderen dan dat dit meisje misschien niet bloedmooi was, maar wel gewoonmooi of mysterieusmooi of beter nog: liefmooi.
“Verhip,” siste ik. Gwendolyn keek me aan. “Zelf ben ik ook lekker bezig. Knolselderij vergeten!”
Daar!
Daar verscheen hij! De geweldige lach op haar mond. Ik kon er niet naar
blijven staan kijken. Ik moest knolselderij halen, anders werd het
niets met die boerenkoolstamppot zonder aardappelen. Snel rende ik naar
de groenteafdeling. Ik botste bijna tegen de buurman met zijn zak
tomaten en prei op.
“Kijk je uit, vent?” riep ik woest, terwijl ik
een selder uit een bak griste. “Eén euro vijftien voor een kutknol! Wat
een recessie!”
Terug bij de kassa trof ik de buurman op zijn knieën onder de band.
“Ik had mijn pasje laten vallen,” zei hij met een rood hoofd, toen hij weer was opgestaan.
Het
interesseerde me niet. Wat me wel interesseerde, was het meisje dat
achter de kassa zat te stralen van de lol om die twee maffe kerels die
zo aan het stuntelen waren. Het mooiste van een vrouw is haar lach, dat
blijkt toch keer op keer weer. Zeg dat ik het gezegd heb. Ik heb er
nogal kijk op.
Buurman weigerde zijn kassabon.
“Een fijne avond,” zei Ashlyn tegen hem.
“Doe je de groeten aan Vrouwlief?” vroeg buurman mij. Tegen het kassameisje zei hij niets.
Ik knikte. Hij ging weg. Gelukkig. Even alleen met Ashlyn.
“Wat een lompe en brutale vlegel, hè?” knipoogde ik maar weer eens.
Het meisje lachte verlegen en ging verder met haar werk. Ze wist trouwens wat een knolselderij was. Dat viel me mee.
Hoe
zou ze er in het dagelijks leven uitzien? Zwarte kleren of juist heel
fel gekleurd met veel rood en fluorescerend groen? Zou ze een piercing
dragen? En waar dan? Ik keek naar haar neus, maar kon behalve een
puistje geen andere onregelmatigheid ontdekken. Door haar lip? En welke
dan? Nee, die lippen van haar zagen er puntgaaf uit. Potjandosie, ik
betrapte me er weer eens op dat ik me hier gewoon stond te vergapen aan
een jonge meid voor wie ik veel te oud en te getrouwd ben. Maar wat
maakte het allemaal uit? Een mens kijkt nu eenmaal graag naar mooie
dingen en god, wat vond ik haar een mooi ding. Zolang het bij kijken
blijft, mag ik mijn Vrouwlief nog onder ogen komen. Laat daar geen
misverstand over bestaan!
Zou ze zichzelf snijden? Je weet het nooit
bij dit soort enigmamooie meisjes. Van mij mocht ze haar wonden kerven
op mijn ziel. Ik weet ook niet wat ik daarmee bedoel.
“Wilt u het bonnetje mee?”
Ik
wilde het bonnetje niet mee. Ik wilde háár mee. Vrouwlief zou me zien
aankomen. Kom ik thuis, haal ik deze leuke meid uit de fietstas. “Kijk
eens, Vrouwlief, wat ik nu weer in de supermarkt heb gevonden!”
“Zeker heel duur?”
“Nee joh, ze was in de aanbieding.”
“Maar wat móét je d’r mee?”
“Ze
is heel mooi en lief. Gewoon voor de heb. Dat als je alleen bent, dat
je dan even tegen haar aan kunt leunen en je zorgen zuchten, of zoiets.
Weet ik ook veel. Noem het een impulsaankoop.”
“Zeker in de buurt van de kassa gevonden? Daar zetten ze de zooi neer waar ze goedkoop vanaf moeten.”
“Hoe weet jij dat nou weer? Nou ja, we hebben d’r nu eenmaal. Laten we er dan ook optimaal gebruik van maken.”
“Maar waar láát je d’r?”
“Naast mij op de bank is altijd wel een plekje.”
“En ik dan?”
“Ik
heb toch twee kanten? Jij aan de ene; zij aan de andere. Ga ik gewoon
in het midden zitten. Zoals het hoort: de man als het centrum van de
wereld met de vrouwen om hem heen.”
Het gebeurde allemaal niet. Ik durfde het ook niet. Wel keek de emomooie Ashlyn me ondeugend aan met een glimlach op haar leuke lippen die me deed vermoeden dat ze me wel aandoenlijk vond. Mistroostig duwde ik mijn karretje naar de uitgang en ik bedacht me eens wat of ik mórgen nodig ging hebben voor het eten.
Apeldoorn, februari 2010