Piercing – Lotgenoten (0077)
Lotgenoten,
De kraag van mijn winterjas trek ik nog maar eens omhoog. Het is nog echt koud, zo vroeg op de ochtend. Gelukkig hoef ik niet lang te wachten bij te bushalte; mijn overstaptijd is zelden langer dan tien minuten. Doorgaans dood ik de tijd door allerlei toneeltekst in mijzelf op te zeggen. Zo repeteer ik allerlei poëzie en teksten voor de theatervoorstellingen die ik met ons toneelgezelschap op de planken breng.
Al stilletjes voor mij uit declamerend kijk ik om mij heen. Links van mij zit een jongedame op een bankje. Ze is verdiept in haar telefoon. Ik weet dat ze straks in dezelfde bus stapt. Kijk, ze houdt de telefoon een eindje van zich af en steekt met haar andere hand twee vingers op. Vervolgens houdt ze haar hoofd schuin, tuit ze haar lippen en zit ze even stil. Ach, ze maakt een foto van zichzelf. Verder is er niemand bij de bushalte.
Hoewel, daar komt net iemand aangelopen. Een andere jonge vrouw is het. Het barst van de scholieren in de morgen. Het meisje loopt voor ons langs en zet haar tas op een ander bankje dat iets verderop aan de lange abri gemonteerd is. Ze is niet groot, klein zelfs. Haar huid is lichtbruin en ze heeft donkere ogen. Haar zwarte lange haar hangt steil over haar schouders. Het is echt lang, het komt tot zeker halverwege haar rug. Onder haar lange zwarte winterjas zie ik een spijkerbroek met wijd uitlopende pijpen en witte sportschoenen.
De tekst in mijn hoofd loopt al bijna automatisch. Wat doet ze nu? Ze trekt haar dikke winterjas uit, pakt iets uit haar tas en begint haar lange zwarte haren te borstelen. Ik heb het koud. Zij kennelijk niet. Ze buigt zijwaarts, haar haren hangen bijna op de stoeptegels en ze laat haar borstel herhaaldelijk door haar lange haar glijden. Al borstelende draait ze zich om en ziet mij. Ik kijk weg en struikel over de woorden die ik dacht als vanzelf te kennen. Als ik weer kijk, is ze nog altijd in de weer met haar haren.
Ik pak de draad van de poëzie weer op en al snel hervind ik het ritme. Campert en Lucebert. Terwijl ik de zinsflarden mompel, beweeg ik weer naar rechts. Het meisje is gestopt met haren borstelen en trekt nu met beide handen haar truitje omhoog. Ik zie een slank middeltje met een blote buik. Ze heeft een glimmende piercing door haar navel. Ze buigt voorover, haar hand grijpt naar het zilverkleurige dingetje en ze begint eraan te frunniken. Ze kijkt op. Ik kijk weg. Als ik weer kijk, is ze nog altijd aan het frummelen. Ze kijkt op. Ik kijk weg. Dat gaat zo nog een keer. En nog een keer. Iedere keer voel ik me betrapt en de poëtische zinnen beginnen weer te stamelen. Ik vlucht met mijn blik naar de verte, van waaruit de bus moet komen. Nog niet.
‘Meneer?’ vraagt iemand naast mij. Ik draai mij naar rechts. ‘Heeft u toevallig zakdoekjes bij u?’ Het meisje staat voor mijn neus, met blote buik en al. Ik kijk niet naar haar navel, al moet ik mijn blik wel naar beneden werpen, wil ik haar in haar ogen kijken. ‘Pardon,’ zeg ik. ‘Wat zei je?’
‘Heeft u toevallig zakdoekjes?’
Ik durf niet te vragen of ze iets te hard aan haar piercing heeft gefrunnikt. ‘Zakdoekjes?’ herhaal ik. ‘Eh…’ In mijn jaszak zitten wat papieren servetten, gevouwen en verfrommeld, meegenomen uit de EXKi in Brussel. Hoe lang zitten die al in mijn zak? We waren er met Kerst, dus reken maar uit. Die durf ik haar niet te geven. ‘Sorry, nee. Helaas.’
‘Jammer,’ zegt ze. ‘Maar dank u wel.’ Ze loopt verder naar het andere bankje en vraagt hetzelfde aan de jongedame van de foto van zichzelf. ‘Hallo, heb jij toevallig zakdoekjes?’
Glimlachend kijk ik weer naar de verte.
Daar zie ik mijn bus aankomen. Ik graai in mijn jaszak. De OV-chipkaart zit tegen mijn telefoon gedrukt en daaronder zitten de half gepropte papieren servetten. Voor noodgevallen. Is dit meisje een noodgeval? De bus stopt voor mijn neus. Ik stap in en ga zitten op een lege bank halverwege de bus. Vanuit mijn ooghoek zie ik dat de jongedame van de foto van zichzelf op de eerste de beste bank voorin is gaan zitten. Het meisje van de piercing komt me voorbij, haar jas hangt over haar arm. Ze loopt naar de achterbank. Geen idee of ze een zakdoekje heeft weten te bemachtigen.
Het is koud in de bus en ik ben mijn tekst kwijt.
Wat een avonturen toch weer.
–
Apeldoorn, april 2026






































































































