bazbo – de wereld van Bas Langereis, het middelpunt der aarde

Bas Langereis leest u voor!

02-07-2008

Winterverhalen (3)

Filed under: Publicaties voor FOK! - Tim's corner — bazbo @ 21:27

Wat vooraf ging: Winterverhalen 2

“Mijn moeder was natuurlijk helemaal over de zeik. Ze had het hele dorp afgezocht en daarbij zo moe geworden van alle stress, dat ze die nacht niet meer bij zinnen was om pa op te sporen. Toen papa in de vroege ochtend bijkwam, is-ie naar huis gekropen, want hij kon amper meer op z’n benen staan. Heel zijn knieën waren kapot toen hij uiteindelijk ons huis had bereikt! Het was werkelijk verschrikkelijk om hem zo in de ochtend aan te treffen in z’n stoel.”
“Z’n stoel? Ik bedoel: hij heeft jullie niet eerst wakker gemaakt met de mededeling nog in leven te zijn?”
“Ik heb geen idee. Hij ook niet trouwens. De arme man weet niet eens precies hoe hij naar huis is gekomen. We hebben hem heel vroeg in de ochtend in zijn favoriete stoel aangetroffen. Doodmoe en gebroken. Hij sloeg alleen nog maar wartaal uit. Alles haalde die ouwe erbij. Zijn overleden moeder en vader, de kegelclub, tijdstippen van tv-programma’s waar hij altijd naar keek…”
“Kortom, het leek wel een psychose?”
“Dat is wel het eerste waar we dachten, inderdaad. Maar toen zagen we duidelijk zijn verwondingen aan z’n hoofd. Meteen de dokter gebeld natuurlijk…”

Ze zuchtte eens diep. Dat deed ze mooi. Droevig, maar mooi. Ik had inmiddels mijn hele rechterhand in het kussen verstopt en het knijpen in de plooien had inmiddels plaats gemaakt voor een dikke vuist die ritmisch, maar zo zacht zodat ze het niet zou merken, in het stof sloeg. Ziek word ik van zinloos geweld. Let wel, geweld dat dus echt zinloos is. Ik ben nog steeds van mening dat als iemand om een goed pak slaag krijgt, deze ook moet krijgen. En dan geen kleine mepjes, maar ferme klappen. Er zijn teveel mensen op aarde die waarlijk vragen om klappen, maar deze steeds weer weten te ontwijken. Vuil volk dat achter je rug om allerlei onzin verkoopt en daarmee je leven totaal kan verwoesten. Het zijn de NSB’ers van morgen, dat krapuul! Meestal te vinden in smoezelige huisjes in kleine dorpjes, niet veel groter dan vier straten en een slechtlopende buurtsuper. Ze hebben ’s avonds altijd de tv aanstaan en lezen geen boek of krant. De loterij is hun enige spanning binnen een week. Het verliezen van de loterij is het grootste gat waarin ze kunnen vallen. Om elf uur sluipen ze de huizen uit om het dorp te verkennen. Wie is er nog wakker? Welke vreemde auto staat er geparkeerd in de straat waar zich de hele week al vreemd gespuis ophoudt? Elke aanwijzing zorgt voor een oordeel en wordt medegedeeld in de slechtlopende buurtsuper. Het oordeel wordt gewogen, besproken, uitvergroot en tenslotte verkocht aan de toog. Ik kende de dorpen, de kroegen en het gespuis maar al te goed. Ze hoefde me niks meer uit te leggen. Haar vader was slachtoffer geworden van een misverstand dat de wereld in geholpen was door een labiele ellendeling die zijn of haar hele dag slijt voor een plasma scherm. De werkelijkheid of schijnwerkelijkheid van het beeld bepaalt zijn of haar sociaal denkvermogen. Mijn hart bonkte in m’n keel. Ik voelde een enorme brok opkomen. Hoe laat was het eigenlijk?

“Luister je eigenlijk nog wel?”
“Sorry. Natuurlijk. Ik ben er nog. Maar het begint een beetje slaapverwekkend te worden, allemaal. Zou je niet eens kunnen zeggen wat nou precies de toedracht was waarom je pa in elkaar is geslagen?”
Ik had meteen alweer spijt van deze zin. Mijn koelheid verandert me nog eens in een levende ijspegel. Het is enkel een schild, dat weet ik ook wel. Maar moet ik alles dan maar toelaten? Hoeveel sloten moet ik nog inlopen eer ik alle naïviteit van me heb afgewassen? Ik kreeg trek in bier. Zoals wel vaker.
“Later, toen we alle verhalen van pap hadden gehoord en we een aantal dorpsgenoten zo ver kregen om eens te gaan informeren naar wat er precies was gebeurd die avond in de kroeg, begon het eindelijk wat duidelijker te worden. Iemand had schijnbaar het gerucht verspreid dat…”
Er kwam een zee aan zout water uit haar prachtige staalblauwe ogen. Het traanvocht stroomde over haar hele lichaam heen. Werkelijk, ik deed mijn uiterste best om mijn absolute koelte te doen doorbreken, maar het enige wat ik nog kon doen was wegkijken.

Ik dacht aan mezelf tijdens de zomer van 1985. Ik belde bij mijn beste vriendje aan met een pasgekochte voetbal onder mijn armpjes geklemd. Hij zag door het raam dat ik het was, maar deed de deur niet open. De dagen erna negeerde hij me volkomen op school. De rest van de kinderen trouwens ook, maar dat kon me weinig schelen. Ik begreep maar niet waarom mijn beste vriendje me liet zitten. Het leek wel of de kinderen me nu weer kwamen opzoeken. Hoorde ik ze daar beneden, bij dit nog redelijk onbekende meisje, aan het raam staan lachen? Ik voelde dat ze hard in mijn arm kneep. De droom was over. Ik voelde drie heftige rillingen over m’n rug gieren.

“Iemand heeft gezegd dat mijn pa op een avond na zijn wekelijkse café bezoek een brood had gestolen achterom bij de bakker. Elke dag worden daar verse broodjes neergelegd door een groothandel. Pap heeft bij hoog en laag gezworen dat dit de grootste onzin was en waarom zou ik hem niet geloven? En dat verhaal van het gejatte brood werd erger en erger. Ze hebben hem voor werkelijk van alles weten te beschuldigen! Uiteindelijk heeft iemand ervan gemaakt dat pap elke avond op strooptocht zou zijn. Nu waren er indertijd veel inbraken in ons dorp, maar van geen enkele is mijn vader daar schuldig aan! Waarom zou hij ook?”
Ze stortte zich op bed en propte een stuk deken in haar mond om door haar hard gejank niet teveel mensen wakker te maken. Ik was nog steeds als de dood dat iemand de kamer nu binnen zou komen en dan had ik een hoop uit te leggen. Ik raakte haar kort aan, maar trok mijn hand snel terug. Ik wist niks meer te zeggen.
“De maanden daarna waren een regelrechte hel. We werden nagewezen op straat en zo. Het was op een gegeven moment zelfs zo erg, dat er met eten naar ons huis gegooid werd. Mijn ex-vriendje maakte het toen zelfs met me uit omdat-ie de rest van het dorp geloofde, de vuile klootzak. Dat is nu zo’n twee maanden geleden. Het is sindsdien de eerste keer dat ik weer iets voor iemand voel, maar ik ben zo bang het weer kwijt te raken.”

Ze wilde me omhelzen en ik liet het maar even toe. Ik werd er wel wat misselijk van. Door haar hevige snikken door probeerde ik wat te zeggen. Maar mijn keel was zo grof als schuurpapier. Ik verzamelde al mijn speeksel in m’n gehemelte, tilde haar hoofdje op en vroeg haar: “Lieverd… heb jij iets scherps in huis? En dan bedoel ik geen sambal of zo. Of heb je misschien iets hards in de buurt? Een plank wellicht?”
“Ik heb jaren honkbal gespeeld… bedoel je zoiets?”

Wordt vervolgd…
December 2007

• • •
 

Denkend aan John Lennon

Filed under: Publicaties voor FOK! - Tim's corner — bazbo @ 21:25

We aten erwtensoep. Met worst. Maar die mocht ik laten liggen. Ik was pas vegetariër geworden, net als Paul McCartney. Dat had ik gelezen in de Margriet die de moeder van een meisje op school voor me had bewaard. Met rode wangetjes had ik het tijdschrift in ontvangst genomen. Ik vond het echt heel aardig van haar, maar ze overhandigde het vrouwenblad een beetje onhandig op het schoolplein tussen alle stoere jongens van de klas. Nu was ik wel zo slim om het blad snel onder mijn winterjas te vrotten, maar helaas was ze van mening met harde schelle stem te moeten meedelen dat er een grote special over Paul McCartney in stond.
‘Die van The Beatles, waar jij zo gek op bent, weet je wel.’
Het was het jaar van de smurfenhouse en om een of andere bizarre reden werden The Beatles door mijn klasgenootjes als kinderachtig beschouwd en het uit je dak gaan op muziek gezongen door snel afgespeelde stemmen met dubieuze teksten over Stoute Smurf en de verloren toverdrankjes als ultiem cool ervaren. Ik rende snel de school binnen en sloot me op in het toilet, om daar de special grondig tot me te nemen. Daar stond in dat Paul McCartney gruwelde van vlees en vivisectie. Dat laatste leek me nog te moeilijk om me mee bezig te houden maar gruwelen van vlees, dat moest toch te doen zijn. Die avond had ik moeder plechtig voorgelegd heel geen vlees meer te willen eten.

Traag at ik mijn erwtensoep die ik liever met worst had gehad. Het smaakte toch een beetje naakt zo. Maar ik had nu eenmaal een keuze gemaakt en daar zou ik me voorlopig even aan houden. De damp van de soep zorgde ervoor dat het behaaglijk warm werd aan tafel. Het keukenraam was daardoor beslagen maar de condens trok langzaam weg, zodat ik stukje bij beetje mijn eigen gezicht weerspiegeld terug kon zien. Het was al pikkedonker buiten en de takken van onze grote eikenboom kletsten in een onregelmatig ritme tegen de dakpannen aan. De wind huilde hard en jammerend om ons huis heen. Het leek wel of de storm zich door ons huis wilde razen.

Vader moest overwerken. Dat gebeurde wel vaker in november. De laatste maanden was hij altijd erg druk met van alles en nog wat. Onze auto was al een tijdje stuk, maar pa had geen zin om deze naar de garage te brengen. ‘Dat kost toch alleen maar heel veel geld,’ vond-ie. Daarom ging hij elke ochtend op de fiets naar zijn werk. Als hij dan laat terug kwam, moest hij voorover gebukt door de regen, in de snijdende wind en koude naar huis trappen. Elke avond kon ik hem zien fietsen in mijn bord soep. Ik vond het maar wat zielig voor hem.
Moeder keek ongeduldig op de keukenklok waar pa bleef. Ze baalde ervan dat het alweer zo lang geleden was dat we met z’n viertjes aan tafel hadden gezeten.

Zij waren ook met z’n vieren. John, Paul, George en Ringo. Ik kende al hun verjaardagen uit m’n hoofd, wist precies op welke plaat John de meeste liedjes had geschreven en in welk jaar ‘Love me do’ in Nederland een grote hit werd. Dat had ik allemaal gelezen in een groot dik muffig ruikend boek, vol ezelsoortjes en onderstrepingen, dat ik had gevonden op de jaarlijkse rommelmarkt in ons dorp. Ik kon maar niet geloven dat iemand er vanaf wou. Er stond zo vreselijk veel informatie in dat ik maar kleine stukjes las wanneer ik eigenlijk naar bed moest. Met ‘The White Album’ op mijn hoofdtelefoon kwam ik bijvoorbeeld te weten dat John Lennon ooit naakt met Yoko Ono geposeerd had op een platenhoes. Ik wist niet wat ik daar nou van moest vinden. Ik begreep eigenlijk toch al zo weinig van hem. De eerste keer dat ik kennis maakte met Lennon, was op een platenhoes van de bekende ‘rode dubbelaar’. De vier jongens stonden daar op een rijtje met keurig gekamd haar. Alle vier lachten ze me vriendelijk tegemoet. Al was het buiten nog zo’n vies weer, had ik een slecht cijfer voor rekenen gehaald of al zag een lief meisje mij totaal niet zitten, The Beatles bleven altijd weer naar me lachen. Wat ik echter niet begreep was dat als je de platenhoes omdraaide, je diezelfde mannen met lang haar, vreemde snorren en Lennon zelfs met een gigantische baard zag!
‘Vast een grapje van ze,’ dacht ik nog. “Ze hebben voor de tweede foto snel even een pruik en een baard uit de verkleedspullen kist gepakt.” Dat deed ik ook wel eens als het buiten hard regende. Maar er was nog iets anders wat ik aan Lennon maar niet kon vatten. Hij kwam op de proppen met het angstaanjagende nummer ‘Revolution number nine’. Acht minuten lang vreemdsoortige klanken en angstaanjagende fluistergesprekken. ‘Dat was allemaal de schuld van Yoko,’ had mijn moeder ooit gezegd. Ik sloeg dat nummer dan ook altijd over als ik The White Album op had staan. Maar onlangs had ik wel het meest akelige ontdekt: John Lennon is niet meer in leven. Zogezegd: dood!

Hoe kon dat nou? Een van mijn allerbeste vriendjes dood. Dat mocht niet; dat kon niet. Misschien was zijn baard dan wel echt. Of misschien was John Lennon wel eigenlijk veel ouder dan rest van The Beatles. Heel misschien was hij op die foto van die rode dubbelaar al opa! Maar nee, dat kon niet, want na The Beatles maakte hij nog wat platen waarop hij geen baard had. Dagenlang zat ik te puzzelen wat het nou geweest kon zijn. Ik vond het ook een vreselijk eng idee en ik wilde stiekem niet eens echt weten waarom-ie nou dood was gegaan. Ik zocht het op in het grote boek, maar telkens als de waarheid dichtbij leek te komen, klapte ik het dicht.

De deur vloog open en een vies koude wind sloeg me om de oren. Mijn vader was eindelijk van het werk thuisgekomen. Van schrik liet ik mijn lepel ietwat te hard in de soep vallen. Het groene goedje spatte op mijn broek. Pa was duidelijk oververmoeid. Zijn ogen waren rood geworden van de tranen die hij steevast kreeg op de fiets wanneer het te koud was. Zijn handschoenen leken wel aan z’n handen te zijn vastgevroren. Mijn moeder stond onmiddellijk op om hem te warmen, maar stapte meteen achteruit toen ze voelde hoe koud hij het had. Daar hielp alleen maar een kop warme soep tegen. Vader mompelde iets over de baas die hem veel te lang had laten werken. Hij at snel zijn kop soep leeg en viel daarna aan tafel in slaap.

Moeder had die hele tijd nog niks gezegd. Ik voelde dat het niet pluis was. Ze stak een sigaret op en blies de rook traag voor haar uit. Zonder me aan te kijken sprak ze op lijzige toon: “Waarom eet jij zo langzaam vandaag. Is het niet lekker?”
“Het is heerlijk mam, echt waar.”
“Zou je niet zo zoetjes aan weer eens wat vlees eten? Misschien dat het je dan beter smaakt..”
“Mam, wat zeg ik nou! Het is heerlijk.”
“Normaal eet je anders veel sneller.”
“Ik baal gewoon een beetje van de kou, dat is alles.”

Mijn vader snurkte. Zijn mond lag open. Er kwamen allemaal rare geluiden uit. De takken van de grote eikenboom begonnen steeds harder en onheilspellender tegen het dak aan te tikken. In de straat viel luid een container om, die iemand aan de weg had laten staan. Mam schakelde de radio aan waarop werd gezegd dat Nederland geteisterd werd door een behoorlijke storm. Ze stak nog een sigaret op en ging weer zitten.

Please, Please Me, With The Beatles, A Hard Days Night, Beatles For Sale, Help, Rubber Soul, Revolver, Sgt. Pepper, Magical Mystery Tour, White Album, Yellow Submarine, Abbey Road, Let It Be. Dat was de volgorde. Blijven onthouden, nooit meer vergeten. Ik trainde me daarop, elke avond weer.

“Mam, waarom is Lennon dood?”
“Lieverd, mensen gaan gewoon dood. Jij ook.””Dat weet ik wel, maar…”
“Heb jij je soep al op?”
“Maar hoe is hij dan dood gegaan?”
“Dat vertel ik je nog wel een keer.”
“Is het zo’n lang verhaaltje dan?”
“Nee, maar het is niks voor nu.”
Daar kon ik niet tegen. Niks voor nu, wat was dít nou weer voor onzin. Ik wilde het nú weten, want ik wist dat er iets niet in orde was. Ik bibberde en trilde van spanning, maar liet het niet merken , want dan bestond de kans dat ik het helemaal niet te weten kreeg.
‘Mam, ik wil het weten. Ik kan er heus wel tegen hoor!’

Ze ruimde de tafel af om zo haar aandacht ergens anders op te vestigen. Pa werd wakker van het gekletter van de borden. Hij stond brommend op en ging naar de kamer, om daar op de bank verder te gaan slapen. Mam zette de kraan aan. Het hete afwaswater maakte een hels kabaal in de stalen gootsteen. Het overstemde het geluid van buiten. Ik was bang. Een onbehaaglijk gevoel raasde door de straat waarin ik woonde, drong zo de keuken binnen en begon zich langzaam in mijn hoofd vast te klemmen.

‘Turn off your mind, relax and float down stream. It is not dying, It is not dying,’ zong Lennon ooit. Het laatste nummer op ‘Revolver’ was dat met die gekke meeuwen op de achtergrond. Wat zou hij daar nou weer mee bedoeld hebben? Zonde dat ik hem dat nu nooit meer kon vragen. Mijn mystieke vriend is namelijk niet meer.
“Heeft-ie veel pijn gehad, mam?”
“Wie?”
“John Lennon.”
“Zeg, houd daar nou eens mee op, wil je. John is gewoon gestorven en daarmee uit.”

Ze begon wild met de afwasborstel in het water te draaien en donderde er meteen een heel arsenaal aan borden en mokken in. Ik begreep niet waarom ze zo kwaad was.
Haar stem werd rustiger. Ze liet de borstel in het water vallen, zuchtte eens diep en kwam naar me toe gelopen. Ze kroelde lief door mijn krullen. Dat deed ze een aantal weken daarvoor ook al, toen ik bij de dokter een heel vervelende prik moest halen. Ik vond het maar niks, zo’n spuit. Maar het was in een wip gedaan. Het deed helemaal geen pijn. Toch keek ze me toen droevig aan en kuste mijn voorhoofd.
“Liefje, John Lennon is vermoord. Doodgeschoten. Recht voor zijn huis. Door een gestoorde, die dacht dat-ie John zelf was. Die man probeerde te achterhalen wat Lennon met z’n soms vreemde teksten bedoelde en zocht daar een hoop verkeerde dingen achter.”

De keuken draaide in het rond. Het mauwen van de kat klonk zwakjes op de achtergrond. De krijsende meeuwen van ‘Tommorow Never Knows’ klonken luid in mijn hoofd. All you need is love. Imagine. Met luide klap viel vader van de bank. Die was ook veel te klein voor zijn kolossale lichaam. “Let me take you down… to Strawberry Fields.” Mijn hele lijfje onder het kippenvel. En buiten in het donker zag ik voor het keukenraam een man met een ronde bril. Zijn ogen wijd opengesperd, schreeuwend om hulp. Zijn handen, borst en gezicht zaten onder het bloed. Ik kon hem niet verstaan; de gierende meeuwen overstemden alles. De man veegde met z’n bebloede handen over het raam en verdween in het donker. Don’t let me down. The ballad of John and Yoko.
En op de radio klonk smurfenhouse.

8 december 2007

• • •
 

Winterverhalen (2)

Filed under: Publicaties voor FOK! - Tim's corner — bazbo @ 21:24

Regel een in het woelige liefdesleven van mezelf: meisjes mogen onder welke omstandigheden dan ook, al zijn deze nog zo erbarmelijk of misschien wel onverdraagbaar danwel dodelijk, op geen enkele wijze verdriet hebben. Geen traan mag hun iris verlaten en verdwijnen in de door mij persoonlijk zacht gestreelde huid.
Degene die het in haar hoofd haalt verdriet te uiten in mijn blikveld dient hetzelfde moment nog te vertrekken en niet weder te keren. Een meisje met tranen geeft mij het gevoel te hebben gefaald. Zeker na een schitterende vrijpartij kan het zo’n afknapper zijn. Tenzij dit meisje moet huilen omdat het hele liefdesspel haar teveel geworden was.
Bezorgd vroeg ik voorzichtig wat er loos was.

“Wat is er loos?”
“Het spijt me zo…”
“Dat je huilt is zonde. Zeker omdat we zonet nog heerlijk klaargekomen zijn. Nu voelt het net alsof je een prachtige vakantie hebt geboekt en vlak daarna telefoon krijgt van je baas dat door onderbezetting de vrije dagen opnieuw verdeeld dienen te worden. Maar kom, voor de draad ermee.”
“Ik weet het niet…ik vertrouw je wel, maar…”
“Vertrouwen is de spil van een liefdesrelatie. Ik ben al vele malen in het leven bedrogen, maar telkens bleek er achteraf ook geen vertrouwen te zijn. Dan verweet de een dat en de ander dat. Daarover gesproken… heb je misschien nog een leuke zus?”

Ze snikte hevig en stond op het punt hysterisch te worden. Ik zag de bui al hangen. Haar ouders zouden nu haar kamen binnenstormen en me naakt de straat op smijten. Snel legde ik mijn hand op haar mond om zo verder dramatisch geluid te voorkomen. Ze keek me angstig aan, maar ik wist tenslotte haar gerust te stellen door haar bezwete rug lieflijk te strelen. Ze leek iets meer tot rust te komen en sloot haar armen om mijn lichaam heen. Zachtjes beet ze in mijn schouder.

“Sorry, dat was een misselijke grap van mezelf. Je hebt niet eens een zus en bovendien ben ik ehm… volgens mij… verliefd op je. Maar stel je daar niet teveel van voor, hoor! Je hoort er wel eens over in liedjes op de radio, dat het allemaal helemaal te gek is en zo… en dat je er beter door gaat uitzien en puistjes verdwijnen en dat soort gekweel…”
“Ik ben ook verliefd op jou of… of mag ik dat niet zeggen?”
“Ach, het hoge woord is er nu uit, dus ik zal het je niet euvel duiden. Maar moest je daarom dan janken?”
“Nee, nee dat is het niet. Zou je me misschien een glaasje water willen brengen? Je vindt de kraan in de badkamer en een bekertje staat op het nachtkastje.”

Met flinke tegenzin stapte ik het koude bed uit en nam me voor na deze nacht niet meer terug te keren naar dit huis en het meisje. Ik bedoel: als het gezeik nu al ging beginnen met het halen van allerhande versnaperingen om zo de emoties in het gareel te laten houden, dan zag ik het redelijk duister in wat betreft eventueel verder verblijf. De nacht zou ik nog wel uithouden, maar met de ontbijttafel wilde ik in geen geval kennis mee maken.
In mijn blote kont stond ik even later in de badkamer haar bekertje te vullen met kraanwater. De wasbak zag er uitermate schoon uit, de spiegel glashelder en ook het toilet leek vanuit mijn ooghoeken gezien prima in orde. Nadere inspectie leerde mij zelfs te kennen dat het sanitair brandschoon was. Een propere familie dus. Dat zou nog wat worden als ik hier nog eens ongeschoren en naar drank ruikend aan de deur zou staan en om onderdak zou smeken. Maar zover waren we nog lang niet. Eerst deze nacht zien door te komen.

Houd ik eigenlijk van haar? Dat bedacht ik me op zeker moment toen ik de kraan sloot. Het bekertje was tot de rand toe vol. Om morsen te voorkomen nam ik een heel klein slokje water en dacht na. Houd ik eigenlijk van haar? Wel, verliefd was ik zeker en de manier waarop ze me zonet ontdaan heeft van een geladen spanning was dik in orde. Het moment van haar biggelende traan, het snikken en het kenbaar maken ergens mee te zitten, zorgden voor een onderkoeling in mijn hart en ziel. Geen idee hoe het komt; ik kan er gewoonweg slecht mee omgaan. De maan scheen door het venstertje van de badkamer en verlichtte de badkamerdeur. Als die straks open zou gaan had ik een probleem. Dan zou hoogstwaarschijnlijk pa of ma tegen mijn blote lul aankijken. Wat deed ik hier nog? Genoeg stof tot nadenken dus.
Stilletjes sloop ik de badkamer uit. Toen ik weer terug in de meisjeskamer was, zat ze met haar trotse tietjes rechtop in bed een beetje treurig voor zich uit te staren.

“Dank je, dat je zo lief wat water voor me hebt gehaald,” sprak ze op een zacht zielig toontje. “Er zijn niet veel jongens die dat doen hoor…”
“Heb je regelmatig kerels over de vloer dan?”
“Dat valt wel mee… zo nu en dan. Een keer per week. Alleen in het weekend. Meestal op zaterdag. En alleen als ik genoeg gedronken heb, anders durf ik niet hoor.”
“Ik doelde niet op je wekelijkse sekslolletjes. Eerder op echte liefde, wat dat dan ook moge zijn.”
” Echte liefde zit in een glas water.”
“Je bent een rare. Eerst janken en nu dat geëmmer over water…”
“Ik zal je vertellen wat er aan de hand is, maar dan moet je beloven deze nacht bij me te blijven.”
“Tja, ik heb weinig keus en bovendien niets te verliezen. Dus steek maar van wal.”
“Nou zeg, je mag best wat geïnteresseerder zijn in…”
“Pardon, ik kan nu eenmaal slecht tegen verdriet. Dat stemt mijn humeur mineur, oké? Nu, vooruit…”
“In mijn leven ben ik in totaal zo’n vijf keer verhuisd. Dat is op zich niet zo bijzonder natuurlijk, het probleem is meer dat ik de vorige keer… niet bepaald vrijwillig moest vertrekken.”

Ik luisterde vol aandacht, wat meteen verklaart waarom ik mijn mond hield. Ze liet een kleine stilte vallen, dronk een slokje water en vertelde verder.
“Het begon allemaal als een roddel in de stamkroeg van mijn vader. Hij kwam daar twee maal per week op vaste tijden om zijn vaste pils te drinken. Drie pils en een klein bakje met nootjes. Daarna ging hij steevast naar het toilet, bestelde nog een kleintje pils en ging vervolgens weer naar huis. Het ging nooit anders. Precies volgens dit autistisch principe. Op een avond werd hij door iedereen achterdochtig aangekeken. Niemand wilde een praatje met hem maken. Het stemde hem zeer treurig en voor deze ene keer liet hij het derde pilsje staan om naar huis te gaan. Maar bij de uitgang van het café werd hij tegengehouden. Een man hield hem staande en sloeg hem drie keer hard in de maag. Mijn vader zakte op de grond en ze hebben hem daar laten liggen. Later heb ik gehoord dat ze hem ook nog tegen zijn hoofd hebben geschopt. Hoe dan ook, toen hij ontwaakte hebben ze hem nog een paar klappen op zijn gezicht gegeven. Mijn moeder was al vreselijk ongerust, had de kroeg al tien keer gebeld en zo. Maar ze namen niet op of zo. Vervolgens probeerde ze nog de politie te bellen, maar die gingen niet meer kijken om twee uur in de nacht! Onvoorstelbaar!”
“Tja, de politie… je beste vriend. Tussen negen en vijf. Zondags gesloten. Het is me wat…toen ik die ene keer mijn oma kwijt was heb ik nog… Maar ach, dat is eigenlijk oninteressant. Sorry, ga verder.”
“Toen hebben ze pa in de kou gezet. Op de stoep. Rond een uur of vier in de nacht.”

Ze begon weer te snikken. Het deed me pijn haar zo te zien zitten op het onopgeruimde, naar seks ruikende bed. Zoveel pijn zelfs dat ik de rest van het verhaal niet meer wilde horen. Zelden heb ik me zo laf gevoeld. Ik kneep zachtjes in haar kussen toen ze haar angstaanjagende verhaal vervolgde…

November 2007

• • •
 

Winterverhalen (1)

Filed under: Publicaties voor FOK! - Tim's corner — bazbo @ 21:23

“Als we nou allebei onze voeten op dezelfde trede zetten en dan zo naar boven klimmen, dan horen ze ons vast niet”.

Ze was bang dat haar ouders zouden horen dat ik al na het tweede afspraakje bij haar bleef slapen. Dat was heus niet expres van mij, maar per ongeluk gepland. De laatste trein van kwart over twaalf had ik zo dramatisch mogelijk gemist, zodat het werkelijk zou lijken alsof ik nu genoodzaakt was buiten te slapen of een duur hotel te boeken in de stad. Zij woonde een aantal dorpen verderop, nog bij haar vader en moeder om zo de tijd tot eigen woning, waarnaar ze hard op zoek was, te overbruggen.
We hadden die avond elkaar al innig gezoend en heerlijke thee gedronken in een Iers café en ik was daardoor zogezegd glad de tijd vergeten. Het had geregend die avond. Mijn goedkope nep-Allstarr schoenen (5 euro, Scapino) waren druipnat tot diep in mijn sokken, ze stonken een uur in de wind. Het leek haar niet te deren of op te vallen, wat in z’n geheel niet vreemd was aangezien ze herhaaldelijk moest sniffen en snuiven en het dus mogelijk was dat verkoudheid meester had gemaakt van haar reukorgaan. Ze zou de bus van twintig over twaalf nemen. Nu moest dus binnen vijf minuten beslissen mij óf aan het lot over te laten, danwel het risico te nemen en me na precies twee avonden daten kennis te laten maken maar haar warme lakens en het koude bedovertrek dat me tegen de nachtelijke vorst en regen zou beschermen.
Niet veel later warmden twee stevige armen mij tegen de koude winteravond en sloot ze heel voorzichtig de deur achter zich dicht nadat ik nog over een stuk nepfruit, dat pontificaal voor de deur lag struikelde en met mijn hoofd haast op de deur knop was beland. Zachtjes vloekend stond ik in de onbekende en reeds donkere gang. Ik merkte echter op dat als we samen zouden klauteren, haar pa en ma met gemak de voetstappen zouden kunnen tellen waardoor men middels een zeer simpele redenering erachter zou komen dat er meer dan een persoon zich op de trap begaf. “Als we nou allebei onze voeten op dezelfde trede zetten en dan zo naar boven klimmen”, stelde ik voor, “dan horen ze ons vast niet.” Doch mijn voorstel had weinig zin. We liepen giechelend en dollend de trap op en het kon haast niet uitblijven of we waren ontdekt.
“Pech gehad”, zei ze schouderophalend en tikte zachtjes haar kamerdeur open die op een kiertje stond. Ik kon mijn schoenen en sokken nu overduidelijk ruiken en trok ze dan ook meteen uit toen ik haar meisjeskamer binnen trad en schoof de week geworden dragers nu onder haar bed.
Zachtjes sloot ze de kamerdeur met haar rug en kont. Er lagen veel kussens op haar bed stapels dvd’s lagen ongestructureerd op haar bureau tussen ontwerpen en schetsen van haar opleiding. Ze studeerde aan de mode-academie en was thans bezig met haar examenproject. Ze zou afstuderen op toegepaste rokken. Een nachtlampje floepte aan en ze trok snel haar wollen trui, geruite rok, panty’s en beenwarmers uit, om zo de zenuwen enigszins te verbergen. In twee soepele bewegingen ontdeed ik mij van mijn hemd en broek en stond me met m’n blote bast en in m’n onderbroek tegen haar lichaam aan te warmen. Haar koude handen zochten gevoelige plekjes op mijn rug en met haar nagels kraste ze poëzie in een geheime taal die alleen ik zou snappen. Ik likte haar hals en sabbelde aan haar oorlel, terwijl mijn handen op weg waren naar een welgevormde kont.
Ze gooide me op bed, draaide de verwarming open en vroeg me of ik zo vriendelijk wilde zijn de kussens van haar bed te smijten. “Dat ligt daar nu toch maar in de weg, net nu ik heel veel zin heb om je te neuken.”
Klare taal en duidelijk bovendien. Ze griste naar mijn onderbroek en speelde zachtjes met mijn pik. Met mijn ogen op haar geile blik gericht trok ik met een hand haar string uit en speelde mijn vinger achter in haar heerlijk nat geworden kut. Ze draaide met haar ogen, trok wild haar bh uit, masseerde haar tepels en kreunde zachtjes om meer. Met twee vingers ging ik snel in en uit haar kutje. Ik smeekte haar mijn onderbroek uit te trekken. Ze gehoorzaamde, nam mijn pik ter hand en zoog zachtjes aan mijn eikel. Luid kreunend lagen we elkaar te bevredigen. Als haar ouders ons nu niet hoorden dan waren ze mooi doof. Buiten donderde het en de regen kletterde luid tegen haar slaapkamerraam. Ze stopte mijn pik in haar mond en kneedde m’n ballen haast fijn. Goeie genade, dit was nog eens een prettige verrassing. We masturbeerden elkaar klaar. Mijn zaad spoot recht in haar mond. Haar kontje en kut schokten hevig heen en weer terwijl ze het zaad snel doorslikte.
Beiden tevreden lagen we op een kussen elkaar aan te kijken. Een hele wereld aan nieuwe ontdekkingen zag ik in haar ogen voorbij trekken. Zachtjes kietelde ik haar kin. Ze kon er niet om lachen en ze hield op me teder te strelen. Ik schrok. Buiten was het rustig, de regen was gestopt en het onweer had zich naar elders verplaatst.
Een doodse stilte vulde de naar seks ruikende ruimte. Kussens op de vloer, bij de buren moest iemand luidruchtig naar het toilet. Ze had haar hoofd gebogen. Ik tilde het op en zag hoe een traan zachtjes over haar wangen droop, richting haar borsten en verdween op haar prachtige roze tepel. Mijn adem stokte; ze had verdriet!

November 2007

• • •
 

Vakantiehitte (2)

Filed under: Publicaties voor FOK! - overig — bazbo @ 21:08

Na een paar dagen luieren bij het zwembad van ons resort, werd het hoog tijd om eens iets cultureels te gaan doen. Ik bedoel: als je alleen maar naar Turkije gaat om de hele dag bij je hotel te liggen zonnen, dan kun je net zo goed thuis blijven en een abonnementje zonnebank nemen. Veel goedkoper.

Ik vind het trouwens ook wel leuk om te zien wat er in zo’n vreemd land allemaal gewoon is. Cultuur snuiven, heet dat toch?
Jasmijn heeft dat minder. Die is meer geïnteresseerd in de mannen van een land. Ik ook wel, hoor. Begrijp me goed. Maar in Nederland heb je net zulke leuke kerels als hier in Bodrum.

We liepen over de markt van de stad. In de bloedhitte slenterden we tussen de kramen. Ik liep me te verbazen over de verscheidenheid aan verse groenten, fruit, kruiden en prullaria. Bij iedere kraam werden we aangesproken met dezelfde laagzwoele stem en hetzelfde accentvolle Engels.
“Hello, goodmoanin. Pleaze gome and take a look at deez watzchez.” Gek werden we ervan.

Wat wil je ook? Het was erg warm en we waren luchtig gekleed. Jasmijn had een topje aan en een flinterdun broekje. Zo’n wielrennersshort met korte pijpen waarin je al haar contouren kon zien. Ze heeft mooie lange benen, dat mag ondertussen wel bekend zijn. Ikzelf had een kort jurkje aan zonder mouwtjes en droeg teenslippers. Jasmijn had haar lange lokken los hangen en mijn kortgeknipte blonde haren had ik voor een deel wat omhoog gestyled en voor een ander deel wat sprieterig naar opzij hangen.
Twee westerse toeristes. We hadden een hoop bekijks, hihi. De een na de andere verkoper drong zich op. Veel kans maakten ze niet. Het duurde niet lang voordat we doorhadden dat je niet op ze in moet gaan. Dat lijkt onbeleefd, maar als je je bij iedere kraam laat verleiden tot het kopen van iets, dan duurt het uren voordat je tien meter verder bent. En dus liepen we door zonder oogcontact met de verkopers te maken. Ondertussen keken we wél vanuit onze ooghoeken wat ze in de aanbieding hadden.

Maar ineens werden we aangesproken door een heel ander type verkoper. Dit was geen zweterige Turkse kerel, dit was een prachtig meisje van een jaar of zes, zeven. Ze hield een bos met rozen omhoog. Iedere roos was apart verpakt in folie. Het kind liep op blote voetjes en had een blauw jurkje aan. Haar ravenzwarte haar zat door de war. Er hingen een paar strengen voor haar gezichtje. Twee diep donkerbruine ogen keken er verlegen onder vandaan omhoog naar ons. Ze zei iets in het Turks.
“Ach gut, wat lief,” zei ik.
“Ze ziet eruit als een schatje,” zei Jasmijn, “maar kijk maar uit dat ze er zo niet vandoor gaat met je portemonnee. Dit grut is opgevoed om geld bij elkaar te krijgen, op welke manier dan ook. Sta straks niet raar te kijken als je alles mist, behalve de tampon in je kut.”
Ik moest lachen om de plotselinge platte woorden van Jasmijn. “Denk je echt dat ze een dievegge is?”
“Het zou mij niet verbazen.”
“Ze ziet er zo lief en onschuldig uit,” zei ik, terwijl ik het meisje aan bleef kijken. “Maar ik koop niets. Straks loopt ze me achterna om meer.”
“Wegwezen, dus,” zei Jasmijn. Zonder het kleine meisje nog aan te kijken, liepen we weg.

“Kijk daar, een moskee!” riep ik. “Hoe heet deze?” Ik kon het bordje niet goed lezen, omdat de letters merendeels versleten waren. Wél zag ik ‘Camii’, maar dat betekent ‘moskee’, wist ik.
“De zoveelste hier,” mopperde Jasmijn.
“Nee, deze ziet er bijzonder groot en mooi uit, zeg.”
“Wat kan mij dat verrotten? Ik heb er al genoeg gezien.”
“Dit is pas de tweede waar we in willen gaan?”
“Als het er maar een beetje koel is.” Jasmijn zuchtte en pufte.
Bij de ingang stond een man met een uniform aan. Hij leek wel een bewaker en probeerde ons iets duidelijk te maken.
“Do you speak English?” probeerde ik.
Hij bleef maar in het Turks praten, maar uiteindelijk bood hij ons wat doeken aan.
“Wat moeten we daar nou mee?” vroeg Jasmijn.
“Als vrouw moet je je schouders bedekken,” legde ik uit. “Mannen moeten dat trouwens ook. En je mag niet met blote knieën naar binnen.”
“Wat een gelul, zeg, met die hitte.”
“Doe het nou maar. Dat scheelt een boel heibel.”
We sloegen de doeken om onze schouders en rond onze heupen, zodat de knieën bedekt waren. Toen mochten we naar binnen.

In de moskee was het koel. En mooi. Adembenemend, zelfs.
“Oooh, wat prachtig!” fluisterde ik. Ook Jasmijn keek haar ogen uit.
Het leek wel of de ene koepel in de andere overliep. Aan de muren en de binnenkant van de koepels waren geen religieuze voorstellingen – dat schijnt binnen de islam niet te mogen -, maar zag je allerlei geometrische figuren. Mooi, hoor.
We konden de echte gebedsruimte niet betreden, maar hadden van achterin toch een schitterend uitzicht.
“Wat is dat daar?” vroeg Jasmijn.
“Dat is de mihrab,” las ik uit mijn reisgidsje. “Het is de gebedsnis, die is gericht naar Mekka.”
“En die preekstoel daar?”
“Dat noemen ze een ‘minbar’.”
“Een bar, daar heb ik wel trek in,” grinnikte Jasmijn. “En in nog wat anders ook wel, zeg.”
“Wat bedoel je?”
“Het is hier lekker koel, maar ondertussen loop ik zelf alweer flink heet.”

Plotseling hoorden we om ons heen gejammer.
“O shit,” grinnikte ik. “De moskee gaat af.”
“Wat is dat?” vroeg Jasmijn.
“De imam staat op een van de torens en roept de gelovigen op tot gebed,” legde ik uit. “Of het is gewoon een bandje.”
“Wat doen we nu?”.
“Niets toch?” zei ik. “We mochten naar binnen. Als we een beetje respectvol zachtjes doen, mogen we vast blijven. Iedereen kan zien dat wij toeristen zijn.”
“Ja, we zien er belachelijk uit met die doeken om.”
“Hihi, ik vind het wel sexy,” grinnikte ik. “Het maakt dat er wat te raden is, Jasmijn.”

Dat liet Jasmijn zich geen twee keer zeggen. Als snel had ze haar armen om mij heen geslagen.
“Wacht,” zei ik. “Moet je kijken.”
Vanuit allerlei hoeken kwamen mannen tevoorschijn. Op kousevoeten snelden ze naar voren in de richting van de gebedsnis.
“Moet je kijken,” fluisterde ik. “De vrouwen blijven achter. Zij hebben een eigen plek om te bidden.”
“Maar die lekkere jongetjes mogen er wél bij zijn,” merkte Jasmijn op.
“Haha, ze zijn oud genoeg om de dienst bij te wonen, maar veel te jong voor jou,” lachte ik.
Het waren écht nog kinderen. Ze renden door de gebedsruimte heen en speelden met elkaar. Niemand lette erop.
Ineens verscheen de imam vóór de gebedsnis en hij begon te zingen. De gelovigen gingen bidden. Op een teken knielden ze allemaal tegelijk neer en bogen ze naar Mekka.

“Voor een vrouw gaan ze niet zo gauw door de knieën,” zei Jasmijn met verongelijkt gezicht. “Meestal moeten wij voor die kerels bukken.”
Ik moest lachen en sloeg een arm om Jasmijn heen.
“Lekker,” zei ze. Voor ik het wist waren haar lippen op de mijne. We zoenden. Haar tong was in mijn mond, maar ook in mijn hals. Het kriebelde. Ze greep mijn tietjes stevig beet met een hand en met de andere schoof ze mijn jurkje omhoog.

Plotseling stond er iemand voor onze neus. Het was de man met het uniform van de bewaking of zo. Hij leek er nogal boos uit te zien en riep iets in het Turks.
“Ik begrijp er niets van,” zei ik.
“Lira lira,” riep hij. “Expendi!”
“Hij is op ons geld uit!” gilde Jasmijn ineens en ze hief haar knie.
De bewakingsagent klapte uitgebreid dubbel. Jasmijn sloeg haar handen in elkaar en beukte snoeihard op de rug van de man. Die zakte door zijn knieën en bleef languit op de grond liggen. Daar bij de mihrab draaide de imam zich om. Met hem enkele honderden gelovigen.
“Ik geloof dat het slim is dat we weggaan,” zei ik.
Jasmijn had mij al bij mijn hand gepakt en we renden de moskee uit.

Buiten was het bloedheet, maar we bleven even doorrennen, tot we in de menigte waren opgegaan.
Ik moest even zitten op een muurtje.
“Gaat het?” vroeg Jasmijn.
“Momentje,” hijgde ik. Ik verbeet een steek vlammende hoofdpijn en kneep mijn ogen dicht.
“We likken wel verder in het hotel,” grapte Jasmijn. Ik voelde een hand op mijn knie.
Ik opende mijn ogen weer en keek op. Jasmijn stond naast me, maar voor mijn neus was ineens dat kleine meisje weer met het zwarte haar en het blauwe jurkje. Zij was het die haar hand op mijn knie had gelegd en mij nu indringend aankeek. Voorzichtig aaide ze nu door mijn haar en streek ze langs mijn wang. Ze zei iets, alsof ze wist dat ik pijn had.
“Geef haar iets, Jasmijn,” zei ik zachtjes.
“Waarom?” vroeg Jasmijn. “Net wilde je dat niet, omdat je bang was dat ze je blijft achtervolgen.”
“Doe het nou maar.”
Jasmijn greep in haar tasje en haalde wat lira tevoorschijn die ze naar het kind gooide. De muntjes rolden over de grond.

Het meisje bleef me aankijken. Nog eenmaal gleed haar handje door mijn haren. Met haar andere hand had ze een bloem in mijn schoot gelegd. Toen boog ze naar me toe en gaf me een kus op mijn wang. Ik schrok.
Ze glimlachte en liet me los. Toen draaide ze zich om, raapte de muntstukjes van de grond en huppelde weg.
Ik wist niet wat ik moest doen, maar had het vocht in mijn ogen staan. Het werd zóveel, dat het niet lang duurde of de tranen biggelden over mijn wangen.

Juli 2008

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

01-07-2008

Ik werd gestalkt!

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 22:30

Had ik al eens verteld over mijn nieuwe werkplek? Vast niet. Nou, bij deze dan: ik heb een nieuwe werkplek. Sinds een maand of acht kan ik op de fiets naar het werk en hoef ik niet meer in die stinkende streekbus.
Op woensdag doe ik mijn werkzaamheden in een locatie in Apeldoorn-Zuid. Nóg dichter bij mijn huis. Slechts vijf minuutjes doe ik erover.

Gisterenmorgen gebeurde wat me zo vaak gebeurt. Ik was te laat. Officieel moet ik om half negen beginnen en het was half negen toen ik van huis fietste. Raar is dat: de mensen die het dichtst bij het werk wonen, zijn altijd de laatsten die binnenkomen.
Het was mooi weer. De zon scheen fel, er was geen wolkje aan de lucht en de vroege ochtendwind deed mijn ogen tranen.
Op het kruispunt niet ver van mijn woning stonden de stoplichten op rood. Het kruispunt is een druk kruispunt. Veel scholieren en mensen op weg naar het werk. Bij de stoplichten stonden dan ook flink wat fietsers te wachten. Ik sloot aan in de rij. Achter mij kwam nog iemand staan.
“Allemensen zeg, die stoplichten duren nogal,” zuchtte ik. “Formeel heten die dingen verkeerslichten (of nog mooier: de verkeersregelinstallatie), maar je zult het altijd zien: net als je haast hebt en lekker op wilt schieten, staan ze op rood. Niks geen verkeerslichten; het zijn gewoon stóplichten! Altijd als het niet uitkomt, staan die krengen op rood.”

Groen! Langzaam zette ik mijn fiets in beweging. Achter mij reed ook iemand.
Toen ik de weg overgestoken was, moest ik weer links. En verhip zeg, wéér stoplichten en – natuurlijk, waarom ook eens niet? – wéér op rood.
Ik voelde dat de persoon die achter mij reed ook naar links ging en achter mij stopte.
Terwijl ik stond te wachten, trapte ik mijn pedalen achterwaarts een rondje. Idioot is dat, waarom doet een mens dat? Een totaal zinloze beweging, dat rondje terugtrappen, maar je moet eens opletten hoeveel mensen dat doen.

Weer groen! Ik trok op. Een windvlaag sloeg recht in mijn gezicht. Langzaam zwoegde ik naar de overkant. Nu moest ik nog een stukje rechtdoor.
De persoon achter mij bleef vlak achter mij rijden. Wat krijgen we nou? Blijft die zo vlak achter mij om zelf uit de wind te rijden? Lekker makkelijk is dat!
Na tweehonderd meter moest ik rechtsaf, het stoepje op en een voetpaadje tussen twee flats door. Handig wipte ik al rijdend het voorwiel op, zodat mijn voorvelg gespaard bleef. Klabang! Het achterwiel kreeg er wel van langs toen ik het trottoir op hobbelde.
Maar wat was dat? Degene die achter mij fietste, was ook rechtsaf de stoep opgegaan! Zo onopvallend mogelijk wierp ik een blik opzij. Ik wilde weten wie of wat het was. Vanuit mijn ooghoek zag ik niet wie, maar wel wát het was. Een vrouw! Een jonge vrouw! Wat leuk!

Aan het eind van het paadje moest ik links de straat op en dan direct weer de eerste weg rechts. Eens kijken wat de vrouw achter mij zou doen. “Ze blijft achter me aan fietsen!” gierde het in mijn keel. “Ik word achtervolgd!”
Allerlei spannends schoot door mijn hoofd. “Ik heb een stalker! Zou het iemand zijn die mij een lekker ding vindt en meer van mij wil weten?” Wat een geile gedachte, zeg. Zelf fiets ik ook vaak achter meisjes aan, zeker als zij een mooi stukje kanten lingerie laten zien boven hun lage spijkerbroek en onder hun strakke truitje. Het is prettig om daar achteraan te fietsen. “Maar ik draag nu helemaal geen lage spijkerbroek of strak truitje, laat staan dat ik mij vanochtend in mooie kanten lingerie heb gehuld.”

Mijn weg vervolgde zich langs een winkelcentrum. Nog altijd fietste de vrouw achter mij aan. Iets verderop was een kruising. Er kwam verkeer van rechts. Ik moest stoppen. Mijn achtervolgster noodgedwongen ook. Ineens draaide ik me om.
“Vergis ik me nu, of fiets je al een hele tijd achter mij aan?”
Nu kreeg ik pas de gelegenheid om haar eens goed te bekijken. Het was een vlotte jonge vrouw van achter in de twintig. Ze droeg een spijkerbroek met laarsjes eroverheen. Haar vest had ze open hangen. Op haar hoofd stonden haar kortgeknipte zwarte haren wat omhoog. Ze keek me ietwat verbaasd aan vanachter een ondeugend brilletje. Ze had een rood hoofd.

“Eh,” stamelde ze, “het klopt. Ik wilde zeker weten dat u het bent.”
“Natuurlijk ben ik het. Als ik er ben, ben ik het.”
“Je bent het,” zuchtte ze blij. “Bas!”
Ben ik beroemd? Kennelijk wel. “Dat ben ik, ja.”
“Weet je niet meer wie ík ben, dan?”
Ik keek haar nog eens goed aan en begon me knap schuldig te voelen. “Help even,” zei ik.
“Melanie,” lachte ze nu. “Van de vakantieweken. Hoe lang is dat nu geleden? Vijftien jaar, denk ik.”

De vakantieweken! Leuke herinneringen kwamen in mij naar boven.
Ik kookte er, of begeleidde een groepje kinderen. Ieder jaar gingen we met vijftig stuks kamperen op een camping ergens in Nederland. Wat een lol gehad, zeg. En wat heb ik er veel goede vrienden gemaakt.

“Je bent wel wat veranderd,” zei ze zachtjes. “Vandaar dat ik goed moest kijken om zeker te weten dat je het bent.”
“Tja, zelfs ik ben ouder geworden. En grijzer en dikker.”
“Ja, vroeger was je best anders.”
“Ik leid een goed leven, Melanie. Laat ik het zo maar zeggen. Maar jij ook. Jij bent niet meer het kleine meisje van toen.”
“Gelukkig niet, zeg,” grinnikte ze. “Wacht, we staan hier gevaarlijk, zo midden op straat.” Ze reed haar fiets op de stoep en stapte af. Met haar linkervoet zette ze hem op de standaard.
Ik reed ook het trottoir op en stopte daar, maar bleef op het zadel zitten.

“Hoe gaat het met jou?” vroeg ze.
“Werkelijk uitstekend,” antwoordde ik. “Zoals ik al zei: ik leid een goed leven.”
“Vertel eens,” zei ze. “Hoe is het met mijn leider in het leven gegaan?”
Ik lachte en vertelde van mijn gezin, mijn zoon en mijn werk.
“En maak je nog altijd muziek?” vroeg ze. “Weet je nog hoeveel we hebben gezongen en gespeeld op kamp?”
“Ja, dat weet ik nog heel goed, Melanie. Het was een ontzettend leuke tijd. Maar nee, ik speel eigenlijk nauwelijks nog. Daar staat tegenover dat ik nog wel veel bezig ben met schrijven.”
“Ga je nog altijd mee met die vakanties?”
“Nee joh, daar ben ik toch veel te oud voor!” riep ik uit.
Ze moest lachen. “Het zou toch kunnen?”
“Dat is waar. Maar nee, ik ben er zo’n acht jaar geleden mee gestopt. Ik had het toen vijftien jaar gedaan en het was mooi geweest. Maar nu genoeg over mij. Nu jij. Ik ben benieuwd wat er van jou geworden is.”

De jonge vrouw begon een verhaal over haar leven tot nu toe. Het was een interessant verhaal. Ik stelde wat vragen. Over haar familie, over een mogelijke relatie die ze zou kunnen hebben, over school en over werk. We hadden een gesprek. Twee volwassenen die een klein stukje van hun verleden samen delen.
Sommige dingen moeten nu eenmaal geheim blijven. Ik schrijf over mijzelf en niet over anderen. Hun verhaal, hoe mooi ook, is te privé om hier in het openbaar rond te vertellen.
Met dat ze mij haar persoonlijke leven toevertrouwde, bekeek ik haar eens goed. Vijftien jaar geleden liepen we ergens ravottend over het strand. Verdwenen was haar lange paardenstaart en haar tienerachtige gegil. Hier voor mij stond een fantastisch mens, met een heel eigen karakter en een heel eigen levensverhaal.
En ze stalkte mij. Even werd ik er warm van.

Ik keek op mijn klokje en moest concluderen dat ik helemaal geen klokje draag. Nooit gedaan ook. Maar het gebaar was duidelijk. “Nu moet ik gaan hoor,” moest ik zeggen. “Het werk wacht. Ik was eigenlijk al te laat.” Het deed een beetje pijn om te zeggen.
“Nou, dag Bas. Leuk om je weer eens gezien te hebben.” Plotseling kwam ze op mij af en gaf ze me een zoen op mijn wang.
“Het genoegen is geheel wederzijds,” bloosde ik zonder woorden. Toen zette ik af met een voet en slingerde in de richting van mijn werk.

“Stom dat ik geen e-mailadres heb gevraagd,” schoot het door mijn hoofd. Ik keek nog eens achterom. De hoek van de straat was leeg. Melanie was weg.
Toch kon de dag al niet meer stuk. Als een gelukkig man fietste ik het laatste stukje.


Apeldoorn, juni 2008

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Oud bloot

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 22:29

Wat een rust in huis. Vrouwlief is werken; die komt als het goed is iets later op de avond thuis, als er geen onverwachte dingen gebeuren. Ze heeft onregelmatig werk en komt soms op de meest onaangekondigde tijden thuis. Mijn zoon is naar de huiswerkbegeleider en de kat is al drie jaar dood. Ik heb de boodschappen gedaan en ga straks aan het eten beginnen. De krant is ondertussen al uit en ik zit met gesloten ogen op mijn vaste plekje op de bank.
Als ik weer kijk, passeren buiten auto’s en voetgangers. Er waait een matige wind, die de boomtoppen heen en weer doet wuiven. In de lucht vliegen vogels. De lucht is lichtblauw en de wolken grijs en wit.
Stilte kan soms mooi zijn. Normaal draai ik vaak een muziekje door de woonkamer, maar nu even niet. Ik luister naar de geluiden van het huis en van buitenaf. De omgevingsgeluiden zijn een perfecte soundtrack.Dan sta ik op. Ik ga naar het toilet. Na gedane zaken keer ik terug in de woonkamer. Ik passeer de grote spiegel en werp een blik. In het beeld loopt een man. Ik stop en draai me naar de spiegel. Als ik een stap achteruit doe, kan ik mijzelf helemaal, van top tot teen, goed zien.
“Ben ik de moeite van het aankijken nog wel waard?” vraag ik me bijna hardop af. “Eens zien.”
Een week of vier geleden vierde ik mijn verjaardag. Drieënveertig ben ik alweer. ’t Is wat.

“Moet je eens kijken hoe ik eruit zie,” mompel ik. Langzaam maak ik een pirouette, terwijl ik in de spiegel blijf kijken. “Hier staat een man. Een oude man. Waar is het jongetje gebleven dat ik altijd was?”
“Hier, dat gezicht van mij. Dat is tegenwoordig werkelijk geen gezicht.” Ik grinnik om mijn eigen flauwe woordgrapje. Mijn grijsblauwe ogen zijn nog steeds vriendelijk, maar nu zitten er diepe rimpels opzij. Ik trek een vette grijns. Die voortanden gaan steeds schever staan. Straks moet ik nog naar een orthodontist. Kun je het je voorstellen, een volwassen vent van drieënveertig met een beugel in zijn bek? Laat me niet lachen.
Allemensen, wat heb ik een dikke kop gekregen, zeg. Zeker als ik hem vergelijk met tien of vijftien jaar geleden. Toen vond ik dat ik een babyface had, maar dit is het andere uiterste.

Ik krab door de korte haren van mijn baard. Door de donkerrosse haartjes heen verschijnen er nu steeds meer grijze. Het lichaam in verval.
Op mijn hoofd is het nog veel erger. En niet grijs; nee, ik heb meteen spierwitte haren. Vier jaar geleden besloot ik om het te laten groeien en nu wappert er een weelderige bos krullen rond mijn hoofd. Ik krijg er een hoop opmerkingen over van vrienden, collega’s en familieleden. Nu ís het ook wel heel erg lang aan het worden, maar tegelijk met het bereiken van mijn veertigste levensjaar en het besluit om niet meer naar de kapper te gaan, nam ik mij tevens voor dat ik mij van alle commentaar geen ene rendierreet meer aantrek. Dit ben ik; wen d’r maar aan.
Ik krijg een hoop bekijks op straat en in de supermarkt. Zeker als het waait, zie ik er nogal ruig uit. Het zal wat afschrikken. Ach wat. Ken het verrotten.
“Hoe lang ís het ondertussen?” vraag ik mij af. Ik pak een pijpenkrul en trek hem bij het uiteinde naar beneden. Hij komt tot halverwege mijn rug of tot voorbij de tepel die ik door mijn shirt heen voel.

Ik kijk naar mijn handen. Vroeger had ik slanke pianovingertjes. Mijn handen zijn nog steeds niet groot, maar op de knokkels liggen dikke plooien. Mijn trouwring is inmiddels verhuisd van mijn linkerringvinger naar mijn pink. Aan mijn rechterringvinger had ik ooit een vriendschapsring, maar die moest ik er een paar maanden geleden af laten zagen, omdat mijn vingers te dik werden. Je kunt nog zien waar hij ooit gezeten heeft.
Ik krijg ouderdomsvlekken op de rug van mijn handen. De handen van mijn vader, die nu vierenzeventig jaar oud is, zitten ermee onder. Straks krijg ik dat ook. Ik kijk naar mijn rechterhand en tel zo al vier beginnende donkere pigmentvlekjes. Op mijn linkerhand ook al drie.
Gelukkig is de huid op mijn armen nog lekker strak. Of heb ik al van dat wijde lubberende vel rond de bovenarmen? Even kijken. Ik trek mijn shirt uit en daar sta ik met ontbloot bovenlijf. Gelukkig, voor mijn bovenarmen hoef ik me nog niet te schamen.

Als mijn blik naar beneden glijdt, stuit ik op verscheidene rondingen. Zie ik dat nou goed, of lijkt het wel of ik tietjes heb? Met een hand maak ik een kommetje en dat leg ik onder mijn borst. Verhip, het is een tiet.
Dan valt mijn oog op mijn buik. Oei, we komen nu bij een deel van mijn lijf waarop ik minder trots ben. Eerder woog ik in goede tijden slechts vierenvijftig kilo. Dat is nu wel anders. Niet langer ben ik een mager scharminkeltje, maar een stevige kerel.
Als anderen mij aanspreken op mijn veranderde postuur, dan heb ik mijn antwoord wel klaar, hoor. “Ik leid een goed leven,” zeg ik dan. Aan de ene kant is het de grootste onzin, want met mijn salaris kún je helemaal geen goed leven leiden. Aan de andere kant is het wel waar en verberg ik de ware reden: ik stel tegenwoordig prioriteiten in het leven anders. Dat biertje is zo moeilijk om te laten staan.
Met twee handen pak ik mijn buik vast en schud ik hem wat op en neer. Het blijft een vreemde gewaarwording. Ik heb nooit een vette pens gehad. Nu wel, en het is nog steeds alsof ik een heel nieuw lichaamsdeel heb. Het nadeel ervan is dat ik tegenwoordig bij het kopen van een nieuwe broek niet meer uit mijn hoofd weet welke maat ik nu heb, en dat ik als ik tijdens het douchen naar beneden kijk, niet meer mijn zo fiere penis aanschouw, maar geconfronteerd word met de bolling van mijn buik.

Ik draai me om en show mijzelf mijn achterwerk. Ik sla op de spijkerstof. Nog niks geen blubberbillen, hoor. Vrouwlief zegt vaak dat ik nog steeds een lekker kontje heb. Wacht, dan trek ik mijn broek ook even uit, dan kun je hem veel beter bekijken.
Ik knoop mijn broek open en laat hem op de grond zakken. Handig stap ik eruit. Ook mijn onderbroek moet eraan geloven. Met een voetbeweging schuif ik het stapeltje kleren opzij.
Inderdaad, wat een prima stel billen heb ik, zeg. Om in te bijten. Jammer dat ik er met mijn mond niet bij kan. Dan draai ik me weer om.

Kijk daar, mijn geslacht. Het hangt nu slap naar beneden. In deze toestand is-ie niet iets waar ik heel veel zelfvertrouwen aan ontleen, maar je moet hem eens zien in voluit geërecteerde positie. Echt ontevreden hoef ik er niet over te zijn. Het is een fijne piemel waarvan vrouwlief en ik op gezette tijden weten te genieten.
Nog altijd bestudeer ik mijn lichaam in de spiegel. Mijn naaktheid voelt als vrijheid. Ik word bijna opgewonden van het idee. “Zou ik hem omhoog kunnen krijgen nu?” vraag ik me af. “Zal ik even aan mijn fluit trekken? Gewoon, om te kijken of ik het ieder moment nog kan?”
Gretig grijp ik mijn snel tot fors formaat zwellende orgaan beet.

Vanuit een ooghoek zie ik beweging voor het raam van de woonkamer.
Voor het venster staat de glazenwasser, de postbode, de buurvrouw met een leeg kopje (die komt zeker suiker lenen) en een meneer met een collectebus. En hé, daar is mijn vrouwlief ook; die kon vast eerder van haar werk naar huis.
Ik begrijp niet goed waarom ze mij zo met open mond staan aan te gapen. Zó mooi ben ik niet meer, hoor.


Apeldoorn, juni 2008

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Meisjes in het wild

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 22:27

Leuk hè, zo’n nieuwe werkplek? Had ik al verteld van mijn nieuwe werkplek? Vast wel. Lees anders mijn vorige columns nog maar eens terug. Voor mijn nieuwe werkplek moest ik naar een cursus. De les zou een dag duren en ging plaatsvinden in Arnhem. Prachtig, behalve dat de bussen niet reden vanwege een staking van de buschauffeurs en ik niet beschik over een rijbewijs, laat staan een auto. Gelukkig bestaat de trein ook nog! Om half acht fietste ik naar het station Apeldoorn CS. Hoera! Apeldoorn heeft een Centraal Station! Dat betekent dat er op zijn minst nóg een station is. Sterker nog, er zijn er in totaal drie. Welteverstaan. Ja ja, Apeldoorn als metropool. Het wordt nog wel eens wat met mijn geliefde geboorteplaats.
Ik houd van de trein. Daar waar ik in de bus moeilijk tot lezen kom in verband met het gehobbel over straatstenen en verkeersdrempels, daar verslind ik in de trein het ene boek na het andere.

Het aloude boemeltreintje van Apeldoorn naar Zutphen is helaas niet meer in gebruik. In plaats daarvan zijn er nu moderne en comfortabele treinstellen. De reiziger zit niet langer op banken, maar op echte stoelen. Ik nam plaats in een leeg ‘zitje’. Onmiddellijk viel mijn blik tussen de twee stoelen tegenover mij. In het zitje voor mij zat een mooi meisje. Shit, van lezen kwam niet veel meer. In plaats van letters, woorden en zinnen, vulden haar lange donkere haren, bruine ogen en zwarte jurkje mijn blikveld.
Balen, zeg. Vroeger deed het boemeltje wel een kwartier over het stukje van Apeldoorn naar Zutphen. Met dat moderne materieel is de rit binnen tien minuutjes gepiept.

Gelukkig was de aansluiting vloeiend. De dubbeldekker naar Nijmegen zat nogal vol. Ik liep naar de benedenverdieping en koos de eerste lege stoel die ik zag. Het was een enkele stoel. In het zitje naast me, aan de andere kant van het gangpad, zat een meneer met een laptop te werken. Ik peuterde mijn boek uit mijn tas.
Achter mij hoorde ik de deur open gaan en er ging iemand in het zitje naast mij zitten. Ik keek op. Kut, weer geen tijd om te lezen. Het meisje trok haar jas uit en ging onderuit zitten. Ze had oordopjes in met kabeltjes naar iets in haar broekzak. Ze luisterde muziek. Glimmende sportschoenen aan haar voetjes en een spijkerbroek met smalle pijpen. Daarboven droeg ze een grijs truitje met korte mouwtjes. Het truitje had een wijde hals, zodat ik prettig zicht had op haar prachtige decolleteetje. Ze had een fris gezichtje met helder blauwe ogen en blonde haren die over haar schouders vielen. Met twee handen trok ze haar truitje wat strakker naar beneden. Doordat ze onderuit zat, duwde ze haar buikje een beetje naar boven. Ik moest even gaan verzitten.
“Heel misschien bestaat er toch wel een god,” fluisterde ik voor mij uit. “En ik ben blij dat die bussen staken, zeg.”
Ook deze rit duurde te kort. Veel te snel was ik in Arnhem en moest ik uitstappen.

Vijf minuten later deed ik het portier van een auto open. Achter het stuur zat een collega. Ze woont in Velp en zou me bij het station oppikken, zodat we samen naar de cursus konden gaan.
Mijn collega is een leuke collega. Ze heeft een vriendelijk, open gezicht en kijkt vrolijk uit haar stralende ogen. We kunnen het altijd goed met elkaar vinden.
“Wat heb jij nou voor shirt aan?” vroeg ik, toen we weg reden. Op de fikse ronding van haar buik las ik: “If you only knew what I had to do to fit in this shirt”.
Ze is bijna vijf maanden zwanger. Ik ben al bijna zestien jaar vader, dus we hebben wat om uit te wisselen. We lachen wat af.

Niet veel later betraden we het gebouw waarin de cursus plaats vond. Het gebouw was een verpleeghuis, godbetert. Ik keek om me heen om lekkere verzorgstertjes te ontdekken. Helaas, hier werkten alleen maar fossielen.
Bij het binnenkomen van de lesruimte, bleek dat we de laatsten waren. De groep zat aan een grote langwerpige tafel. Ik ging op een lege stoel zitten en keek de kring eens rond. Een hoop te verwaarlozen mannen en vrouwen, maar godallahmachtig, wat zat daar nu tegenover mij?
Bij het rondje voorstellen vertelde ze dat ze Lisa heet. Ze sprak met een zachte g. Geil, hoor. Er zat een slag in haar lange blonde haren. Ze kneep voortdurend haar donkere ogen tot spleetjes, zo leek het. Haar glimlachje week niet van haar mond. Ze droeg een zwart hemdje dat haar heerlijke figuur goed deed uitkomen.
In de pauze zorgde ik ervoor dat ik bij haar aan de kantinetafel kwam te zitten. Al snel waren we in gesprek. Soms denk ik wel eens dat het leven stiekem wél zin heeft.
Cursusdagen zijn net als bepaalde treinreizen. Ze zijn voorbij voordat je het weet of wilt.

Terug op het station zag ik iets prachtigs op de tegels tegen de kiosk aan zitten. Ze had suède laarsjes aan over haar spijkerbroek. Een blauw truitje en blonde krulletjes. Toen ik langsliep, keek ze naar me op. Ik glimlachte en gaf haar een knipoog. Ze lachte terug. Even kwam er iets dierlijks in mij op, maar ik ben te opgevoed om op het station mijn erectie uit mijn broek te halen. Ik moest ook haasten, want mijn trein stond al klaar.

“En, hoe was je cursus?” vroeg vrouwlief toen ik thuiskwam. Ineens realiseerde ik mij dat ik de hele dag naar leuke meidjes had zitten kijken, terwijl ik de allerleukste gewoon thuis heb zitten.
“Hmm, wat voor cursus was het eigenlijk ook weer?” vroeg ik mijzelf hardop af. Ik kon het mij niet meer herinneren. Wel herinnerde ik mij de harde plasser die ik een groot gedeelte van de dag had gehad en die zich nu opnieuw aandiende. Niet heel veel later deelde ik het plezier daarvan met vrouwlief.


Apeldoorn, juni 2008

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Fotograferen verboden – muziekcolumn

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 22:26

Potjandosie, ik zit in Tilburg in het straatje dat ‘Heuvel’ heet, op het terras van ‘Stoffel’ samen met mijn vrouwlief. Het is dinsdagmiddag 27 mei, het heeft net wat geregend, maar nu is het zonnig en we drinken Erdinger witbier.
“Ik heb er zin in,” zegt vrouwlief.
“Hier? Nu?” vraag ik met mijn tong uit mijn mondhoek.
“Nee joh, in het concert van vanavond.”
We gaan straks naar de zaal 013. De band Asia speelt er vanavond. Vier van mijn jeugdhelden op één podium. In 1982 ontstond deze groep. Vier bandleden die beroemd waren uit andere bands. Geoffrey Downes was de toetsen spelende helft van The Buggles en speelde op een Yes-plaat mee, Steve Howe was de gitarist van Yes, Carl Palmer was de drummer van Emerson Lake & Palmer, en John Wetton speelde bas en hij zong in onder andere King Crimson. Twee platen hebben de heren samen gemaakt en daarna verliet de een na de ander de band. Nu, vijfentwintig jaar na hun debuut als supergroep, toert de band in de originele bezetting de wereld rond en ze zijn vandaag in Tilburg!

“Hee, kijk daar eens!” roep ik bij mijn tweede halve liter Erdinger. “Daar loopt Steve Howe.” En inderdaad. De meestergitarist komt voorbijlopen met een klein tasje over zijn schouder. Naast hem loopt een dikke crewmedewerker die de overige tassen en koffers met zich meesleept. “Leuk, die helden die zo voorbij komen lopen.”
“Jij zit hier gewoon te soppen als een klein jongetje,” zegt vrouwlief lachend.
“Daar! John Wetton!” Hij ziet er goed uit na twee open hart operaties. Opvallend hoeveel hij afgevallen is. De laatste keer dat ik hem zag, gaf ik hem de bijnaam ‘John Vetton’.
“Waarom maak je geen foto’s, schat?” vraagt vrouwlief. Ik zoek in het kleine buideltje dat voor mijn buik hangt.
“Te laat!” roep ik. “Daar gaat Geoffrey Downes al!”
“Nog een te gaan,” zegt vrouwlief. “Hoe heette die drummer ook weer?”
“Daar!” ga ik uit mijn dak.
“Is het hem?” vraagt vrouwlief.
“Jaaaaa!” brul ik buiten zinnen. “Het is TheGrandWazoo!”

We schudden handen, we zoenen, we kletsen, we lachen en we drinken Erdinger. Dan gaan we naar 013.
Bij de ingang mag ik gewoon doorlopen, maar ik zie vanuit een ooghoek dat vrouwlief haar tasje moet laten zien. Ik lach, want ik weet dat ik er veel ruiger uitzie met mijn lange krulhaar en mijn t-shirtje met de bandnaam ‘Yes’ erop.
We droppen jassen en tassen bij de garderobe, kopen munten en halen bier. Dan gaan we de zaal in.

Het is niet uitverkocht. Hoop ruimte om ons heen. En een boel bekenden die we tegenkomen en die ons gedag komen zeggen.
Dan gaat het zaallicht uit en begint de openingsmuziek. Vier jeugdhelden betreden het podium. Ik ril.
Als ik in het rond kijk, zie ik overal telefoontjes en camera’s. Iedereen maakt foto’s. Ik open het buideltje dat om mijn middel hangt en haal mijn fototoestel tevoorschijn. Enthousiast begin ik te knippen.

Ik heb een gaaf cameraatje. Als het licht op het podium goed is, maak ik de mooiste foto’s. Het licht is niet altijd goed op het podium, dus blijf ik mijn wijsvinger op de knop houden. Mislukkingen gooi ik later wel weg. Duizend foto’s op een avond zijn geen uitzondering.
Met mijn camera kan ik ook filmpjes maken. Wat een uitkomst. En de kwaliteit is nog redelijk goed ook. Ik heb al een boel mensen blij gemaakt met mijn beelden van optredens.
Nu maak ik al wel drie filmpjes. Tijdens de opnames houd ik mijn hand op het grote beeldschermpje van de camera. Het display geeft erg veel licht af, en dat kan storend zijn voor de mensen die naar het podium staan te kijken.

Het concert is fenomenaal. Oké, het zijn oude mannen op het podium, maar het plezier, de toewijding en het vakmanschap spetteren ervan af. Veel stukken van de eerste Asia plaat uit 1982, maar ook aandacht voor de muziek die de vier mannen daarvóór maakten.
Ik kijk naar vrouwlief en TheGrandWazoo. Wat een lol hebben we. Ik wil me even goed concentreren op de muziek en stop mijn camera weg in het buideltje dat om mijn middel hangt.

Ineens klopt er iemand op mijn schouder. Ik kijk. Het is een dame gekleed in een kostuum, een pak. Ze ziet eruit als van de bewaking of zoiets.
“Wilt u de zaal verlaten?” zegt ze in mijn oor. Heb ik dat goed verstaan?
“Wat zegt u?” buig ik me naar haar toe.
“Wilt u de zaal verlaten?” herhaalt ze streng.
Ik haal mijn schouders op en laat haar mijn lege handen zien. “Waarom?”
Ze legt een hand op mijn schouder en duwt me in de richting van de uitgang. Ik ga haar voor. We dringen ons door het publiek. Men gaat opzij.

“Wat is er aan de hand?” vraag ik vriendelijk als we de zaal uit zijn.
“Het is niet toegestaan om foto’s te maken.”
“O?” reageer ik verbaasd. “Dat wist ik niet.”
“Meneer, er hangen bij de ingang vier posters dat het niet mag. En een collega heeft u gevraagd of u een camera bij u heeft.”
“O? Ik heb geen poster gezien. Serieus,” zeg ik. “En werkelijk waar: mij is niets gevraagd, bij binnenkomst.”
“Iedereen is gevraagd. Loop mee, dan laat ik het u zien.” Ze gaat me voor naar de ingang. “Daar, wijst ze me op allerlei gekopieerde A4’tjes aan de binnenkant van de deur. “En hier hebben allerlei collega’s gestaan om u te controleren.”
“Echt, ik ben niet gevraagd. Ik moet er dan tussendoor zijn geglipt.”

“U moet alle foto’s wissen,” zegt ze streng.
“Oké. Ik wist echt van niets. Maar oké.”
Ze kijkt op mijn schermpje. Ik laat een foto zien en klik op ‘delete’.
“Kunt u ze niet allemaal tegelijk wissen?”
“Er staan ook nogal wat foto’s van de tuin op,” zeg ik naar waarheid. “Die wil ik graag houden.”
“Dat begrijp ik.”
Ik begin druk op allerlei knopjes te drukken. De mevrouw blijft op mijn schermpje kijken.

“Waarom mogen er eigenlijk geen foto’s gemaakt worden?” vraag ik.
“Policy van de band. Die willen niet dat er foto’s genomen worden.” Ze is afgeleid en kijkt even niet op mijn schermpje. Er komt net een goede foto voorbij. Die wis ik niet.
“Ach zo, als ik dat geweten had, had ik het ook niet gedaan.”
“U had het kunnen zien op de site van 013.”
“Alsof ik daar iedere dag naar kijk.”
“Ik kan er ook niets aan doen,” zegt ze, terwijl ik allerlei foto’s laat staan en verder skip. “Ik moet uitvoeren wat ik moet doen.”
“Ik kan ook wel begrijpen dat een band liever niet heeft dat er foto’s gemaakt worden,” zeg ik. Ondertussen laat ik nog een heleboel foto’s staan en ook mijn eerste filmpje. “Als ik van tevoren had geweten dat de band het liever niet heeft, dan had ik mijn camera helemaal niet meegenomen.”
“Ik begrijp ook niet precies waarom zo’n band het niet wil,” zegt ze. “Het is toch juist mooie reclame voor hun concerten en cd’s?” Ineens lijkt ze minder streng. Ik kijk haar aan en zie dat het eigenlijk een heel mooie vrouw is. “Ik snap ook niet wat ertegen is.”
Terwijl ze praat, zie ik dat ze helemaal niet meer in het schermpje van mijn camera kijkt. Ik zie dat er nog twee filmpjes passeren en klik op het knopje ‘verder’. Ze zei immers dat ik mijn foto’s moest verwijderen, niet mijn filmpjes.
“Je hebt nogal wat foto’s gemaakt,” zegt ze met een glimlach.
“Ja joh,” lach ik terug. “Ik heb een gave camera, maar als het licht niet zo goed is, dan worden die foto’s niks. Dus lig ik voortdurend op de knop te drukken in de hoop dat er een mooie bij zit. Dat maakt dat ik nu al zo’n honderd foto’s heb gemaakt.”
“Je bent een echte liefhebber.”
“Vier jeugdhelden op één podium,” grinnik ik.

“Zo, dat was het,” zeg ik. Ze heeft niet gezien dat ik alle filmpjes en een zwikkie foto’s heb laten staan. Ik laat haar een foto van mijn tuin zien.
“Breng je de camera naar de garderobe?” vraagt ze.
“Oké,” zeg ik. “Sorry voor de verwarring.”
“Het is goed. Geniet van de rest van het concert.”
“Dat zal ik zeker doen.”

Ik stop mijn camera bij de garderobe in onze tas. Dan haal ik bier en ga ik terug naar de zaal. Ik passeer de strenge dame en hef mijn drie bieren. Ze lacht en roept: “Proost.”
Bij vrouwlief en TheGrandWazoo moet ik natuurlijk het hele verhaal vertellen, maar ik wil naar het concert luisteren. Ik heb zo’n kwartier gemist. Waaronder een lied van de nieuwe cd en het hemelsmooie stuk ‘The Court Of The Crimson King’.
Ik kijk, ik luister, en voel me bloot zonder camera. Maar het concert is fantastisch.

Als het afgelopen is, gaan we naar de foyer. Ik koop merchandise: een t-shirt, een cd en de DVD van het concert van de tour van vorig jaar.
We praten. Ik leg uit. We ontmoeten bekenden. Ik vertel. We noteren adressen. We drinken bier. TheGrandWazoo moet een trein halen. Ik ga met mijn vrouwlief terug naar het hotel.
In onze hotelkamer heb ik een wilde nacht met vrouwlief. Dit verhaal gaat over muziek, dus het gedeelte van de wilde nacht moet ik hier helaas overslaan. Jammer, mensen, maar schrijven is schrappen.

De volgende morgen staan we op tijd op. We moeten die middag allebei nog werken. Om half negen betreden we de ontbijtzaal.
Ik wil koffie pakken. Er staat een meneer bij de koffiemachine. Het is Steve Howe, de gitarist.
“Goodmorning,” zeg ik. “That was a lovely concert last night. I really enjoyed it.”
“Thanks, man. Hey, it’s you!”
“Huh?”
“Yeah, you recognize me, but I recognize you! Are you member of the Yesfocus group?”
“I am!”
“You were at my acoustic concert three years ago!”
“I was!”
We praten even verder. Dan zie ik iemand de trap af komen. Het is een man met sportschoenen, een driekwart broek en een groen shirtje. Ineens besef ik wie het is. Het is Carl Palmer. Lieve help, mijn jeugdhelden in hetzelfde hotel.

Ik wil me niet verder opdringen. Deze mensen willen ook gewoon even rustig ontbijten. Net als ik.
Toch draait meneer Howe zich halverwege zijn maaltijd om en begint een gesprek met ons. Meneer Palmer vraagt: “Is breakfast included?”
“No idea,” zegt Howe, “but it’s good.”
We lachen allemaal.
Een half uur later moeten we gaan. We staan op.
“Hey mate,” draait meneer Howe zich nogmaals naar ons om, “see you around.”
“Nice to meet you two, misters Howe and Palmer,” glunder ik. “Hope to meet you soon in concert again.”
Dan moeten we echt gaan.

Een paar dagen later kijken vrouwlief en ik de DVD van het Asia optreden van iets meer dan een jaar geleden.
“Nou, eens kijken hoeveel mensen er hier foto’s maken,” zeg ik.
Vrouwlief zegt na enige tijd: “Kijk, toen dit nummer tijdens ons concert begon, werd je eruit geplukt.”
“Ik heb nog geluk gehad,” is mijn reactie, “want ik hoefde niet bij Steve Howe en Carl Palmer op het podium te komen zodat ze mijn camera aan barrels konden gooien.”


Apeldoorn, mei 2008

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Dit land is DEBIEL!

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 22:24

Ja hoor, het was weer eens zover. Ik fietste vrolijk naar mijn werk. Nu was ik niet zo vrolijk omdat ik naar mijn werk fietste. Nee joh, het liefst zou ik helemaal niet werken. Lekker de halve dag in mijn nest liggen rotten (samen met mijn vrouwlief) en de andere halve dag wat schrijven, drinken, koken en eten. Maar helaas mag het Leven zo niet zijn. Gelukkig heb ik van alle soorten werk de minst erge weten te bemachtigen. Of had ik dat al eens verteld? Had ik überhaupt al eens verteld van mijn nieuwe werkplek? Ik heb een nieuwe werkplek! Hij is inmiddels al niet meer zo heel nieuw. Meer dan een half jaar oud, mag je dat nog nieuw noemen?

Een dag in de week mag ik naar een andere locatie. Die is gelegen in het beruchte Apeldoorn-Zuid. Zo berucht is Apeldoorn-Zuid niet meer, maar er was een periode (mijn jeugd, zeg maar) dat Apeldoorn-Zuid bekend stond als de ‘ruige buurt’.
Er zijn mooie straatjes in deze wijk: kleine arbeidershuisjes met rode puntdaken, dicht op elkaar gebouwd. Een deel ervan is in de afgelopen jaren gesloopt, maar toch staan er nog genoeg overeind. Genoeg om er met een gevoel van nostalgie doorheen te fietsen.
Het is een gezellig buurtje en de traditionele arbeidersgeest heerst er nog steeds een beetje. En dat uit zich op bijzondere manieren. In de dagen rond Kerst is het zeker aanbevelenswaardig om door de smalle straatjes te gaan. De huizen zijn rijkelijk aangekleed met Kerstversiering; en aan de verlichting moet elektriciteitsbedrijf miljarden verdienen. Als je een blik zou werpen op de elektriciteitsrekening, dan zou de hoogte daarvan een hoop zwartwerken doen vermoeden.

Maar waar had ik het over? Werk. O ja, ik was op weg naar het werk. Fluitend naar de nieuwe werkplek, en niet omdat ik zo graag ga werken, maar gewoon omdat het een mooie dag was. Het zonnetje scheen en het was niet eens koud. Dat was de afgelopen dagen, weken en maanden wel anders geweest.
Met goede zin reed ik het buurtje binnen vol kleine woningen met rode puntdaken.
“Wat krijgen we nou?” mompelde ik ineens. “Je ziet geen fluit meer van die mooie huisjes!”
Ieder huis, zonder uitzondering, was versierd. En nu niet met kerstlampjes, arresledes of rendieren. Nee, het was oranje voor en oranje na. Er waren zelfs oranje leeuwtjes geverfd op het asfalt. Het ronde putdeksel midden op het kruispunt was oranje, met zwarte stippen erin. De TNT brievenbussen waren ook oranje, godbetert. Het deed me allemaal pijn aan de ogen.
“Ach,” stelde ik mij gerust dat dit slechts een incident was, “hoe folkloristisch, die arbeiders.”

Drie minuten later liep ik het gebouw van mijn werk binnen.
“Welke mongool heeft dit nou weer verzonnen?” riep ik uit. Ik moest bukken, want anders zou ik zijn gewurgd door de touwtjes met rode vlaggetjes die door de gang hingen. Op de tafels lagen oranje kleedjes en zelfs de bloemstukjes waren stemmig oranje.
“Leuk, hè?” vroeg een collega.
“Ja, leuk voor de Belgen,” zei ik.
“Huh? Hoezo dat?”
“Die weten nu wanneer ze ons land moeten binnenvallen. Als Nederland speelt!”
Hoofdschuddend liep de collega weg.
“En als ik nou eens wil vieren dat het Roze Zaterdag is, gaan we dan ook weken van tevoren de hele tent in het roze aankleden?” riep ik hem na.
“Ik wist niet dat je homo bent,” zei hij.
“Ben ik ook niet, maar het is bij wijze van spreken.”
“Ga jij trouwens lekker werken op zaterdag, hoor. Maar we zijn wel gesloten.”

Wat een kutdag werd het, zeg. Iedereen lulde maar over voetbal. Ik was blij dat ik om half vier naar huis mocht.
Op de weg terug ging ik nog even de supermarkt in. Het was niet mijn beurt om te koken – wie het eerst thuis is die kookt, is de idiote regel in huize bazbo – maar ik had vrouwlief beloofd om in deze specifieke winkel de weekaanbieding flamingoflatulentiefond te halen.
“Krijg nou de scheurende schapenschijterij,” siste ik, toen ik langs de schappen liep. Nergens een normaal product meer te vinden. Alleen nog maar oranje vla, oranje limonade, oranje chocolade, oranje tompoucen, oranje tampons, oranje mayonaise, oranje shampoo en oranje condooms.
“Als de flamingoflatulentiefond ook oranje is, dan bekijken ze het maar met hun oranje winkel!” Shit, ze moesten het maar bekijken.

Thuisgekomen trof ik vrouwlief op de bank aan. Ze zat televisie te kijken. Normaal houdt ze niet van voetbal, maar nu zat ze naar een voorbeschouwing op het EK te kijken!
“Dag schat,” zei ik.
Ze zei niets en bleef naar het scherm staren.
“Dag schat,” zei ik.
Ze zei niets en bleef naar het scherm staren.
“Dag schat!” brulde ik.
“Hee, dag lieverd,” zei ze. “Is het nog gelukt met de flamingoflatulentiefond?”
“Die hadden ze wel, maar zag er heel smerig uit. Dat wordt zelf bouillon trekken van een flamingo. Maar wat zit jij nou te kijken?”
“Oh, ik zat wat te zappen en toen kwam dit voorbij. Verder is er toch niets op tv.”
“Vertel eens iets nieuws. Dit is toch ook niets? Zie nou eens! Trom-petten, oranje lederhosen met leeuwenstaart, groenoranje hoeden, kaaskoppen en rood-wit-blauw geverfde tronies! En al die vadsige types liggen te zuipen, te lallen en te ruften voor een muur van bierkratten en achter een barbecue op hun oranjecamping. Op zich kan ik het mij voorstellen dat je voetbal een leuk spelletje zou vinden en dat je de ploeg die je aanhangt wilt aanmoedigen. Ik kan mij ook nog voorstellen dat als jouw partij een doelpunt maakt, dat je dan juicht. Maar dit oranje carnaval gaat alle gevoel voor decorum te boven. De gedachte dat dit landgenoten zijn, maakt toch dat je je kapot schaamt!”
“Je hebt gelijk.”
“Kijk, dat is nou het enige zinnige dat een vrouw ooit tegen een man kan zeggen: Je hebt gelijk.” Ik moest ineens bukken, want ik kreeg de afstandsbediening naar mijn hoofd gekeild.

Dat moest even later goed gemaakt worden. Het werd uiteindelijk een hete boel. Echter, toen ik de broek van mijn vrouw uittrok, was mijn opwinding in een klap verdwenen. De schrik sloeg mij om het hart.
“Wat is er ineens?” vroeg ze, terwijl ze mijn plots slappe deel in haar hand had.
“Geil, zo’n string. Hij staat je lekker.”
“Maar?”
“Je had wel eens beter na kunnen denken over de kleur.”

Stel je nou ’s voor dat er buitenaards leven is. En stel je nou ’s voor dat die buitenaardse intelligentie onderzoek doet naar de wereldse beschaving. En stel je nou ook nog ’s voor dat ze net óns land uitzoeken en binnenvallen in de weken van het EK. Wat zou dan de conclusie van die marsmannetjes zijn? Als je het mij vraagt: “Dit land is DEBIEL!”


Apeldoorn, mei 2008

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 
« Vorige paginaVolgende pagina »