bazbo – de wereld van Bas Langereis, het middelpunt der aarde

Bas Langereis leest u voor!

01-07-2008

Lang leve de eierprikker! – een culi-column

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 21:22

De familie bazbo is altijd op zoek naar gezonde alternatieven voor het afgrijselijke welvaartsvoedsel dat doorgaans in de schappen van de supermarkten ligt. Deze keer was het een groentetaart waaraan ik mij ging wagen. Met veel bombarie had ik al een prutje van diverse producten in een grote pan klaargemaakt. Het bladerdeeg lag op het aanrecht te ontdooien en ik had de ovenschaal al tevoorschijn getrokken. Nu was ik op zoek naar het kwastje waarmee ik altijd mijn ovenschaal invet. Met een handige beweging trok ik de lade onder het aanrechtblad naar mij toe. Zonder dat ik echt goed keek wat ik pakte, deed ik een snelle greep tussen alle keukengerei dat zich in de lade bevindt. Een stekende pijn schoot door mijn vinger.
“Godsgloeiendegloeilampfitting!” brulde ik door de keuken terwijl ik de bezeerde hand terugtrok. Met mijn andere hand gaf ik een enorme hengst tegen de la. Dat deed natuurlijk ook weer zeer. Met mijn pijnlijke vinger en mijn andere hand in mijn mond gepropt keek ik in de lade. Wat was de boosdoener? Precies. De eierprikker.

De uitvinder van de eierprikker verdient een standbeeld. Zeg dat ik het gezegd heb. Het is zo ’n ontzettend handig kleinood. Daar heb je geen weet van! Het aantal gebruiksmogelijkheden is waarlijk enorm. Ik kan legio voorbeelden geven, maar zal me hieronder tot slechts een paar voor de hand liggende mogelijkheden beperken.

Hoe vaak heb je niet dat je aan tafel zit om je paperassen te ordenen? Ikzelf doe dat slechts een keer per half jaar. Mijn hele eettafel ligt dan vol met stapels papier. Ik ben zo druk bezig met die stapels, dat in mijn snelle bewegingen er wel eens een stapel omvalt of wegschuift. Dit kun je voorkomen door de eierprikker bovenop een stapeltje papier te leggen. Een soort presse papier, dus. Heb je veel stapels, dan moet je ook wat meer eierprikkers hebben. Dat dan weer wel.

In het ziekenhuis laten ze assistenten-in-opleiding, stagiaires en leerlingen op de patiënten los. Ben je eenmaal als patiënt in het hospitaal beland, dan wil men zoveel mogelijk informatie over je. Veel van die informatie kun je ze wel vertellen, maar sommige informatie zit nogal verborgen in je lichaam. Meer bepaald: in je bloed. Als men in het laboratorium die informatie uit je bloed wil aflezen, dan hebben ze dus je bloed nodig. Zo’n assistent-in-opleiding, stagiaire of leerling staat dan met een naaldje bij je vinger te martelen om een druppeltje bloed tevoorschijn te krijgen. Veel makkelijker is het om de vinger van de patiënt even kort op de eierprikker te duwen. Hopla, daar is uw bloedmoster. Fluitje van een cent.

En dan die rottige schoonmoeder. Die wil je al tijden eens goed te grazen nemen. Ze wil op je verjaardag natuurlijk op de beste plek zitten. Leg onder je grand foulard van de luie stoel in een kuiltje je eierprikker. Schoonmoeder komt binnen, gaat de kring rond en wil gaan zitten. Láchen!

Voor diezelfde verjaardag heb je natuurlijk je woonkamer feestelijk versierd. Dat kan met slingers, serpentines en confetti. Maar ook met ballonnen. Zo’n mooie tros kleurige ballonnen staat bijzonder vrolijk. Minder vrolijk word je een dag later, als diezelfde tros er nog hangt en je hele woonkamer naar oud rubber stinkt. Pak de ballonnen en laat ze leeglopen door ze op de eierprikker te drukken. Niet te vroeg op de ochtend doen, want dan komen de buren klagen over lawaaioverlast.

Gaan we over naar het flesje hobbylijm. Als het dopje eenmaal van het tuitje is geweest, is de kans groot dat de lijmresten in het tuitje opdrogen. Dan gaat het tuitje verstopt zitten. Meestal prik je door die opgedroogde lijm een gaatje met een ouwe spijker. Moet je weer naar de schuur, want daar staat je spijkerdoos. Niets ervan. Duw de opening van het tuitje op je eierprikker en de plakkerige zooi stroomt je weer tegemoet!

Komt je kleine nichtje op bezoek? Wil ze knutselen, maar heb je geen prikpen? Geef haar een eierprikker en ze prikt de voorgetekende Nijntje-figuren bijzonder gemakkelijk uit. In plaats van dat ze de prikpen in het papier steekt, drukt ze nu het papier op de prikker. Kijk wel uit voor haar duimpje.

Je zal het altijd zien. Zit je net lekker een boek te lezen aan de keukentafel, gaat ineens de deurbel. Als je opstaat, weet je dat je je boek moet achterlaten. En je boek blijft nooit mooi open liggen op de bladzijde waar jij bent gebleven. Nee, dat slaat meteen helemaal dicht. Kun je daarna, als je die vervelende collectant of Jehova’s Getuige bij de deur hebt afgepoeierd, weer op zoek naar waar je was gebleven. Dat kan en moet anders. Stel, de deurbel gaat, terwijl jij aan de keukentafel lekker een boek zit te lezen. Wie kan dat zijn aan de deur? Als je opstaat en open gaat doen zal je boek dichtvallen. Maar wat ligt daar op het aanrecht? Precies, je eierprikker. Leg het handige hulpmiddeltje in het boek en je zult straks weer kunnen terugvinden waar je was gebleven. Geniaal, niet?

Jullie hebben vast wel eens een lange wandeling gemaakt op schoeisel dat daar eigenlijk niet geschikt voor is. Wat dan op je voetzool kan ontstaan is wat we een ‘blaar’ noemen: een opeenhoping van vocht onder de huid. Houd je eierprikker even boven een brandende gaspit of aansteker om hem te ontsmetten en duw de blaar even stevig op je eierprikker. Nu is de blaar doorgeprikt. Dat kun je controleren door te kijken of er vocht uit de blaar komt stromen. Een beetje Vierdaagseloper heeft altijd een eierprikker in zijn uitrusting. Vraag er anders om bij de EHBO-post.

Iedereen wil er graag mooi en hip uitzien. Blitse oorbellen of een stoere neusring kan dan je keus zijn. Als je gaatjes laat maken bij een professioneel bedrijf kost je dat gauw een boel geld. Dat kun je makkelijk en goedkoop zelf! Je eierprikker is geschikt voor piercinggaatjes in je oren, neus, navel, tepel, eikel of schaamlip. Even snel doordrukken voor het beste resultaat.

Als jij wel kinderen wilt en je partner niet, dan heb je een probleem. Wil je dat er toch een kindje gaat komen, doe dan het volgende. Neem de gezinsverpakking condooms en druk ieder condoom even kort op je eierprikker. Succes verzekerd.

Het instrumentje komt ook bijzonder goed van pas als je op straat wordt bedreigd door een onguur type. Je hebt natuurlijk altijd zo’n handige eierprikker in je jaszak zitten. Het ongure type komt op je af en roept: “Je geld of je leven!” Jij weet natuurlijk veel beter. Als hij zijn wapen op je gezicht wil zetten, graai jij bliksemsnel in je jaszak en drukt de eierprikker tegen zijn neus. Nou reken maar dat hij dan een toontje lager schreeuwt!
Ook leuk: stel, je bent het slachtoffer van een bosbrand, tsunami, aardbeving of andere natuurramp. Dan komen de buren huilend bij je: “Alles is verloren gegaan! We hebben helemaal niets meer!” Dan kun jij tenminste nog zeggen: “Oh, ik heb nog een eierprikker.”

Nee, echt. Een eierprikker is in ieder huishouden aan te bevelen. Wat zeg ik? Absoluut on-mis-baar!
Ondertussen stond ik nog steeds met geweldige pijn aan mijn poten in de keuken. Nu ik dat ding toch op het aanrecht zag liggen, schoot me een onverwachtse gebruiksfunctie te binnen. Bij het garneren van mijn groentetaart kun je hem ook handig gebruiken! Je zou er zelf nooit aan denken!
Met een beetje fantasie kun je er namelijk ook een gaatje mee in je ei prikken, zodat de schil niet openbarst tijdens het koken.

Apeldoorn, december 2007

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Dit jaar ook een cadeau voor papa

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 21:20

Onder de salontafel vind ik nog een prop pakpapier. Verderop in een hoek van de woonkamer ligt nog meer. Ik loop erheen en raap het op. Het is kleurig bedrukt papier met de beeltenis van een oude man met een lange witte baard erop. Hij is gekleed in een rode jurk en draagt een gouden wandelstok bij zich.
Ik breng al het papier naar buiten. Daar staat de doos voor het oud papier. Brr, het is koud buiten. Snel weer naar binnen. Daar verwarmen de radiatoren de leefruimte. Ik kijk om mij heen. Op de salontafel staan nog de lege glazen en er liggen wat restjes chocoladeletters. In het schaaltje zit een laatste bodempje pepernoten. Zouden die nog lekker knapperig zijn? Of ondertussen al zacht en taai? Ik pak een pepernoot en stop hem in mijn mond. Hij is al zacht en taai. Balen. Ik kauw met lange tanden.
Naast de bank staat een krukje. Daarop ligt het cadeau dat ik gisterenavond heb gekregen.
Ik ben alleen beneden. Moeder de vrouw zit boven in haar hobbykamer. Ze heeft sinds gisterenavond een nieuwe set kralen, ijzerdraadjes en haakjes. Nu is ze druk in de weer om nieuwe kettingen te maken. Mijn zoon heeft zich in zijn slaapkamer opgesloten en is online bezig zijn nieuwe spel Time Killers FU2 te winnen. Er komt bloeddorstig klinkend lawaai van achter zijn slaapkamerdeur vandaan. De volledige soundtrack brult hij mee.
Ik ga zitten op de bank en kijk nog eens naar het krukje.

Vroeger pakte de Sint altijd enorm uit. Voor pakjesavond mochten wij als kind niet in de voorkamer komen. De Sint moest rustig zijn werk kunnen doen. Wij zaten in de achterkamer bij de eettafel met spanning te wachten tot de goedheiligman zou komen.
“Ik moet nog even de vuilnis buiten zetten,” zei papa, terwijl hij uit de voorkamer kwam. Wat hij daar had gedaan wisten we niet en vroegen we ons ook niet af. Hij verliet het huis aan de achterkant door de keukendeur. Daar stond de vuilnisbak. Een minuut later hoorden we lawaai in de gang bij de voordeur. Door het dolle heen renden we de gang in. Overal lag strooigoed. En de deur naar de voorkamer stond open. We lagen op ons knieën om alle pepernoten, taaitaai en snoepgoed van de grond te rapen. Papa kwam via de keukendeur de gang weer in. Jammer dat hij net de komst van Sint en Piet had gemist. Vorig jaar was dat ook zo. Altijd pech, die vader.
Voorzichtig gingen we kijken in de voorkamer. Daar stonden zes dozen op een rij. Ze waren omgebouwd tot een lange trein. Iedere doos was bekleed met fleurig pakpapier en er zaten grote kartonnen wielen onder geplakt. De grootste doos stond vooraan. Dat was de locomotief, compleet met schoorsteen. Deze was voor mama. Erachter stond het kolenwagentje. Daarin zaten de kleine pakjes voor papa. De eerste wagon was van Maarten, mijn grote broer. Daarachter stond mijn wagon, gevolgd door die van mijn jongere zus Marieke en broertje Geert.
Om de beurt mochten we ieder een pakje uit onze eigen wagon pakken en openmaken. Maar niet zonder dat we eerst de gedichten voorlazen! Sint had bij ieder pakje wel een prachtig rijmsel gemaakt, dat sloeg op de ontvanger en het cadeau. Mama kreeg serviesgoed, lekker ruikende zeep, kerstkaarten en schrijfpapier. Wij kregen lego, knuffelbeesten, schetsboeken en alles wat we maar hadden willen hebben. Papa had een kleinere doos, dus die sloeg af en toe een uitpakrondje over. Dat vond ik vaak wel sneu voor hem. Maar het gevoel van medelijden maakte snel plaats voor opgetogenheid. Want wat verwende de Sint ons ieder jaar weer! Aan de hoeveelheid pakjes kwam geen einde.
Als kind zaten we dagenlang te spelen met de vele cadeaus. Samen met mijn broers lag ik de hele dag met die lego-auto over de vloer, ik tekende me suf in het nieuwe schetsboek of zat uren te luisteren naar die elpee op de draaitafel.
Vader kreeg altijd nuttige cadeaus. Een krabber voor de ruit van zijn auto. Een pen, omdat zijn oude op was. Nieuwe sokken. Een stuk gereedschap. Hij leek er altijd heel erg blij mee, maar ik vond het zielig. Hij kon nooit de dag na sinterklaasavond met zijn cadeaus spelen.

Nu ben ik zelf papa en kijk ik naar het krukje waarop mijn cadeau ligt. Het was gisterenavond best gezellig. Mijn zoon was gespannen en zat nagelbijtend naar de televisie te kijken.
“Ik moet nog even de container aan de straat zetten.” Het was woensdagavond en de container wordt normaal op maandag geleegd. Ik ging door de achterdeur naar buiten. Daar staat de container helemaal niet. Aan de voorkant van het huis staat de schuur en in de schuur stond een grote zak met pakjes. Ik zette de zak voor de voordeur en drukte op de bel. Snel maakte ik mij uit de voeten en liep ik terug naar de achterdeur.
De verrassing was bij iedereen erg groot. Veel gedichten waren er niet; ik herkende mijn eigen stijl veel te goed in dat wat er voorgelezen werd. Mijn zoon verdeelde de cadeautjes en de meeste waren voor hemzelf.

Ook dit jaar heeft vader het minst aantal pakjes gekregen van iedereen. Nuttige cadeaus, zo hoort het. Niks geen lego-auto waarmee ik de hele dag kan spelen, geen leeg schetsblok om vol te tekenen en geen elpee of cd om dagenlang te draaien. Op de kruk ligt maar één geschenk.
Ik slaak een diepe zucht en onderga mijn lot. Geduldig lijden. Vol heimwee naar het verleden. Ik buig mij naar de kruk, pak mijn nieuwe aanwinst en bekijk het eens goed. Ze zullen vast wel warm zijn, deze nieuwe handschoenen.

Apeldoorn, december 2007

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Sint Nicolaas ontkleed

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 21:19

“Allemensen, wat een sinterklaasweer, zeg!” De regen komt met bakken uit de hemel. Terwijl ik over de straat strompel, mompel en mopper ik in mijzelf. “Waarom doe ik dit soort dingen toch? Ik kan geen nee zeggen, dat is het hele eieren eten. Welke idioot vraagt nou of ik dit soort dingen wil doen? Invallen voor een sinterklaas-uitzendbureau. Hoe verzin je het? En ik trap er in.”

Ik moet moeite doen om de grote plassen op de stoep te ontwijken. De straatlantaarns geven een flauw schijnsel af. Ik trek de tabberd nog eens wat steviger dicht. Er loopt water in mijn schoenen. Onvast zet ik mijn ene voet voor de andere. De staf geeft mij enige steun. Een vlaag wind blaast iets in mijn gezicht. Ik pers mijn lippen op elkaar en voel haren in mijn mond. Het is die baard. Dat kloteding laat langzaam los.

Het jochie van het laatste adres moest er zo nodig met zijn vingers aan zitten. Ik kon hem nog maar net van me afduwen, anders had-ie de hele baard eraf getrokken. Het werd nog een hele toestand. Die twee Pieten die ik bij me had, hadden in de gaten dat ik in hulpbehoevende omstandigheden verkeerde. Ze graaiden in hun zak en gingen gericht met snoepgoed mikken op het pokkejoch. Toen hij ging huilen, wisten we dat we gewonnen hadden. De sfeer in dat huis werd er niet beter op. De ouders maakten ons snel duidelijk dat we niet langer gewenst waren. Ik sloeg de rest van mijn glaasje jenever snel achterover en daarna maakten we ons vlot uit de voeten. Buiten hadden we een felle discussie. De Pieten vonden dat ik als Sint te weinig autoriteit uitstraalde en ze beschuldigden mij van het nuttigen van teveel glaasjes jenever. Toen ik zei dat zij Prutpieten waren omdat ze niet eens op hun handen konden lopen, haakten ze af. Ze lieten de zak met strooigoed en cadeaus op de stoep staan en verdwenen in de donkere avond.

Nu moet ik het allerlaatste adres van vanavond alleen doen. Die stomme zak sleept over straat en die flutbaard laat lost. Ik ben een Sinterklaas van niks. Ik heb veel te veel gezopen. Ik word het zat.

Aan het begin van de avond was het nog wel leuk. In het eerste huis al woonde een lekker uitziende jonge moeder. Het kostte me tien minuten om haar bij mij op schoot te krijgen. Zachtjes legde ik mijn witte handschoen op de bolling van haar billen. Ze liet het nog toe ook. De bobbel onder mijn tabberd moet ze hebben gevoeld, dat kan niet anders. Veel te snel stond ze weer op. Gelukkig bracht ze me een glaasje jenever, dat ik gretig achterover sloeg. Het moedertje maakte allerlei moois in mij los. Ze zag er zo gelukkig uit in haar prille gezinnetje. Twee dochtertjes dribbelden om haar heen. Een vader was er kennelijk niet. Wat zou het heerlijk zijn om hier die plek in te nemen. De meisjes kwamen op schoot en kropen tegen mij aan. Ze leken helemaal niet bang te zijn van die grote oude man met die baard en die lange rode jurk. Het moedertje bracht nog een tweede glaasje jenever. De twee Pieten deelden snoepgoed en cadeaus uit. Wat een geluk. Het deed een beetje pijn toen we weer weg moesten.

Ineens struikel ik. Ik ben op die tabberd gaan staan. “God-gloeiende-gezondheidssandalen!” vloek ik luid. Even verderop loopt een man met een jongetje aan de hand.
“Kijk, daar heb je Sint!” roept het kind. Het maakt zich los van de man en komt naar mij toe rennen.
“Ach, hoepel toch op,” bijt ik het jochie toe als hij dichtbij genoeg is.
Het knulletje stopt met rennen, kijkt mij met geschrokken ogen aan en begint te huilen.
“Vort, weg hier!” sis ik. “Dit jaar geen cadeautjes voor jou!” Het kind rent terug naar zijn vader. Die zal wel denken: wat is dat voor Sinterklaas die daar zo staat te vloeken?
Sloom sleep ik mij verder op weg. Er druipt een straaltje water vanuit mijn mijter door mijn pruik heen. Dit doe ik nooit meer. En het levert niets op. Een paar honderd euro misschien. Had ik maar een vak geleerd. Toch had ik het moedertje op schoot en het huilende jongetje van daarnet niet willen missen. Haha, wat zal dat joch geschrokken zijn. Zo nors komt Sinterklaas nooit uit de hoek.

Zelf heb ik best lang in Sint Nicolaas geloofd. Kinderen uit de klas hadden het er wel eens over dat hij niet bestond, maar dat bestond voor mij niet. Hij was toch op tv? Mijn ouders vertelden toch over hem? En wat volwassenen je vertellen, dat is waar. Geen twijfel over mogelijk. Godallahmachtig, wat was ik kwaad toen ik ontdekte dat die goedheiligman helemaal niet echt was. Het was gewoon een verklede vent! Ik was jarenlang voorgelogen! Hoe kunnen ouders zó oneerlijk tegen hun kinderen zijn? Kinderen hebben het volste vertrouwen in volwassenen, en de ontgoocheling was bij mij dermate groot, dat mijn vertrouwen in de grote mensen een fikse deuk opliep. Want als dat verhaal van Sint Nicolaas niet waar is, wat is dan wél waar wat volwassenen je vertellen?

Verhip, ik weet nauwelijks meer waar ik ben. Ik bevind mij op de hoek van een straat. Zit ik wel in de goede buurt? Ik til mijn hoofd op en kijk naar het straatnaambordje op de gevel van een hoekwoning. Om het te kunnen lezen, moet ik mijn ogen dichtknijpen. Door de vlagen slagregen heen zie ik witte letters op een blauwe ondergrond. De letters dansen voor mijn ogen en ik kan ze niet uit elkaar houden. Mijn hoofd tolt. Het kan me allemaal niet meer schelen. De wereld is verrot en mijn wereld nog meer. Hij valt onder mijn handen uiteen. Ik heb er geen grip meer op.
Ik struikel over mijn zak en beland in de goot. “Haha!” lal ik. “Welke kerel kan er zeggen dat hij over zijn zak is gestruikeld? En daardoor letterlijk in de goot is beland?” Mijn pruik zit scheef en de baard heeft nu half losgelaten. Ik lig languit in een plas modder. Ik zet een hand op de grond en de andere op de stoeprand. Waar is mijn staf? Regenwater gutst in mijn gezicht. Ik veeg water uit mijn ogen, maar merk dat ik er vieze blubber in smeer. Ik zet een knie op de grond. Er komt een auto voorbij die mij maar net ontwijkt. Hij rijdt hard door een plas. Een golf koud water spettert over me heen. Door de kracht van de golf verlies ik mijn evenwicht opnieuw. Ik val languit in de goot. Wat maakt het allemaal nog uit? Alles draait om mij heen. Ik blijf liggen en sluit mijn ogen.
In mijn kop spoken beelden van een moedertje op schoot en kleine dochtertjes die naar mij lachen. Ik kom nooit meer thuis. De wanhoop nabij. Ik ril en beef. Alles doet pijn. Vooral mijn hoofd. En die spier in mijn borstkas. Hoe heet die ook weer? Die pomp die het bloed het lichaam rondstuurt? Weet ik het?
Even doe ik mijn ogen open. Zoals ik nu lig, kijk ik naar het huis op de hoek van de straat. Achter het raam staat iemand naar mij te kijken en loopt dan weg. Dan gaat de deur naast het raam open. Iemand komt naar mij toe.

“Sint?” klinkt de stem. “Gaat alles goed met u?”
“Met mij is het prima. Laat mij hier maar lekker liggen,” wil ik zeggen, maar mijn mond brengt geen geluid voort.
“Wacht, ik help u even overeind. Bij mij binnen kunt u wat opwarmen.”
Ik kijk in het gezicht van mijn hulpverlener. Er zit een prachtige jonge vrouw naast mij neergeknield. Ze pakt mijn hand. Ineens sta ik weer op mijn beide benen. Ze geeft me een arm en samen lopen we haar huis binnen. Ik krijg een stoel vlakbij de verwarming. Het is er behaaglijk. Er klinkt zachte muziek. Mooie folkliedjes, gezongen in een Scandinavische taal.
Ze helpt mij bij het afdoen van mijn mijter, pruik en baard. Terwijl ze bezig is, kijk ik haar aan. Ze heeft donkere ogen en een lieve lach. Haar strakke truitje heeft een v-hals. Het kost me moeite om niet naar haar bescheiden decolleté te staren. Ze draagt een eenvoudige spijkerbroek en laarsjes. Om haar hals hangt een kettinkje. Haar handen zijn slank en er zitten ringen om haar vingers. Ze heeft haar donkere haren op haar schouders hangen.
Ik moet de natte tabberd afdoen. Ze maakt de veters van mijn zwarte schoenen los en trekt schoenen en sokken uit.
“Doe die malle witte jurk ook maar uit,” fluistert ze. Ik wil het proberen, maar het lukt niet. Ze helpt het ding over mijn hoofd heen te trekken. Daar sta ik dan. In mijn onderbroek voor het mooie meisje.
“Hier,” zegt ze, en ze slaat een grote deken om mij heen. “Ga maar lekker op de bank zitten.”
Als een professionele visagiste schminkt ze mij af. Als ze klaar is, krijg ik een kop warme thee. Ik proef heerlijke kruiden.

Ze komt dicht naast mij zitten en kijkt mij aan.
“Dag,” zegt ze dan. Ze schudt mijn hand. “Ik heet Sofia. Hoe heet jij?”
“Bas,” zeg ik.
“Dag Bas.”
“Sofia, Sinterklaas bestaat niet.”
“Dat geeft niks,” zegt ze. “Maar jij bent er wel.”
Van het ene moment op het andere voel ik me droog en opgewarmd. Toch ril ik nog steeds. Opeens weet ik het. Sofia is de Liefde van mijn Leven.
Ik kijk in haar diep bruine ogen en zeg: “Het lijkt potdomme wel een kerstverhaal!”

Apeldoorn, december 2007

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Bus stort in ravijn

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 21:17

De deuren van de bus gingen open. Het was niet echt druk op het busstation van Apeldoorn. Verscheidene mensen liepen voor mij de bus in. Anderen stapten via de achteruitgang uit; weer anderen bleven zitten. Ik liet de chauffeur mijn strippenkaart zien. Hij pakte de kaart beet en bestudeerde hem aandachtig. Ik bekeek hem eens. Het was een nogal dikke man die zijn hemdsmouwen had opgestroopt. Er liep zweet over zijn rode voorhoofd en ook achter in zijn nek zag ik straaltjes vocht die vanuit zijn haren zijn boord binnenstroomden.
“Ik moet bij de Pieter de Hoochlaan zijn,” zei ik. “Wilt u mij waarschuwen als we er zijn?”
“Hmm, is goed,” bromde hij en ik liep door. Nogal voor in de bus was zo’n anderhalf-zitplaats leeg. Ik zette mijn tas aan de raamkant op de zitting en ging zitten. De bank was achterstevoren geplaatst, dus ik keek in het gezicht van de andere passagiers. Er kwamen nog wat meer mensen na mij binnen. De bus zat bijna half vol.
Ineens ging er een trilling door het voertuig; de chauffeur had de motor aangezet. De deuren sloten en langzaam zette de bus zich in beweging. Na wat draaien verlieten we het busplein.

Ik ben behept met een nogal levendige fantasie. Waar ik ook kom, loop of ben, de minste aanleiding doet mij allerlei dingen in mijn hoofd bedenken. Meestal gaan die fantasieën over leuke meisjes en wat ik daarmee zoal zou willen, maar soms gaat het anders. Zoals nu.
“Stel nu eens,” zo schoot het door mijn kop, “stel nu eens dat we nu met deze bus in een ravijn storten. Je moet er niet aan denken. Maar het zou kunnen gebeuren. Die bus flikkert in de afgrond. We bevinden ons zo afgelegen van de bewoonde wereld, dat we totaal op elkaar aangewezen zijn. We moeten onszelf zien te redden. Overleven is de hoogste prioriteit van ons allen. Ik ga er maar even van uit dat we allemaal levend uit de crash komen. Het ziet ernaar uit dat we met deze groep lange tijd moeten doorbrengen. Lieve help, met wie zit ik dan allemaal opgescheept?”

Ik keek eens goed om me heen.
Dichtbij mij, aan de andere zijde van de bus, zat een wat oudere dame. Ze droeg een lange jas en een hoofddoekje. Naast haar zat een jongeman die iets te duidelijk een verstandelijke handicap had. Haar zoon? Het zal je gebeuren. Stort je in een afgrond en zit je opgescheept met een ouwe taart en een mongool. Zouden die overleven?
Achter het stel zat een nette heer in regenjas met zijn laptop op schoot. Hij drukte een modebiele telefoon aan zijn oor en voerde nogal luidruchtig een gesprek dat over managementzaken ging. Verderop een forse meid met een vol gezicht die met open mond kauwgum zat te eten. Helemaal achterin de bus hing een jonge knul onderuit op de bank. Om zijn nek hing een mp3-speler. Hij zat met zijn hoofd te schudden op de maat van een lied dat ik niet kon horen.
Aan wat voor mij de rechterkant van de bus was zaten niet zoveel mensen. Een Turks uitziende meneer in pak met pet op, een echtpaar van een jaar of vijftig dat met elkaar zat te praten, en een onopvallende man met een baseball cap op.
Recht voor mij zat een meisje. Ah, kijk aan. Eens zien of ze de moeite waard was. Het was een fijn gebouwd meisje van een jaar of twintig met een bruine huidskleur, parelwitte tanden, zwarte glinsterende ogen en lange donkere haren. Allemensen, wat een schoonheidje.
Je zou hem bijna vergeten. Er was ook nog die grote dikke chauffeur bij wie het zweet uit zijn haren achter in zijn nek loopt.
Het echtpaar kreeg woorden over een aankoop die ze wel of niet wilden gaan doen. De vrouw gebruikte stemverheffing en de man ging er nors tegenin. Echt interessant vond ik het natuurlijk niet. Alle andere passagiers waren ook niet echt boeiend genoeg om lang naar te kijken. Behalve dan dat meisje.

“Wat een prachtige ogen, zeg,” ging het weer door mijn hoofd. “Tsjonge, als we lang met elkaar opgescheept zitten, dan zou ik wel snel met haar aanpappen. Bloed kruipt nu eenmaal waar het graag heen wil en na verloop van tijd heeft iedereen behoefte aan een flinke pot seks. Ik ook. Het lijkt me wel wat met dit mooie meisje. Of zou er concurrentie zijn? Dat echtpaar zie ik niet als een bedreiging. Maar die jonge knul met z’n mp3-speler wel. Zou ze vallen voor zo’n jochie? Of die vent met die baseball cap? Die mongool is natuurlijk helemaal niet im Frage, en die manager lijkt me veel te oud voor haar. Wie weet zoekt ze iets bij soortgenoten, zoals die Turks uitziende meneer? Of de chauffeur?”
De bus stopte bij een halte en de Turks uitziende meneer stapte uit. Een jongeman van halverwege de twintig was ingestapt en kwam nu langs mij heen naar achteren lopen. Hij ging op de bank tegenover het meisje zitten. Shit, concurrentie. Dat zul je altijd zien. Misschien dat hij bij de klap in de afgrond heel vervelend terechtkomt en het leven laat?
“Wat nou als dat meisje zo uitstapt? Hoe moet dat dan in dat ravijn? Op wie moet ik mijn seksuele gevoelens dan afreageren? Die moeder van die mongool is uitgesloten. Die bolle trol dan?” Ik schrok van de grofheid van mijn eigen gedachten.

“Ik ga er maar even vanuit dat het meisje niet uitstapt. Hoe zal ik dan eens indruk op haar maken? Een heldendaad, dat is zeker. Die bus ligt op de bodem van het ravijn en iedereen is in veiligheid. Iedereen, behalve de mongool en zijn oude moedertje. Die zitten nog bekneld tussen twee banken. De motor van de autobus begint vervaarlijk te roken, zie ik. Straks ontploft hij nog! Ik klim terug de bus in en sleep de twee naar buiten. Eerst de moeder, dan de mongool. Snel, we moeten ons in veiligheid brengen. Iedereen rent of loopt of sleept zich naar een bergje rotsen in de buurt en verbergt zich daarachter. Je kunt het op je vingers natellen. Het voertuig explodeert met een enorme knal en er vliegt een gigantische vuurbal met zwarte rook de lucht in. Als de ergste schrik is gezakt, juicht iedereen. Bescheiden neem ik de complimenten in ontvangst. Ik zie twee donkere zwarte ogen mij bewonderend aankijken.”

Weer stopte de bus bij een halte. De oude dame stond op. De mongool bleef zitten. Zijn moeder trok hem aan zijn mouw. Met duidelijke tegenzin liep hij achter haar aan.
“Oké. Ik kan geen oma en mongool redden uit een half brandende bus. Ik moet op zoek naar een andere heldendaad. Wacht, daar komt een enorm roofdier aan! Een brulkikker. Nee, niet eng genoeg. Concentreren. Wat voor enge beesten zou je onder in zo’n ravijn tegen kunnen komen? Hyena’s? Nee, dat zijn vuile aaseters. Die doden zelf hun prooi niet. Een poema! Dat is het! Grommend komt de bergleeuw dichterbij. Wij zitten in zijn territorium en hij voelt zich bedreigd. Kwijl loopt uit zijn wijd opengesperde muil, waarin een vervaarlijk gebit blinkt. Iedereen schrikt. Een meisje dat naast mij staat, kruipt wat tegen mij aan. Ik sla een arm om haar heen en zeg dat ze niet bang hoeft te zijn. Dan draai ik me om, en loop naar de brandende bus. Een kleine struik die vlak naast het voertuig stond heeft vlam gevat. Ik breek het onder bij de steel af. Met de brandende struik ga ik dichter naar de poema toe. Ik zwaai de brandende toorts boven mijn hoofd. De poema deinst terug. Ik zie zijn ogen schitteren. Hij kijkt mij dreigend aan. Met een slag raak ik hem vol in zijn snuit. Brullend van de pijn springt de poema achteruit. Ik zwaai nog een keer met de brandende struik. Dan rent het beest weg. Ik draai me om en kijk in de zwarte ogen van het meisje. Ze slaat haar armen om mijn nek. Ik buig iets voorover en …”

De bus moest plotseling remmen voor een stoplicht. Volgens mij kwamen we nu aardig in de buurt waar ik moest zijn.
“Stel nu eens verder,” klonk mijn eigen stem in mijn hoofd, “dat we met geen mogelijkheid voedsel kunnen vinden. We hebben al kleine expedities eropuit gestuurd die in de nabije omgeving gingen verkennen of er eetbare planten staan. Niets gevonden. Ook een poging om te jagen op klein wild is mislukt, gewoon omdat er geen klein wild in de buurt is. Wat nu, wat nu? Een paar dagen red je het wel zonder eten en drinken, maar dan wordt het toch wel nijpend. De meeste passagiers liggen uitgeput en uitgemergeld op de stenen bodem van het ravijn. De man van het echtpaar stelt voor dat we gaan loten. We doen iene-miene-mutte. Wie zouden we als eerste opeten?”

“Pieter de Hoochlaan!” klonk ineens de stem van de dikke chauffeur.
Ik schrok op uit mijn overpeinzingen. Snel drukte ik op het knopje. Niet veel later minderden we vaart en kwamen we tot stilstand. Ik stond op en liep naar de achteruitgang. Nog een blik op het prachtige meisje. Zucht. De deuren gingen open en ik stapte uit. Een koude wind blies in mijn gezicht.
Wat een malle gedachten. Er zijn helemaal geen ravijnen in Apeldoorn.

Apeldoorn, november 2007

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Lang leve de staafmixer – een culi-column

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 21:16

De uitvinder van de staafmixer verdient een standbeeld. Wat een prachtig apparaat is het toch. Alleen al de vrouwelijke vormen doen mij het water de bek in lopen. In de winkel zie je ze in allerlei soorten en maten. Ze zijn verkrijgbaar in een strakke moderne vormgeving, maar ook met zachte rondingen. Ga hierbij uit van je eigen smaak.
Kies er een met een hoog vermogen (Wattage). Tachtig Watt is niets. Er zijn er ook met een vermogen van driehonderd en zelfs meer. Niets is zo vervelend als wanneer jouw mooie mixer het begeeft bij het pureren van je asfaltsoep, je toffeepesto, je bitterkoekjessmoothie, het stemmige sinterklaastaaitaaihapje voor de kleine, of de rubbersaus bij je kerstkalkoen.

Vaak heeft een staafmixer meerdere standen. Bij de laagste stand moet je lang wachten tot je gerecht gepureerd is; bij een hoge stand duurt het allemaal wat korter. Heb je veel tijd, dan kies je voor de lage stand. Heb je haast, dan gebruik je de hoge stand.

Er zijn staafmixers verkrijgbaar met allerlei toebehoren. Na aankoop pak je de doos uit en vind je diverse onderdelen waarvan je je afvraagt wat het is en waar het voor dient. Beslagkom, maatbeker, hulpstukken en zelfs een houder voor aan de muur. Allemaal overbodige zooi, want een beslagkom heb je vast zelf wel en een maatbeker ook. Voor hulpstukken zul je even naar het nachtkastje op de slaapkamer moeten en een staafmixer aan de muur gemonteerd ziet er gewoon niet uit. Bewaar het apparaat op een plaats waar je makkelijk bij kunt, bijvoorbeeld in een keukenkastje waarin je ook je tosti-apparaat, blender of frikadellenpletter hebt verstopt. Wikkel bij het opruimen het snoer niet te strak om de mixer heen, want een breuk in de kabel is zo veroorzaakt, hetgeen weer kortsluiting kan betekenen. Een staafmixer is om te pureren en niet om jezelf een ander kapsel te bezorgen. Daar heb je krultangen voor.

Een staafmixer is bijzonder praktisch in het gebruik. Niks geen enorme keukenmachines meer op het aanrecht; nee, onze fijne vriend is klein en compact en verricht al je zware pureerklusjes. Met het grootste gemak maalt hij alles tot pap.
Doe alle ingrediënten in een mengkom of maatbeker. Steek de stekker in het stopcontact, duw het apparaat met de haken in het voedsel en zet het apparaat aan. Je kunt je mixer ook gewoon in een pan gebruiken, ook al staat die op het vuur. (Zie ook het voorbeeldrecept onderaan deze column.)
Zorg er bij het staafmixen voor dat je de mixhaak goed in de te pureren massa hebt zitten. Als je hem namelijk iets te hoog houdt, vliegen de voedingsmiddelen je om je oren. Nu zijn natte oren niet ongebruikelijk bij het eten van een schijf meloen, maar bij het voorbereiden van je soep of saus is het vrij ongemakkelijk. Zeg dat ik het gezegd heb.

Met behulp van je staafmixer geef je de lekkerste soepen, smoothies, sauzen en babyhapjes in een wip een mooie gladde en egale structuur. Ook als je kauw- en slikproblemen hebt, is het een fantastisch hulpmiddel. Heb je je eten gekookt? Doe dan alles in een pan of bak. Trek je stoere staafmixer uit de kast en pureer de hele handel. Nu kun je je voer makkelijk naar binnen werken zonder dat je veel hoeft te kauwen. En doorslikken is helemaal geen probleem meer. De zooi glijdt gewoon zo je keelgat in!

De staafmixer is bijzonder onderhoudsarm. Na afloop gewoon afspoelen onder de hete kraan en goed nadrogen. Persoonlijk wil ik zelf de stekker nog wel eens in het stopcontact laten zitten terwijl ik het apparaat afspoel. Dan zet ik hem even aan, in de veronderstelling dat hij onder de stromende kraan nog wat extra schoner wordt. Denk hierbij wel aan je vingers. Je hebt er weliswaar een stuk of tien, als alles goed is, maar het geeft zo’n rommeltje op het moment dat je er een kwijtraakt. Helemaal lullig als je net je keuken hebt geboend.

Wie heeft de staafmixer eigenlijk uitgevonden? Als iemand voor mij even wil googlen, dan kan ik verder met het voorbereiden van het standbeeld. Voor het mengen van het cement gebruik ik overigens ook een staafmixer. Lekker multifunctioneel, dat ding. Zou hij ook van pas kunnen komen bij obstipatie?

Ikzelf ben ondertussen al toe aan mijn zesde staafmixer. Ik herinner mij nog goed mijn allereerste exemplaar. Een Tomado. In al zijn eenvoud deed hij zijn werk jarenlang prima. Totdat het ding bij het maken van humus (Turkse kikkererwtenpasta) ineens een penetrante doorbrandlucht begon te verspreiden. Even dacht ik dat mijn schoonmoeder op bezoek was gekomen, maar de hitte in mijn hand verried de werkelijke toedracht. Tja, en toen moest ik op zoek naar een nieuwe. Verschillende goedkope klonen heb ik toen in mijn keuken gebruikt, maar die legden allemaal spoedig het loodje. Momenteel ben ik de trotse bezitter van een stoer apparaat van het merk Tomado. Precies, het is er eentje uit dezelfde fabriek als mijn allereerste staafmixer. Hij werd geleverd met allemaal overbodige rommel erbij. Los verkopen ze die krengen niet, die klootzakken van de witgoedwinkels. (Dood moeten ze!) De overbodige rommel heb ik in een doos gestopt voor als ik mijn zoon op kamers schop; misschien dat hij die zooi dan kan gebruiken. De staafmixer heeft een prominente plek op mijn aanrecht gekregen. Wat een fraaie vormgeving, toch. Alleen de vrouwelijke vormen al doen mij het water de bek in lopen. Of had ik dat al eens gezegd?

Tenslotte een fijn winterrecept, waarbij de staafmixer onmisbaar is.

Paprikasoep

Ingrediënten voor vier personen:
4 rode paprika’s – 1 groene paprika – 1 ui – 1 lepel olie – 1 liter bouillon – 1 eetlepel paprikapoeder – peper en zout – peterselie

Maak de paprika’s schoon. Verwijder de zaadlijsten. Snijd de rode in grove stukken en de groene in kleine blokjes. Snipper de ui.
Verhit de olie in een soeppan en fruit hierin de ui. Bak dan ook de rode paprika mee gedurende vijf à tien minuten.
Voeg de bouillon toe en breng alles aan de kook. Laat het geheel zo’n vijftien tot twintig minuten zachtjes pruttelen.
Pureer de soep met de staafmixer!
Voeg het paprikapoeder toe, breng de soep zo nodig op smaak met peper en zout, en roer alles goed door. Laat de soep nog even doorkoken.
Strooi vlak voor het opdienen de blokjes groene paprika en de peterselie over de soep.
Eet smakelijk! En lang leve de staafmixer!

Apeldoorn, november 2007

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Afscheid

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 21:14

“Ik zie jou niet meer, Bas,” zegt ze. “Ik kom je gedag zeggen.” Ze kijkt me aan alsof ze even niet weet wat ze moet doen.
“Dat is lief van je,” zeg ik. “Ik vond het heel leuk om met jou samen te werken.”
Ze geeft me het lachje. Ik sta op en loop naar haar toe.

I

Ze schrikt. Wat me opvalt, is hoe warm haar wang aanvoelt. Haar ogen staan wijd open, een beetje paniekerig. Dit had ze niet verwacht. Ik heb mijn beide armen om haar heen geslagen en buig iets voorover. Niet dat ik zo groot ben; zij is eerder klein.
Vandaag draagt ze haar groene truitje met lange mouwen. Om haar nek hangt een roze sjaaltje. Aan haar vingers zitten een paar ringen. Ze heeft een spijkerbroek aan met wijde pijpen vanaf de knie. Er hangt een brede witte riem los om haar heupen. Ze loopt op gympies. Haar blonde haren staan wat sprieterig opzij. Ze is niet opvallend opgemaakt; alleen haar ogen zijn aangezet met mascara. Als ik haar aankijk, krijg ik meestal het heerlijke lachje van haar.
Wie zou er niet vallen voor dit schitterende meisje? Dit meisje met de prachtige ogen en de warme wang?

II

Mijn lippen verlaten haar rechterwang. Ik trek mijn hoofd iets terug en buig dan naar rechts. Recht op het doel af: haar linkerwang. Terwijl ik beweeg, kijk ik in haar ogen. Haar eerste schrik is weg en heeft plaatsgemaakt voor de blik die we al zo vaak hebben uitgewisseld. Ik kijk graag in haar ogen. Die zwartomrande kijkers waarin ik mijzelf al heel wat keren heb verdronken, en die me soms doen verlangen naar dingen waar een getrouwde man van mijn leeftijd eigenlijk niet naar zou moeten verlangen. Het bloed kruipt waar het graag gaat.
Ik wil haar zeggen dat ik wil weten hoe het verder met haar zal gaan. In haar leven, in haar carrière, op school, en op de werkplek die ik vandaag verlaat. Het liefst wil ik haar mijn e-mail adres geven en zeggen dat ze contact met mij moet opnemen als ze me nodig heeft. Maar ik zeg het niet.
Ik wil haar vertellen van mijn droom van enkele nachten geleden, maar ik doe het niet. In de droom zat ze in een bus of trein of tram achter me. We hadden allebei onze dikke winterjas aan. Ze praatte met mij. We lachten. Ineens sloeg ze van achteren twee armen om mij heen. Ik voelde haar adem in mijn nek. Ze gaf me een kus op mijn wang. Ik draaide mijn hoofd naar rechts en keek haar in haar mascara ogen. Ik zoende haar terug op haar wang, maar onze hoofden verschoven en ineens raakten onze vier lippen elkaar. Die van haar weken uiteen en haar warme tong likte langs mijn mond. Ik werd wakker met een gelukzalig gevoel in mijn hele lijf. Toen ik me realiseerde dat het niet echt was, overviel de totale leegte me.
Ik vertel haar niets van mijn droom. Mijn mond is immers druk bezig. Vastberaden gaat hij opnieuw op weg.

III

Nu weet ze wat er gaat gebeuren. Ze heeft zich eraan overgegeven. Uit zichzelf biedt ze mij haar rechterwang aan. Er verschijnt een lach in haar gezicht. Die gaat gepaard met die samengeknepen ogen van haar. Verhip, wat is ze toch mooi zoals ze is.
Ze tuit haar lippen en buigt naar me toe. Gretig, bijna. Het ziet ernaar uit dat ze zich nu op laat gaan in dit moment van intiem samenzijn. Ondanks dat onze werelden en levens elkaar niet overlappen. We verschillen in zoveel. In leeftijd is nog wel het meest opvallende. Ik ben potdomme 23 jaar ouder dan zij en zij is 23 jaar jonger dan ik. Lieve help, zij is 19 en ik ben 42. Dat kan niet. Maar nu kan het even wel. Ik en dit prachtige Mascara Meisje. Een paar maanden slechts hebben we samengewerkt. Ik merkte wel dat er een vonkje oversprong. En wat vond ik het soms moeilijk om professioneel te blijven. O, wat wil ik dit nu allemaal graag tegen haar schreeuwen. Ik open mijn mond, maar er komt niets uit.
Wel voel ik even haar warme adem bij mijn lippen. Haar hele essentie neemt bezit van me. Ik absorbeer als een gek. Gedurende een flits, een ogenblik, een fractie van een milliseconde zijn we onlosmakelijk verbonden, samen en één.
Dan laat ik haar los en neem ik wat afstand. Als ik praat en zeg wat ik moet zeggen, ga ik een heel klein beetje dood.

“Dag meid, ik heb ontzettend van je genoten.”
“Ik ook van jou, Bas. Dag.”
Terwijl ze wegloopt, dringt de verschrikkelijke werkelijkheid nog eens keihard tot me door. Allemensen, wat ga ik haar missen.

Apeldoorn, november 2007

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Kap nou!

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 07:54

Buren, niets dan last heb je ervan.
De deurbel ging. Ik zuchtte. De deurbel gaat altijd net als je zit te eten, of als je op het punt staat om aan tafel te gaan. Dat zul je altijd zien. Vandaag stond ik een rollade te bakken en ik had de tafel net gedekt. Geërgerd deed ik de deur open. Op de stoep stond een mevrouw met kort krulhaar en met een briefje in haar hand. Ik wilde al roepen dat ik niets aan de deur koop en zo, maar ze was me voor.
“Goedenavond,” begroette ze. “Ik woon bij u achter. Nu staat er tussen onze huizen in de gemeentetuin een nogal hoge boom. Wij hebben daar heel veel last van. Zeker in de herfstmaanden komt er erg veel rommel uit de boom vallen.”
“Tja, dat heb je zo met bomen,” mompelde ik voor mij uit.
“Nu ben ik in de buurt handtekeningen aan het verzamelen,” ging ze verder. “Wij willen de boom graag weg hebben. De gemeente gaat wel akkoord, maar dan moet ik een handtekening van alle omwonenden hebben. Wilt u ook tekenen?”
“Nee, het spijt me.”
“O. Dat is jammer.”
“Ik zal u uitleggen waarom. Die boom staat net achter onze tuin. Hij geeft mij veel schaduw in de middag, en een hoop privacy. Wij vinden het lekker om zo min mogelijk inkijk te hebben. Als de boom weg is, kunnen de mensen van de overkant zo onze tuin in kijken.”
“Wij wonen er al zeker zes jaar, en wij gebruiken de kamers boven achter eigenlijk nauwelijks.”
“Of u de kamers nou wel of niet gebruikt, u zorgt niet voor de schaduw,” grapte ik. “Dat doet de boom.” Ze snapte hem niet. “Maar ik weet dat er mensen in de buurt zijn die al eerder hebben geprobeerd om die boom weg te krijgen.”
“Dat zal mijn man geweest zijn,” vertelde ze.
“Ah, dat zou kunnen. Ik ken niet iedereen die hier rond omheen woont. Maar om even terug te komen op de vraag: vooralsnog geef ik mijn toestemming niet.”
“Ziet u,” vertelde ze ineens, “mijn man kan die rommel van de boom allemaal niet meer opruimen. Hij heeft vier weken geleden een beroerte gehad.” Ze keek me aan, alsof ze even tactisch stil viel, zodat ik wel zou moeten reageren. Ik bleef haar afwachtend aankijken. “En ik kan het ook allemaal niet meer zo goed,” ging ze snel verder. “Zelf heb ik last van de gewrichten in mijn hand. Daarnaast ben ik nu best druk met dingen regelen voor mijn man en hem verzorgen waar nodig.”
“Dat klinkt als een heel vervelende situatie, mevrouw,” zei ik.
“Er is misschien nog een andere mogelijkheid,” zei ze. “De gemeente kan een andere boom ervoor in de plaats zetten.”
“Dat lijkt me lood om oud ijzer. Iedere boom geeft wat rommel. Zelf vegen we trouwens alles in de perken. Prima afdekking voor de strenge winter en later wordt het humus. Voeding voor de bodem.”
“Dus u wilt echt niet tekenen? Ik moet echt van iedereen een handtekening hebben. Anders kan het niet doorgaan.”
“Als de gemeente er een andere boom voor in de plaats zet, zal ik tekenen. Ik zal morgen met de afdeling Groenbeheer bellen om het eens te bespreken, maar het lijkt me sterk. Lukt het niet, dan kan ik u niet helpen. Het spijt me.”
“Nou, dat is in ieder geval duidelijk. Dank u voor uw tijd.”
“Sterkte met uw man.”
“Dank u. Het is momenteel een zware tijd. Hij is overdag nog in het revalidatiecentrum. Gelukkig mag hij ’s avonds naar huis. Hij loopt al wel weer, maar de kracht in zijn armen is een stuk minder.”
“En verdere uitval?” vroeg ik. “Spraak? Geheugenproblemen? Karakterverandering?” Ik heb er nogal kijk op.
“Godzijdank kan hij weer redelijk praten. En ik hoop dat zijn geheugen ook weer terug komt. Hij is verbitterd, maar dat kan ook zijn doordat hij in het revalidatiecentrum zit, en niet thuis.”
“Nou, nogmaals sterkte met de hele situatie.”
“Dank u. Een fijne avond.”
“Dahaag.” Ik deed de deur achter haar dicht en ging naar de keuken. Verhip, het was me weer gebeurd. Heel die rollade zwart. Vloekend trok ik mijn jas aan en sprong ik op de fiets. Bij de snackbaar haalde ik versgebakken salmonellafrikadellen.

Die nacht werd ik wakker. Buiten klonk het geluid van een tuinhek dat dichtviel. Gefluister en gestommel. Even later hoorde ik wat harde doffe klappen. Ik vertrouwde het niet en stond op. Voorzichtig deed ik het gordijn een stukje opzij en keek ik naar buiten. In het schijnsel van de lantaarnpaal die in het achterompaadje staat, zag ik de schimmen van twee personen onder de boom scharrelen. De een had kort krullend haar en een nachtjapon aan. Een vrouw, dus. De ander was duidelijk een man die in zijn pyjama wat wankel met een bijl stond te zwaaien. Met een onzekere klap kwam de bijl in de boom terecht.
“Wat zullen we nou krijgen?” fluisterde ik. Snel draaide ik het raam helemaal open. De man hief de bijl boven zijn hoofd om de boom een nieuwe houw te geven. Met mijn zware boze-bazbo-stem riep ik: “Hé! Kap daar ’s mee! Het is veel te laat om dit soort lawaai te maken!”
De man die aan het hakken was, schrok enorm. De bijl raakte uit zijn baan en kwam terecht in het hoofd van de vrouw die ernaast stond. Een afgrijselijke schreeuw ontsnapte haar. Het stuk gereedschap bleef recht overeind staan in het kapsel van de vrouw. Ze viel neer. De man wankelde nog en zakte door zijn knieën naast haar.
“Laat het niet nog een keer voorkomen, of ik bel de politie!” riep ik.
Ik sloot het raam en kroop terug naast mijn vrouw in bed. Die mompelde iets in haar slaap.
“Als we morgenavond weer van dit soort geluidsoverlast krijgen,” antwoordde ik haar zonder dat ik zeker wist dat ik haar goed verstaan had, “dan zal ik het aanvechten tot aan de Rijdende Rechter aan toe!”
Buren, niets dan last heb je ervan. Ze kunnen de boom in.

Apeldoorn, oktober 2007

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

De laatste dag (Rituelen 2)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 07:52

“Alles moet altijd hetzelfde gaan. Waar blijf je in het leven zonder rituelen? Als alles volgens een vaste volgorde gebeurt, alles op dezelfde manier, alles automatisch, dan hoeft de mens niet meer na te denken over de eenvoudigste handelingen en gebeurtenissen in het leven. Een gestructureerd bestaan geeft duidelijkheid, overzicht en rust. Rust in het hoofd. Waarom nadenken over dagelijkse gebeurtenissen als ze automatisch gaan? Het geeft ruimte in de kop voor andere, belangrijker zaken. Totdat er iets wezenlijks verandert.”

Ik ben bijna bij de bushalte. Vlak voordat ik de straat kan oversteken, passeren de twee fietsers mij. Ze rijden allebei op hetzelfde model, zij het dat de een op een damesfiets en de ander op een herenfiets zit. De vrouw rijdt voorop en de man rijdt erachteraan. Alsof ze het hebben afgesproken. “Jij blijft achter mij rijden, hoor!” “Ja, stel dat ze ons samen zien fietsen, zeg!” De dame heeft aardig de vaart erin en de heer sukkelt er nog geen halve meter achter. Als ze voorbij zijn, loop ik verder.
Bij de bushalte moet ik nog even wachten. Aan de overkant zie ik de jonge vrouw op de fiets aan komen rijden. Ze komt mijn kant op gereden. Als ze de grote weg is overgestoken, draait ze zich om en zwaait naar iemand in de flat die aan de overkant staat. Ik kan nog altijd niet zien naar wie ze zwaait. Dan is ze verdwenen.
De bus arriveert. De deuren gaan open. Ik stap in. De chauffeur stempelt zes strippen af. Ik ga op een smalle bank zitten. Ik rijd achteruit. Tegenover mij zitten de twee dames die tegen elkaar praten. Nou ja, de een praat tegen de ander. De ander hoort het niet en blijft naar buiten kijken. “Ik doe het niet,” hoor ik de een zeggen. “Ze mogen dan in een verzorgingshuis wonen, maar die ouwe mensjes moeten niet denken dat wij alles maar voor ze doen. Ik moet ook aan mijzelf denken.” Zozo.
De bus is inmiddels bij het grote busstation aangekomen. De chauffeur drukt op een knop en de deuren gaan open. Ik sta op en stap de bus uit. Bij het perronnetje iets verderop moet zo de streekbus aankomen. Ik loop er vast heen. Er staan mensen te wachten. Het zijn de mensen die naar een sociale werkplaats moeten. Ze praten over televisieprogramma’s van gisterenavond die ik niet heb gezien en over werkleiders die niet deugen. Sommigen spreken andere mensen aan en weer een andere vloekt en tiert omdat de bus een halve minuut te laat is. Ik amuseer me kostelijk.
Daar is de streekbus. De Muppets dringen zich naar binnen. Dan stap ik de bus in. De chauffeur controleert mijn strippenkaart. Ik ga halverwege de bus op een lege bank zitten. De autobus begint te rijden. Ik heb de krant van gisteren snel uit. Onderweg stopt de bus een paar keer en dan stappen er nieuwe passagiers in. Die ene vent, bijvoorbeeld. Hij gaat bij die dame zitten. Ze kennen elkaar. Hij mompelt: “Goedemorgen.” Zijn stem is koortsig. Zij begroet hem vrolijk. Dan zwijgen ze. Hij kijkt voor zich uit; zij kijkt naar buiten. Na een kwartier stopt de bus weer eens en staat de man op. “Goedemorgen,” zegt hij nogmaals. “Werk ze!” wenst de dame hem toe. Ik lees een hoofdstuk in een boek van Herman Brusselmans. Bij een andere bushalte stappen de vierenveertig klassen scholieren in. Wat een kwakbollen weer, zeg. Niet een meisje dat mijn aandacht verdient. Of het moet dat ene schoonheidje zijn. Ze is er niet vandaag. Er komt een kwakbol naast mij zitten. Ik lees verder. Dan moet ik eruit. De bus stopt, omdat ik op het knopje heb gedrukt. De kwakbol naast mij moet opstaan om mij door te laten. De deuren gaan open en ik stap uit.
Ik loop de tweehonderd meter. Onderweg passeer ik die meneer. “Goedemorgen,” probeert hij. Ik zeg niets. Als de lokale bevolking je gaat begroeten, is het einde zoek. Ik kom bij het gebouw waarin ik werk. De sleutel zit in mijn broekzak. Als ik de deur heb opengemaakt, piept er iets in de hoek van de hal. Ik loop naar het controlepaneel en toets mijn code in. Vier cijfers. Nu is het alarm eraf. Ik ga naar de keuken en zet drie liter koffie. Dan ga ik naar de teamkamer achterin. In het gebouw is het nog donker. Ik doe geen lichten aan. In de teamkamer trek ik mijn jas uit en doe ik de computer aan. Het is vroeg. Nog geen kwart voor acht. Ik controleer mijn e-mail. Ik ga aan het werk.

Een half uur later is er werkoverleg. De taken worden verdeeld. In de kring zitten een paar collega’s de krant te lezen of onderling een eigen vergadering erop na te houden. “Mag het even centraal?” vraagt de voorzitter van dienst. Met centraal bedoelt ze zichzelf. Ik zeg niets. Als ik mijn koffie op heb, sta ik op en ga ik terug naar mijn teamkamer. Collega’s blijven achter om te kletsen over boodschappen, het weer, televisieprogramma’s, gebeurtenissen in de buurt, de zorgen over onze organisatie, of over muziek.
Ik gooi alle papieren uit mappen en van stapels in de papierbak. Veel ander materiaal gooi ik in de container. De spullen die ik wil bewaren, doe ik in mijn tas. Het is niet veel. Ik lunch in de kantine. Collega’s om mij heen praten honderduit. Zelf blijf ik stil. Als ik mijn brood op heb, ga ik terug naar de computer en doe de klussen die ik nog moet doen. Ik zet alles wat ik moet overdragen in een e-mail en stuur die naar de personen die het aangaat. De dag duurt lang. Ik haal mijn prikbord leeg. De foto’s en kaarten stop ik in mijn tas. Als ik op de klok kijk, zie ik dat het half vijf is. Collega’s gaan naar huis. Ik kijk ze na.

Ik loop een laatste rondje door het gebouw. De deuren van de toiletruimtes staan open. Ik doe ze allemaal dicht. In kantoren zie ik nog beeldschermen van computers aan. Ik druk ze allemaal uit. In verschillende werkruimtes zijn de lampen nog aan. Ik doe alle lichten uit. Alleen in de hal blijft een lamp branden.
Ik trek mijn jas aan en pak mijn tas. Dan loop ik naar buiten en draai de deur achter mij op slot. Vervolgens stop ik de sleutel in een enveloppe en ik gooi die enveloppe door de brievenbus. Ik haal diep adem en loop in de richting van de bushalte.

“Alles moet altijd hetzelfde gaan.”
Morgen werk ik – na bijna achttien jaar – ergens anders. Weg rituelen; op naar nieuwe.

Apeldoorn, 31 oktober 2007

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Muziekcolumn – David Sylvian / Gone To Earth

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 07:51

Het tentdoek flapperde. Ik keek op van het gasstel en richtte mijn blik op de persoon die de tent binnenkwam. Zij was het.
Het was bloedheet in de kooktent. Buiten was het dik dertig graden en hier binnen misschien nog wel tien graden warmer. Ik was in niet meer gekleed dan mijn zwembroek en een wit T-shirt. Mijn hele lijf was klam van het zweet. Zestig kippenpoten stond ik hier te braden. Vanavond zouden de kinderen nasi eten.
Uit de kleine cassetterecorder klonk de zo vertrouwde muziek en stem van David Sylvian. Het album ‘Gone To Earth’, welteverstaan.
De jonge vrouw in de deuropening droeg haar eeuwige zwarte legging en een ruimvallend jurkje van dezelfde kleur. Ik wilde haar aankijken, maar ze had haar hoofd gebogen.
“Mag ik even bij je komen?” vroeg ze met onvaste stem.
Ik begreep dat er iets aan de hand was.
“Natuurlijk,” antwoordde ik en draaide het vuur onder de grote braadslee zacht. Snel zette ik een stoel naast de mijne en ging ik zitten. Al gauw zat ze links naast me.
Ze had haar ogen neergeslagen en haar hoofd hing op haar borst. Haar handen lagen hulpeloos in haar schoot. Ineens begonnen haar lippen te trillen en vanuit haar ooghoeken liepen tranen langs haar wangen naar beneden.
Ik sloeg een arm om haar heen en ze viel op mijn schouder. Met twee armen hield ze mijn smalle lijf stevig vast. Ze schokte en snikte.
“Hee meisje,” fluisterde ik haar toe. “Huil maar even lekker uit.”
Haar blonde haar kriebelde tegen mijn kin en mond. Met mijn rechterhand streek ik een lange lok uit haar gezicht en veegde ik wat tranen weg.
“Wat is er aan de hand?” vroeg ik. “Wil je er iets over zeggen?” Ik drukte stilletjes een zoen in haar haren, vlakbij de speld, die haar golvende lokken bij elkaar hield.
“Ach, het is alles. Alles van het afgelopen jaar,” zei ze snikkend. “Weet je, ik heb zo’n zwaar jaar achter de rug. Twee keer verhuisd en afgestudeerd. Dat kostte me echt heel erg veel energie. En nu dan deze vakantieweek op de camping en al die kinderen voor wie ik moet zorgen.”
De zachte muziek op de achtergrond was ineens een passende soundtrack bij haar stortvloed van woorden. Ze praatte en praatte en vertelde en vertelde. Ze huilde en huilde en ik kon alleen maar luisteren en luisteren.
“Ik heb zoveel contacten laten verwateren. Er zijn een heleboel mensen die ik uit het oog heb verloren. En het allerergste is, dat ik zelfs een paar goede vrienden ben kwijtgeraakt.”
Opnieuw begroef ze haar hoofd in mijn armen.

Ik kan moeilijk uitleggen waarom de muziek van David Sylvian zo’n bijzondere uitwerking op mij heeft. Het was de band waarin hij zijn carrière startte, die al diepe indruk op mij maakte. Die band heette Japan en hun nummer ‘Art of Parties’ is en blijft mijn lijflied.
Zijn soloplaten zijn stuk voor stuk bijna atmosferisch te noemen, zonder dat het vervalt in fout New Age marketinggezweef. Niks geen stromende bergbeken in je kop moeten fantaseren; dit is muziek die mij introspectief maakt zonder dat het iets opdringt. En dan die stem. Als hij een lage noot zingt, dan valt de hele wereld om mij weg. Of zoiets. Ik zei toch dat ik het zo moeilijk uit kan leggen?
Halverwege de jaren tachtig maakte ik een donkere periode in mijn leven mee. Het had iets te maken met een zeker meisje. En hoe ik haar verloor. Samen draaiden we stapels Japanplaten. Toen ze er niet meer was, stortte mijn wereld in elkaar. Een jaar later bracht Sylvian ‘Gone To Earth’ uit, de dubbelelpee die ik bijna onophoudelijk beluisterde. Het wonder geschiedde. Langzamerhand kwam ik weer terug op aarde.

“Begrijp je wel?” vroeg ze brokkelig.
Het snikken was inmiddels opgehouden. Nog altijd met haar ogen neergeslagen liet ze haar hoofd tegen mijn schouder hangen.
Haar woordenstroom had me gegrepen en meegenomen. De cassette van David Sylvian speelde nog steeds. Er viel een stilte tussen haar en mij. Seconden, minuten lang. De klanken en die stem vulden de kooktent en onszelf. De leegte was er tegelijkertijd ook, maar die was niet pijnlijk. Langzaam werd de jonge vrouw steeds rustiger. Ik had haar begrepen, en wist dat ik iets moest gaan zeggen.
“Ik vind het echt heel verschrikkelijk voor je wat er allemaal is gebeurd. Je hebt je zo ingezet voor je studie en voor alle andere dingen. Het is afschuwelijk als je goede vrienden moet verliezen.”
Het blonde hoofd dat tegen mijn schouder hing, knikte langzaam van ja.
“Maar ik wil dat je iets weet,” vervolgde ik.
Het werd tijd dat ik iets wezenlijks tegen haar ging zeggen. Iets waarmee ik me kwetsbaar zou maken. Het werd tijd. Het werd tijd dat ze ging inzien waar ik was.
Ik haalde diep adem. Mijn stem beefde langs alle kanten, maar toch rolden de woorden zonder hakkelen uit mijn mond.
“Mij raak je voorlopig niet kwijt.”
Even was het stil. Toen kwam haar hoofd langzaam omhoog.
En ineens. Eindelijk dan. Eindelijk gingen haar ogen open.
Voor het eerst deze week keek ze me aan. Indringend, seconden lang. Door haar tranen heen verscheen iets dat op een glimlach leek. Haar hand raakte mijn wang aan en even streek ze door mijn baard.
“Ik weet het,” zei ze zacht.

Apeldoorn, juli 1994 en april 2007

=========================================

David Sylvian – uit ‘Wave’ (van het album ‘Gone To Earth’ – 1986)

I’ll run to you
Nothing stands between us now
Nothing I can lose
This light inside can never die
Another world just made for two
I’ll swim the seas inside with you
And like the waves without a sound
I’ll never let you down

I’d tear my very soul to make you mine

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Carlo Piemol lost het op

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 07:50

Carlo Piemol loopt op straat.
Maar wat gebeurt daar?
Een groep jongens bij de bushalte.
Ze schoppen het bushokje in elkaar.
Een spannend en leerzaam verhaal over jeugdvandalisme.

Vandaag is het mooi weer.
De zon schijnt.
Het is vroeg zomer dit jaar.
Carlo Piemol loopt op straat.
Hij heeft geen haast.
Het is een leuke wandeling.
Van de Apenlaan door de Zweetsokkensteeg.
En dan het Indigestieplein over.
Tot hij bij de Wormkuurweg komt.

Maar wat gebeurt daar?
Even verderop staat een groep jongens.
Bij de bushalte.
De jongens staan niet te wachten op de bus.
Of wel, maar dan zijn ze ongeduldig.
Een jongen slaat met een tak tegen het bushokje.
Een ruit breekt.
Rinkeldekinkel.
Een andere jongen schopt met zijn grote schoen tegen een andere ruit.
Die ruit breekt ook.
Rinkeldekinkel.
Overal liggen scherven.
Op de stoep en op de straat.
Alle jongens lachen en joelen.
Dat kan toch niet!

Voorzichtig komt Carlo Piemol dichterbij.
Hij kijkt goed naar de jongens.
Dan herkent hij twee van de jongens.
Een van hen is Mik, het neefje van Buurman Barman.
De andere is Mak, het andere neefje van Buurman Barman.
Wat kan Carlo Piemol doen?

Even denkt Carlo Piemol na.
Hij vindt dat hij iets moet doen.
Je kunt die jongens toch niet laten gaan?
Straks vernielen ze het hele bushokje.
Kijk, daar ligt het dak er al bijna af.
Carlo Piemol kent twee van de jongens.
Misschien dat ze naar hem willen luisteren.

“Hee daar!” roept Carlo Piemol.
“Hou daar mee op!
Dat is jullie eigendom niet!
Vandalisme is zó kinderachtig!”
Een grote jongen komt op Carlo Piemol af.
“Wat moet je nou, eikel?
Kijk uit, of we rammen jou ook in elkaar!”
Carlo Piemol schrikt toch wel een beetje.
Kom op, Carlo Piemol! Houd moed!

“Hee, Mik en Mak!” roept Carlo Piemol.
De neefjes van Buurman Barman schrikken.
Iemand kent hun namen!
De neefjes willen weg rennen.
Maar Carlo Piemol is ze voor.
Hij roept: “Waarom doen jullie zo ondeugend?
Dingen kapot maken is verkeerd.
Er zijn zoveel andere leuke dingen.
Leuke dingen om te doen!”
“O ja?” vragen de neefjes Mik en Mak.
“Welke dingen dan?”
Carlo Piemol weet wel wat leuke dingen.
“Nou, je zou bijvoorbeeld kunnen gaan rolschaatsen!”

De hele groep jongens moet lachen.
“Rolschaatsen?
Laat ons niet lachen!”
Behalve de neefjes Mik en Mak.
“Dat is helemaal zo’n gek idee nog niet!”
De andere jongens zijn ineens stil.
“Maar ik kan niet rolschaatsen,” zegt er een.
“Ik ook niet,” zegt een ander.
Maar de neefjes Mik en Mak weten een oplossing.
“Kom, wij leren jullie het wel,” zeggen ze.

“Goed zo,” zegt Carlo Piemol.
“Dank u wel, meneer,” zeggen alle jongens.
“Graag gedaan,” zegt Carlo Piemol.
“Ga maar fijn rolschaatsen.
Dat is goed voor jullie conditie.
Niemand heeft er last van.
En alle spullen blijven heel.
Doe de groeten aan Buurman Barman!”
“Dat zullen we doen,” zeggen Mik en Mak.
Snel rennen ze de bocht om.

Carlo Piemol gaat weer terug naar huis.
Hij voelt zich opgelucht en tevreden.
Met een glimlach loopt hij de Wormkuurweg uit.
Terug het Indigestieplein over.
Door de Zweetsokkensteeg naar de Apenlaan.

Apeldoorn, september 2007

Dit is deeltje 5 uit de Carlo Piemol serie.
Meer deeltjes zijn in voorbereiding.

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 
« Vorige paginaVolgende pagina »