bazbo – de wereld van Bas Langereis

Bas Langereis leest u voor!

01-03-2014

B-log: 1-7 maart

Filed under: B-log 2014 — bazbo @ 16:49

Vrijdag 7 maart:
Goed geslapen en we konden wat langer blijven liggen. Het nieuwe beddengoed werkt ook goed.
Als ik beneden ben, voel ik druk op mijn hoofd. Niet fijn. Op mijn gemak fiets ik door de zon naar de winkel die ik nooit binnen durfde. De mevrouw van de winkel heeft een rood hoofd, helpt eerst een andere klant en overhandigt me dan mijn verloopje. Als ik buiten mijn fiets van het slot afhaal, komt ze naar buiten gerend, roepend naar een auto: ‘Mevrouw! Mevrouw!’ In haar handen heeft ze iets in cadeauverpakking. Ze kijkt mij een beetje hulpeloos aan en zegt: ‘Volgende slachtoffer.’
Thuis lunchen we. Ik voel me nog niet goed. Gejaagd, geklemd, geperst. Ik wandel door het Matenpark naar de apotheek om mijn medicatie op te halen. E kookt pastinaken-bietenstamppot met shoarmavlees.
Er zit een winterkoninkje in de achtertuin.
Aan het begin van de avond fietsen we met z’n drieën naar een woonvorm voor mensen met een autistische stoornis. Gewoon, om eens te kijken wat er voor De Zoon zoal mogelijk is. Deze woonvorm lijkt ideaal. Dat we gaan kijken, is een eerste verkenning. We hebben geen haast. Zeker niet. Na een uur zijn we weer thuis.
Ik lees en sluit om half twaalf mijn dag af.

DSCN3869

Donderdag 6 maart – De Vrouw is jarig:
Het lukt vandaag, ook al klopt m’n hart in mijn keel het eerste uur. Zo’n pilletje moet landen.
Op het werk kan ik het rustig aan doen. Nieuwe leidinggevende Herma belt en is meelevend. Ze vraagt zich af hoe we nu verder moeten en stelt voor de bedrijfsarts mee te laten kijken. Ik vind het prima. Later heb ik ook nog een gesprek met een teamleider: we gaan voor duurzaam herstel en dat doen we in een tempo dat bij mij past, zodat er zo min mogelijk risico op terugval is. Tot en met eind maart blijf ik twee dagen van ieder twee uur werken. Ik merk dat dit me rustig maakt.
Half twaalf zit ik weer op de fiets. Ik rijd een route door de parken naar de Asselsestraat. In die winkel waar ik nooit naar binnen durf, koop ik een cadeau voor De Vrouw. Ze verjaart vandaag en ik gun haar mooi ‘nieuw beddengoed’. Hoe laadt het op? Met een oplader die je via een usb-poort aan je pc verbindt. ‘Aan je pc?’ moet ik nog wat lachen. Ik koop er een verloopje naar de wandcontactdoos bij.
Thuis neem ik een lunch en mijn medicatie. Ik luister naar mooie liedjes van CSN. Na een uur doe ik nog wat laatste boodschappen. Opa komt op bezoek. E zelf is ook thuis. Opa is er een uurtje en het is rustig, ouderwets en prettig. Als hij vertrokken is, geef ik E haar cadeau. Ze is er blij mee, denk ik. Blijkt: het verloopje van usb naar wandcontactdoos ontbreekt. Ik bel naar de winkel. Duizend excuses en ik kan het morgen komen halen. Is goed, hoor.
We eten pizza’s en ik draai de laatste twee albums uit de doos van Ry Cooder.
In de avond zijn Plonia, Heidi en Auke er. Het is leuk en gezellig. Ik trek het deels. Soms is het me te lawaaierig en moet ik even weg. Om kwart voor twaalf stort ik in en ga ik naar bed.

Woensdag 5 maart:
Voordat ik opsta is mijn eerste gedachte: Ik heb geen zin meer; zo is het niet meer leuk. Moedeloos blijf ik, mijn hoop en vertrouwen zijn zoek. Moet ik weer opnieuw beginnen? Ik merk dat ik zo graag van betekenis wil zijn, maar dat ik het niet meer kan. Ik schrijf niet meer om te vermaken, ik werk niet meer – wat ik doe betekent niets, is zinloos. Ik zorg niet meer voor mijn gezin – waar zijn ze trouwens? -; ze hebben mij niet nodig.
Toch stap ik op de fiets en ga ik wat boodschappen doen. E is er voor de lunch; ik heb de broccoli van eergisteren verwerkt tot soepje. Dan is ze weer weg. Ik voel me nog altijd moedeloos en overbodig.
E had gezegd dat Bas, Willem en ik in de krant stonden met foto. Ik maak een loopje via het kanaal naar een supermarkt op de hoek. Daar koop ik de krant: we staan er niet in, ook niet in een sufferdje dat vandaag is verschenen. Willem mailt en vraagt of we gaan optreden tijdens ‘Cultuur bij je buur’ op 16, 17 en 18 mei.
Tussendoor is E even terug. Ik begin aan het avondeten. Het wordt een Turkse stoof met knolselderijpuree en de zuurkool van gisteren. E is weer weg. Ik maak mail voor het werk: morgen wil ik er weer zijn, ondanks dat ik me somber voel en niet begrijp hoe deze terugval heeft kunnen gebeuren; ik had zo hard gewerkt en getraind om terug overeind te krabbelen.
De stoof is goed!
Na het eten lees ik Who I am uit. Bij vlagen is het een fragmentarisch werk, soms ook erg grappig. Vaak vind ik de verhalen over de band (en de bandleden) te summier (over Moon zou hij een apart boek kunnen schrijven, neem ik aan), maar het is dan ook een boek over Pete Townshend zelf en over hoe hij zijn artistieke carrière heeft willen vormgeven. Ik heb het met veel plezier en aandacht gelezen. Volgende boek waarin ik begin: De zuilen van Hercules door Paul Theroux.

Dinsdag 4 maart:
Ik word wakker met een loeistrakke helm van pijn om mijn hoofd. Het huilen begint. Ik heb helemaal geen kracht om op te staan, maar doe het toch. Negen uur ben ik beneden voor mijn pilletje. Ik plof neer op de keukenstoel. Meer kan ik niet, behalve mijn tranen laten lopen. E gaat werken. Om kwart over tien zucht ik diep en is het iets kalmer in mijn kop. Ik sta op uit de stoel en maak een wandeling langs een stukje kanaal. Ver is het niet. Als ik weer thuiskom, blijkt het half een te zijn. De vaart is er weer uit, dat is duidelijk. Ik sta onvast op mijn benen en mijn hoofd en rug doen zeer.
Wat voor zin heeft het nog? vraag ik mij af. Het leek zo goed te gaan. Ik heb vanaf half januari in een maand tijd de oxazepam helemaal afgebouwd, ik wilde deze week gaan starten met afbouwen van slaapmedicatie. Zie me nu: weer helemaal aan de dope. Moet ik weer van voor af aan beginnen? Waarom zou ik nog?
Om twee uur is DV er. We lunchen en ik kan twee boterhammen naar binnen krijgen. Dan ‘loop’ ik naar de supermarkt voor enkele kleine boodschapjes. Ook doe ik een poging om eten te maken. Spekjes bakken, zuurkool erbij, scheut witte wijn, karwijzaad, blikje canellibonen. Daarnaast rundersaucijzen bakken en sla serveren. Het lukt. Als ik tijdens het koken een fles olijfolie uit mijn handen laat vallen en die op de tegelvloer uiteenspat, raak ik wonder boven wonder niet in paniek: gaspitjes laag, scherven opruimen en de plaats van de ramp dweilen.
Na het eten probeer ik te lezen. Het boek moet ik ieder kwartier wegleggen omdat ik hoofdpijn heb. Ik zucht: Nou ja, dan gaan we maar weer verder; een andere keuze heb ik niet.

Maandag 3 maart:
Vanaf dat ik opsta, voel ik grote druk op mijn hoofd. Ik ben om negen uur beneden. Even lijkt het goed te gaan, maar toch moet ik huilen. Ik ga op mijn stoel aan de keukentafel zitten. DV moet werken, dus vertrekt. Ik zit. Ik zou de dokter bellen, maar dat lukt me niet. Ik kan niets uitbrengen en ik wil ook niets. Ik heb geen energie. Niets kan me schelen. Ik voel me zo moedeloos en terug bij het begin. Spierpijn zet op. Wat wil mijn lichaam mij zeggen? Is er nog steeds iets dat ik over het hoofd zie waaraan iets moet gebeuren? Ik ben bang en huil voortdurend. DZ moet een beetje op mij passen, de schat. Ik zou allerlei dagelijkse dingen kunnen gaan doen, maar ik doe ze niet.
Om half een is E weer terug. Het maakt me blij, maar ook verdrietig omdat ik niet de man ben met wie ze getrouwd is. Ik huil, ben in paniek en voel slechts angst. De lunch gaat langs me heen. Ik ziet nog steeds op mijn stoel. E heeft inmiddels contact met de huisarts via telefonisch spreekuur: ik moet weer helemaal aan de oxazepam om rustig te worden in mijn hoofd.
Om half drie sta ik voor het eerst sinds negen uur op en ga ik naar boven. Even liggen: misschien ontspant het. Ik slaap een half uur en dan lig ik wakker voor mij uit te kijken en te huilen. Wat is er toch gebeurd? Half zes sta ik weer op.
E heeft eten gemaakt. Ik eet er wat van: een stukje vlees, een schepje broccoli en wat sla. Dan is mijn puf weg. DV moet nog even werken. Ik maak mail naar mijn werk dat ik er morgen niet zal zijn en ben daar doodmoe van. Ik probeer een stukje te lezen, maar het levert me hoofdpijn op. E is om half negen weer terug. Ik huil nog. Iets na tien uur kan ik niet meer en ga ik naar bed.

Zondag 2 maart:
Als ik wakker word, is het half acht. Even blijf ik liggen. Bij de gedachte en de vraag wat er toch met me is gebeurd, wellen de tranen op. Om kwart voor negen moet ik uit bed.
Koffie, was. Buiten schijnt de zon. Die zoek ik op. Tijdens het lopen langs het kanaal voel ik me nog niet ontspannen; allerlei gevoelens en ideeën overvallen me. Niet prettig. Het lopen duurt ook langer dan normaal en ik ben pas tegen twaalf uur thuis. Daar moet ik gaan zitten. Ik huil nog steeds. Het schiet niet op. We lunchen pas om 14.30 uur. Ik kan niet eten, want ik krijg De Grote Klap.
Razende paniek, onophoudelijke huilbui, beklemming, mijn kop in de knel, rillingen, heel duizelig, ik moet mezelf vasthouden aan de leuning van de keukenstoel om te voorkomen dat ik omval, mijn gezicht in een grimas, ogen draaien alle kanten op, mijn hart beukt, ik heb een zeer gejaagde en onregelmatige ademhaling, alle spieren zijn gespannen en bovenal beleef ik helse angst. Dit is doodeng. Ik weet dat het gebeurt, neem het ook waar, zij het van verre, maar ik heb er geen invloed op. Heel even schiet door een diepgelegen deel van mijn hoofd de gedachte: Dat wordt afvoeren naar een psychiatrische instelling.
Ik denk dat het in totaal tien minuten duurt, maar het kan ook korter of langer zijn. DV adviseert dat ik oxazepam neem en dat doe ik ook (een kwartje). Mijn lunch blijft onaangeroerd.
Een uur later is de storm in mijn hoofd wat gaan liggen en ik ga naar buiten voor een rondje door het Kanaalpark. Als ik terugkom, merk ik dat ik niet wil stilzitten. Ik heb energie om avondeten te maken. Het is goed om bezig te zijn en ik maak de pasta die ik eigenlijk voor gisteren had gepland: spaghetti, tomatengehaktsaus en salade. Zowaar, ik eet er zelf ook van.
Na het eten ben ik heel moe. Lezen lukt niet, dus ik ziet aan de keukentafel en om half tien moet ik naar bed.

Zaterdag 1 maart:
Het is negen uur en ik ben beneden. Gebruikelijke klusjes, was, mail, koffie, krant. Dan even naar de Turkse winkel voor brood en wat kleinigheden. We lunchen en ik ruim op. Even heb ik het idee dat ik veel ‘moet’, maar dat idee verdwijnt ook weer. Verder valt op: ik schrik (weer) van plotselinge geluiden. Gelukkig kan ik me daar snel overheen zetten.
DV gaat creatief workshoppen in Hilversum. Met DZ ga ik naar de verjaardag van neefje Cas. We zijn er als eerste. Niet lang daarna komen er allerlei andere mensen binnen. Er zijn veel kinderen en er is veel lawaai en beweging. De kinderen gaan buiten spelen, dus het zou rustig moeten zijn. Toch snijden de woorden en gesprekken me in mijn hoofd. Alles gaat langs me heen. Ik heb geen grip meer. De angst en de beklemming slaan toe. Het gaat niet goed. Druk op mijn hoofd; alles vliegt me aan. Ik hoor niets, ik kan geen gesprek volgen, ik zie de gékste dingen (wordt iedereen dík?). Het is alsof ik mezelf van binnenuit een pantser bestuur, alsof alles om me heen ver weg is. Het doet zeer. Ik moet weg. DZ blijft nog even.
Op de fiets op de hoek van de straat huil ik als een gek. Wat is dit? Terug bij af? Ik moet, ik moet, ik moet. Ik moet niet willen, ik wil niet moeten. Het is te veel. Uitkijken. Ben ik op tijd weggegaan of was het al te laat? Na een kwartiertje is er meer rust; de rit en de wind zijn prettig.
Ik kom thuis, merk dat ik moe ben, kapot, uitgeput en ik kan niet stevig op mijn benen staan. In huis ben ik alleen. Moet ik veel? De was, drogen, eten koken. Maar eerst nog meer rust. Echt. Al het andere dat ik zou moeten of willen, wil ik laten zitten. Lukt het? De druk op mijn hoofd blijft. Pijn. En ik huil. Hoe ontspan ik?
Vanaf half vijf zit ik aan de keukentafel. Ik kan niets. Niet lezen, geen muziek, niets eten en niets drinken. Het wordt donker. Als DZ thuiskomt, merk ik dat het half acht is. Op een papiertje schrijf ik:
‘Ik ben hier niet; er zit iemand anders. Het lukt me niet mijn hoofd omhoog te houden. Wat je ziet is een omhulsel en het lijkt of ik van binnenuit en tegelijk van verre met je meekijk. Alsof ik diep opgesloten zit in een pretparkdierenpak.’
Ik streel mijn tenger geworden vingers en denk: Wat is er toch gebeurd? De stroom van tranen is oneindig.
Om negen uur is DV terug. Ze heeft een leuke bijeenkomst gehad en vraagt hoe het met mij is. Met mij is het niet. Vandaag even niet. DV is lief voor mij en ik kan niet lief terug doen. Ik ben stil en verdrietig. Moedeloos. Bang dat ik nooit meer de persoon zal zijn die ik ooit was.
Om half elf ga ik naar bed om vrijwel gelijk in een diepe slaap te vallen.
Vijftien weken, maar liefst.

• • •
 

Geen reacties »

No comments yet.

RSS feed for comments on this post.

Leave a comment