Een andere keer (00001)
Ik heet Bas Langereis en werd geboren op 17 mei 1965 aan de Govert Flinckstraat 37 in het zo majestueuze Apeldoorn, waardoor Apeldoorn gelijk nog een stuk majestueuzer werd.
Ik ben de kleinzoon van een slager en van een kapper.
De grootvader van mijn moeders kant begon in de jaren dertig van de vorige eeuw een varkensslagerij in de joodse buurt van Amsterdam. ‘Mijn vlees kopen ze wel!’ riep hij, overtuigd van zijn koopmanschap. Nog geen jaar later was zijn winkel failliet. Hoewel, dat weet ik niet eens zeker. Wel weet ik dat hij vlak vóór de oorlog in loondienst ging bij de slagerij van zijn broer, gesitueerd in de Kinkerstraat. Van deze grootvader van moeders kant heb ik de neiging om enthousiast en onbezonnen ergens aan te beginnen.
De grootvader van mijn vaders kant was herenkapper in Amsterdam Oud-Zuid. Hij ging bejaardenhuizen af en knipte daar de mannen. Van deze grootvader van vaders kant heb ik de neiging om overal de schaar in te zetten.
Mijn vader zelf ging na de mulo naar de avond-hbs en de avond-hts. Hij werd werktuigbouwkundige en ging werken bij het Luchtvaartlaboratorium en na een jaar of acht vond hij een baan bij een nieuw filiaal van Philips in het zo majestueuze Apeldoorn. Van mijn vader heb ik niets technisch in mijn genen: ik werd geboren met twee linkerhanden.
Mijn moeder werkte eind jaren vijftig en begin jaren zestig bij de Geïllustreerde Pers in Amsterdam. Zo maakte ze enige tijd deel uit van de redactie van de Margriet, meer bepaald was zij een van de redactrices van de rubriek ‘Lieve Mona’. Van haar heb ik mijn liefde voor taal en teksten en kan ik de gekste dingen verzinnen. Waarvan akte. Toen mijn vader die baan bij Philips kreeg, hing zij de mechanische typmachine aan de wilgen en ging zij maar wat graag met haar man mee naar het zo majestueuze Apeldoorn.
Kleine rekensom: mijn ouders kwamen in januari 1965 vanuit de Johannes Verhulststraat in Amsterdam naar Apeldoorn en ik werd geboren op 17 mei 1965 aan de Govert Flinckstraat 37 in het zo majestueuze Apeldoorn. Dat betekent dat ik werd verwekt in het iets minder majestueuze Amsterdam. Daar heb ik toch een kleine tik van meegekregen. Niet zozeer een psychische tik, alswel een culturele. Vooral qua taligheden: woorden, uitdrukkingen, de dunne n en harde sisklank ook bij de letter s. Maar ook cultureel-gewoonte: de humor, de adremheid, altijd leuk willen wezen, uiterst vriendelijk als ik je te woord sta maar ondertussen.
Mijn vader kwam dus oorspronkelijk uit Oud-Zuid en daar bestond het volksgebruik om iedereen aan te spreken met een bijnaam. Zo woonden er in de Sluisstraat een Gekke Gerrit, een Vieze Fietje en een Schele Ko. Op verjaardagen en partijen begroette men elkaar steevast met andere namen. Vond men leuk. Vader nam het gebruik mee naar zijn gezin. Mijn oudste broer, oorspronkelijk vernoemd naar zijn overgrootvader, grootvader en vader Martinus, noemde hij ‘Joducus’, ‘Felix’, ‘Just’, ‘Ramses’, ‘Jos’ en een keer – heel geestig – ‘Basje’. Dat vond mijn moeder zó’n leuke naam! Toen de tweede zoon (ik, dus) op komst was, was de naam Jan voor mij gekozen, maar korte tijd voor mijn komst werd er in de familie al een Jan geboren, dus moest er voor mij iets anders verzonnen. Het werd ‘Bas’.
Kortom: mijn naam is een grap.
Zo heb ik mij mijn hele leven ook gevoeld: één grote grap. En zo heb ik jaren lang het hele leven ook beschouwd: één grote grap.
Ik heb nog een tweede voornaam. Maar daarover meer een andere keer.
–
Apeldoorn, maart 2025