Gestrand – Lotgenoten (0080)
Lotgenoten,
De trein stopt. Dat is niet vreemd. We zijn bij een station. Er klinkt een omroepbericht in het Duits. Ik versta het niet, want iedereen in de coupé zit er geanimeerd doorheen te praten. De stem door de intercom herhaalt het bericht, nu luid en duidelijk voor iedereen hoorbaar. We moeten de trein verlaten. Sinds gisteren zijn er even verderop vandalen aan de gang die obstakels op het spoor hebben gelegd. De politie is nu onderzoek aan het doen en tot die tijd kan er geen trein over het traject rijden.
We verlaten de trein en begeven ons naar het stationsplein. We zijn niet de enigen die zijn gestrand in Gronau.
Het is verrekte druk voor een zondagmiddag in het Duitse industriestadje. Uit de opmerkingen van de vele reizigers maak ik op dat deze situatie al even speelt. ‘Ik sta hier al vier uur!’ roept iemand geërgerd uit. Aan de overkant van het plein zijn bushaltes. De Vrouw en ik lopen ernaar toe en bestuderen de dienstregelingen. We kunnen naar Reine en daar een trein naar Hengelo pakken of een rechtstreekse bus naar Enschede, maar onduidelijk is wanneer en of hij rijdt op zondag.
‘Weet u of ik hier een taxi kan bellen?’ vraagt iemand anders.
Ik kijk hem aan. Het is een man van eind zestig met een baseballcap op zijn hoofd en een rolkoffer aan de hand.
‘Geen idee,’ zeg ik. ‘Er komen hier wel bussen, maar die rijden maar eens in het uur.’
‘Ik probeer een Uber te vinden,’ bemoeit een jongeman zich ermee. ‘Ik heb de aanvraag lopen. Zullen we een taxi delen? Geschatte kosten om van hier naar Enschede te komen zijn zo’n achtentwintig euro.’
‘Puik plan,’ zeg ik. ‘Hier heb je vast veertien euro.’ De jongeman ziet eruit of hij studeert en het geld goed kan gebruiken bij een of andere studentenverenigingsborrel.
‘Ik kom net terug uit Afrika,’ vertelt de oudere heer, terwijl ook hij geld aan de jongeman geeft. ‘Als ik dit allemaal eerder had geweten, dan had ik gisteren iets anders geregeld.’
Goh.
‘Ik moet mijn telefoon opladen,’ zegt de jongeman. ‘De app is nog altijd bezig een connectie te maken met Uber.’ In de kleine kiosk van het station is een zitje met stopcontacten en daar gaat hij naartoe.
De oudere man gaat verder met zijn verhaal. Gisteren is zijn vliegtuig geland in Frankfurt en heeft hij overnacht in Münster. ‘Als ik in Frankfurt een ticket voor de hele reis naar Nederland had gekocht, dan hadden ze me daar vast al verteld dat de trein tussen Münster en Enschede vandaag niet verder rijdt dan Gronau. Dan had ik een ander plan gemaakt,’ gromt hij.
Ik betwijfel dat. Wij hadden aanvankelijk gepland om vandaag twee uur eerder vanaf Münster te reizen en zo staat het ook op onze ticket, maar we besloten vanmorgen om eerder te vertrekken en dus hadden we bij een infobalie gevraagd of dat kan en mag. Het mocht. We zeggen de man niets. Maar wat moest hij in Afrika?
Hij was bij zijn vriendin in Kenia op bezoek geweest, om er drie weken lang te onderzoeken of er een prettige plek in het land was om samen te gaan wonen. ‘Ze woont in Mombasa, maar het klimaat is me te gek, daar. Veel te warm. In de laagvlakte gaat het dan nog wel, maar de steden als Nairobi zijn voor een blanke niet aan te raden.’
‘Hoe dat zo?’ vraag ik naar de bekende weg.
‘Het is niet alleen heet, maar je wordt ook overal afgeperst. Ik ken verhalen van mensen die een taxi nemen naar een andere stad of dorp, kilometers verderop. Dan heb je een bepaald bedrag afgesproken en al betaald en halverwege stoppen ze en dan moet je bijbetalen, anders rijden ze niet verder. Heb ik meegemaakt, maar mijn vriendin is niet op haar mond gevallen en die heeft die chauffeur toen even goed de waarheid verteld en na een boel gedoe kwamen we uiteindelijk wel op de plaats van bestemming.’
‘Wat is er zo leuk aan het land dat je er wilt gaan wonen?’ vroeg ik. Behalve die vriendin dan, dacht ik.
‘Het klimaat, maar dan niet in Mombasa dus. En het leeftempo van de mensen. Je moet er geen haast hebben, he? Heerlijk is dat.’
Er is reuring om ons heen. We zien mensen terug naar het station gaan en het perron op lopen. Verdomd, er lijkt een trein te gaan vertrekken.
De jongeman komt naar buiten. ‘Dat wordt niets met die Uber,’ zegt hij.
Gevieren lopen we naar het perron en in de trein vinden we plek met z’n vieren dicht bij elkaar.
‘Hier,’ zegt de jongeman. ‘Jullie geld terug. Dank voor het vertrouwen.’ Leuke knul.
Dan klinkt een stem door de intercom.
De politie blijkt nog steeds gaande met het onderzoek en de trein kan toch niet vertrekken. Dat zal de gehele dag verder zo blijven. Er komen vervangende bussen.
‘Het lijkt Afrika wel,’ zegt de oudere heer als we weer op het stationsplein staan. ‘Daar moet je ook geen haast hebben.’
‘Afrika?’ vraagt de jongeman. Die heeft een verhaal of wat gemist. De man begint dat verhaal opnieuw. We wachten nog wat.
‘Het komt vast goed,’ zeg ik. ‘Het is nog vroeg.’ Ondertussen staan we twee uur hier in Gronau. De zon schijnt en het is heerlijk weer en de mensen om ons heen worden ongeduldig.
Eindelijk komt er een bus. Hij stopt net niet voor onze neus. Iedereen rent naar de voordeur. Ook de achterdeuren gaan open. We doen een stap naar voren, maar zijn niet de enigen. Een hele meute dromt ernaartoe. Er is geen bijkomen aan. We doen dezelfde stap weer terug.
Plots zie ik tussen de vechtende mensen een baseballcap. Het is de oudere heer met de rolkoffer. Hij wringt zich als een malloot door de mensenmenigte naar voren, schreeuwt dat ze hem voor moeten laten gaan en forceert zich de bus in. De deuren kunnen maar net dicht. Het lijkt Afrika wel.
‘Je moet geen haast hebben,’ zeg ik. ‘Heerlijk is dat.’ Wij wachten wel even op de volgende.
Wat een avonturen toch weer.
–
Apeldoorn, mei 2026