bazbo – de wereld van Bas Langereis, het middelpunt der aarde

Bas Langereis leest u voor!

11-07-2008

Carlo Piemol op de markt

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2007 — bazbo @ 23:37

BazboCarlo Piemol loopt op straat.
Hij gaat naar de markt.
Carlo Piemol heeft zin in verse vis.
Lekkerbek, haring, paling of kibbeling.
Wat zal het worden?
Carlo Piemol weet het nog niet.
Kijk, daar is de markt.
En daar is de viskraam.

Er staan veel mensen bij de kraam.
Carlo Piemol sluit aan in de rij.
Hij moet een tijdje wachten.
Dan is hij aan de beurt.
Maar dan gebeurt het.

Er staat een meneer naast hem.
De meneer zegt ineens tegen de mevrouw van de viskraam:
“Wat kost tilapia?”
Carlo Piemol is een beetje geschrokken.
Deze meneer kruipt voor.
“Pardon, meneer,” zegt Carlo Piemol.
“Maar ik was aan de beurt.”
De meneer draait zich om.
En kijkt Carlo Piemol aan.

“Ies niet waar!” zegt de meneer.
“Ies mijn beurt!”
De meneer draagt een dik pak.
Met dit mooie weer.
Hij heeft zwart haar en een zwarte snor.
Zijn huid is bruin.
De meneer praat niet zoals andere mensen.
Hij komt uit een ander land.

De mevrouw van de viskraam wordt boos.
Ze roept: “Vuile voorkruiper!
Zo doen we dat niet in dit land!
Je moet je aanpassen.
En integreren.
Anders flikker je maar op naar je eigen land!”
Carlo Piemol schrikt van de mevrouw van de viskraam.

De meneer uit het andere land zegt:
“Iek bied verontschuldiging.
Iek dacht ik ben aan beurt.
Ien mijn land jij moet voor jezelf opkomen.”
De mevrouw van de viskraam schreeuwt:
“Je bent hier niet in je eigen land!
Mensen zoals jij moeten weg!
Die kosten alleen maar geld.
Die inburgeringscursus helpt niet!
Dat zie je maar weer.”

“Meneer,” zegt Carlo Piemol. “Ik begrijp het.
U moet vast wennen aan alles dat anders is.”
“Dank u wel,” zegt de meneer.
“Gaat uw gang. Ies uw beurt.”
Carlo Piemol vindt de meneer heel vriendelijk.
“Dank u, meneer.
Wat voor vis zal ik eens nemen?”
De meneer zegt: “Tilapia ies lekker.
Wij eten veel vies.
Ies gezond en lekker.”
Carlo Piemol vraagt: “Hoe maak ik dat klaar?”
De meneer legt het uit.

Carlo Piemol koopt tilapia.
“Dank u wel voor het recept,” zegt hij tegen de meneer.
“Ies goed,” zegt de meneer. “Iek doe graag.”
Carlo Piemol wil naar huis gaan.
De meneer is aan de beurt.
De mevrouw van de viskraam zegt: “En wat moet jij?”
Dat is niet aardig tegen de meneer.
Carlo Piemol zegt: “Doet u wel beleefd?
Dit is een aardige meneer.
Wij moeten elkaar begrijpen.
En niet discrimineren.”
De mevrouw van de viskar is nog steeds boos.
“Waar bemoei jij je mee, lamlul?” roept ze.
De meneer zegt: “Iek koop geen vies bij jou.
Jij bent een spinazietrut.
Met hengsels.
Ga je snor epileren.
Vieswijf.”
De meneer loopt weg.

Carlo Piemol loopt naar huis.
Hij moet heel hard lachen.
Die avond eet hij tilapia.
Dag, Carlo Piemol!

Apeldoorn, mei 2007

Dit is deeltje 2 uit de Carlo Piemol serie.
Andere deeltjes zijn in voorbereiding.

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Top

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2007 — bazbo @ 23:28

BazboLieve Tim,

Het is nu zaterdagavond 2 juni 2007. Is het al acht uur? Tijd voor het journaal. Ik loop naar de televisie en druk hem aan. Ik heb wel een afstandsbediening, maar ben te ouderwets om hem te gebruiken. Dat gezap altijd. Bovendien kijk ik toch alleen maar naar de publieke zenders. Als het beeld verschijnt, zit ik meteen goed. Het journaal is net begonnen.
Allereerst het dagelijkse nieuws. De gebruikelijke portie ellende. Politiek gezwets, en honger, oorlog, doodslag en corruptie in de wereld. Of een lid van het Koningshuis dat weer eens ergens op bezoek is of bezoek krijgt. Kan mij het schelen. Maar dan ineens!

Beelden van Duitsland. De G8-top nadert. Ik zie de Duitse Bundeskanzlerin dingen zeggen. Ik zie ook de Amerikaanse president dingen zeggen. In flitsen zien we de andere zes wereldleiders ook nog even.
Dan schakelen we over naar een trein die vanuit Zwitserland naar Rostock rijdt. Er zitten allerlei mensen in, jong en oud. Ze willen de wereld verbeteren. Als de interviewer vraagt waarom ze gaan, krijgt hij keurig antwoord. Om te demonstreren. Ze zijn tegen globalisering, en de G8-top beslist over de hele wereld. Het broeikaseffect, Afrika, en vele andere wereldlijke politieke onderwerpen. Ze gaan ons allemaal aan. De mensen in de trein zijn vredelievend en gedreven. Ze hebben hun spandoeken bij zich. Tot donderdag 7 juni houden zij hun alternatieve G8-top.
Vervolgens beelden van Rostock in Noord-Oost Duitsland. Demonstranten komen in botsing met de Polizei en de Duitse Mobiele Eenheid. Dit zijn niet de mensen uit de trein uit Zwitserland. Dit zijn totáál anderen. Ze hebben donkere kleren aan. Ik zie jongeren stenen gooien. Sommigen hebben hun gezicht bedekt met een doek, om niet herkend te worden. Ik zie mannen in uniformen met hun stok slaan. Traangasbommen slaan in. Men roept. Men rent. Het is één chaos.
Dan zien we plotseling het hotel waarin de wereldleiders zullen logeren en zullen vergaderen. Het ligt in het plaatsje Heiligendamm, aan de Golf van Mecklenburg, een uitloper van de Oostzee. Het is een grandioos hotel. Spierwit, met hoge ramen, een rode loper voor de deur en veel Rolls Royces die af en aan rijden. We krijgen nog meer te zien van de omgeving. De pier en de kustlijn van Heiligendamm. De zee is blauw. De camera gaat ook naar het nabijgelegen dorp Bad Doberan. We zien dat deze plekken volkomen van de gehele buitenwereld zijn afgesloten. Er staan hoge hekken met prikkeldraad omheen. Vijfhonderd meter of zes kilometer uit het hotelgebouw. Zelfs in zee staat een hek.
Bad Doberan was overigens al eerder in het nieuws. Prins Claus heeft er zijn jeugd doorgebracht. Maar dat niet alleen. Een paar weken geleden nog haalde het dorp alle kranten. Een nogal bekende man uit de Duitse geschiedenis stond er nog steeds op de lijst van ereburgers. Inmiddels is Adolf Hitler geroyeerd als ereburger.
Terug naar Rostock en de gewelddadigheden. Rook belemmert het zicht. Opnieuw mannen in uniform met een helm op. Ze voeren een charge uit. Allerlei mensen rennen in paniek weg. Sommigen draaien zich om en gooien stenen. Een auto brandt. De verslaggever zegt dat er tientallen gewonden zijn gevallen. De straten liggen in puin.

Ik denk: “Tsjonge.”
En ik denk nog een keer: “Tsjonge.”

Over precies acht weken loop ik daar ook. Jazeker, ik ga daarheen. Maar niet om politieke of maatschappelijk geëngageerde redenen. Ik ga erheen voor muziek.
Ieder jaar, in het eerste weekend van augustus, vindt tussen Bad Doberan en Heiligendamm een muziekfestival plaats. Op de paardenrenbaan. Het hele festival staat in het teken van het leven en werk van de Amerikaanse componist, gitarist, bandleider, filmmaker, sociaal commentator en satiricus Frank Zappa. Het is een bijzonder festival. Niet alleen vanwege de muziek. Vier dagen lang is de omgeving van Bad Doberan en Heiligendamm vol met mensen die eensgezind zijn, die komen voor hetzelfde ding. Hier gaat het om muziek én ontmoeting.
Voor mij is het de zevende keer dat ik erheen ga. Ik ga niet in mijn eentje. Dit jaar neem ik mijn vrouw mee, en zelfs ook mijn zoon. Waarom? Omdat het zo verschrikkelijk gaaf is om al die mensen te ontmoeten. Het is geen groot festival. Integendeel, er komt maar een man of tweeduizend. We treffen er vele vrienden, die we er in de afgelopen jaren hebben gemaakt. Billy is zo’n jongeman, een Apfelsaft zuipende vriend uit Limburg. En dan zijn daar al die andere mensen die vanuit heel Europa naar dit festival komen. Duitsers, natuurlijk. Maar vergeet niet de Hollanders, Britten, Belgen, Zweden, Noren, Italianen, Tsjechen, Oostenrijkers, Finnen, Denen en al die anderen. Er zullen zelfs Amerikaanse bezoekers zijn. Langzamerhand wordt de vaste ploeg steeds groter.
Het bier vloeit rijkelijk, de worsten van een halve meter consumeren we gretig, en voortdurend schalt er een lach over het festivalterrein. Het lijkt wel of de muziek bijzaak wordt.
Natuurlijk bekijken we ook de omgeving. We rijden met de stoomtrein ‘Molli’ naar Bad Doberan, voor een uitgebreid ontbijt in de Stadtbäckerei, of om een blik te werpen op het standbeeld van Zappa. En dan met diezelfde stoomtrein naar Heiligendamm. We wandelen tussen de spierwitte hotelgebouwen door. Alles ligt in serene rust. Aan het eind van de boulevard is een brasserie. Op de houten pier is het druk. We kijken het diepblauwe water in. Bij helder weer is het uitzicht op de kustlijn adembenemend.
Het festival en alles eromheen is voor mij en voor mijn vrouw een hoogtepunt in het jaar. Hier word je niet afgerekend op wie je bent. Iedereen is welkom; iedereen mag zijn wie hij of zij is. Hier heerst vriendschap, vrede en begrip. Deze vier dagen zijn helemaal top.

De televisie vertoont nog altijd gruwelijke beelden van stenen gooiende mensen en meppende soldaten. Ik kan het niet aanzien. Snel druk ik de televisie uit. Over twee maanden ben ik daar. Dan is hopelijk de rust weergekeerd.
Nog verward van wat de televisie heeft laten zien, loop ik naar de stereo en naar mijn platenkast. Onder de letter Z zoek ik naar de muziek die over twee maanden wel degelijk zal verbroederen.

Lieve Tim, zie ik je daar? Groet,

Apeldoorn, juni 2007

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Vandaag geen column

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2007 — bazbo @ 23:23

BazboHet gaat even niet goed met uw columnist.
Hij heeft slecht geslapen, moest toch weer veel te vroeg op en strompelt zichzelf nu de dag door. Het gevoel van schuurpapier in de keel, een voortdurend verstopte neus, niesbuien en vlagen van hoofdpijn: het kan niet op, vandaag. Kortom: een gevoel van algehele lamlendigheid.
Uw columnist heeft vandaag totáál geen zin.
Hij gaat deze keer op de automatische piloot, dus u bent gewaarschuwd. En wat u ervan vindt, zal hem helemaal worst wezen.

Op sommige momenten kan de wereld me compleet gestolen worden.
Normaal wil ik me nog wel eens druk maken over van alles en nog wat. Meestal zijn dat dingen heel dichtbij. Ik ben nogal een structopaat, als dat woord bestaat. Mijn leven zit vol met rituelen en sommige daarvan mag je van mij futiel noemen. Ze zorgen voor overzicht en duidelijkheid in mijn bestaan. Ik heb ze hard nodig. Waar ben je zonder zekerheden?
Zo is het bijvoorbeeld verboden om de afwas te stapelen (anders moet je de onderkanten van de borden ook afwassen), verplicht om de wc-rol zo op te hangen dat het eerste velletje naar je toe hangt, vereist dat je de kaas op de juiste manier snijdt (ik vraag niet voor niets een plat stuk, ja?), en maar goed dat ik geen bijl in huis heb als ik weer eens ontdek dat vrouwlief gebruikte lucifers teruggestopt heeft in het doosje!!!
Waarom ga ik hier ineens zo zitten schreeuwen? Niemand die me hoort.

Er zijn meer dingen in het dagelijkse leven waarover ik me zorgen maak.
Mijn opgroeiende zoon, bijvoorbeeld. Hoe moet dat toch met die jongen, als hij straks op een andere school zijn laatste twee jaren vmbo gaat afmaken. Of de harde schijf van de computer; die raakt toch wel erg vol van al die muziek. Het algemene welzijn van mijn vrouw. Een overleden lid van de schoonfamilie en de nabestaanden. Hoe het met mijzelf gaat, als binnenkort op het werk mijn functie ophoudt te bestaan. Het Senseo-koffieapparaat dat niet goed werkt (gék word ik ervan!). Mijn moeders zwakke gezondheid. De eeuwige krapte in de huishoudportemonnee. Die grote schimmelplek op het plafond op de overloop. Mijn toch wel uitdijende buikje.

Maar ook zaken wat verder weg, die houden me doorgaans bezig.
Politiek gezeik in de gemeente, de provincie of Den Haag. De hufterigheid op straat. Hoe we het milieu en de natuur categorisch om zeep helpen. Die arme negerkindjes. Katten die ergens in het land mishandeld worden. De tas die van een dametje afgepakt is. Dat alles zo duur wordt. De kloof tussen arm en rijk die steeds groter wordt. Dat alles zo jachtig moet in dit leven. Die problemen met die Marokkaanse jongeren. De hele Tour de France aan de drugs. De nier als hoofprijs in de Donorshow. Al die auto’s op straat. Het geweld rond het voetbalveld. De conducteur die wéér minder langskomt in de trein. Kleine kinderen die spoorloos verdwijnen. Meisjes, vrouwen en dieren die seksueel misbruikt worden. Een ramp hier. Watersnood daar.
Ellende overal.

Maar vandaag kan me dat allemaal aan mijn kont roesten. De pen ligt stil en het scherm blijft leeg. Voor mijn part loopt een ieder naar de maan.
Ja, zelfs de lezers laten me nu koud. “Ze zullen het toch wel weer een k**column vinden,” mompel ik, terwijl een steek in mijn hoofd me mijn ogen doet dichtknijpen. “En deze keer hebben ze nog gelijk ook.”

Op deze dag heeft de columnist geen mening en geen verhaal te vertellen. Hij geeft zich nog maar eens over aan een hevige niesbui, die de bodem onder zijn voeten doet dreunen. Vocht loopt uit zijn neus en zijn ogen. Alles in zijn lichaam doet pijn.
Hij draait maar weer eens wat van de helende muziek van David Sylvian. Uit een kastje pakt hij het flesje Otrivin neusspray en een hoop tabletten paracetamol en Trachitol. Dan gaat hij terug naar bed.
Het gaat gewoon even niet goed met uw columnist.

Een fijne dag, allemaal.

Apeldoorn, mei 2007

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Zomers vooruitzicht

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2007 — bazbo @ 23:19

BazboOp 13 april trok ik mijn schoenen en sokken uit. Sindsdien loop ik met blote voeten in mijn sandalen. Ik hoop dat het me dit jaar ook weer lukt om het zeker tot oktober vol te houden.
De periode van eind april en begin mei van dit jaar was klimatologisch gezien een uitzonderlijke tijd. Veel zonuren per dag en zomerse temperaturen. Behalve de boeren genoot iedereen er zichtbaar van.
De terrassen zaten vol, het witbier schuimde, de zonnebrandolie kwam weer tevoorschijn, de tuinen stonden in bloei, mensen trokken erop uit en droegen zo min mogelijk kleren op het lichaam.
Gebruinde hoofden, filmsterrenzonnebrillen, teenslippers, hemdjes, bermuda’s, korte rokjes, topjes: alles deed heerlijk zomers aan.

Het allermooiste van een dergelijke zonnige periode vind ik zelf het prachtige uitzicht op breekbare meisjes die zich luchtig kleden. Ik weet het: ik ben getrouwd, en ook nog ’s erg oud, maar het bloed kruipt waar het graag gaat. De radar staat voortdurend aan, zal ik maar zeggen.
En het aanbod is vaak zo overweldigend.

Vorig jaar, en de paar jaren ervoor, werd de zomermode gedomineerd door de heupbroek en het naveltruitje. En ik vind die kledij wel wat hebben. De aanblik van vrouwelijke schoonheidjes in dergelijke uitdossing doet mij verlangen naar dingen waarnaar een gehuwde man eigenlijk niet zou moeten verlangen.
Excuus. Hier moet ik even een korte pauze houden. Het water staat me namelijk hoog in de mond.

(Korte pauze. Tijdens het intermezzo klinkt: “Clavell Morenet” door La Troba Kung-Fú, in mijn ogen dé leukste zomer-cd van dit jaar. Kijk eens, krijgt u zomaar een muziektip van mij cadeau! Overigens, de dames Clara Morena en Mayra Andrade hebben ook mooie zomerplaten gemaakt. Allemensen, wat een tips toch weer. En dat allemaal in een column over de zomer!)

Zo, daar ben ik weer. Waar had ik het ook weer over? Dat geheugen van mij, dat is niet meer wat het geweest is. Oja, het ging over de zomerse aankleding van veel meisjes op straat. Naveltruitjes en heupbroeken. Over het algemeen erg mooi, vind ik.

Maar je hebt ze erbij. Die een naveltruitje en een heupbroek dragen, én in de taille rijkelijk voorzien zijn van reservevlees. Op zich is het helemaal niet erg dat een meisje of vrouw wat steviger is. Het uiterlijk van de modieuze gratenbaal is nu eenmaal niet bereikbaar voor iedereen. Bovendien is het niet echt een representatieve weergave van het volume van de gemiddelde hedendaagse vrouw.
(Over het misleidende beeld van ‘de ideale vormen van de vrouw’, dat reclames en media schetsen, kan ik overigens een nog veel uitgebreidere column schrijven, maar dat is voor een volgende keer. Help me onthouden.)
Vollere dames zien we nu eenmaal meer in het straatbeeld dan die wandelende ribbenkastjes.
(Dat veel mannen stiekem verlangen naar een voluptueuze vrouw, laten we hier maar even buiten beschouwing.)
Nee, het is geen schande dat iemand voorzien is van ‘love-handles’. Absoluut niet. Maar om ze nou in het openbaar tentoon te stellen, gaat me wat ver. Dat overschrijdt mijn gevoel voor esthetica. Over ‘love-handles’ gesproken: ik paradeer toch ook niet met mijn ‘pientere pookje’?
(Voor ‘love-handes’ bestaat ook een Nederlands woord. Maar dat bezigt men niet in een fatsoenlijke column.)

Aanvankelijk dacht ik de oplossing voor deze affreuze aanblik te hebben gevonden in een landelijke oproep.
“Lieve meisjes die wat breder in de taille zijn, doe er alsjeblieft iets aan. Voorkom horizonvervuiling. Bespaar mij de aanblik van de ‘love-handles’. Zeker als er op de onderrug ook nog een uitgezakte tattoo te vinden is.”
Ik ben echter bang dat aan mijn oproep geen gehoor wordt gegeven. Daarom moeten we de ware oorzaak in Europees verband of op globaal niveau aanpakken! Geloof me, het is nog niet te laat!

We moeten echt alles op alles zetten om de gevolgen van het broeikaseffect zoveel mogelijk tegen te gaan. Hoe warmer het op de aarde wordt, hoe hoger de temperaturen in ons land, hoe langer de zomer duurt, hoe langer we moeten kijken naar die afzichtelijke blubberbuiken.

Ik wens u desondanks toch een smakelijke zomer.

Apeldoorn, mei 2007

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Ouwe zak met heimwee

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2007 — bazbo @ 23:11

Bazbo“I was so much older then
I’m younger than that now”

(uit: Bob Dylan’s ‘My Back Pages’)

Allahmachtig, ik ben vandaag 42 jaar oud geworden. Het gaat hard. Ondertussen ben ik er een beetje aan gewend, maar een paar jaar geleden had ik het wel moeilijk. Die veertig, daar zag ik als een Vaalsberg tegenop. Veertig is het teken van het einde der tijden.
Vroeger, toen ik een tiener was, vond ik iemand van twintig al oud; toen ik twintig was leek een dertiger een bejaarde en toen ik dertig werd beschouwde ik iemand van veertig als een fossiel dat al dood is, maar daar nog even aan herinnerd moet worden. Met andere woorden: ik kon mij absoluut niet voorstellen hoe of ik zou zijn als ik ouder zou worden. En áls ik het me niet kon voorstellen, dan zou de enige logische conclusie zijn: ik haal het ouder worden niet eens. Met nog weer andere woorden: ik ga voortijdig de pijp uit. En iedereen die mijn brieven, mijn verhalen en mijn boeken kent, die weet: de dood, daar ben ik doodsbang voor.

Nu ik dan uiteindelijk zo verschrikkelijk oud ben geworden, beschouw ik mijzelf dan ook maar als dood, onlevend, overleden, gestorven, kassiewijle en het hoekje om. Hetgeen mijn angst voor het oud worden en mijn schrik voor het oud zíjn een stuk draaglijker maakt. Ik zie het dan maar als een nieuwe fase in het leven; wat moet je anders?

Zo dood als een pier ben ik. Ik geloof zo langzamerhand steeds meer dat ik echt niet meer van deze wereld ben. Mijn werkelijkheid slaat nergens op; tenminste, hij past niet meer in deze tijd. Ik heb geen auto – sterker nog: ik kan niet eens rijden -, ik heb geen modebiele telefoon, ik gebruik geen creditcard, mij ontbreekt een mp3-speler of iPod, ik loop niet op straat met dopjes in mijn oren, en hoe ik DVD’s moet branden daarvan ben ik al helemaal niet op de hoogte. In hoeverre pas ik nog in het straatbeeld? Ik koop bijna niets meer bij de supermarkt, ik ga niet (meer) naar familiecampings en huisjesparken, hamburgerverkooppunten hebben een slechte aan mij, ik betáál nog in de winkel voor het cd’tje dat ik graag wil hebben, ik loop alweer een paar weken op blote voeten in mijn sandalen, ik eet pastinaken en postelein en raapstelen en schorseneren, en in de bus lees ik nog een boek. Een boek, zou iemand in de wereld nog weten wat dat is?

Toevallig ging mijn stijgende leeftijd én mijn veertigste verjaardag gepaard met een lichte promotie in mijn werk. Soms vallen gebeurtenissen als puzzelstukken in elkander, als iemand begrijpt wat ik niet bedoel.
Dan schakelen we nu even over naar een gesprek dat plaatsvond op mijn veertigste verjaardag.

“Jeetje, Bas,” zeiden mijn moeder en schoonmoeder in koor, “wanneer doe jij nou eens iets aan al dat haar?”
“Daar doe ik helemaal niets aan. Het is juist de bedoeling dat er niets aan gebeurt.”
“Laat jij je haar soms groeien?”
“Hmm, laat me eens denken. Ik doe niets aan mijn haar; wat zou er dan mee gebeuren?”
“Maar waarom? Zo kennen we je helemaal niet!”
“Tijd om me te leren kennen. Het is allemaal oedipaal, ma. Het heeft te maken met een hoop onverwerkte jeugdtrauma’s en daarbij: een nieuwe fase in het leven vraagt om een nieuw image.”
“Nieuwe fase, zegt hij. Hij klinkt al aardig op leeftijd.”
“Toch leuk om te merken hoe we om die onverwerkte jeugdtrauma’s heen weten te praten. Maar waar het om gaat is: wees nou maar blij dat deze nieuwe levensfase alleen maar gepaard gaat met een verandering in werk en in uiterlijk.”
“Hè? Hoe bedoel je dat nou weer?”
“Nou, menige veertiger gaat er vandoor met een ander wijf.”
“O? Heb jij een andere vrouw dan?”
“(zucht) Nee. Gelukkig niet. Ik moet er niet aan denken, al dat gedoe van scheiden en kinderen verdelen, van opnieuw iets opbouwen en gestuntel met condooms.”
“Jeetje, waarom gaan jullie uit elkaar? Toch niet vanwege de seks zeker? Nu is dat misschien nog belangrijk voor je, maar er komt binnenkort een tijd dat dat allemaal niet meer zo nodig hoeft, hoor. Tenminste: ík moet er niet meer aan denken op mijn leeftijd.”
“Fijn.”
“Maar condooms, is dat nog steeds verplicht tegenwoordig?”
“Ma, ik ben al drie jaar gesteriliseerd, dus condooms hebben we niet meer nodig.”
“Gesteriliseerd? Hij vertelt ons nooit iets. Waar was dát nou voor nodig?”
“Om ervoor te zorgen dat ik mijn kwade genen niet verder kan verspreiden.”
“Kwade genen, zegt hij. Ik weet niet van wie hij die heeft, hoor, die kwade genen. Niet van óns, in ieder geval. Zó heb ik hem niet opgevoed!”

Ineens verlang ik naar de brievenbus die gewoon rood is in plaats van oranje. Of de oude vertrouwde blauwe treinstellen van de NS. Heinz ketchup in een fles die nog gewoon rechtop staat in plaats van op de kop. Tandpasta in een tube van metaal. Een bankgebouw dat je binnen loopt, en waarin je aan de juffrouw achter de balie vraagt: “Mag ik vijftig gulden opnemen?” Witte ziekenauto’s in plaats van knalgele. Blauwe briefjes van tien. Een krant die je hele ontbijttafel in beslag neemt als je hem open slaat. Lego zonder poppetjes. De kleuterschool, de lagere school, de middelbare school, de LTS en de Mavo. Een Citroën Snoek die bij het starten eerst moet ‘opstijgen’. Koffie uit een filter in plaats van uit pads. Een telefoon met een draaischijf; een lokaal telefoonnummer dat nog uit vijf cijfers bestaat. Flipje uit Tiel. De auto’s op straat die ik herken van mijn autokwartet; meer auto’s heb je niet. ‘Toppop’ met Ad Visser. Een vinyl elpee op de draaitafel. Mijn schetsboek. De mechanische typemachine. Televisie op twee netten, en alleen ’s avonds. Patat eens in de maand op zaterdag. Waar is mama die mijn boterhammen smeert voor tussen de middag?

Begrijpen jullie een beetje wat ik bedoel?
Zeg niet dat ik in een midlifecrisis verkeer. Want als dat zo is, dan is-ie chronisch.

Apeldoorn, 17 mei 2007

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Het klopt nooit

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2007 — bazbo @ 23:06

BazboDe broer van mijn vrouw is dood.

Hersenbloeding. Met veel bombarie werd hij opgehaald. Hij haalde de plaatselijke krant. Niet dat zijn naam erbij stond. Zo was hij niet. Maar het hele dorp liep uit. Hij was bekend bij een ieder.

Een man die nog in de bloei van zijn leven was.
Lieve vrouw. Prachtige zoon.
Een eigen zaak. Was hard voor zijn werknemers; hád hart voor zijn werknemers.
Altijd eerlijk en oprecht. Recht door zee. Maakte van zijn hart geen moordkuil. Geliefd bij zijn vrienden; gevreesd bij ieder die ruzie met hem had.
Niet altijd even genuanceerd. Schopte soms tegen heilige huisjes. Deed mensen om zich heen verdriet.
Eigenwijs mannetje. Ging altijd zijn eigen gang. Trok zich van niemand wat aan.

Harde jeugd; veel meegemaakt. De gebrande hand is de beste leermeester.
Lag krom voor zijn jonge gezin; niets mocht het ze ontbreken. Het beste van het beste. En het ging steeds beter.
Zijn vrouw bleef nog steeds even lief; zijn zoon werd een jongeman die later de zaak zou overnemen.
Vakantie hier, mooi huis daar. Lekkere auto onder de kont, groot feest als er iets te feesten was.
Je kunt zeggen wat je wilt; hij heeft geleefd. Geleefd zoals hij het wilde. En dat verdient alle respect. Mijn respect in ieder geval.
Kijk, daar zit hij met zijn biertje. Glaasje jenever ernaast.
Laten we het met hem vieren.

Zie hem daar liggen. Een ziekenhuisbed op de Intensive Care. Een complete muur aan apparatuur.
We staan naar hem te kijken. Slangen uit zijn mond en zijn neus. Zijn borst gaat zachtjes op en neer. Hij ademt nog. Dit is niet de Zwager zoals ik hem wil kennen.
Een familielid staat erbij en weet niet wat te zeggen.
“Kijk, dat is zijn hand,” zegt ze.
“Wat dacht je dan?” vraag ik me stilletjes af. “Zijn elektrische grasmaaier?” De grap past niet. Geen enkele grap past. Niets past.
Ineens klinkt er allemaal gepiep uit een van de honderden apparaten uit de muur. Iedereen om het bed schrikt en trekt wit weg. Er komt een zuster. Ze drukt op een knop. Het gepiep stopt.
Pas later, als iedereen afscheid genomen heeft, gaat de stekker eruit.
Essentiële organen heeft hij beschikbaar gesteld als donor. Zó’n man was het.

Mensen met krullen willen steil haar; mensen met steil haar willen krullen.
Mensen die een kind willen, kunnen er soms geen krijgen; er zijn vrouwen die zwanger zijn, maar het kind niet willen krijgen en abortus laten plegen.
Er zijn mensen die hopeloos zoeken naar een partner; sommige stelletjes zijn elkaar zat en gaan scheiden.
Als je jong bent, wil je graag ouder lijken; als je ouder wordt, wil je jonger lijken.

De broer van mijn vrouw is dood.
Het leven is oneerlijk. Het klopt nooit.
Wij klootzakken blijven leven. De mensen die je dierbaar zijn gaan dood.

– voor Gerard

Apeldoorn, 7 mei 2007

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Carlo Piemol viert feest

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2007 — bazbo @ 22:59

BazboCarlo Piemol viert feest.
Buurman Barman ergert zich aan het lawaai.
Hoe een luidruchtig feest kan zorgen voor verdraagzaamheid.
De tolerante samenleving is dichterbij dan we denken!

Carlo Piemol is jarig.
Hij krijgt een heleboel mensen op bezoek.
De vrienden Felix en Vincent.
Tante Huppeldepup en ome Nogwat.
Opa Poepchinees en neef Noga.
En nog veel meer mensen.
De bel gaat.
“Alweer bezoek,” denkt Carlo Piemol.
Hij loopt naar de deur en doet hem open.
Het zijn de twee nichtjes Tok en Tak.
“Wat leuk dat jullie er zijn,” zegt Carlo Piemol. “Kom binnen.”

“We hebben ook nog wat voor je meegebracht,” zegt Tok.
“O, het zal wel weer een paar sokken zijn,” zegt Carlo Piemol.
“Nee hoor,” antwoordt Tak, “het is een uitschuifbare rolladetang!”
“Wat leuk!” reageert Carlo Piemol. “Die had ik nog niet!”
“Dan heb je hem nu,” zegt Tok.
Ze trekken hun jas uit.
“Willen jullie wat drinken?” vraagt Carlo Piemol.
“Ja, doe maar wat fris,” zegt Tak.
“Een dubbele wodka of zo.”
“Hè gadverdamme, jullie lijken Margreet Dolman wel.”

In de kamer van Carlo Piemol is het gezellig.
Het is er mooi versierd en er zijn veel mensen.
De vrienden Felix en Vincent.
Tante Huppeldepup en ome Nogwat.
Opa Poepchinees, neef Noga en de nichtjes Tok en Tak.
En nog veel meer mensen.
Er wordt gezongen en gedanst.
De muziek is erg goed.
Frans Bauer en Jan Smit en zo.
De gasten worden al aardig bezopen.

Buurman Barman leest een boek.
‘De avonturen van Bertus Blotekont’.
“Snotverdomme,” zegt hij hardop.
“Wat een takkelawaai hiernaast.
Zo kan ik me toch niet concentreren op wat ik lees?
Wat een tyfusklereteringpleurisgeluid!
Kan het potverdepotver niet wat zachter?”
De muziek wordt alleen nog maar harder.
Hij kan de buren horen lallen.
Buurman Barman staat op en loopt naar de muur.
Met zijn twee vuisten timmert hij er op los.
Het helpt geen ene sodemieter.
Het hoofd van buurman Barman wordt nu heel rood van woede.
Hij pikt het niet langer meer.

De bel gaat.
“Alweer gasten?” denkt Carlo Piemol.
Hij doet de deur open.
“Dag buurman Barman, wat leuk dat u ook op mijn feestje komt!”
Maar buurman Barman zegt:
“Ik kom helemaal niet voor jouw feestje.
Ik wil een boek lezen.
Ik wil geen kloteherrie aan mijn kop.
Dus doe die pokkemuziek zachter of ik haal de politie erbij!”
“Sorry hoor,” verontschuldigt Carlo Piemol zich.
“Maar het is hier ook zo gezellig!”
“O ja, is dat zo?” vraagt buurman Barman.
“Dat wil ik dan wel eens zien.”

Het is zeven uur in de ochtend.
Het feest is nog in volle gang.
Buurman Barman lalt mee met de laatste hit van Normaal.
Hij heeft de nacht van zijn leven gehad.
“Dit is veel leuker dan een boek lezen,” zegt hij.
“En ik heb nog een lekker wijf versierd ook!
Die Tok heeft een fijne set tieten!
Wat een heerlijk zatte zooi hier!
En dat lawaai… wie kan dat nou ene fuck schelen?”
“Je hebt gelijk!” roepen alle gasten.
En ze vieren het feest nog heel lang door.
De vrienden Felix en Vincent.
Tante Huppeldepup en ome Nogwat.
Opa Poepchinees, neef Noga en de nichtjes Tok en Tak.
Carlo Piemol én buurman Barman.

(Dit is deeltje 1 van de Carlo Piemol serie.
Andere deeltjes zijn in voorbereiding.)

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

De oorlog? Me reet! – Dodenherdenking 2007

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2007 — bazbo @ 22:57

GrandWazoo
Voor de gelegenheid hadden TheGrandWazoo en bazbo ieder een column gemaakt…



“Wie van jullie opa’s of oma’s hebben nog in het verzet gezeten?”, vroeg meester Joep van groep 8.
Twee vingers schoten de lucht in.
“Mijn opa heeft nog eens een Duitser van de brug geduwd,” riep Ron enthousiast, terwijl hij zijn onderarm overdreven ondersteunde.
“En mijn oma kreeg de loop van een geweer tegen haar slaap aan. De mof vroeg haar waar de onderduikers waren, maar ze deed net of ze doof was,” voegde Kevin er aan toe.

De klas luisterde met ingehouden adem naar de avontuurlijke en ietwat fantasierijke verhalen van de kinderen. Kreten als “moffen” en “vieze, smerige Pruisen” vlogen door het klaslokaal. Ondertussen scheen de flauwe lentezon door de stoffige en gelige gordijnen. De lente kon je ruiken door het raam dat half open stond. Ik hoorde vogeltjes fluiten en bouwvakkers luidkeels met de muziek op de radio meezingen, maar hoorde niet de kwetsende opmerkingen van mijn leeftijdsgenoten. Kwetsend, omdat ik een Duitse moeder heb van wie ik veel houd.
Ik was dol op de lente. De hele dag lekker buiten spelen en voetballen op het trapveldje met mijn vriendjes. Meestal speelde we Duitsland – Nederland. En als Duitsland won, dan was het schuld van die dikke moffen met hun “smerig voetbalspel”. Ik was ondertussen allang van het veld weggelopen om in het gras te gaan liggen, luisterend naar vliegtuigen van de militaire basis die naast ons trapveldje lag.
In de lente mocht ik tussen de middag van mijn moeder ook buiten eten en drinken. Verse karnemelk en broodjes kaas. Het smaakte in de buitenlucht zoveel beter. Maar de gedachte dat ik daarna weer naar school moest, gooide flink roet in het eten. Daar zou ik tijdens de eerste lentedagen opnieuw geconfronteerd worden met de vreselijke verhalen uit de Tweede Wereldoorlog.

“Mam, mag ik vanmiddag thuis blijven?”
“Nee, je moet gewoon naar school hoor … of voel jij je een beetje ziek?”
“Beetje wel, ja …”
“Je hebt zonet anders wel smakelijk je broodje opgegeten.”
“Ben ook niet echt misselijk of zo … ”
“Dan kun je ook gewoon naar school.”
Ik barstte in tranen uit. Had me al veel te lang ingehouden al die tijd. Ieder jaar weer kwam het terug, maar in de laatste klas van de basisschool leek alles veel harder aan te komen of in elk geval pijnlijker.
“Ze gaan straks weer praten over die stomme moffen, mam,” zei ik snikkend.
“Wie heeft het er dan over?”
“De kinderen in de klas en heel soms de meester.”
Dat was niet gelogen. Ook meester Joep kon af en toe zeer grof zijn als het om de ‘vijand’ ging.
“Was opa eigenlijk fout in de oorlog mam?”
“Nee, opa niet. Maar de vader van … nou ja, daar hebben het nog wel eens over. Je moet nu echt naar school.”

Die middag was ik in verwarring. Had mam nu echt gezegd dat er een familielid van haar kant wellicht fout was in de oorlog? Vreemd zou dat niet zijn; ze is immers Duitse. Ik begon me nu wel degelijk misselijk te voelen en met zware benen liep ik het schoolgebouw binnen. Het raam was gesloten en er kwam geen frisse lucht meer binnen. Kon nu dus geen vogeltjes of bouwvakkers meer horen. Op het bord stonden nog de jaartallen ’40-45′ met rood geschreven. Als je eenmaal op je plaats zat, mocht je niet meer naar de wc, tenzij je een vinger opstak en echt dringend moest. Ik zat links vooraan; lezen in een boekje viel veel te veel op. Geen enkele keus: ik moest en zou luisteren naar de vreselijke verhalen.

Die middag ging het over de concentratiekampen. Over de getto’s en de nationalisten, maar ook over de NSB’ers. De hele oorlog in een notendop. Ik hoorde niet meer de verwensingen richting Duitsers, maar luisterde naar het verhaal. Niet bepaald passioneel verteld; de leraar had er al een aantal jaren opzitten. Maar toch klonk het voor mij vers in de oren. Duidelijker en helder. Ik kon niet meer wegkijken of vluchten naar geluiden van buiten. Ik stond volledig in het nu.
Toen de middag om was, liep ik naar buiten, met al die informatie in mijn hoofd. Het enige wat ik kon uitbrengen was: “Heeft hier iemand van onze familie aan meegedaan?”

Een aantal weken later mochten twee kinderen op 4 mei een bloemenkrans leggen op het oorlogsmonument. De hele klas diende aanwezig te zijn. Van een afstandje keek ik toe hoe Paul en Kevin vol trots het boeket droegen.
Ik voelde me wat ongemakkelijk. Geen schuldbesef, maar de wetenschap dat de vader van mijn opa vroeg in de oorlog naar Rusland trok om daar zijn vrienden bij te staan. De wetenschap dat hij veel veldbrieven had nagelaten en amper wist van wat er wérkelijk gebeurde in de rest van de wereld, en wat het nationalisme écht inhield. Het was een man die liever naar buiten staarde en luisterde naar vogels en bouwvakkers. De realiteit ontsnapt aan het verlangen om vrij te zijn. Samen met zijn vrienden een ideaal nastreven, zo troebel en vaag.
Het volkslied werd ingezet en ik keek omhoog. De avondzon verdween achter een handjevol wolken.

bazbo

BazboHet ging thuis nergens anders over. Vooral aan tafel, onder het eten. Sowieso (überhaupt, an sich, ins Blaue hinein, es ist kaus bausen) kon ik er bij mijn lieve moeder geen speld tussen krijgen. Áltijd was ze aan het woord. Altijd. Knappe jongen die haar kon onderbreken en iets zinnigs kon zeggen waar ze naar luisterde.

De oorlog ligt als een grijze deken over mijn jeugd. Ikzelf ben van mei 1965. Mijn moeder is geboren op 30 januari 1933, de dag dat in Duitsland Adolf Hitler aan de macht kwam. Ik heb lang gedacht dat er enig verband bestaat tussen beide gebeurtenissen. Ik weet het nog steeds niet zeker. Mijn vader is van februari 1934. Mijn jeugd bestaat voor een groot deel uit het aanhoren van verhalen over de oorlog. Van mijn moeder, dan. Het gezin waaruit ze komt woonde destijds in Amsterdam. De verhalen gingen over het luchtalarm dat afging, dat ze in de schuilkelders moesten. Of dat er vliegtuigen overvlogen. Of dat er een bom viel. Straten verderop.
Papa hield meestal zijn mond. Hij zei niet veel.

In 1977 was ik elf of twaalf jaar. De film ‘Een brug te ver’ werd gemaakt. De film gaat over de brug bij Arnhem, maar werd gefilmd bij Deventer. Ik woon in Apeldoorn. Voor de film moesten grote zwermen bommenwerpers vliegen. Vanuit de klas konden we de vliegtuigen boven ons horen langs komen vliegen. Een reden voor mijn moeder om tijdens het avondeten te praten. En voor mijn vader om te zwijgen.

Dodenherdenking. Het hele jaar hoorde ik verhalen over de oorlog. Op 4 mei moest je je bek dicht houden. Twee minuten lang. En kijken naar de televisie. De Waalsdorpervlakte. Of een ander braakliggend terrein. Weet ik veel. Het zei me niks. En als de trompet begon te spelen, moest ik me altijd inhouden om niet keihard “Ivanhoe!” te roepen.
(Toen Ronald Giphart begin jaren negentig een verhaal publiceerde waarin hij tijdens dodenherdenking inderdaad “Ivanhoe!” riep, overstroomde een gevoel van herkenning mijn bliksem.)

En toen was mijn papa jarig. Dit jaar in februari. Hij werd 73 jaar oud. Er was ’s avonds niet veel bezoek. Ik was er wel. En ineens vertelde hij.
Over hoe hij als jongen van elf jaar oud met zijn kleine zusje vanuit Amsterdam naar Friesland werd gestuurd, om daar de Hongerwinter door te komen. Over hoe hij uiteindelijk bij zijn tante Rie in Appingedam in Groningen terecht kwam. Over hoe hevig er daar werd gevochten in 1945, toen de Duitsers zich terugtrokken. Over lijken in het Damsterdiep. Over de puinhopen in de straten. Over hoe hij werd geëvacueerd naar een boerderij dorpen verderop. Hoe hij na dagen weer terug moest lopen. Hoe dat ook weer dagen duurde. Hoe Appingedam er gehavend bijlag. Hoe de lijken in de straten lagen. Hoe het huis waarin hij woonde beschadigd was. Over de reis terug naar Amsterdam halverwege mei 1945. Over hoe hij de Sluisstraat inliep, terwijl daar nog diverse festiviteiten plaatsvonden. Hoe zijn vader hem vanaf het balkon begroette.
Het was een bijzonder verhaal, dat een heel nieuw licht wierp op mijn vader en mijn Dodenherdenking.

Mijn vrouw las het verhaal. En zij zei: “Mijn ouders hebben in de oorlog ook heel vreselijke dingen meegemaakt. Leeftijdsgenoten zien fusilleren, en zo. Daar praatten ze vroeger nooit over.”

Mijn god, dit is iets waar je juist wél over moet praten. Zo veel mogelijk. En over moet schrijven. Zoveel mogelijk. Hoe onbeholpen de column ook is.

mei 2007

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

De Heer op straat

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2007 — bazbo @ 22:50

BazboSoms sta ik verbaasd van mijzelf. Van de week had ik het nog.
Ik had niet veel tijd, slechts een uurtje, om een nieuwe staafmixer te kopen. Tja, we hadden een nieuwe nodig, want de oude verspreidde ineens een nogal penetrante doorbrandgeur. Maar daarover een andere keer meer.
Ik liep door de Hoofdstraat van Apeldoorn en was onderweg naar de witgoedwinkel. Mijn snelwandeling werd onderbroken door een tweetal tof uitziende jongemannen.

“Mogen wij u iets vragen?” vroeg de kleinste van de twee. Hij droeg een spijkerbroek, een wit T-shirt en een vaal spijkerjack. Zijn haar was kort en zat achterovergekamd. In zijn gezicht prijkten een kromme neus en een snor. De andere jongeman was wat groter en beduidend dikker. Hij droeg een bril met eveneens dikke glazen en zei helemaal niets. Hij bleef wat achter de kleine staan, alsof hij zich achter hem wilde verbergen.
“Vragen mag altijd,” zei ik terwijl ik mijn pas inhield, “maar het ligt aan de vraag of u ook daadwerkelijk antwoord krijgt.”
“Wij spreken de mensen aan,” sprak de kleinste van de twee mij aan, “en dan willen we graag praten over God en Jezus en wat zij in het leven van mensen kunnen betekenen. Kent u God?”
Ik begon een klein beetje aambeien te krijgen en sprak nogal kriegel: “Ligt er aan welke God u bedoelt.”
“Hoe ziet God er volgens jou uit?” deed de kleine ineens amicaal. Ik houd er eigenlijk niet van als ik door wildvreemden word getutoyeerd.
“Nou, dat weet ik niet. Ik heb geen god die er uitziet als een mens. Ik geloof in ieder geval niet in een man met een witte baard die daarboven ergens rondspookt.”
“Hoe ziet Hij er dan wel uit?” vroeg het ukkie ineens, op de manier van een schoolmeester die een proefwerk geeft.
“Hij ziet nergens naar uit, want hij is er niet,” zei ik droogjes.
“Geloof jij in God?” was de volgende vraag.
“Ik geloof het niet,” zei ik, grappig bedoeld. “Sterker nog: ik weet het wel zeker.”
“Dat God niet bestaat?”
“Dat ik er niet in geloof.”
“O. Maar Hij heeft ons toch bewijzen gegeven?”
“Bewijzen? Welke bedoel je dan?”
“In de Bijbel staat zwart op wit dat God er voor de mensen is en dat Hij de mens de keuzemogelijkheid heeft gegeven: of je volgt Mij, of niet.”
“Het is maar of je vertrouwen hebt in alles wat geschreven is,” zei ik.
“Maar het bewijs is er.”
“Voor mij kun je dat bewijs veel meer vinden in de zaken om ons heen: de wonderen der natuur, de wetten van de fysica, de mens en al zijn eigenschappen, …” deed ik ineens zweverig. Eens kijken wat ze hier mee zouden doen.
“Dat zie je verkeerd. God heeft zijn bewijzen gestuurd. Weet jij welke bewijzen?”
Ik wachtte even en zei: “Verras me eens.” Maar dat kon hij niet.
“Zijn Zoon en het Boek waarin alles opgetekend staat,” klonk zijn Alwetende toontje. “Er staat ook dat we ons aan het eind van ons leven zullen moeten verantwoorden voor hetgeen we in ons leven hebben gedaan.”
“Ja? En?”
“Weet jij wat er na jouw leven gebeurt?”
“Ja. De wereld draait gewoon verder zonder mij.”
“En wat gebeurt er met jou?”
“Dat lijkt me voor de voortgang van deze wereld niet zo belangrijk. Ik verdwijn in een urn. Althans, dat wat er van mij over is.”
“En jij denkt niet dat we verantwoording moeten afleggen voor datgene wat we hier op aarde hebben gedaan?”
“Weet ik veel. En al was het zo, dan ben ik daar niet bang voor.”
“Waarom niet?”
“Omdat ik het idee heb dat ik het hier op aarde nog niet zo slecht doe. Ik doe mijn best om iets te betekenen voor een paar mensen om mij heen.” En ik dacht aan een een hele rij mensen die momenteel erg belangrijk waren.
“Maar God heeft ons aan het begin van ons leven de keus gesteld: ‘Je kunt Mij volgen en dan bereik je het Eeuwige Leven, of je volgt Mij niet maar dan zijn de consequenties voor jou.'”
“En wat zijn die consequenties dan?” vroeg ik hem ineens op zijn eigen schoolmeesterstoontje.
“De consequentie is dat je dan je ondergang tegemoet gaat.”
“Ga ik dan naar de hel?”
“Ja. Dat zegt de Bijbel.”
“Weet je wat het met gasten als jullie is?” nam ik nu ineens dit gesprek volledig over. “Jullie god deugt voor geen enkele meter. Eerst zegt hij dat hij je de keuzemogelijkheid geeft. Als je hem volgt, is er niets aan de hand. Maar als je hem niet volgt, dan moet je het zelf maar weten, maar dan ben je verdoemd en ga je naar de hel. Noem je dat een keuze? Die klotengod van jou heeft mooi lullen. Hier is geen sprake van een wérkelijke keuze die je maakt in vrijheid; dit is gewoon een vorm van regelrechte dwang. En als ik in jouw geloof tot iets word gedwongen, dan wens ik daar niets mee te maken te hebben en is dit gesprek nu afgelopen.”
“O?” was de onthutste reactie. Hij stotterde. “O. Eh… mag ik u een folder aanbieden?”
“Ja, dat mag,” antwoordde ik kortaf.
“Hier. Alstublieft,” zei hij, terwijl hij een dubbelgevouwen A4’tje vanuit zijn binnenzak tevoorschijn haalde.
“Nee, dank je wel,” was mijn antwoord. “Ik zei dat je mij een folder mocht aanbieden. Ik zei niet dat ik die folder ook zou accepteren.”

De twee waren verbouwereerd. Ik draaide me van ze weg en wilde verder lopen. Maar dat lukte niet. Ik botste tegen een andere jongeman aan. In zijn hand had hij een mapje met kaarten. Op de kaarten stonden foto’s van schattige witte zeehondenjongen.
Kijk, dit zijn nu van die momenten dat ik zinloos geweld volledig begrijp. Dat ik een wildvreemde voorbijganger graag eens verschrikkelijk hard op zijn bek wil timmeren. In dit geval was de voorbijganger dichtbij genoeg om hem eens flink te raken. Maar ik had haast. Ik moest nog even een nieuwe staafmixer kopen, want mijn oude verspreidde een penetrante doorbrandgeur.
En dus negeerde ik mijn oergevoel en spoedde ik mij de Hoofdstraat verder door in de richting van de witgoedwinkel.

Apeldoorn, april 2007

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Melkmuil

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2007 — bazbo @ 22:44

Bazbo“Is er nog melk?” vroeg de jonge knul aan de balie.
“Wacht,” zei ik, “ik zal even kijken.” Ik liep naar de grote koelkast en bestudeerde de inhoud. Met een vol pak melk liep ik terug naar de balie.
“Kijk ‘s,” deed ik joviaal. “Alsjeblieft.”
“Wat geef je me nou? Houdbare melk?” De jonge knul riep de hele kantine bij elkaar. “Gadverdamme. Is er geen verse melk?”
“Nee, het spijt me. Dit is alles wat er is. Maar het is ook melk, hoor.”
“Dat smerige bocht drink ik niet. Dat doe je maar mooi zelf. Wat is dit voor een kantine?”

Wij volwassen mensen in Nederland drinken melk. Dat is eigenlijk heel gek.
Pasgeboren zoogdieren, zoals bijvoorbeeld chimpansees, drinken melk bij hun moeder. Totdat ze oud genoeg zijn. Dan gaan ze over op ‘volwassen voedsel’. Melk is bedoeld voor de baby, om te kunnen groeien in de eerste fase van het leven. De moedermelk bevat alles wat het prille chimpanseelichaampje nodig heeft. Het hele apenlijfje is daar de eerste levensdagen op ingesteld. En na enige tijd verandert het en gaan jonge chimpanseekinderen over op ‘volwassen voedsel’. Stukjes fruit en zo. (Weet ik veel. Ik ben geen bioloog.)
Bij mensen is dat natuurlijk niet anders. Baby’tjes lurken aan de tieten van hun moeder. Totdat ze groot genoeg zijn om andersoortig voer te gaan nuttigen. Fruithapjes, lange vingers, rijstwafels, en zo verder tot macaroni in tomatensaus, raapstelenstamppot, een patatje oorlog en onbeperkt spare-ribs bij het steakhouse.
Maar nu komt het rare. Ondanks dat we ‘volwassen voedsel’ gaan eten, blijven we ook melk drinken. Melk die – oorspronkelijk gezien – bedoeld is voor de kleine kalfjes. Wij, volgroeide mensen, knijpen melk uit een koe en drinken dat op. Sterker nog, we fokken koeien zodanig, dat ze liters zuivel per dag produceren.

(Terzijde:
Zucht, er zal ook zeker wel weer een seksueel aspect aan vastzitten.
Koeien met grote uiers produceren veel melk. De meeste mannen vallen op vrouwen met grote uiers. Veel vrouwen laten hun uiers vergroten door er operatief plastic in aan te laten brengen. Of, zoals tegenwoordig kan, er vetweefsel uit de buikwand in te laten proppen.
Einde van dit terzijde. Ik dank u voor uw aandacht.)

In de afgelopen jaren ben ik een paar keer op vakantie geweest in landen om ons heen. Als ik in het buitenland ben, dan wil ik niet in zo’n luxe vijfsterren hotel zitten. Nee, in een huisje te midden van de plaatselijke bevolking. Cultuur snuiven; proeven van de gewoontes van de streek. Muziek uit het land horen en lokale gerechten proberen. En natuurlijk bekijken wat er zoal te koop is. Het bezoek aan de supermarkt is dan ook een hoogtepunt van avontuur.
Wat me keer op keer opvalt, is dat er in Duitsland en in Engeland nauwelijks tot geen verse melk te koop is. Navraag bij de dorpsbevolking leert me dat men gewoon geen melk drinkt. Bij het ontbijt neemt men vruchtensap, thee of koffie; bij de lunch en avondeten bier of wijn. Houdbare melk is er wel, maar dat gebruikt men sporadisch in bepaalde gerechten. De schappen vol verse melk zoals wij die kennen, zijn er gewoonweg niet.

Wij mensen zijn een rare diersoort. Alle andere volwassen dieren drinken toch ook geen melk? Maar ja, beesten rijden ook niet op een fiets of in een auto. Dus waarom zouden wij dat dan wel doen? Volwassen dieren gaan trouwens ook niet naar de winkel voor boodschappen.
Neem nou weer diezelfde chimpansees. Die zijn de hele dag op zoek naar voedsel en naar een manier om zich voort te planten. Wij doen dat eigenlijk ook, maar op een iets andere manier.
Wij mensen gaan de hele dag op een suf kantoor zitten om geld te verdienen, en met dat geld kunnen we dan weer voedsel kopen. Mannetjes gluren ondertussen op dat kantoor naar die lekkere secretaresse of dat hittepetitterige koffiemeisje. En de wijfjes lopen het grootste deel van de tijd met hun kont te draaien of met hun tieten te wiebelen.
Bij nader inzien verschilt ons menselijke gedrag dus niet eens zoveel van dat van de chimpansees.
Deze conclusie bracht mij op een idee.

“Hier,” zei ik lekker hard tegen de jonge knul. De hele kantine keek nu naar mij. “Ik heb geen verse melk, maar wel dít voor je.”
De jonge knul begreep het niet helemaal. Tenminste, hij keek me met grote ogen aan toen ik hem de banaan in zijn handen drukte.

Apeldoorn, april 2007

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 
« Vorige paginaVolgende pagina »