Avonturen – Lotgenoten (0079)
Lotgenoten,
Er is wat gaande. Ik bevind mij in goed gezelschap. De boeken-, cd- en platenkast zit nu toch echt vol. Op de hoek van de straat is de bovenetage van een leegstaand pand afgebrand. De korst op mijn knie laat los, de wond is weer open en daardoor zitten er bloedvlekjes in het dekbedovertrek. Doordat bewoners in ons appartementencomplex allerlei schoonmaakdoekjes en maandverband in het toilet hebben gegooid is het riool verstopt geraakt en daarom ligt het trottoir in de straat open. We moeten alweer nadenken over het programma van de volgende voorstelling van Helemaal stuk. De buren zijn weer terug van hun halfjaarlijkse verblijf van een maand in een luxe hotel aan de Spaanse kust. Twee mannen stonden midden op straat tegenover elkaar, soms spraken ze bozig in een onbekende taal en gebaarden ze wild, dan weer omhelsden ze elkaar alsof ze iets goed te maken hadden; ik kwam langs gelopen en zag naast ze op het wegdek een knuppel en een mes liggen. Het bankstel is versleten. Gisterenavond heb ik weer eens die geweldige salade van bloemkool, paprika, tomaat, mango, rozijnen en linzen met knoflooktahindressing uit de oven gemaakt en er is zo veel van overgebleven, dat we er vandaag nog eens van eten. De markt is tijdelijk verplaatst. Allemensen, ik ben alweer eenenzestig. Het frisse lentegroen maakt plaats voor dat zompige zomerdoffe. De laatste albums van Gong, Soft Machine, Pat Metheny en Richard Barbieri vind ik geweldig. Het stel waterhoentjes heeft vijf kuikens in het nest. Voor onze vakantiereis is bijna alles klaar: treinpas en busritten geregeld, accommodaties geboekt en de reispapieren in orde, nu alleen nog koffers pakken. Buslijn 231 – vroeger een interliner – gaat verdwijnen. Mijn oude vader is na een verblijf in het ziekenhuis en een herstelcentrum opgenomen op een gesloten afdeling in een verpleeghuis; er is sprake van beginnende dementie en het wachten is nu op een definitieve plek in een woonlocatie. De overbuurman maakt op het balkon ruzie met zijn half inwonende zoon. Op naar de volgende voorstelling. Na twee dagen zoeken vond ik mijn twee kazoos terug: van eentje was het vloeipapiertje gescheurd, dus die deed het niet meer en ik heb geen flauw idee waar ik vloeipapier vandaan haal. Iemand viert een jubileum. Het huis staat vol met orchideeën. Er rijdt een oudere man op een fatbike over het trottoir. Dat ik dat lange gedicht in tien dagen tijd van binnen en van buiten uit mijn hoofd heb kunnen leren, daarmee heb ik mijzelf opnieuw verbaasd. Open Monumentendag valt op 12 en 13 september. Ik kijk nauwelijks meer op Twitter, maar ik zeg mijn account nog niet op, want er zijn daar nog een paar mensen die ik wil volgen en die niet op Bluesky of Insta zitten. Het kunstwerk in het Amaliapark is beklad. De tochtstrip aan de binnenzijde van onze voordeur zit los, die moet hoognodig vervangen. Aan de achterzijde van het station zitten of liggen tegenwoordig vaak dak- of thuislozen. Een amalgaamvulling in een kies aan de linkerzijde van mijn onderkaak moest vervangen. De pretzelcrackers met kaas zijn uit het assortiment. Die straatveegkarretjes maken een boel lawaai en de bestuurdersstoel is aan de rechterkant. Op het fietspad langs het kanaal stonden drie stellen ganzenouders met in totaal negen kuikens naar me te blazen. Er stond een hoogwerker van de brandweer voor de deur, omringd door vijf politiewagens. Het vervoerbedrijf gaat buslijn 231 opheffen. Veel winkelleegstand, maar daartegenover staat dat de horecatentjes als paddenstoelen uit de grond schieten. Het strooizout is op. De bus reed ’s morgens vroeg door een wijk met oude herenhuizen en ik zag een jongeman op de stoep staan die blootsvoets bezig was zijn tanden te poetsen. Het stel bijzondere vrienden gaat uit elkaar. De wereld staat in brand.
Wat een avonturen toch weer.
–
Apeldoorn, april 2026