bazbo – de wereld van Bas Langereis, het middelpunt der aarde

Bas Langereis leest u voor!

11-07-2008

Dierenporno

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2007 — bazbo @ 22:40

BazboHet was rustig in huize bazbo. Vrouwlief was boodschappen doen en ik las de krant. Verderop in de woonkamer lag de kater Mo te slapen op zijn vaste plekje.
Rust en structuur in het huishouden, dat is waar ik van houd. Het was vrijdag 6 april 2007 en ik sloeg een nieuwe bladzijde van het Algemeen Dagblad open.
“Wat krijgen we nou?” riep ik hardop uit. Mijn aandacht was gegrepen door een artikel met de kop: ‘Eigenaar houdt man aan die pony 45 keer verkracht heeft’.
“Allahmachtig,” ontschoot me. “Waar gaat dat heen met deze wereld?”
Snel las ik verder. Wat zei het artikel nog meer?

De politie had in de nacht van maandag op dinsdag een 27-jarige man opgepakt die ervan werd verdacht dat hij in negen maanden tijd een pony in het Friese Marssum vijfenveertig keer heeft verkracht.
“Negen maanden?” dacht ik hardop. “In die tijd kun je volgens mij een kind krijgen!”
De eigenaar van de pony kon aan verschillende sporen zien wanneer de ponyverkrachter langs was geweest. “Na een aantal keren te hebben gepost, wist hij de man deze week te overmeesteren,” zei de tekst.
“Huh? Waarom deed de eigenaar niet eerder iets?” vroeg ik me af. Ik kreeg onmiddellijk antwoord.
“Seks met dieren is in Nederland niet verboden.” De politie probeerde daarom bewijs te verzamelen dat de man heeft ingebroken in de schuur waar de pony stond.
De pony is eigendom van een familie uit Gytsjerk. Hun twaalfjarige dochter verzorgde het dier. De familie wilde niets zeggen over het misbruik.
“Wááát? Seks met dieren niet verboden in dit land? Het moet hier toch niet gekker worden!” Briesend sloeg ik de bladzijde van de krant om.

“Wat krijgen we nu weer?” vroeg ik, toen ik de kop op de volgende pagina zag.
‘Nederland verspreidt meeste dierenporno.’ Het was een groot artikel, dat bijna twee bladzijden besloeg. Nederland blijkt wereldwijd de grootste distributeur van dierenporno te zijn. Ook worden in ons land films opgenomen waarin mannen en vrouwen seks hebben met dieren. Dat bleek zelfs uit een onderzoek van het AD!
Van de vijftienhonderd geïnventariseerde films is meer dan tachtig procent van Nederlandse distributeurs. Ook zijn de domeinnamen van honderden websites met dierenporno hier geregistreerd. Een oud-medewerker van een van de grootste distributeurs zegt: “We hebben de wereldmarkt in handen.”
Een Nieuwegeins bedrijf maakt twintig films per maand en linkt naar honderden sites.
“De opnames in Nederland beperken zich tot films met speciaal getrainde honden, die de actrices zelf meenemen naar de set,” vertelde het artikel. Ook in Oost-Europa worden veel films gemaakt. Films met paarden komen vaak uit Brazilië.
“De dieren zijn je werkmateriaal,” zegt een ex-producent, “dus daar spring je voorzichtig mee om. Geloof me, die beesten worden vertroeteld.”
Geschokt sloeg ik de krant dicht.

“Nou,” dacht ik, “als seks met dieren zo actueel is, dan zal het wel geil zijn. En het is niet eens verboden! Misschien moet ik het maar eens proberen.”
Op dat moment kwam onze kater Mo net langs mijn benen lopen. Ik lokte hem door met mijn vingers te knippen. Hij kwam onmiddellijk naar mij toe en sprong naast mij op de bank. Langzaam krabbelde ik op zijn onderrug. Zijn staart ging als vanzelf omhoog. Mo bood mij het zicht op zijn grijsroze aars.
Mijn bloed kroop waar het graag gaat. Snel ritste ik mijn gulp open en stroopte ik mijn broek omlaag. Een enorme erectie kwam tevoorschijn toen ik mijn onderbroek ook uittrok. Ik ging op mijn knieën op de bank zitten.
Liefdevol pakte ik Mo de kater bij zijn flanken beet. Zijn staart stak nog steeds omhoog. Zijn anus lonkte uitnodigend.
“Kom maar, poesje,” fluisterde ik.
Speels drukte ik de top van mijn harde plasser tegen het zachte aarsje van het beestje. Mo spinde.

Ineens ging de deur van de woonkamer open en kwam mijn vrouw binnen.
“Ben je nou al terug van boodschappen doen?” riep ik.
“Ja, ik hoefde niet zoveel te halen. Maar ik geloof dat ik op het juiste moment binnen kom.”
“Ach mens, zit niet zo te zeiken! Zo weet ik ook nog wel wat! Je hebt de afwas verkeerd gestapeld, zodat ik de onderkant van de borden ook moest schoonmaken! Mijn verse homp kaas heb je vernaggeld door hem fout aan te snijden; zo hol je hem uit! De nieuwe rol closetpapier hangt verkeerdom aan de houder; je weet dat het eerste velletje naar mij toe moet hangen, wil ik hem zó kunnen pakken! En het allerergste: daarnet wilde ik het gas aansteken en ontdekte ik dat je gebruikte lucifers hebt teruggestopt in het doosje!”
“Jezus Bas,” zei ze. “Jij hebt toch niet nóg meer seks met dieren nodig?”
“Huh? Hoezo?” was ik verbaasd.
“Jij loopt toch al de hele dag te mierenneuken!”

Apeldoorn, april 2007

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Een fijn DVD’tje

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2007 — bazbo @ 22:38

BazboVrouwlief was jarig. Ik had een mooi cadeau voor haar. Een muziek-dvd. Ze was er erg blij mee.
Overdag was ze het stralende middelpunt van alle bezoek en ze genoot van alle aandacht.
’s Avonds laat, toen iedereen weer naar huis vertrokken was, schonk ik mijn vrouw een glaasje witte wijn in. Ik deed de muziek-dvd in de speler en wachtte op wat komen ging.
Mooie dames in beeld, die schone Finse liederen zongen. Een zeskoppige band speelde pittige volksmuziek. We vonden het heel mooi. Beetje stomme opzet van de dvd, want ik moest ieder nummer afzonderlijk in een menu selecteren.
Bij liedje zes ging het fout. Ineens stopte de dvd. Ik drukte op de menuknop van de afstandsbediening, maar er gebeurde niets. Welke toets ik ook probeerde, de hele boel zat vast. Ik haalde de dvd uit het apparaat en deed hem er opnieuw in. Geen resultaat; liedje zes en liedje zeven en alle andere deden het niet.

“Verhip!” riep ik. Ik deed de speler uit en weer aan. Wat ik ook deed, ik kreeg de zooi niet meer aan de gang. Driftig gooide ik de afstandsbediening van me af.
“Maar goed dat ik het bonnetje heb bewaard!” riep ik.
“Misschien lukt het straks wel weer?” probeerde mijn vrouw.
“Tuurlijk niet!” azijnde ik. “Waar slaat dat nou weer op? Dat spul moet het gewoon doen!”
“Nou zeg,” werd vrouwlief boos. “Je hoeft niet zo pissig tegen mij te doen, hoor!”
“Het is trouwens toch bedtijd!” Ik was ondertussen naar de keuken gelopen en begon de glazen in de vaatwasser te zetten.
“Ga je hem nog voor me ruilen?”
“Ja! Maar nu niet!”
Daar kwam ruzie van.
“Waarom doe je nou zo?”
“Ach, die elektronische rotzooi! Ik word er zo moe van. Welterusten!”

Niet veel later lag ik in bed te woelen en te piekeren.
Ik heb op zich niets tegen moderne apparatuur, maar het moet wel werken. Klauwen met geld kost het allemaal, en het minste dat ik dan verwacht, is dat het naar behoren functioneert.
Een vaatwasser die niet goed schoon poetst, de wasdroger die hapert, de stofzuiger die half zuigt, de buitenlamp die knippert, de elektrische tandenborstel die om de haverklap leeg is, de staafmixer die een penetrante doorbrandlucht verspreidt. De hel.
En dan die computer. Dagenlang bezig met het installeren van allerlei beveiligingssoftware en de spam met megavirussen komt met zeecontainers tegelijk binnen. Je kunt dit en dat allemaal doen met je pc, en als ik het probeer krijg ik de ene foutmelding na de andere. Mijn provider belooft een hoge snelheid, maar dat ding is zo traag als twee schildpadden tegelijk. Of de site die ik zoek ligt eruit. “Probeert u het later nog eens.” Waarom denk je dat ik nú achter dat ding zit?

We laten ons al deze nieuwigheden maar opdringen door anderen. In hoeverre hebben we die gadgets wérkelijk nodig? Het is ons allemaal aangepraat, via reclame in bladen, op radio en tv. “Dit kun je echt niet aan je voorbij laten gaan!”
Of nog erger: door de mensen om je heen. Je hoort er pas bij als je de laatste modellen hebt. “Wat? Heb jij geen mobiel? En hoe doe je dat dan?” Alsof ik van een andere planeet kom. Gesprekken op je verjaardag gaan nergens anders meer over dan over het laatste knopjesgeilheidsbevredigende speeltje dat iemand heeft aangeschaft.
We hebben het toegestaan dat die prullen in ons leven onmisbaar zijn geworden. Althans, we dénken dat ze niet meer uit onze samenleving zijn weg te denken.

Deze hedendaagse wereld, daar wil ik niet langer deel van uitmaken. Kijk eens wat een frustratie en boosheid het bij mij teweegbrengt. Ik wil er niet meer aan mee doen.
De pot op met modebiele telefonie en sms, e-mail en internet, dvd’s en Super-Audio-cd’s, telebankieren en kredietkaarten, Playstations en Wii’s en Gamecubes, palmpjes en laptops, mp3-spelers en iPods, en welke nieuwerwetse rommel dan ook. Het is allemaal nep. Het is allemaal fake. Het maakt meer kapot dan me lief is.

Laten we samen in de tuin raggen en onkruid wieden; kruiden en groenten en fruit verbouwen. Fietstochten met het gezin maken door de buurt. Nieuwe horizonten verkennen. Gezelschapsspellen spelen. Koken voor een groep dierbaren. Een gesprek voeren bij een glas wijn of bier. Andere mensen ontmoeten. Ervaringen uitwisselen. Verhalen vertellen. Elkaar vieren!
Of samen naar een mooi muziekje luisteren en kijken.

Morgen die dvd toch eens in de computer stoppen. ’s Kijken of-ie daar wél werkt.

Apeldoorn, maart 2007

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Muziekcolumn – Peter Gabriel / Sledgehammer

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2007 — bazbo @ 22:32

BazboBij het toetje aten we fruit.
“Ik heb jou mee uitgevraagd, dus betaal ik,” zei Zij. Ik boog over het tafeltje heen en kuste haar op haar wang. Ik rook de geur die om haar heen hing.
“Dank je wel,” zei ik. “Dat is gul van je. En je ruikt lekker. Zo zoet als fruit maar kan zijn.”
“Ik ben je honingbijtje,” lachte Zij. Ze droeg een vale spijkerbroek met een ruimvallende blouse. Haar blonde haren waren kort geknipt.
“Ik vind het heerlijk om je zo blij te zien,” zei ik, toen we van het restaurant naar het buurthuis liepen.
“Dat komt door jou,” zei ze. “Jij vrolijkt me op.”
“Zal ik nog eens iets poëtisch zeggen?” vroeg ik. Zij hield van mijn verhalen en gedichten. “Jij zou een vliegtuig kunnen laten vliegen, als je jouw hemel maar open doet.”
“Wat zeg je dat toch weer mooi.” Ze gaf me een arm. Het liep niet gemakkelijk, want ik had mijn fiets aan de hand.
“Jij maakt zoveel in me los, Zij.”
“Ja hè? Ik bouw kracht in jou.”
“Zelf kun je de dingen ook mooi verwoorden, Zij,” glimlachte ik.
Ik was 22 jaar oud en Zij twee jaar jonger.

We stonden te dansen in de discoruimte van het buurthuis waar we allebei vrijwilliger waren. De diskjockey draaide de meest recente hits.
“Wow!” riep ik naar Zij. “Wat voor plaat is dit?”
“Het is de laatste single van Peter Gabriel,” gebaarde Zij. “‘Sledgehammer’!”
Ik bracht mijn mond bij haar oor en zei: “Ik ken Gabriel alleen maar van zijn werk met het oude Genesis. En zelfs dat ken ik niet eens goed.”
“Dit vind ik een mooie plaat.”
“Hij swingt de bocht uit! Hij voedt mijn gevoel voor ritme.”
We denderden als een stoomtrein over de dansvloer. Alleen de rails ontbraken. Soms ging het zo wild dat het leek of we botsauto’s waren.
“Morgen ga ik eens naar de platenwinkel!” riep ik.
“Wedden dat je Peter Gabriel gaat halen?”
“Ja!” gilde ik. “Dit is het nieuwe spul! Dit wordt de nieuwe muziekverslaving! Dat deze vorm van vermaak nooit ophoudt!”

Ik bracht haar naar huis. Ze wilde niet bij me achterop. Dus liepen we samen, arm in arm. De fiets hobbelde aan mijn rechterhand.
“We zijn er,” zei ze. “Hier woon ik.” Zij draaide zich naar me toe en ik naar haar. Mijn fiets stond tussen ons in.
“Zij,” zei ik voorzichtig, “ik vond het een heel leuke avond.”
“Ik ook.”
“Ik ga nu een soort getuigenis afleggen.”
“Oh? Dat klinkt heel ernstig.”
“Als je me belt, dan ben ik er voor je.”
“Dat is lief van je, Bas.”
“Ik ben alles wat je nodig hebt,” grapte ik. “Laat daarover geen twijfel bestaan.”
Toen kwam ze naar me toe. Ik moest me over mijn eigen fiets heen buigen. Haar lippen waren op mijn mond en haar rechterhand streek over mijn wang.
“Het is niet mijn gewoonte om zomaar iedere jongen af te lebberen, hoor,” zei ze en zoende weer verder.
“De pot op met die gewoontes,” fluisterde ik.
Ze moest lachen, maar bleef haar lippen op die van mij drukken.
Ik wilde haar vastpakken, maar ontdekte dat het niet ging. Die fiets stond nog steeds tussen ons in en ik moest hem vast blijven houden. Ik probeerde het ding aan de kant te rijden, maar dat lukte niet. Mijn aandacht voor haar tong verslapte. Al snel hield ze op met zoenen.
“Nou, dag Bas,” zei Zij. Ze klonk ineens nogal koeltjes. Ik wist niet wat ik moest zeggen. Ze draaide zich om en liep in de richting van haar huis. Ik keek haar na. Ze opende de voordeur, ging naar binnen en deed de deur zonder nog om te kijken dicht.

Ik fietste naar huis. Onderweg brulde ik ‘Sledgehammer’ van Peter Gabriel het donker in. Met Zij zou het ook nooit wat worden.
Thuis aangekomen ging ik de schuur in. Ik vond de grote moker van mijn vader en ramde de fiets aan diggelen.

Apeldoorn, maart 2007

================================================

Sledgehammer (Peter Gabriel)- 1986

You could have a steam train
If you just lay down your tracks
You could have an aeroplane flying
If you bring your blue sky back

You could have a big dipper
Going up and down all around the bends
You could have a bumper car bumping
This amusement never ends

All you do is call me
I’ll be anything you need

Show me round your fruit cage
‘Cause I will be your honey bee
Open up your fruit cage
Where the fruit is as sweet as can be

I’m gonna be your sledgehammer
Why don’t you call my name?
I’ll be your sledgehammer
This will be my testimony
I’ll be your sledgehammer
Put your mind at rest
‘ll be your sledgehammer
Let there be no doubt about it

I kicked the habit
Shed my skin
This is the new stuff
I go dancing in

Won’t you show for me?
And I will show for you

Yeah you
Only you
You’ve been coming through
I’ve been feeding the rhythm
Come on help me do
Gonna build that power
Build in you

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Muziekcolumn – Meat Loaf / Paradise By The Dashboard Light

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2007 — bazbo @ 22:31

BazboIk moest iedere vrijdagmiddag de krantjes van de kerk in onze wijk rondbrengen. Gelukkig liep mijn route ook langs haar huis. Soms vroeg ze me binnen. Dan zaten we op haar kamer en praatten over onze leraren op school of over hits die we op de radio hoorden.
We zaten allebei in twee Havo. Niet bij elkaar in de klas, helaas, maar we zagen elkaar wel op de gang in school. En in de kerk. Nu zat ik in haar tienerkamer.

“Hee, neem je volgende keer wat van jouw muziek mee?” vroeg Janneke. “Dan kunnen we die samen luisteren.”
“Wat wil je dat ik meeneem? Ik heb een zooi elpees en wat singletjes.”
“Doe maar singles. Die zijn lekker gauw afgelopen en dan kunnen we afwisselen.”
Ik begreep daar niets van. Ik vond een hele elpee juist veel mooier, omdat die veel beter liet horen wat een artiest of band wérkelijk kon. Ik nam afscheid en keek alweer uit naar de volgende vrijdag.

Een week lang zat ik te piekeren in mijn slaapkamer. Welk plaatje zou ik meenemen? Ik luisterde naar Supertramp. Zou ik daarmee indruk maken op Janneke? Het was echter geen singletje, maar een hele elpee: ‘Breakfast In America’. Ik vond hem erg mooi. Maar Janneke wilde geen elpee horen. Een langspeelplaat meeslepen op het krantenrondje was toch ook niet handig. Ik liep naar mijn kast en bladerde mijn kleine verzameling singles door.

“Kijk,” zei ik de week erop tegen Janneke. “Dit was mijn eerste singletje.” Ik zat op haar bed en zij op een lage luie stoel naast haar discomeubeltje.
“Nou, laten we er maar eens naar luisteren.” Ze nam het 45-toerenplaatje van mij aan. Even raakte mijn hand de hare. Ze legde het plaatje op haar draaitafel. Kort daarop klonk ‘Paradise By The Dashboard Light’ van Meat Loaf.
“O, deze ken ik wel,” zei Janneke. “Deze stond een jaar geleden toch in de hitparade?”
“Ja, dat klopt. Toen ik het filmpje bij Toppop zag, vond ik het echt geweldig.”
“Het is een heel goed nummer.”
“Ik heb het wel drie keer gedraaid op mijn verjaardag. We hebben er heel erg op staan swingen.”
“Was het nog leuk op je feestje?”
“Ja, het was heel gezellig,” vertelde ik. “Jammer dat je er niet bij kon zijn.”
“Ja, jammer.”
We zwegen.
“Hee, hier zit dat stukje met die honkbalwedstrijd,” zei ze. Ze giechelde.
“Wat is daar zo grappig aan?”
“Weet jij dan niet waar die honkbalwedstrijd voor staat?”
“Nee?”
“Tsjonge Bas, jij bent echt bleu en onwetend.”
Ik trok wit weg. Wat had ik gemist?
“Zal ik het je uitleggen?”
“Nou, als je wilt.”
“Maar je mag tegen niemand zeggen dat je het van mij hebt.”
“Is goed.”
Janneke boog voorover en begon naar me te fluisteren. “In Amerika gebruiken ze woorden uit een honkbalwedstrijd om te zeggen hoe ver een jongen en een meisje gaan als ze samen zijn.”
“Huh?”
“Ben jij dan nog niet voorgelicht?”
“Tuurlijk wel,” zei ik beslist. Ik begon zo langzamerhand te snappen waar dit over ging.
“Je kent honkbal?”
“Dat is toch net zoiets als softbal? Dat we met gym op het buitenveld spelen? Eén slaat de bal en probeert een rondje te rennen rond de vier honken.”
“Precies. Maar hier betekent het iets heel anders.”
Waarschijnlijk kon ze aan mijn gezicht zien dat ik niet goed begreep wat ze bedoelde.
“Nou, als je het eerste honk bereikt,” ging ze verder op haar geheimzinnige toon, “betekent dat dat je elkaars hand vasthoudt. Het tweede honk is als je met elkaar zoent, ook met je tong in elkaars mond en zo. Het derde als je met je handen aan elkaars kont en tieten zit.” Ik vond het heel ordinair dat ze woorden als ‘kont’ en ’tieten’ gebruikte. Ze begon stiekempjes te grinniken. “En het vierde honk is als je … Nou ja, als je heel ver mag gaan. Als je alles doet, dus.”
“O.”
“Ik vind het een heel gaaf nummer. Mag ik hem even hier houden voor een weekje? Dan kan ik hem nog wat beter horen en opnemen op een cassettebandje.”
“Weet je wat?” hoorde ik mijzelf ineens zeggen. “Je mag hem wel houden. Die Meat Loaf heb ik al veel gehoord. Ik ga de elpee nog wel eens kopen.”
“O, dat is lief van je. Wat wil je ervoor hebben?”
Ik durfde niet te zeggen: “Het tweede honk of verder.” In plaats daarvan hakkelde ik wat. “Eh …, nou, ik hoef er niets voor, hoor. Ik geef ze je graag.”
Ik wist niet goed wat of ik verwachtte. Eigenlijk verwachtte ik al helemaal niets meer.
“Nou, dank je wel,” zei ze. “Als ik ze draai, zal ik aan je denken.”
“Dan hoop ik dat je ze heel veel draait,” zei een stem in mijn hoofd. “Dat is aardig van je,” zei mijn mond.
“Graag gedaan.” Even legde ze haar hand op die van mij. Moest ik nu iets doen? Moest ik nu naar het eerste honk en haar hand ook vasthouden? Ik beefde en deed niets. Toen trok ze haar hand terug.
“Had je maar één plaatje bij je?” vroeg ze.
“Ja,” zei ik bibberig. “Ik heb nog even getwijfeld of ik mijn Supertramp-elpee mee zou nemen.”
“Bah, Supertramp!” riep ze en ze trok een vies gezicht. “Dat is echt muziek voor studiebollen, hoor! Maar goed dat je die niet bij je hebt, want die wil ik niet horen. Nou, laten we dan maar het achterkantje draaien.”
Ik durfde niet te zeggen dat ik die plaat van Supertramp echt heel mooi vond. We zaten stilletjes te luisteren naar de B-kant van de single. Toen moest ik gaan.
Ze liep met me mee naar de deur. Toen ik het tuinpad afliep, en naar haar omkeek, zag ik dat ze naar me stond te lachen.

De twee belangrijkste dingen die ik vanaf dat moment zeker wist:
1. Nooit muziek uit je eigen verzameling weggeven; zeker je allereerste zelfgekochte plaatje niet!
2. Het is ook altijd hetzelfde gezeik met die wijven.

Apeldoorn, maart 2007

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

10-07-2008

Egbert de Ruijter

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 07:05

“Goedemorgen. Mijn naam is dus Egbert de Ruijter. Daar kan ik niet zoveel aan doen. Ja, ik kan bevobbelt mijn naam veranderen, maar wat schiet je daar mee op? Daar krijg je alleen maar een heleboel verwarring extra van. Neem nou bevobbelt als je je naam veranderd hebt in Jonathan Verschoor en dat iemand je belt en je neemt op met: ‘Hallo, met Jonathan Verschoor,’ dat dan de persoon aan de andere kant van de lijn moet zeggen: ‘Met wie? Ik dacht toch werkelijk dat ik het nummer van Egbert de Ruijter had gedraaid’. Niet alleen moet je dan bevobbelt zeggen ‘Gedraaid? Wat een ouderwets toestel heeft u nog, zeg!’, maar ook: ‘Nee, u spreekt niet met Egbert de Ruijter, maar met Jonathan Verschoor.’ Maar goed, dit was allemaal bevobbelt.
Ik ben trouwens wel blij dat ik Egbert de Ruijter heet, want als mensen mij vragen: ‘Hoe spel ik dat? Net als Michiel Adriaanszoon?’ dan is mijn antwoord: ‘Precies, exact hetzelfde als die kaperkapitein uit Vlissingen die in onze volksgeschiedenis zo beroemd is geworden, net als bevobbelt Piet Hein. En stel nou eens dat ik niet Egbert maar bevobbelt Norbert geheten zou hebben, dan zou ik toch echt mijn naam veranderen, hoor! ‘Wat is helemaal het verschil?’ hoor ik je zeggen. Nou, in Egbert zit Eg, en behalve dat dat bevobbelt spreektaal voor ‘echt’ is, is het ook een positief stukje agrarisch gereedschap. Dat kun je van een ‘nor’ niet zeggen, bevobbelt. Voor hetzelfde geld had ik trouwens Herbert geheten, maar daar gaat het nou niet over.

Waar had ik het dan wél over? O ja, over mijn naam, maar daar wilde ik het eigenlijk helemaal niet over hebben. Ik wilde eens een actuele misstand in de maatschappij aankaarten, wat dacht u bevobbelt van de steeds maar weer stijgende prijzen in de supermarkt? Dat is toch bevobbelt een schande!
Zo was ik laatst in mijn buurtsuper. Tja, dat moet ook gebeuren. Ik zou die avond eten koken en ik had zin in iets makkelijks. Spaghetti, bevobbelt. Dus ik ging die winkel in, maar voordat ik erin ging, haalde ik eerst zo’n winkelwagentje buiten, want je mag de supermarkt niet in zonder wagentje of mandje en ik had zo’n enorme trek dat ik inschatte dat een mandje te klein zou zijn voor mijn boodschappen. En hier begon het al met die woekerprijzen! Vroeger kostte een winkelwagentje bevobbelt maar een gulden en nou al vijftig eurocent! Dat is vijf of tien eurocent meer! Nu zal je zeggen: ‘Wat is nou vijf of tien eurocent?’ Maar reken eens uit: ik ga bevobbelt drie keer in de week boodschappen doen bij de super en ik neem het karretje dan mee naar huis, want ik heb veel nodig omdat ik een grote eter ben. Dus voor mij is het vijftien of zelfs dertig eurocent in de week dat ik bevobbelt kwijt ben aan winkelwagentjes! Reken dat eens uit op jaarbasis! En dan heb ik het nog niet eens over de enorme kosten van het verwijderen van al dat oud metaal uit mijn tuin, bevobbelt. Dat moet ook eens in de zoveel tijd gebeuren, anders wordt mijn tuin zo’n rommeltje.

Oké, ik ging de supermarkt binnen met mijn karretje en meteen bij binnenkomst heb je de groenteafdeling. Nou zag ik daar bevobbelt komkommers liggen en weet je wat die kosten? Veertig cent per stuk! Ik ben niet gek en ik lees zelfs kranten, dus ik ben heus wel op de hoogte dat tegenwoordig de komkommers voornamelijk uit water bestaan. Dan is een literfles water veel goedkoper! En dan de sla. Als ik bevobbelt een ijsbergsla wil hebben, dan kost een krop bevobbelt zestig cent, en bij de voorgesneden ijsbergsla wel een euro veertig. Waar komt dat verschil van tachtig cent vandaan? Is dat plastic bevobbelt zo duur of die wasautomaat en hakkert van de fabriek? Nou ja, ik ben niet gek en vind een veertig en zestig cent veel te veel geld voor een hoop water, want ook sla bestaat tegenwoordig meer uit water dan uit sla.

Maar goed, ik stond daar een beetje te rommelen tussen de flessen water (ook heel duur, want thuis komt het bevobbelt gratis uit de kraan) en ineens komt er zo’n meneer in zo’n scootmobiel voorbijrijden. Die dingen zijn overigens ook niet te betalen, bevobbelt, maar daar gaat het nu even niet over. (Maar ik moet er wel een boel belasting voor betalen, en u trouwens ook! Samen betalen wij veel te veel geld aan de belasting. Ik moet mijn eigen auto bevobbelt toch ook echt zelf betalen.) Die meneer in die scootmobiel kwam voorbij en ik dacht: ‘Als ik nou toch belasting betaal om die meneer zijn scootmobiel te bekostigen, dan kan ik net zo goed ook gebruik ervan maken.’ Handig maakte ik de tassenhaak van mijn boodschappenkarretje vast aan de scootmobiel van die meneer en hop, daar ging hij. Snel klapte ik de krattendrager van het karretje naar beneden en sprong ik erop.

‘Wat moet dat?’ riep de meneer van de scootmobiel. Nu vond ik dat bevobbelt nogal onbeschoft en egoïstisch van die meneer. We betalen met z’n allen zijn scootmobiel en dan wil hij hem helemaal voor zich alleen houden. Zo zie je maar weer, die teringgehandicapten zijn het niet waard dat we ze helpen. Dat solidariteitsprincipe in onze samenleving is mooi, maar bevobbelt een beetje dankbaarheid terug: vergeet het maar.
‘Als u nu bevobbelt even het gangetje in zou willen waar de pasta staat, dan ben ik een boel geholpen,’ zei ik tegen de meneer. Denk je dat hij het deed? In plaats daarvan scheurde hij met een noodvaart langs de zuivel. Ik kreeg niet eens de gelegenheid om een bekertje crème fraîche te pakken! ‘Doe nou ’s zacht!’ riep ik nog, maar die tiep reed onverstoorbaar verder. Dus ik klom in het karretje en bewoog mij naar voren in de richting van de meneer. Ik trok hem aan zijn arm, waardoor we ineens een scherpe bocht naar rechts maakten. Nu vond ik dat die stapel aanbiedingen toch al niet zo netjes was, dus dat alles over de vloer zeilde maakte niet zoveel uit. Bovendien: als ineens iets in de aanbieding is, betekent dat toch dat we normaal gesproken veel te veel betalen. Nee, die veel te hoge prijzen van de supermarkt, daar zou bevobbelt eens iets aan gedaan moeten worden!

Intussen graaide de man naar achteren en greep hij mijn basketbalpetje beet. Ik schudde mijn kop, verloor mijn pet en nam de man in een wurggreep bij zijn nek. Hierdoor verloor hij ietwat de macht over zijn stuur. We reden recht op een heel groepje vakkenvullers af. Die stoven opzij. Flessen wijn vielen op de grond, dozen met ontbijtkoek vlogen door de lucht. We schepten een meneer in een pak. Ineens begon iedereen te roepen: ‘De filiaalchef wordt ontvoerd!’

Ik zocht naar een manier om de scootmobiel tot stilstand te brengen, maar de meneer had zijn hand nog steeds aan het stuur en kneep het gas in. Je zou je als minder valide mens toch wat voorzichtiger kunnen gedragen, vind ik. Bevobbelt door niet zo hard te rijden.
Met een ferme ruk aan de arm van de meneer veranderde ik de scootmobiel opnieuw van richting. Nu reden we recht op de kassa’s af. Mensen gingen snel aan de kant en we reden precies door het gangetje van een kassa heen. Helaas raakten we wel het bloemenstalletje. De meneer kreeg een mooi boeket, narcissen bevobbelt, op zijn hoofd. Het zag er grappig uit.

Minder grappig was de enorme voorpui van de winkel, waar we met grote snelheid doorheen denderden. Gelukkig ving de meneer de grootste klap op. Stel je nou eens voor dat ik door die smak door de voorruit ook nog bevobbelt scheuren in mijn kleren zou hebben gekregen, dan zou ik hem wel een proces aan zijn broek doen. Ik bedoel: gehandicapt à la, maar anderen schade berokkenen, dat vind ik persoonlijk niet kunnen.

Gelukkig waren we nu wel tot stilstand gekomen. Ik klom uit het karretje. Binnen hoorde ik allerlei geschreeuw. De meneer lag over de straat met de man in het pak bovenop hem. Wat lag die stakker nou te schreeuwen? Eerst onze belastingcenten opmaken, dan asociaal je mobiel voor jezelf houden, weigeren om een klant te helpen en nu dan ineens voor geluidsoverlast zorgen? De politiek zou eens hard moeten optreden. Bevobbelt met speciale opvoedingskampen voor dit soort mensen.
Heel veel personeel van de supermarkt kwam naar buiten gestormd. Ze keken heel boos. Dat was ik ook, op die meneer, bevobbelt. Mijn eetlust was trouwens vergaan. Ik had niet veel zin om getuige te zijn van een relletje, dus liet ik de meneer met zijn scootmobiel achter. Hij was vast zelf heel goed in staat om goed uitleg te geven aan de medewerkers van de supermarkt, bevobbelt.

Thuisgekomen miste ik ineens mijn honkbalpetje. Niet dat het veel waard is, hoor. Ik kreeg hem eens een keer bij de Gamma, toen ik bezig was met allerlei klussen in huis. Een muurtje wegbreken tussen de slaapkamer en de douchecel, bevobbelt. Dat werd nog een hele rommel in huis. Maar daar ging het niet om. Waar het mij om ging, is dat het toch wel zonde is van zo’n mooi petje. Morgen toch nog maar eens langs de supermarkt om te vragen of ze hem gevonden hebben.
Dan kan ik gelijk bij de klantenservice beginnen over die hoge prijzen.

‘Kan daar nou bevobbelt niet eens iets aan gedaan worden?’ hoor ik u vragen. Nou, ik weet wel een oplossing. Als nou bevobbelt alle supermarkten eens alle prijzen zouden verlagen, dan scheelt ons dat een boel in de portemonnee, bevobbelt. Wij hebben dan meer geld om uit te geven in de supermarkt. De winkel verkoopt dan meer spullen, zodat ze ook weer rijk worden. Twee vliegen in een klap, lijkt me bevobbelt!

Maar nu moet ik gaan. Volgende keer stel ik bevobbelt een ander heikel punt in de samenleving aan de kaak. Egbert de Ruijter heet ik. Onthouden, die naam!
Bevobbelt!”

Apeldoorn, juli 2008

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

07-07-2008

The FoolZ – Art Café ‘Sam Sam’, Apeldoorn – July 6, 2008

Filed under: FoolZ — bazbo @ 20:30

The FoolZ - Art Café ‘Sam Sam’, Apeldoorn - July 6, 2008

Press announcementThe FoolZ - Art Café ‘Sam Sam’, Apeldoorn - July 6, 2008LudzNL recordingRemcoEmil brings beerThe FoolZ - Art Café ‘Sam Sam’, Apeldoorn - July 6, 2008René au3 Emil & CynthiaLudzNLLexRemcoEmil & keRemcoand Emil brings more beerkeRemcohidihi & ModifiedDogCynthia & kekeModifiedDog & hidihiEmil LudzNL René & au3Emil LudzNL René & au3Lex & Erwinke & CynthiaLex & ErwinWanke & RemcoLexRemcoErwinPedroLudzNL & au3The FoolZ - Art Café ‘Sam Sam’, Apeldoorn - July 6, 2008keEmil brings more beer!Lex & keErwinThe FoolZ - Art Café ‘Sam Sam’, Apeldoorn - July 6, 2008ke & Remcohidihi & ModifiedDogLudzNL & au3keEmil & CynthiaWan & LexErwin just looks like the guy in the painting on the left of him!kePedroLexthe band has a young audiencePedroLexFoolZ groupieWan & Lexhidhi smoking Outside NowRemco & rubber chickenWan having fun & LexRemco & rubber chickenLexErwinEmil brings even more beerLudzNL & hidihi have to smoke Outside NowLexau3, Emil brings new beer, RenéEmil René CynthiaEmil & au3Cynthia Emil & au3 enjoying the showau3 Emil CynthiaLexLudzNL au3 EmilEmil’s bought beer againCynthia Remco hidihi ke Emil

Youtube:

1 Sofa

2 The Idiot Bastard Son

3 Blessed Relief

4 Eat That Question

5 I Don’t Wanna Get Drafted

6 I’m The Slime

7 MsPinky

The FoolZ - Art Café ‘Sam Sam’, Apeldoorn - July 6, 2008

And here’s hidihi’s pictures!

The FoolZ - Art Café ‘Sam Sam’, Apeldoorn - July 6, 2008Pedro & ModifiedDogThe FoolZ - Art Café ‘Sam Sam’, Apeldoorn - July 6, 2008WanLex & keRené au3 & CynthiaWan & LexErwin & Pedrobazbo in classical concert poseErwin & PedroRemcoke & Cynthiabazbo René au3 & EmilModifiedDogThe FoolZ - Art Café ‘Sam Sam’, Apeldoorn - July 6, 2008bazbo gets beerCynthia au3 Emil & Renébazbo & keLudzNL filming or photographingau3 Emil Cynthia & RenéThe FoolZ - Art Café ‘Sam Sam’, Apeldoorn - July 6, 2008Emil dancing & Cynthiabazbo filming The FoolZbazbo’s shirtModifiedDog LudzNL & au3The FoolZ - Art Café ‘Sam Sam’, Apeldoorn - July 6, 2008ModifiedDog & bazboModifiedDog & bazboau3 Emil & Cynthiathe Groupie & RenéRené au3 Emil & CynthiaEmil has bought some beerbazbo & ModifiedDogErwin LudzNL & au3ModifiedDog Emil & LudzNLEmil & bazbo!zappacheers, Emil!Remco & Cynthia in the cafés courtyardau3Korenwolf!Emil & bazbobazbo’s shirt

• • •
 

03-07-2008

Over leven

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 07:07

Even kwam de regen met bakken uit de hemel. Heel even. Toen werd het gewoon wat druilerig, en iets later zelfs helemaal droog. Ik fietste tegen de wind in, met mijn paraplu omhoog. Niet dat het veel hielp. Het laatste stukje had ik mijn paraplu dichtgeklapt op het stuur van mijn fiets liggen. Mijn bovenbenen waren nat. De temperatuur voelde broeierig aan. Om mij heen hing de zompig doffe geur van zomergroen.

We zitten hier in afwachting van wat komen gaat. Mijn broek is inmiddels wat opgedroogd. Ook hier binnen voelt de lucht broeierig. Iedereen zit op een stoel nogal dicht tegen elkaar aan. Voor ons was geen plaats meer. We zitten helemaal achterin op een houten bankje.
Iedereen is stil. We wachten tot het gaat beginnen. Ik kijk om mij heen. De zaal zit helemaal vol met mensen die hun beste kleren hebben aangetrokken. Overwegend zijn het ouderen.
Het is hier veel te stemmig ingericht. Witte muren en een sober interieur. Helemaal voorin het zaaltje is een verhoging. Erop staat een grote lichtgelakte eikenhouten kist. Aan weerszijden grote planten. In de achterwand zijn smalle ramen. Rechtsboven op de muur is een grijze houten plank gemonteerd. De plank heeft de vorm van een gans die wegvliegt. Wat een symboliek.

Naast de kist staat een klein tafeltje met daarop een foto. Het is het portret van een man. Ik ken die man. Niet goed. Ik ken hem een beetje. Of beter: ik kende hem een beetje, want deze man leeft niet meer. Hij is dood. En hij ligt in de kist.
Het was een vriendelijke man. Zo eentje die nooit klaagt en overal het positieve van inziet. Zijn gezondheid ging al jaren hard achteruit. Toch bleef hij de opgewekte man en hield hij moed. Altijd hoopvol. Knap, hoor.
Ik kende de man van mijn werk. Hij was veel ouder dan ik. Hij had mijn vader kunnen zijn.

Naast mij zit een jonge vrouw. We zijn allebei hierheen gekomen. Ze is een collega. Wij zijn uitverkoren om hier vandaag aanwezig te zijn namens de werkgever.
Voorzichtig kijk ik naast mij en werp ik een blik op mijn collega. Ook zij is stemmig gekleed. Ze draagt zwarte laarsjes, een zwarte rok en een wijdvallende tuniek. Ook zwart. Zelf heb ik ook alleen maar zwart aan.
Ik kijk naar haar ogen. Tjonge, wat heeft ze mooie ogen. Van die donkerbruine. “Ik weet niet of ik het wel aan kan, hoor,” had ze gezegd toen we te horen kregen dat we hierheen zouden gaan. “Ik heb een tijdje geleden een goede vriendin verloren en nou ben ik bang dat het allemaal weer naar boven komt.” Haar ogen zijn nog droog.
“Als het je te kwaad wordt, mag je mij wel even vastgrijpen, hoor,” was mijn antwoord geweest. Ze heeft het nog niet gedaan. Niet dat ik zou willen dat het haar te kwaad wordt, maar ik zou het wel prettig vinden. Dat ze me even vasthoudt.
Ze is als collega nog jong, pas voor in de twintig. Ik had haar vader kunnen zijn. Als haar moeder maar gewild had.
“Volgens mij halen wij de gemiddelde leeftijd hier aardig omlaag,” fluister ik in haar oor.
“Ik!” sist ze terug. “Niet jij!”
Ik lach. Zij ook. Lachen op een uitvaart. Mag dat?

Het lijkt me toch niet helemaal kies. Snel kijk ik weer voor mij.
Links voor de verhoging staat een katheder. Daarachter staat een man in een zwart pak. Hij voert het woord namens de familie. Professioneel en plechtig draagt hij een tekst voor.
Voor in de zaal zit een vrouw zachtjes te snikken. Links van haar zit een man en rechts een vrouw. Ze hebben hun arm om de vrouw heen geslagen. Het zullen de echtgenote en de kinderen zijn.
De tekst gaat over de man in de kist. Er vallen woorden als ‘integer’, ‘oprecht’, ‘harmonieus’ en ‘liefdevol’. Mooie woorden.

Ik zie allemaal mensen die ik niet ken. Mensen die een zakdoek hebben gepakt en die vol snotteren. Mensen die wat wegkijken om maar niet te laten zien wat ze werkelijk voelen. Mensen die knikken bij de tekst die de man in het zwarte pak voordraagt.
Ik hoor vage muziek die ik niet ken. Romantisch-melancholische orkestmuziek. Eén van de kleinkinderen speelt een stukje blokfluit. Het meisje ziet er lieflijk uit. Ze heeft een wit jurkje aan en witte linten in haar haren. Het liedje dat ze speelt, ken ik niet. Het heeft ook maar een paar regels.
Ik zie verdriet dat ik niet ken. Tranen, zakdoeken. Mensen die elkaars hand vasthouden, of een arm om elkaar heengeslagen hebben. Anderen zitten stil met gebogen hoofd, weer anderen lijken ongeroerd en kijken de spreker aan.
Ik hoor iets dat op een klarinetconcert lijkt. Ik ken het niet, maar het klinkt alsof het uit de Romantiek komt. Niet te zwaar, maar toch een nogal sentimenteel stuk. Plotseling wordt het lichter in de zaal. Door een van de smalle ramen achter de verhoging valt een brede straal zonlicht. Precies op de kist. Het lijkt te perfect getimed. Het klarinetconcert duurt kennelijk te lang, want het wordt weggedraaid.

Aan het eind van de bijeenkomst lopen we langs de kist. De collega loopt naast me. Bij de kist stoppen we even. Samen kijken we. De man op de foto lacht naar ons.
In een kamer verderop in het gebouw drinken we koffie en eten we cake. Het gesprek gaat over de overledene, terwijl we eigenlijk veel liever over leukere en gekkere dingen praten. Dan staan we op en gaan we de familie condoleren.
“Oh, wat aardig,” zegt de vrouw. Haar warme handdruk is welgemeend. Ik ben blij dat ik iets kan betekenen voor iemand. Na mij schudt mijn collega haar hand. Dan verlaten we het gebouw.
Eenmaal buiten kunnen we weer vrijuit praten. En hardop lachen.

Wat later heb ik afscheid van haar genomen en fiets ik terug naar mijn huis. Halverwege mijn tocht staat er een eend midden op het fietspad. Als ik dichterbij kom, zie ik dat de eend niet alleen is. Er zwalken drie kuikentjes rondom haar. Ik wil mijn best doen om ze niet aan het schrikken te maken, maar dat lukt niet. De drie hummeltjes spartelen zich een weg naar een veiliger plek. De moeder is echter iets anders van plan. Ze komt op mij af en blaast vervaarlijk. Haar kinderen schieten weg in het hoge gras langs de kant van het fietspad. Met een boogje omzeil ik de moeder en dan vervolg ik mijn weg.
“Dat is waar het allemaal over gaat,” weet ik dan. “Overleven.”

Apeldoorn, juli 2008

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

02-07-2008

De vertraging

Filed under: Publicaties voor FOK! - Tim's corner — bazbo @ 21:31

Het was best gezellig in de stilstaande trein naar Sittard. Er lag iets op de rails, zo wist ik te ontcijferen, want die omroepinstallaties van de Nederlandse Spoorwegen dateren nog uit de Tweede Wereldoorlog. Nu kon ik wel als een dolle stier enkele coupés tot wild natuurgebied verbouwen, maar je zit toch met meer mensen opgescheept. En dat schept een band, of je nu wil of niet.

Zo zat tegenover mij een man ongestoord een boek te lezen. ‘Hoe ik de modulatie in moderne muziek vermijd,’ stond op de kaft. Een muzikant, zo oordeelde ik. En jawel hoor, naast hem op de bank lag een koffer met daarin vast een muziekinstrument. Al moet je daar op de dag van vandaag ook mee uitkijken. Voor je het weet houd je een tuba voor een volautomatische magnum.
De trein stond nu al zo’n tien minuten stil. Ik ben normaliter niet zo van het ’tijd doden’; ik heb wel iets beters te doen. Maar dit leek mij wel een uitgelezen moment om de man, muzikant wellicht, te vragen of-ie wat op z’n volautomatische magnum wilde spelen. Ik kreeg meteen een kleur en verbeterde me snel. “Ik bedoel natuurlijk tuba, beste man,” waarop de onbekende zijn koffer openklapte en me daar een solo gaf die ze in Kerkrade tijdens het ‘Bronsconcour’ nog nooit gehoord hebben!

In plaats van dat de coupé met man en macht kwaad op de man met de tuba dook, werd er vrolijk meegefloten, gezongen en zelfs uitbundig gelachen. Een polonaise werd ingezet, ramen met zelfgemaakte slingers versierd, links en rechts klonken er huwelijksaanzoeken, en er werd zelfs een gedicht voorgedragen.

Een prachtige dame met lang blond haar en fel blauwe ogen kwam de coupé binnen gewandeld met de mededeling dat ze een man zocht voor een nacht ijs. Dat vond ik zó origineel gevonden dat het me haast ontroerde. Ze droeg een zomers rokje in de kleur blauw. Ze had een paar stevige benen en droeg een kanten slip die een klein stukje boven het rokje uitstak. Twee volle watermeloenen bolden haar sportieve topje op.
Gulzig keek ik haar aan en ik hoopte dat ze mij zou kiezen voor een stevige vrijpartij in de eerste klas coupé. Maar zoals zo vaak werd pudding tarzan ingeruild voor een echte hunk met valse beloftes.
Ze vertrokken samen hand in hand naar de eerste klas. Ik kon het niet laten om stiekem door de automatische schuifdeuren het jonge stel te volgen.Er volgde een omroepbericht. Dat het nog wel even kon duren allemaal. Er lag iets op de rails waarvan de honden geen brood lustten, zo werd gezegd. Prompt daarop staken de twee schitterende benen van de blonde femme fatale de lucht in. Ik wendde mijn hoofd af; zoveel hoefde ik ook weer niet te zien.

Ondertussen ging het feest in de trein in alle hevigheid door. Er werd gesnoven, gespoten en gerookt. Vieze blaadjes werden uit de keurige, poepbruine aktetassen gehaald. Een zakenman stond stiekem in een hoek te masturberen. De man tegenover mij stopte plots met tuba spelen en barstte in snikken uit. Zijn vrouw had hem enkele uren voor deze treinreis verlaten.
Opeens had het hele treinstel wel iets om over te grienen. De een had een incestverleden achter zich dat weer naar boven kwam, de ander een oorlogtrauma. Ik had tot dusver niets. Het viel mij op hoe rustig en behouden ik eigenlijk op dit zooitje ongeregeld reageerde.

Een zwaarlijvige dame met een zakje drop kwam naast me zitten. Ze zei verder niets. Ze stak een voor een een dropje in haar mond. Ik voelde me ongemakkelijk en wilde nu wel eens weten of we de reis konden voortzetten. De hele coupé was bij elkaar in de armen gevallen. Er werd getroost, gezopen en gebruikt. Iemand stelde voor een kampvuur te maken.
Hoewel ik niet vol in het feestgedruis meeliep, voelde ik me wel thuis. De warmte was overweldigend en het broederschap ongekend.

Na anderhalf uur gingen de deuren van de trein open. Iedereen werd verzocht het treinstel te verlaten en verder te gaan per taxi. Die werd vergoed door de NS. Er klonk gejuich.

Eenmaal buiten stond ik weer alleen. Zul je altijd zien.

Juni 2008

• • •
 

De omhoog gevallen suïcidaal

Filed under: Publicaties voor FOK! - Tim's corner — bazbo @ 21:29

Gerrit is een oude bekende van me die er regelmatig in slaagt paniek te zaaien onder diegenen die hem zo lief hebben. De kloothommel staat minstens eenmaal per kwartaal met een flink stuk touw klaar om zich op te hangen. Maar niet voordat hij zijn hele kennissenkring heeft afgebeld met de mededeling dat het einde voor hem in zicht is. Het probleem met Gerrit is dat hij het nogal hoog in de bol heeft zitten. Eigenlijk was het maar een megalomane en omhoog gevallen suïcidaal. De grap was echter dat, toen Gerrit op een dag zich weer van het leven wilde beroven, hij geen beltegoed meer had. Meneer kwam nu van deur tot deur zijn beklag doen. Al moest-ie daar de halve aardbol voor afreizen, Gerrit zou en moest aan iedereen die het maar wilde horen vertellen hoe klote zijn leven wel was en dat het tijd werd voor hem om te gaan. Hij vertelde het ookaan iedereen die het niet wilde horen trouwens.

Je kon gerust doorgaan met stofzuigen als Gerrit op bezoek kwam. Je hoefde niet eens te luisteren, dat was Gerrit wel gewend. Dat was zelfs vaak z’n aanleiding om er een eind aan te maken. En zo kon het gebeuren dat Gerrit weer eens geen beltegoed had en dus bij mij op bezoek kwam. Ik was net begonnen aan een boek van John Irving toen de deurbel ging. Ik zag door de gordijnen het gebogen gestalte van Gerrit. Ik had er onderhand schoon genoeg van. Het was misschien beter om de deur niet open te doen, maar hij had me al gezien. Een flauw lachje kon er bij hem nog net vanaf. Ik had geen andere keus dan de deur te openen. Binnen tien minuten had ik z’n hele armzalige leven in sneltreinvaart voorbij horen komen, waarbij het me opviel dat hij ook nog een hoogst vervelend zenuwtrekje had. Telkens als hij het woord’gordelroos’ in de mond nam, rolde hij een beetje met z’n ogen en stak-ie heel vluchtig, een halve seconde, zijn tong uit. Overigens was het woord ‘gordelroos’ an sich ook al een afwijking van hem, daar hij het woord te pas maar vooral te onpas op neurotische wijze plaatste in een willekeurige zin. Zo sprak hij: “Dat Jolanda bij me weg is komt ook door mijn gordelroos.” Tot dusver niets aan de hand. Het woord gorldelroos past hier prima, al dient opgemerkt te worden dat een vrouw die vanwege gordelroos bij zo’n man weg gaat een totaal van de pot gepleurde muts is. Maar neem nu deze uitspraak van Gerrit: “Ook bij het boodschappen doen eergisteren verstuikte ik mijn voet gordelroos.” Het woord gordelroos is hier niet op z’n plaats en mist elke vorm van functionaliteit. Het zag er allemaal niet best uit voor Gerrit en het mooie was dat-ie dat zelf ook door had. De enige uitweg was dan ook de dood. Ik kon niet anders dan het met hem eens zijn.

Hoe het precies kwam weet ik niet, maar na zo’n uur met Gerrit te hebben gesproken stonden we opeens op zolder. Ik legde hem uit dat we vrij stevige balken hebben en dat zelfs, o hoe ironisch, de vorige bewoner zich hier aan heeft opgehangen. Gerrit was zichtbaar ontroerd. Ik stelde voor er meteen werk van te maken. Doch, geen touw was sterk genoeg om Gerrit aan op te hangen. ‘Zelfs mijn zelfmoord wil maar niet lukken,’ sprak hij langzaam uit. Volgende halte werd de badkamer. Gerrit begreep wat de bedoeling was en draaide meteen de warme badkraan open. Hij begon zich al uit te kleden terwijl ik me rot zocht naar scherpe scheermesjes. Het probleem is dat ik altijd met van die stompjes scheer. Ik heb een pesthekel aan scherpe scheermesjes. Gerrit was al in bad gaan liggen toen ik hem zo’n afgestompt scheermesje in z’n poten stopte. ‘En nou flink heen en weer raggen, Gerrit! Want het kan anders nog wel eens gaan duren,’ sprak ik koeltjes. Ondertussen ging ik maar thee zetten en z’n familie inlichten. Met een beetje geluk zouden ze Gerrit dan nog aan het werk zien en was zijn dood niet helemaal voor niks geweest. Maar toen ik weer naar boven ging om te kijken hoe het er voor stond zat Gerrit zonder water in bad voor zicht uit te staren. Hij verweet me de meest vreselijke dingen omdat ik z’n zelfmoord in de weg stond. Toen ik hem weer wat gekalmeerd had zaten we beiden op de badrand met onze handen in het haar na te denken hoe we Gerrit zo snel mogelijk van de wereld kregen. Ik zou over hem heen kunnen rijden, maar bij gebrek aan auto en rijbewijs was dat geen geldige optie. Een verstikkingsdood wilde Gerrit dan weer niet. Het moest wel met enige klasse. En bovendien moest het wel op zelfmoord lijken en niet op moord. Anders zou ik na z’n dood ook nog eens gezeik kunnen krijgen. Sociaal was-ie op sommige momenten wel, moet ik zeggen. We besloten er een nachtje over te slapen. Hij bedankte me voor alles wat ik voor hem deed. Er kon zelfs een warme omhelzing vanaf. Dag Gerrit! Dag Tim! Alweer gebogen liep hij naar buiten, stak zonder te kijken de straat over waarna een vrachtwagen hem tot moes reed.

Juni 2008

• • •
 

Winterverhalen (4)

Filed under: Publicaties voor FOK! - Tim's corner — bazbo @ 21:28

Ze moest lachen. Eindelijk, ze lachte! Dit had allemaal veel te lang geduurd. Al dat getreur, daar komt een mens niet veel verder mee. Het was de hoogste tijd voor wat actie. Lang genoeg had ik met haar in dit bed gelegen. Ze wist op de een of andere manier precies wat de bedoeling was en griste al haar kleren bij elkaar.

“Heb je een auto?”, vroeg ik, daar ik nog steeds geen rijbewijs op zak had. Allemaal veel te duur heden ten dage. Zeker voor een bohemien als ik. Normaliter maakte ik ook een checklist alvorens ik een dame aan haak sla. Op nummer een staat nog altijd de vraag of ze een rijbewijs heeft. Een meisje met een rijbewijs is de wereld in een notendop. Het leven in je handpalm en het vlot waarop je wordt meegevoerd naar plekken waar de ziel alleen maar naar kan verlangen. Op nummer twee staat of ze tegen een zwerfachtig bestaan kan. Ik weet meestal ’s ochtends niet waar ik ’s middags zal uithangen, daar moet ze rekening mee houden. Geen lunchpakket voor mijn neus om half acht in de ochtend. Ik zou zomaar twee uur later strontlazerus kunnen zijn. En tot slot op nummer drie: ze moet overal met me meegaan en me niet in de steek laten. Oja, en mijn kleine slippertjes vergeven en vergeten. Maar deze keer was ík vergeten haar het lijstje voor te leggen alvorens ik met haar dit huis betrad en het bed in dook. Ach, verandering van spijs doet eten. En bovendien kon ik haar altijd nog verlaten als het me echt te benauwend zou worden.

“Ha! Ik heb toevallig eergisteren een auto gekocht. Pap vindt het maar niks dat ik al een eigen auto heb. Hij vindt het voor kleine meisjes veel te gevaarlijk op de weg.”

Fantastisch. Ze had dus een rijbewijs en een auto. Ik heb wel eens met een meisje in een auto gezeten zonder dat ze een rijbewijs in haar bezit had. Een ware hel! Wat zeg ik; een dodenrit! We hadden nog maar net de oprit verlaten of ze reed al het eerste verkeersbord aan gort. En met een duivelse snelheid reed ze over de snelweg maar liefst drie katten dood. Uiteindelijk heb ik zelf maar op de rem getrapt en de wagen gestopt. Gestoord wijf. Maar wacht eens… wat zei ze nou? Pap vindt het veel te gevaarlijk op de weg voor kleine meisjes?

“Lieverd… hoe oud ben je eigenlijk?”
“O… dat wist je nog niet? In januari word ik achttien.”

Wel, wel. Nog niet meerderjarig dus. Dat zou straks bij stap twee, die ik met dit meisje zal uitvoeren, nog eens lastig kunnen worden. Maar dat was later en over later heb ik me nog nooit zorgen gemaakt. Tot dusver geen grote problemen.

“Okay, stop alle kleren die je kunt dragen in een grote plastic zak. Let op: een zak. Geen twee, da’s veel te veel gesjouw. Het liefst zou ik willen dat je helemaal geen tas meedraagt en enkel wat slipjes over elkaar heen trekt, maar ik weet hoe vrouwen zijn. Ik ben in een milde bui vandaag.”

Ze reageerde amper op mijn bevelen. Ze deed gewoon wat er van haar verlangd werd zonder te morren of iets terug te snauwen. Dit had ik werkelijk nog nooit meegemaakt. De manier waarop ze haar beenwarmers weer aantrok, haar jas van de grond raapte en afklopte… het deed me bijna iets. Dit meisje was er klaar voor. Zonder dat ze precies wist wat er zou gaan gebeuren. Wist ze maar wat er ging gebeuren…

“Nou, waar wacht jij nog op?”, vroeg ze nogal uitdagend. Ze trok haar jas aan en speurde snel haar klerenkast af. Ik moest stiekem grinniken. Ze had een grote vuilniszak gevonden waar ze al haar nodige kleren in flikkerde. Ik schoot in mijn trui, boxer en broek, maar liet m’n natte, stinkende schoenen en sokken onder het bed staan. Dan maar met blote voeten het koude asfalt op zo dadelijk. Ik zal morgenvroeg onderweg wel nieuwe schoenen kopen. Buiten was het weer al een stuk rustiger geworden. Stilte voor de storm. Je kon het aan alles merken. De muren leken het je te vertellen…

Tien minuten staarden we samen in de auto naar buiten. De honkbalknuppel, een ijzeren staaf, een zak met kleren en een sixpack Schultenbrau dat ik nog uit de koelkast van haar ouders kon vissen, was onze buit en lag mooi uitgestald op de achterbank. De autoradio lieten we maar uitstaan. We hoorden genoeg geluiden om ons heen. In ons hoofd vooral.

” Mijn ouders denken dat ik totaal gek ben geworden als ze het briefje op de keukentafel lezen,” sprak ze met een kleine trilling in haar stem. ” Je kunt nu nog terug,” zei ik snel. “Als je zo laf wilt zijn, tenminste. En als jij je vader in de steek wilt laten, want dat doe je dan in feite.”

Wederom walgde ik van mezelf. Hoe kon ik nu zoiets lomps zeggen? Ik dacht gewoon niet meer na. Het had ook geen zin om na te denken. Ik volgde mijn hart, of wat daar nog voor door kon gaan. Maar aan de andere kant was het ook wel weer zo dat mevrouw hier opeens dreigde terug te krabbelen. Dat ze me zogezegd toch in de steek zou laten en weer veilig haar bedje in wilde stappen en alles vergeten en me nooit meer zou bellen en nooit opzoeken en zich nooit afvragen hoe het met me zou gaan. Ik moest wel op deze manier aan haar duidelijk maken dat dít niet de wijze is waarop met mij omgegaan dient te worden.

“Het café is twee dorpen verder. Ongeveer vijf minuten rijden met de auto. Als we klaar zijn, moeten we echt plankgas geven want iedereen kent elkaar hier,” zei ze snel, alsof er niets aan de hand was. Ze leek mijn lompigheid zo langzamerhand te accepteren. Hoefde ik me daar ook geen zorgen meer over te maken. Ik begon me nogal op mijn gemak te voelen.

“Dat is geen probleem, meisje. We doen ons ding en zijn weg voor jij de schade ook maar kunt overzien.” Ik maakte een blikje Schultenbrau open en klokte flink wat bier naar binnen. Op het dashboard lag ‘Protection’ van Massive Attack. Prachtig album. Uit 1994 alweer. Ze stopte de sleutel in het contact en ik de Massive Attack-plaat in de cd-speler van de auto. Ze liet de lichten van de auto uit om haar ouders niet te wekken. Uit de autoradio-boxen klonk zacht het geluid van het titelnummer. Het waren goedkope boxen. Het geluid was krakerig. Een zwoele vrouwenstem zong:

This girl I know needs some shelter
She don’t believe anyone can help her
She’s doing so much harm, doing so much damage

Ze draaide rustig aan het stuur, reed zeer beheerst de oprit af, nam een flauwe bocht richting het noorden en haalde diep adem bij het stoplicht. Het leek wel alsof ze nog steeds zat te twijfelen. Ik zette de muziek iets harder.

I stand in front of you
I’ll take the force of the blow
Protection

Ik nam nog een slok bier. Het smaakte me goed, deze Schultenbrau. Niet voor niets het allerbeste bier op aarde, als je het mij vraagt. Goedkoop edoch smakelijk. Jaren geleden had ik de trappist afgezworen. Die lag zwaar op de maag en ik kreeg er een verschrikkelijke kater van. Bovendien wist ik na tien glazen niet meer wat ik deed. Ik was toen nog een avond- en nachtdrinker. Dat is thans wel anders. Schultenbrau kan er elk moment van de dag in. Zo ook nu dronk ik dit heerlijke bier. In een kleine auto naast een angstig maar toch vastberaden meisje. En alweer zette ik de muziek een klein stukje harder.

You’re a boy and I’m a girl
But you know you can lean on me
And I don’t have no fear
I’ll take on any man here
Who says that’s not the way it should be

We stopten bij café ‘Ons Genoegen’. Ik verzin het niet. De vijf minuten waren ruimschoots om; ze had langzamer gereden om zo haar gedachten op een rij te krijgen. “Misschien,” probeerde ze zacht, “misschien is het toch niet zo’n goed idee.” Ik krijg er wat van als wijven opeens gaan twijfelen aan mijn goede bedoelingen. Er is nooit iemand geweest die daadwerkelijk mijn hart helemaal begreep en met mij door het lint ging!

“Je hebt geen keus,” snauwde ik haar grimmig toe. “Als je nu niet meedoet, dan verlaat ik je en zie je me nooit meer terug.”

Ze begon alweer te snikken. Ik had er genoeg van, stapte uit de auto, sloeg met mijn vlakke rechterhand op de motorkap en keek door de voorruit recht in haar betraande ogen. “Laat me godverdomme nou niet zitten en kom mee! Ik doe het voor jou, ja!” Ik vloekte en brulde uit alle macht. Dat moet haar aangetrokken hebben, want plots stond ze naast me. Ze gaf me de ijzeren staaf. Zelf had ze de knuppel ter hand. Ze zoende me op mijn ongeschoren wang en duwde met haar kont de deur van de kroeg open…

December 2007

• • •
 
« Vorige paginaVolgende pagina »