bazbo – de wereld van Bas Langereis, het middelpunt der aarde

Bas Langereis leest u voor!

01-07-2008

De avonturen van Freek Torso 2

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 21:42

Freek Torso zette zijn tanden in een groot stuk kippenbout. “Daar ben je toch mooi onderuit gekomen, Freek,” zei zijn vrouw Trees. “Het was maar goed dat er geen getuigen waren vanmorgen, toen je dat mes in de hals van die agent stak.”
“Ach wat,” wuifde Freek Torso de opmerking van zijn vrouw weg. “Een Torso laat zich niet zomaar pakken. Zeker niet door die slapjanussen van de politie. Die idioten komen van verre met luide sirenes aanzetten. Dan weet je dat je weg moet wezen. En een Audi kan snel zijn.”
Vet liep langs zijn kin omlaag. Hij boog wat voorover, zodat de druppels op zijn bord spatten.
“Lekker, dat vocht dat uit je mond loopt,” zei Trees.
“Wat bedoel je?” vroeg Freek.
“Zullen we nog even?” vroeg Trees met haar tong half uit haar mond.
Zag Freek het nou goed of had ze wijde pupillen? “Dan is het of donker hier, of is ze weer eens geil als boter.” Freek Torso had enige tijd geleden nog tientallen pleuro’s geïnvesteerd in spaarlampen voor boven de eettafel, dus van donkerte kon hier onmogelijk sprake zijn.
“Nee, mens,” was het antwoord van Freek Torso. Hij gooide de botten van de kippenbout op zijn bord en veegde zijn mond af met een punt van het tafellaken. “De broek kan niet altijd gespannen zijn. Sla desnoods de hand aan jezelf. Ik heb behoefte aan frisse lucht. Wacht niet op mij met slapen.”
Zonder verder een reactie van zijn vrouw af te wachten, liep Freek Torso de voordeur uit.

“Die wijven begrijpen niets van een man,” mompelde hij terwijl hij zijn tuinpad afliep. “Op zich is het leuk dat als een man thuis komt, dat er dan een vrouw op de bank op hem zit te wachten. Minder leuk is het dat het altijd dezelfde vrouw is.” Inmiddels was hij bij de stoeprand aangekomen. “Verandering van spijs doet eten. Eens kijken of er in de stad nog wat te scoren is. Maar eerst eens van die verdachte Audi af zien te geraken,” zei hij.
Freek opende de deur van zijn gehavende wagen en stapte in. Hij draaide de sleutel in het contact en gaf gas. Toen hij net wegreed, voelde hij hoe het linker voorwiel hobbelde. “Godver,” zei Freek Torso. Hij haalde zijn voet van het gaspedaal. De Audi stond stil. “Nou ligt toch niet onze eigen kat Kots onder mijn wagen, hè¨?” Snel opende hij het raam en keek naar zijn voorwiel. Daaronder lag Frodo, het witte hondje van buurvrouw Van der Staaf. Snel gaf Freek wat gas. Nu hobbelde het linker achterwiel.
“Maltezerpaté,” zuchtte Freek Torso en hij sloeg af in de richting van het centrum.

Op het Scheurbuikplantsoen was het stil. Aan de rand van dit gezellige pleintje was de grote vijver. Freek Torso maakte vaart en stuurde zijn Audi in de richting van het water. Nog geen vijf meter voordat de wagen te water zou raken, opende hij het portier en sprong hij eruit. Bijna professioneel stuntwerk was de rollende beweging die hij maakte over de klinkertjes. Toen hij weer rechtop stond, zag hij nog juist hoe het dak van de Audi in het vieze bruine water verdween. Niemand zou ooit deze wagen vinden. Tenzij die stomme gemeenteraad ooit het bestemmingsplan zou wijzigen. Freek wist ze te vinden.
“Avonturen,” zei Freek Torso tegen zichzelf, “daar krijgt een man dorst van.” Hij keek om zich heen. Dichtbij was het café De Tochtige Koe. Tien tellen later duwde hij de toegangsdeur open.

Freek Torso keek om zich heen. “Wat een losers weer,” mompelde hij. “Die hebben niks beters te doen dan alleen maar een beetje dronken worden.”
“Wat moet jij hier?” vroeg een wildvreemde vent.
“Ik kwam hier even controleren of het jachtseizoen op dikke zwijnen geopend is en dat blijkt inderdaad het geval.” Hij hoefde niet eens een heel harde kopstoot te geven om de vadsige vent tegen de vloer aan te werken. “Maar goed. We kwamen voor de verandering van spijs.”
Aan de bar zat een moddervette trol. Die moest Freek niet. Nee, dan dat andere mens. Hoog op de poten, naaldhakken, filmsterrenzonnebril, blonde haren, minirok en topje waar haar tieten vrijelijk bovenuit floepten.
“Mooie kleur lippenstift,” zei Freek Torso, terwijl hij aan de barman gebaarde dat hij bier wilde.
“Dank je,” zei het meisje met hese stem.
“Die lippen wil ik wel om mijn orgaan heen. Maar niet hier.”
“Ik woon hier vlakbij.”
“Dat komt goed uit, want ik sta hier vlakbij geparkeerd.”

“Ondergoed met gaten,” observeerde Freek Torso nog geen kwartier later. “Het lijkt armoedig, maar het brengt een man in vele staten.”
“Ik hoop dat het je opwindt,” zei ze.
“Hoe sta jij tegenover plasseks?” vroeg Freek ineens.
“Eh, nou, dat heb ik nog nooit gedaan. Is dat wat je graag wilt?”
“Nee, ik wilde eigenlijk nog wat verder gaan.”
“Wat had je in gedachten?”
“Ik moet schijten als een otter.”
“Doe dat maar op de plee,” zei het meisje. “En laat je broek maar naar beneden als je terugkomt.”
Van schrik kreeg Freek een erectie. Wat een lekker mokkel was dit, zeg!
“Waar vind ik de pot?” vroeg hij. “Of kan ik hier ergens in een hoek van de kamer mijn gevoeg doen?”
“De plee, zei ik,” was haar antwoord. “Slaapkamer uit. Eerste deur rechts.”
Freek Torso liep naar de wc en deed zijn broek naar beneden. Hij kleedde zich helemaal uit, gooide zijn kleren van zich af en ging zitten. “Zoals wel vaker: orgastisch genot als ik niet hoef te persen en de fecaliën zo mijn lichaam uit glijden. Wat wil een mens nog meer?” Hij reinigde zijn gat, trok door en stond op. “Wat wil een mens nog meer? De rest is zinloos. Er ligt daar een hete babe op mij te wachten. Veel zin heb ik er eigenlijk niet meer in. Maar wat niet is, kan nog komen.”
Zonder zijn handen te wassen liep hij terug naar de slaapkamer. Zijn gastvrouw had zich inmiddels ontdaan van haar ondergoed en gaf hem voldoende uitzicht op haar primaire geslachtskenmerken.
“Een stijve mag blijve,” zei Freek Torso tegen niemand in het bijzonder. Tegen het meisje zei hij: “Ik hoop dat je het meeste voorwerk even zelf hebt verricht?”
“Wat bedoel je?”
“En anders hoop ik dat je ongesteld bent. Hoe meer vocht, des te beter.”
“Maak je geen zorgen. Ik ben er helemaal klaar voor, kanjer.”

“Hoe heet jij eigenlijk?” vroeg Freek Torso toen hij haar besteeg.
“Natacha.”
“Ah, een heet wijf van de Russische toendra’s.”
“Hoe kom je daar nou bij? Ik kom uit Rotterdam Zuid.”
“Vrouwen kunnen altijd zo goed de erotische mystiek met één opmerking om zeep helpen.”
“O, ben je nou niet geil meer?” vroeg Natacha.
“Best wel,” antwoordde Freek Torso. “Maar nu is het even tijd voor een wijze levensles.”
“Wijze levensles? Wie zit daar nou op te wachten? We staan op het punt om een forse wip te maken.”
“Neem van mij aan, stomme turfkut,” zei Freek Torso terwijl hij de keel van Natacha dichtkneep, “wurgseks is van alle tijden.”

Apeldoorn, januari 2008

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Schandvlek op de werkplek: De hel

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 21:41

Ineens had ik dan een andere werkplek. Had ik al verteld dat ik op mijn oude plek boventallig was geworden? ‘Doorontwikkeling’ noemde de grote baas het. Dat was managementtaal voor ‘reorganisatie’. Zo kwam mijn functie te vervallen. Na een heel loopbaantraject vol gesprekken, workshops, assessment en andere omzwervingen kwam ik dan hier terecht. Een nieuwe werkplek vol kansen en uitdagingen, niet eens zo heel gek ver van mijn huis. Nog geen half uurtje fietsen.
Ik had een kennismakingsgesprek gehad een week geleden en ik was bijzonder vriendelijk ontvangen door alle collega’s. Mijn naam was me vooruit gesneld. Ze hadden nogal hoge verwachtingen van mij. Oei, en die moest ik nu waar zien te maken.

Ik was extra vroeg van huis gegaan. “Je wilt op je eerste dag toch niet meteen te laat komen, hè?” was mijn gedachte. Het was nog pikkedonker op straat. Ik trapte flink door, op zoek naar de snelste route naar het werk dat op mij wachtte.
Ik wist dat ik een gevaar op de weg was. Op mijn ATB zat geen licht. De avond ervoor was ik met mijn zoon naar zijn school geweest voor een gesprek met zijn klassenmentor. We hadden onze fiets geparkeerd bij het kleine stationnetje. Toen we terugkwamen was het rijwiel van mijn zoon verdwenen. Vandaag was hij op mijn fiets naar zijn school in Twello. En was ik dus genoodzaakt om mijn sportfietsje te gebruiken. Gelukkig vond ik een route die zo veel mogelijk over fietspaden en zo min mogelijk over de openbare weg ging. Behalve het laatste stuk.
Daar in de verte doemde het gebouw op. Ik hoefde alleen nog maar deze weg over te steken. Het was niet eens druk. Ik wachtte voor de haaientanden. Van rechts kwam een bestelauto. Zijn knipperlicht ging aan. Hij wilde naar links, de straat in waar ik net uit kwam.
Veel te vroeg sloeg de auto af. Hij nam de korte bocht. Ik zag hem recht op mij af komen.
“Hooo!” riep ik nog. Volkomen zinloos. Ik hief mijn rechterbeen en arm op in de hoop de klap te kunnen opvangen. Voor ik het wist lag ik op de motorkap. Gelukkig had de bestuurder al flink afgeremd. De smak die ik maakte was aanzienlijk, maar niet echt hard.
De man stapte uit en hield zijn hand geschrokken voor zijn mond.
“Gaat het, meneer?” vroeg hij.
Ik stond inmiddels weer met beide benen op de grond en pakte mijn fiets op. “Ja, ik mankeer niets,” antwoordde ik.
“Ik zat helemaal fout,” zei de man nederig. “Bent u echt ongedeerd?”
“Het is meer de schrik.”
“Sorry. Het is ook nog zo donker en u bent ook donker gekleed. Ik zag u echt niet.”
“En ik stond stil. Dan zie je ook mijn verlichting niet.” Ik zei maar niet dat ik helemaal geen licht op mijn fiets heb. “Heeft u schade aan de auto?”
Hij keek eens naar zijn bumper en controleerde de motorkap. “Nee, volgens mij niet. En u? Is uw fiets nog heel?”
Ik bekeek mijn rijwiel en knikte. “Geen mankement.”
Snel nam de man afscheid en scheurde hij weer weg. Ik stapte trillend op mijn fiets en reed het laatste stukje stapvoets.

Binnen brandde licht. “Dan zal er al wel een collega zijn,” concludeerde ik. Ik was wel tien minuten te vroeg. De automatische schuifdeur ging niet uit zichzelf open. “Dan heeft de collega die binnen is uit veiligheid de deur weer achter zich dicht gedaan.” Uit mijn broekzak haalde ik de sleutel die ik vorige week overhandigd had gekregen. Ik stak hem in het slotje en duwde de schuifdeur open.
“Er is al iemand binnen, dus hoef ik de code niet in te voeren,” sprak ik tot mijzelf. “Het alarm is er al af.” Ik liep verder de gang in.
Plotseling klonk er een gierende sirene. Het geluid sneed door mijn nog trillende lijf en deed pijn aan mijn oren.
“Kut.” Het alarm was er helemaal niet af. “Wat moet ik nou doen?” Snel liep ik terug naar het kastje bij de voordeur. Ik opende het deurtje en drukte de code in. De snerpende sirene stopte. “Maar nu?”
“Wat is er allemaal aan de hand?” klonken ineens verschillende stemmen. Ik keek om. Daar stonden al mijn nieuwe collega’s, die zojuist waren binnengekomen.
De telefoon ging. “Shit, dat is natuurlijk de alarmcentrale.” Snel rende ik het kantoor in. Ik nam op en noemde mijn naam.
“Alarmcentrale. Wij krijgen zojuist een melding binnen.”
“Eh ja, dat kan wel kloppen. Ik loop hier naar binnen en het alarm gaat af.”
“Nu hebben wij een code van u nodig.”
“Maar die heb ik net ingetypt.”
“Een registratiecode bedoel ik, meneer.”
“Joh, ik kom hier vandaag voor het eerst. Ik denk dat ik het allemaal goed doe en dan gaan er allemaal toeters en bellen.”
“Kan gebeuren, meneer. Maar ik heb toch echt die registratiecode van u nodig.”
“Ik zal ’s kijken. Heeft u een momentje?”
“Zeker.”
Ik legde de hoorn neer. De collega’s stonden met open mond naar mij te kijken.
“Een registratiecode,” praatte ik hardop in mijzelf. Ik zoek altijd de meest intelligente op om tegenaan te lullen. “Waar vind ik die? Wacht, tijdens het kennismakingsgesprek kreeg ik niet alleen een sleutel, maar ook een briefje met een zwik codes erop.” Snel liep ik naar mijn nieuwe postvakje. Daar vond ik het briefje. In een flits stond ik weer bij de telefoon.
“Ik heb hem.” Ik noemde de cijfers van de code.
“In orde, meneer. Tot ziens.”
De verbinding werd verbroken. De collega’s stonden me nog steeds aan te gapen. Nu dan écht aan het werk.

“Bas?” vroeg een van de nieuwe collega’s. “Mag ik jou wat vragen?”
“Dat heb je bij deze dan gedaan.”
“Jij bent hier toch onze nieuwe computerexpert?”
Ik schrok van de hoge verwachtingen van de nieuwe collega. “Is dat zo?”
“Ben je een beetje technisch?”
“Nou, het is maar hoe je het bekijkt.”
“Jij bent hier de enige man. Dus moet ik wel bij jou zijn.”
“Wat is het probleem?” vroeg ik.
“Internet ligt eruit. Wil jij ’s kijken?”
“Waar zal ik dan ’s kijken?”
“Jij bent de expert,” zei ze.
Tijdens de rondleiding had ik een kast gezien met daarin allerlei bedrading. Daar zou de internetverbinding wel binnenkomen. Maar waar was die kast ook weer? Dit gebouw is een waar doolhof.
Een half uur later had ik de kast teruggevonden. Inderdaad, een wirwar aan kabels, stekkers en ledlampjes. Ergens moest de lijn zijn waardoor de internetverbinding binnen kwam. Ik zag door de bomen het bos niet.
“Misschien moet ik gewoon even het modem resetten.” Maar wat was het modem? Op goed geluk trok ik een stekker eruit. Op datzelfde moment ging het licht uit. Van overal uit het gebouw klonken boze kreten van collega’s.
“De stroom ligt eraf!” De stemmen kwamen dreigend dichterbij.
“Dit is geen nieuwe werkplek vol kansen en uitdagingen,” zei ik tegen mijzelf. “Dit is de hel.”

Apeldoorn, januari 2008

(Met dank aan tijl. Hij gaf me toestemming om de titel van zijn succesvolle reeks te gebruiken!)

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

De avonturen van Freek Torso 1

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 21:38

Freek Torso kroop van zijn vrouw af en sloeg zijn benen buiten het bed.
“Dat was weer eens als vanouds, Freek,” hijgde zijn vrouw. “Vier keer maar liefst. En jij?”
Freek Torso vond zichzelf te bescheiden om er eerlijk antwoord op te geven. Hij stond op. Zijn bezwete lichaam koelde nu snel af. Zijn erectie was veranderd in een slappe zooi. “Zo heet als ik net was, zo koud heb ik het nu.”
In de badkamer nam hij een uitgebreide douche. Toen liep hij terug naar de slaapkamer, pakte zijn kleren van zijn stoel en kleedde zich aan.

“Maak je het niet te laat vandaag?” vroeg zijn vrouw.
“Dat merk je wel,” snauwde Freek. Als hij eenmaal aan zijn gerief was gekomen, moesten ze een tijdje niet aan zijn kop zeiken. “Daar heb jij geen zaken mee. Ik doe het zware werk, en jij doet het huishouden. Zo klaar is dat!”
“Nou zeg!” riep zijn vrouw uit. “Ik vraag alleen maar of je op tijd thuis wil komen, zodat ik weet hoe laat ik de piepers op moet zetten!”
“Altijd maar piepers!” schreeuwde Freek. “Kennen jullie wijven nou nooit eens iets anders verzinnen?”
“Het is ook nooit goed,” snikte ze.
“Weet je wat het is?” brieste Freek hoofdschuddend. “Het enige moment dat je je als man bij een vrouw echt prettig voelt, ligt zij er doorheen te kreunen!”
Met een klap gooide hij de slaapkamerdeur achter zich dicht. Beneden zette hij koffie en wilde hij een boterham maken. Toen hij de kaas uit de koelkast pakte, stond de kat Kots al naast zijn voeten. Ze zette haar nageltjes in Freeks been. Kaas was haar lievelingskostje.
“Flikker op, stomme kutkat,” siste Freek en hij gaf het beest een schop. De kat Kots zeilde over de gladde vloer de keuken uit en gooide in de woonkamer een pot met kamerplant om. “Morgen bedenk ik een goed recept voor gestoofde kat.”

Shit, het was al laat. Dat vluggertje bleek zo vlug niet te zijn geweest. “En ik moet de vuilnisbak nog buiten zetten.” Hij ledigde zijn mok koffie voor de helft in een grote teug en liep naar buiten. Daar stond de grijze container bij het schuurtje. Freek pakte hem bij het handvat en bracht hem naar de hoek van de straat. “Gloeiende, de buurtmongolen hebben hun auto’s en vuilbakken weer zo neer gezet, dat die van mij er niet tussen kan. Tijd voor wat ochtendgymnastiek.”
Met handige bewegingen gooide Freek wat containers in de struiken van de gemeentetuin en zette die van hemzelf op de juiste plaats. Toen liep hij naar een van de auto’s die er vlak naast geparkeerd stond. Met de hak van zijn laars trapte hij een deuk in het portier. Er ging niet eens een alarm af. “Wat een losers wonen er toch in deze buurt.”

Freek Torso stapte in zijn Audi en scheurde de straat uit. “Opzij, lummels!” riep hij naar de schoolgaande jeugd. Eén jongen keek niet goed uit en zwalkte halverwege de straat. De Audi raakte hem zachtjes, maar de jongen vloog over de motorkap. Veel zorgen maakte Freek zich niet.
“Eindelijk eens iemand die actief iets doet aan de overbevolking,” was zijn stille conclusie en hij zette zijn Audi in z’n vier. Hoe heerlijk voelde zijn voet aan op het pedaal! Zeker als je hem helemaal intrapte. Op straat sprongen mensen opzij. Hij voelde zich de koning te rijk.
Tevreden dacht hij terug aan de wilde sekspartij van nog geen uur geleden. Dat was een ruige bende. Hij had zijn vrouw eraan laten wennen om de meest bizarre houdingen aan te nemen. Zo kon hij gewoon lekker tekeer gaan. Dat ze er zelf ook van genoot, was voor Freek niet echt van belang, maar toch mooi meegenomen. “Vier keer,” dacht hij, terwijl hij met zijn tong zijn lippen aflikte. “Dat is geen vijf.”

Agent Van der Pot stond met zijn motor langs de kant van de weg. Het was net te licht geworden om nog meer jongeren zonder verlichting op de fiets te bekeuren. Hij startte net zijn motor, toen er een Audi met monsterlijke snelheid langs hem heen reed. Agent Van der Pot twijfelde geen moment en ging de auto achterna.

“De klabakken!” bromde Freek Torso, toen hij in zijn achteruitkijkspiegel keek. Snel gaf hij gas bij. “Nee, dat kan niet, want ik zit al op de bodem.” Ineens was de motoragent naast hem en even later zelfs voor hem. “Hmm, eens kijken hoe ik dit oplos.”
Freek trapte wild op de rem. De wagen slipte en draaide honderdtachtig graden. “Een ware Torso-beweging.” In de spiegel zag hij dat de motor ook was omgedraaid. Freek maakte vaart. De motor was nu vlak achter hem. Opnieuw drukte Freek plotseling het rempedaal in. De motor klapte met een doffe dreun tegen zijn kofferbak. “Een kar is om mee te rijden, niet om zuinig mee te zijn.”
De agent rolde over de carrosserie heen en belandde op de voorklep. De Audi stond inmiddels helemaal stil. Freek stapte uit en liep naar de agent. “Wat moet dat? Kijk uit waar ik rijd!” Hij pakte de diender bij zijn jasje en schudde hem flink door elkaar. “Waarom ga jij geen boeven vangen?”
Agent Van der Pot voelde zich niet sterk genoeg om hier iets op te zeggen.
“Nog onbeleefd ook? Niet eens antwoord geven als ik iets vraag? Moet jij eens heel goed luisteren. Als ik eenmaal aan mijn gerief ben gekomen, moet je een tijdje niet aan mijn kop zeiken.”

Freek opende zijn colbertje en haalde uit zijn binnenzak zijn mes te voorschijn. Hij hoefde niet eens veel kracht te zetten om het bestek tot aan het heft in het zachte vlees van de hals van agent Van der Pot te drukken.
In de verte klonken sirenes.
“Tijd voor een levensles,” zei Freek Torso tegen de rochelende diender. “Het grote nadeel van seks vroeg in de morgen is dat de rest van de dag zo zinloos wordt.”

Apeldoorn, januari 2008

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Geheime ontmoeting

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 21:37

Ze stak haar hand uit. Ik pakte hem aan.
“Hallo,” zei ik. “Ik heet Bas.”
Ze zei haar eigen naam met zachte stem.
“Ik vind het leuk om je eens in het echt te ontmoeten,” vertelde ik om het ijs een beetje te breken, “na die weken van digitaal contact.”
“Nou inderdaad,” zei ze. Ze kreeg een kleurtje op haar wangen.
“Waar zullen we gaan zitten?” vroeg ik. “Ginds is een tafeltje vrij.”
Ze knikte en liep voor me uit. We gingen zitten aan de lege tafel.
“Wil je iets drinken?”
“Het is nog vroeg,” zei ze. “Doe maar een cappuccino.”
Er kwam een jongeman aan het tafeltje staan. “Zegt u het maar,” zei hij.
“Een cappuccino,” zei ik. “En voor mij een gewone koffie.”
“Komt eraan.” De jongeman liep weg.
“Hoe lang heb jij?” vroeg ik haar.
Ze keek op haar horloge. “Een uur,” zei ze. “Ik moet om twee uur vanmiddag in Brabant zijn op mijn werk. En jij?”
“Ook zoiets. Het maakt niet echt uit. Ik zou in de loop van de dag bij een vriend in Gouda binnenlopen, maar een exacte tijd hebben we niet afgesproken.”
“Wel toevallig dat we allebei hier in Utrecht moesten overstappen.”
“Nou, er gaat ook een directe trein van Apeldoorn naar Gouda. Maar toen jij voorstelde om elkaar hier te ontmoeten, toen was de keus tussen de rit met of zonder overstap niet moeilijk.”
De jongeman stond weer naast ons. In zijn hand had hij een klein dienblaadje met daarop twee koppen. “Eénmaal cappuccino,” zei hij terwijl hij de grote kop op tafel zette. “En een gewone koffie.”
“Dankjewel,” zei ik. De jongeman liep weer weg.
Ik pakte mijn kopje bij het oortje beet en hief het in de lucht. “Nou, proost,” zei ik tegen het meisje tegenover me. “Op de lijfelijke kennismaking.”
Ze moest lachen. Ik nam een slok en keek de lunchroom hier op het station eens rond. Het was er druk. Wat wil je ook op zaterdag aan het eind van de morgen? Aan de muren hing reclame van bier en damesdrankjes. Ook werden appeltaart en speciale koffies aangeprezen. Achter de toonbank waren wat jongelui aan het werk. Andere jongeren liepen heen en weer om klanten te bedienen.
“Lekker,” zei het meisje aan de andere kant van mijn tafeltje.
“Ja, de koffie is hier niet verkeerd.”
Terwijl ik weer wat van het zwarte goedje uit mijn kopje slurpte, bekeek ik haar eens goed. Daar zat ze. Het meisje met wie ik nu al een paar weken ’s avonds zat te kletsen via een forum. Ook op msn troffen we elkaar en af en toe stuurden we mailtjes. Nu zat ze dan voor het eerst in levende lijve bij mij aan tafel. Ze was niet al te groot, met wat korte benen en brede heupen. Ze droeg een spijkerbroek met laarsjes. Haar jas had ze over haar stoelleuning gehangen. Om haar hals hing een roze sjaaltje. Ze had blonde halflange haren. Voortdurend glimlachte ze verlegen. Maar haar echte blikvangers waren haar donkere ogen, die ze nog eens extra had geaccentueerd met mascara. Allemensen, wat vond ik haar mooi.
“En?” vroeg ze ineens. “Ben ik een beetje zoals je me had voorgesteld?”
“Je had me dat fotootje van je gestuurd, dus ik wist wel ongeveer hoe je eruit ziet. Maar op het internet kun je je makkelijk anders voordoen dan dat je werkelijk bent.”
Ze giechelde. “Hoe kwam ik op je over dan?”
Ik schrok een beetje van de directheid van haar vraag. “Eh, nou,” hakkelde ik. “Uit je posts en pm’s maakte ik op dat je een vlotte babbel hebt. Je leek me een adrem iemand die veel en makkelijk praat, en al snel het gesprek beheerst.”
“Val ik je tegen?”
“Nee joh, maar je bent gewoon een beetje anders dan dat ik verwachtte.”
“Wat had je dan verwacht?”
“Wat ik al zei, een jonge vrouw die niet bepaald op haar mondje is gevallen.”
“En hoe kom ik nu dan op je over?”
“Je weet me wel voor het blok te zetten, zeg,” zei ik met een rood hoofd. Het meisje tegenover me zat te grinniken. Ik moest ook lachen.
“Ik zit je te plagen,” zei ze.
“Oef, gelukkig, zeg.”
“Maar serieus. Wat vind je van me?”
Nu was het mijn beurt om te grinniken. “Je bent nieuwsgierig, hè?”
Ze keek me stilletjes aan en knikte.
“Weet je,” zei ik zachtjes tegen haar, “ik had echt verwacht dat er hier een dame tegenover me zou zitten die nogal dominant is en andere mensen manipuleert. Fouter kon ik het niet hebben. In het echt blijk je een rustig, wat verlegen meisje dat goed observeert, en dat haar eigen koers vaart.”
“Precies.” Ze lachte weer. “Je hebt me aardig snel door.”
“Op het internet kom je vaak heel rechtstreeks uit de hoek.”
“Ja, daar kan ik mijn ware aard goed verbergen. Iedereen denkt dat ik een bitch ben, vanwege mijn harde grapjes en directe manier van reageren.”
“En iedereen reageert daar weer op. Je hebt een hoop mensen die ingaan op wat jij zegt. Je hebt over belangstelling niet te klagen.”
“Dat is in het echt wel anders.”
“Ja? Is dat zo?”
Ze knikte. “Ik ben nogal op mijzelf. Dat ben ik altijd al wel geweest. Zal wel door vroeger komen.”
“O? Hoe zit dat?”
“Ik heb nooit een vader gekend. Mijn moeder was ongehuwd toen ze zwanger van mij raakte en heeft mij in haar eentje opgevoed. Ze moest ook voor het geld zorgen, dus ik was van jongs af aan veel alleen thuis. Zeker toen ik later in de puberteit kwam, botsten mijn moeder en ik nog wel eens met elkaar. We hadden vaak onenigheid.”
“Voelde je je als kind door die situatie ongewenst?”
“Nee, dat niet. Maar ik ging gewoon veel mijn eigen gang en trok niet veel met andere kinderen op. Dat heeft gemaakt tot hoe ik ben. Ik ben vaak erg onzeker en verlegen. Dat stoot af.”
Ik legde mijn hand op die van haar. “Mij niet.”
Ze glimlachte en sloeg haar ogen neer.
“Heb je een relatie?” vroeg ik haar.
“Nee. Ik heb er twee jaar geleden wel een gehad. Ik denk daar niet met veel plezier aan terug.”
“O? Heb je nare ervaringen opgedaan?”
Ze gaf niet direct antwoord. Ik vroeg: “Vind je het vervelend dat ik ernaar vraag?”
“Nee, dat is het niet. Ik heb er gewoon geen leuke herinneringen aan. Laat ik het er maar op houden dat hij zijn handen niet thuis kon houden.”
“Ach zo. Dat klinkt heel naar en ingrijpend.”
“Dat was het ook. Maar laten we over iets gezelligs praten.”
“Begin jij maar.”
Ze lachte alweer. “Hoe is het bij jou thuis? Ben jij gelukkig getrouwd?”
“Ja, nogal,” moest ik zeggen.
“Weet je vrouw dat je nu hier met mij zit?”
“Ja hoor, we hebben geen geheimen. Maar verder weet niemand het. Is het toch een beetje een geheime ontmoeting.”
Ze lachte. “Fijn dat je zo open met haar kunt zijn. Dat je ook af kunt spreken met een andere vrouw zonder dat ze meteen jaloers is.”
“Ach, ze maakt zich wel eens zorgen over mijn omgang met andere vrouwen, maar ze weet dat ik altijd weer thuis kom.”
“Dat lijkt me heel prettig.”
“We hebben het ook erg leuk samen. Onze zoon wordt nu wat ouder en zelfstandiger.”
“Hoe oud is hij?”
“Vijftien. Hij gaat steeds meer zijn eigen gang. We kunnen hem steeds meer loslaten. Dat betekent dat wij weer meer tijd hebben voor de dingen die we zelf leuk vinden om te doen. Hij hoeft niet meer overal mee heen.”
“Vijftien al? Jeetje. O ja, jij was de veertig al gepasseerd, hè?” zei ze plagerig.
“We blijven wel beleefd, ja?” zei ik terug met een lach en een knipoog. “Hoe oud ben jij?”
“Vierentwintig. Ik kom pas kijken.”
“Nou, je hebt al genoeg meegemaakt, als ik je verhalen zo hoor.”
“We zouden het over gezellige dingen hebben,” zei ze. “Ga je nog iets bijzonders doen bij die vriend van je?”
“Ik begrijp dat je liever niet over je verleden wilt praten, hoor. Die vriend heeft mijn website in elkaar gezet. Ik heb nog wat vragen en problemen en die gaat hij vanmiddag voor mij oplossen, hoop ik.”
We praatten over hobby’s. Over het schrijven van verhalen en columns. Over muziek die we mooi vinden. Over werk in de gehandicaptensector en in de supermarkt. Over opleidingen. Over het huis waarin we wonen. Zij is alleen en ik heb een gezin. We spraken over alles en we hadden tijd tekort. We kwamen ook ogen tekort. Steeds weer was mijn blik gevangen door haar frisse jonge gezicht en strandde ik in die prachtige ogen die leken te kijken in het diepste van mijn ziel. Lieve help, hier gebeurde iets bijzonders.
Voor mij veel te snel keek ze weer op haar horloge. “Nou, ik moet gaan,” zei ze. “Mijn trein vertrekt zo.”
“Die van mij straks ook.” Ik stond op. Zij ook. “Hee, nogmaals: ik vond het leuk om je eens te ontmoeten. Het is toch altijd fijn om een levend gezicht te kennen achter de schuilnaam op het internet.”
Ze glimlachte en knikte. “Dat vind ik ook.”
“Nou. Dag. Zullen we eens wat uitgebreiders afspreken?”
“Leuk idee.” Zag ik dat nou goed, of bloosde ze weer?
Ik schudde haar hand. Ineens strekte ze zich naar mij uit en gaf me een zoen op mijn wang.
“Weet je,” zei ze zacht. “Het is net alsof ik jou al heel lang ken.”
“Dat is toch ook zo? We hebben bijna dagelijks contact. Dat is niet voor niets. Ik mag graag met je kletsen.”
“Je bent lief.” Met dat ze het zei, keek ze me diep in mijn ogen.
Ik wist niet wat ik moest zeggen en glimlachte.
“Ik moet echt gaan,” klonk haar stem. Ze liet mijn hand los en draaide zich om. Toen liep ze weg. Ik keek haar na. Op het moment dat ze de deur van de lunchroom opende, draaide ze zich nog eventjes om. Met een brede glimlach zwaaide ze naar me. Ik zwaaide naar haar terug. Door de ruit van de deur zag ik dat ze op het station naar een roltrap liep.
“Oei,” dacht ik. Ik moest slikken. “Er breken moeilijke tijden aan.”

Apeldoorn, december 2007

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

De uitverkorene

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 21:35

Zolang ik hier kan blijven liggen, vind ik het best. Ik heb niet zoveel behoefte aan al te veel gedoe aan mijn hoofd. Het liefst blijf ik hier.
Geen idee hoe lang ik hier al lig. Volgens mij ben ik nog niet zo oud. Tenminste, ik voel me jong. Vraag me niet naar mijn leeftijd. Ik was er ineens, zo lijkt het. Daarvoor bestond ik uit verschillende componenten. Voor mijn gevoel werden die componenten samengevoegd en ineengedrukt, waardoor ik deel leek te zijn van een grote massa. Die massa werd weer uiteengereten. Plotseling was het korte tijd heel warm en kwam ik tot leven. Zo ontstonden mijn lotgenoten en ik. Althans, zo is het in mijn beleving gegaan. Ik heb geen scherpe herinneringen.
Ondanks dat ik me zo jong voel, toch merk ik ook wel dat ik ouder word. Mijn vel wordt rimpelig en minder flexibel. Ik heb last van uitdrogingsverschijnselen. Ik lig ook op een harde ondergrond. En dat ik zo dicht tegen mijn collega’s aangedrukt word, maakt het er ook niet prettiger op.

Maar wat een schitterend uitzicht heb je vanaf hier, zeg. We liggen gezamenlijk knus bij elkaar. Ik kan goed ver weg kijken, want ik heb een mooie plaats aan de buitenkant. In het midden van mijn blikveld staat een grote boom. Er hangen lichtjes in en zilveren slingers en ballen. Overal om ons heen zie ik van die lampjes. Het lijkt wel of er wat te vieren is. Naast de boom staat een klein stalletje met beelden van mensen en dieren erin.
Het is hier lekker warm. We zijn in een woonkamer. Er hangt een grote ster voor het raam. Af en toe komt er een mens langs ons heen lopen. In de avond zitten de mensen rond de boom. Ze kijken naar een vierkante kast waarin iets beweegt.

Soms loopt er zo’n mens langs en stopt dan bij ons. Dan houden we allemaal onze adem in. We weten wat er komen gaat. Op zo’n moment wordt een van ons uitverkoren. De mens pakt de uitverkorene uit ons midden weg. We zien hem nooit meer terug, maar kennen het lot dat hem boven het hoofd hangt. Het is de reden van ons bestaan.

Ughe ughe! Sneeuw daalt op mij en mijn lotgenoten neder. De vrouw des huizes heeft de bus met poedersuiker gepakt en over ons uitgestrooid. Dit gebeurt wel vaker. Het maakt ons klaar voor consumptie.
Opnieuw komt er iemand bij ons staan. Het is een klein mens van de mannelijke soort. Hij pakt de collega die naast mij ligt. De bofferd. Hij is uitverkoren. Maar nu heb ik wel iets meer ruimte. Dat is ook prettig.
Iets verderop ligt ook een collega van een andere soort. Daar waar wij meer een stoere ronde uitstraling hebben, daar ziet hij er meer uit als een vettige flap.

De kleine mens is niet de enige die hier in de buurt woont. Voor zover ik het goed heb kunnen waarnemen, wonen er vier mensen in dit huis.
Je hebt dan die jongen. Hij heeft een puisterig gezicht en schreeuwt veel naar de andere mensen. Er is ook een man, duidelijk de vader. Hij gedraagt zich rustig. Er hangt lang haar over zijn schouders. Hij loopt vaak naar een apparaat dat in een kast staat. Hij drukt ergens op en even later horen we mooie klanken door de kamer. Een andere belangrijke persoon is de moeder van dit gezin. Zij zit veel te praten met de andere mensen. En iedereen praat ook met haar.
Tenslotte is er een jonge vrouw, waarschijnlijk de dochter. Allemensen, wat is zij mooi. Ze heeft lange haren en donkerbruine ogen. Het is dat ik een andere levenstaak te vervullen heb, maar anders zou ik wel eens willen proberen contact te maken. De enige hoop die ik heb, is dat zij mij als uitverkorene zal pakken.

Soms komen er ook andere mensen in dit huis. Zij blijven nooit lang. De moeder wijst naar onze woonplaats en dan komt een zo’n bezoeker naar ons toe en kiest een van ons uit.
Op dit moment is er zo’n vreemde in huis. Aan het gezicht zie ik dat het familie van de moeder moet zijn. Ze is alleen veel ouder. Ik denk dat het de moeder van de moeder is. Ze praat veel en met schelle stem. De vader, de jongen en de mooie dochter praten niet met haar. Ze gaan wat achteraf zitten.

Het leven van mijn soort is kort, maar geen van ons twijfelt aan het belang ervan. Wij zijn er om de Mens te dienen. Als we dat goed doen, zullen we een veilige plek krijgen in het hiernamaals van mijn soort. Wat is er mooier dan je levensbestemming vervuld te zien? Ik zou het niet weten. Niemand twijfelt ook aan die bestemming. Wij krijgen het vanaf ons allereerste ontstaan diep in ons mee. Noem het instinct. Niemand die ons hoeft te wijzen op die bestemming. Wij hebben geen boek nodig; wij weten het gewoon. Wij zijn, dus wij dienen.

Ineens hoor ik lawaai van buiten dit huis. Het zijn oorverdovende knallen om ons heen. De vader heeft een fles gepakt en maakt die open. Hij giet vloeistof uit de fles in hoge glazen.
De moeder is opgestaan en loopt naar ons toe. Ze pakt de schaal waarop wij liggen en loopt ermee naar de anderen. Ik geloof dat er een belangrijk moment is aangebroken. Meerdere van ons zullen worden uitgekozen. De moeder houdt de schaal eerst bij de gast, de oude vrouw.
Ik bid dat ze mij overslaat en een collega zal uitkiezen. Nee! Ik wil niet door haar uitgekozen worden, maar door de mooie dochter!

De dikke knuisten van het wijf knijpen mij bijna fijn. Tegenstribbelen kan ik niet. Ik zie nog net dat de dochter haar keus heeft bepaald op die slappe flap. Ondertussen vlieg ik door de lucht in de richting van het tandeloze, gapende gat van het oude wijf.
Dus nu is hier het moment gekomen om afscheid te nemen van mijn aardse bestaan. Ik zal nog heel even voortleven in het maag-darmkanaal van iemand die even niet aan d’r cholesterol denkt. Bijtend maagzuur zal mijn verteringsproces in gang zetten. Na een lange tocht door twaalfvingere, dikke, dunne en endeldarm zullen mijn laatste resten, versmolten met die van lotgenoten, het lichaam verlaten in de vorm van goor ruftende excrementen. De weg naar mijn hiernamaals zal gaan door riolen.
Het oude wijf opent haar eetgat. Het moment is daar. Vaarwel.

Apeldoorn, december 2007

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Bazbo bakt ze bruin – Oudejaarscolumn

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 21:29

“Verroest, wat is het koud, zeg.” Ik wrijf mijn handen nog eens flink. In het schuurtje is geen verwarming. Gelukkig geeft het kleine gasstelletje wat warmte af. Ik heb de sjaal strak om mijn nek geslagen. Jammer genoeg kan ik geen handschoenen dragen. Het kan wel, maar het is zo onhandig nu.
Met een hand pak ik de grote lepel beet. Uit de emmer haal ik een flinke schep beslag. Ik laat het voorzichtig in de hete olie glijden. In de pan begint het onmiddellijk te spetteren en te knetteren.
“Ik met mijn grote muil ook altijd. Nee, ik zou dit jaar zelf oliebollen gaan bakken. Zie mezelf nu eens staan koukleumen hier.” Chagrijnig gooi ik de volgende schep in de olie. Er komt een spetter op mijn hand. “Au! Godsallahmachtige FOK!kerfuck!” Bliksemsnel heb ik mijn hand naar mijn mond gebracht. Ik druk mijn lippen over de pijnlijke plek.
“Dit is de eerste en de laatste keer dat ik dit doe!” sis ik naar mijzelf. “Heb ik meteen een goed voornemen voor het nieuwe jaar.”

Tja, goede voornemens. Ieder jaar zeurt iedereen erover. Ik heb nooit goede voornemens. Wat een onzin. Alsof ik zelf ontevreden ben over mijn leven. Als je het beter of anders wilt, dan had je dat allang moeten gaan doen. Daar heb ik geen goede voornemens voor nodig.
“Verhip, zeg. Wat gaat dat bakken langzaam.” Ik zet het vuur onder de pan nog wat hoger. Misschien gaat het dan sneller. De blauwe vlammetjes komen nu tot halverwege de buitenwand van de oude zwarte frituurpan.

Wat een jaar was 2007. Al bakkende mijmer ik over de afgelopen twaalf maanden. Alsof we nog niet genoeg terugblikken hebben gehad, de laatste weken.
“In het jaar 2007 heb ik een boel mooie dingen meegemaakt. We maakten een schitterende vakantiereis naar Istanbul. Een onvergetelijke belevenis. Kom de foto’s maar eens bekijken. Ook waren we op muziekfestivalletjes in Noord-Oost Duitsland en Groot-Brittanië. Ik startte mijn eigen website vol verhalen en foto’s. Het kost me wekelijks wat tijd, maar wat ziet hij er goed uit. Dank aan AarJan voor zijn technische bijdragen. Zonder hem was het er nooit van gekomen. En tjonge, wat een lieve meisjes heb ik dit jaar weer ontmoet. De gedachte aan ze alleen al doet me zuchten. Ik noem geen namen. Ze weten zelf wel dat ze het zijn. Verder heb ik in het afgelopen jaar wederom een ontzettende hoeveelheid goede muziek gekocht. Mijn verzameling blijft maar groeien. Zoonlief groeit trouwens ook als kool. Hij pubert lekker en vond een goed passende vervolgschool.
In januari werd ik columnist bij FOK! Meer dan zeventig stukken zijn er inmiddels van mij geplaatst. Ik ben productief geweest. Mijn boek komt er vroeg of laat ook.”
Ik heb nog een halve emmer beslag over en ik ben het al ruim zat. Nonchalant mik ik een kwak beslag in de olie. Nu kijk ik wel uit dat de olie niet over mijn lijf of kleren spat.

“Aan de andere kant was er ook een boel narigheid in 2007. Mijn functie hield op te bestaan. Ik kwam terecht in een traject van assessment en herplaatsing. Klinkt mooi, maar ik was dus gewoon mijn baan kwijtgeraakt. De broer van mijn vrouw overleed op veel te jonge leeftijd. De wasmachine ging stuk en bleek niet te repareren. Hup, daar gingen de spaarcentjes. Mijn vader kwam op het idee om eens van een ladder af te lazeren. Terwijl hij een week in het ziekenhuis lag met een gebroken heup, waren de kinderen druk met de zorg voor moeder, en met het organiseren met de nazorg voor pa. Twee fietsen van mijn zoon werden gejat. En van die leuke lieve meisjes heeft er niet één tegen me gezegd dat ze tot in het diepst van haar ziel van mij houdt. Potjandosie, wat een takkejaar.”
Zonder dat het me verder nog iets kan schelen, gooi ik de volgende klont beslag in de olie. Ik doe het iets te ongecontroleerd. Een grote golf braadvocht slaat over de rand. Dan slaat de vlam vol in de pan.

“Oei,” breng ik uit. Hoe ging het ook weer? Bij een vlam in de pan moet je nooit met water blussen, want dan krijg je een steekvlam. “Het deksel erop!” gil ik tegen mijzelf. Maar waar is die? Ik kijk om mij heen. Nergens een deksel te bekennen. Wat kan ik er dan overheen leggen? Het enige dat ik zie is een klein plankje. Vlug leg ik het op de pan. Het dekt net niet helemaal af. Een vlam komt door de opening en raakt mijn hand.
“Shit.” Ineens gaat alles heel snel. Het plankje vliegt onmiddellijk in de fik. De vlammen schieten hoog uit de pan. In een mum van tijd staat het dak in brand. Voor ik iets kan doen, is de hele schuur gevuld met vieze rook en moordende hitte. De hele hut staat in lichterlaaie. “Weg hier,” knalt het door mijn kop. Ik ben nog bij mijn positieven genoeg om de deur van de schuur achter me dicht te doen. Door het raam zie ik dat het vuur woest om zich heen grijpt.
“Een goed uiteinde,” galmt het om mij heen. Als verlamd sta ik aan de grond genageld. Dan komen de vlammen boven het dak van de schuur uit. Ik krijg het warm en moet wat stappen achteruit doen. “Ik moet toch iets doen,” bedenk ik mij. “De brandweer bellen?”
Als ik naar de voordeur loop, zie ik dat het vuur zich inmiddels nogal heeft uitgebreid. Het is overgeslagen naar mijn huis.
Van ver weg hoor ik sirenes aankomen. Het duurt even voordat ik mij realiseer dat ze voor mij komen. Het schuurtje zakt ineen. In mijn huis woedt een felle uitslaande brand. Terwijl mannen met witte helmen en in zwarte jassen langs mij heen rennen met slangen en andere blusmiddelen, denk ik: “Zo. Heb ik toch al één echt goed voornemen voor 2008: ik ga ’s een nieuw onderkomen zoeken.”

Apeldoorn, december 2007

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Opgesloten

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 21:28

“Schiet je op, Luc?” zei ik. “We zijn weer de laatsten.” De kleedkamer was leeg.
“Ja maar,” protesteerde hij, “ik kan niet zo snel.”
In een flits zag ik de gymmeester langs ons heen gaan. We waren de enigen nog in dit kleedhok. Ik hoorde een deur dichtslaan.
Luc was klaar met aankleden. We liepen naar de deur. Ik duwde de klink naar beneden en wilde de deur opengooien. Dat ging niet. Hij zat op slot.
“Oei, wat nu?” vroeg ik me hardop af. Ik keek door het grote raam naast de deur en zag dat de gymleraar met zijn auto van het parkeerterrein wegreed. “Wat nu?” vroeg ik nogmaals.
Luc raakte een beetje in paniek. Het jochie was inmiddels acht jaar, maar overzag niet goed wat er precies gebeurde. Ik kalmeerde hem en ging in het gebouw op zoek naar grote ramen waardoor we konden ontsnappen. Er waren wel grote ramen, maar die zaten op zeker zes meter hoogte in de sportzaal. Wat moet je dan?
1-1-2. Ik ging op zoek naar een telefoon. Gelukkig was de deur van de kamer van de sportinstructeur open. Daar stond een telefoon.

“1-1-2. Alarmcentrale.”
“Met bazbo. Er is niet echt sprake van superhaast, maar…”
“Dit is wel 1-1-2, hoor!”
“Luistert u even! Ik zit met mijn kind opgesloten in een gymzaal in Apeldoorn en ik …”
“Ik verbind u door.”
“Politie Apeldoorn.”
“Met bazbo. Ik heb een gek verhaal. Ik zit opgesloten in een gymzaal met mijn zoontje.”
“Waar bent u?”
“Noem ’s een gymzaal in de Drevenbuurt? Ik weet niet hoe deze straat heet.”
“We kijken wat we voor u kunnen doen.”

Luc ging voetballen en klimmen. Ik moest een beetje lachen. Luc niet zo. Op een prikbord aan de muur zag ik het telefoonnummer van de politie in Apeldoorn.
“Het duurt wel lang, hè?” vroeg ik Luc. “Zal ik nog eens bellen?”

“Politie Apeldoorn.”
“Ja. Nogmaals met bazbo. Ik zit nog altijd opgesloten in die gymzaal en …”
“Er is nog niemand geweest om u er uit te laten? Kunt u er zelf niet uit komen?”
“Nou, de enige mogelijkheid die ik zie is om een ruit te breken en dat lijkt me ook zo wat.”
“We hebben gebeld met het bedrijf, de beheerder van de gymzaal, en die zou iemand sturen om u er uit te halen. Hoe lang zit u daar nu al?”
“Ik weet het niet. Ik heb nooit een horloge om. Ik denk dat ik de eerste keer gebeld heb om kwart over vijf.”
“Het is nu bijna half zeven. Dit duurt te lang. Ik stuur iemand langs.”
Ik moest grinniken.
“Wat lach je, papa?” vroeg Luc.

Niet veel later verscheen er een broekie-uitziende Surinaamse Tamil voor het raam. Hij droeg een politie-uniform.
“Kunt u er niet uit?” hoorde ik hem roepen.
Ik begreep dat hij alleen op lengte was geselecteerd.
“Kunt u niet door het bovenraam?” vroeg hij.
Ik pakte de handgreep van het bovenraam. Het kon ongeveer vijftien centimeter open.
“Wat zegt u?” vroeg ik
“Kunt u niet door het bovenraam?” vroeg hij.
Ik begreep dat hij zijn politiepet bij een wasmiddel cadeau had gekregen.
“We kunnen er misschien wel door, maar het klapraam gaat niet ver genoeg open. We hebben een schroevendraaier nodig om de hendel tussen het kozijn en het raam los te draaien.”
“Ik ga kijken of ik er een in de wagen heb liggen.”
Niet veel later was hij terug.
“Ik heb er geen in de wagen; ik ga kijken of ik er in de buurt ergens een kan lenen.”
“Oké, je hebt een kruiskop nodig,” riep ik hem na.
We wachtten weer enige tijd.
Hij kwam zowaar terug met een kruiskop en overhandigde die mij onhandig door het bovenraam. Ik draaide de schroeven los die los moesten en tilde mijn kind omhoog. Luc bewoog zich spartelend door het bovenraam. De politieagent ving hem op. Vervolgens gooide ik zijn rugtas door de opening en ging op de verwarmingsradiator onder het raam staan. Ik zette mijn handen op de sponning van het bovenraam en duwde met mijn hoofd het raam open. Nog eenmaal diep ademhalen.
Ik zette af en begon aan mijn eigen klim naar de zo verlangde vrijheid.

Apeldoorn, december 2007

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Zet ‘m op, Carlo Piemol!

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 21:27

Carlo Piemol is in de badkamer.
Het is donderdag.
De donderdag na Kerstmis.
“Toch maar eens wegen,” denkt Carlo Piemol.
Carlo Piemol gaat op de weegschaal staan.
“76.5,” zegt de weegschaal.
“Shit,” mompelt Carlo Piemol.
“Vroeger woog ik nog geen 60 kilo.
76.5 is teveel.
Dat moet veranderen.”

“Waarom ga je niet naar de sportschool?”
Buurman Barman weet er alles van.
“Ik doe aan spinning.
Dat is goed voor je conditie.”
Carlo Piemol zegt: “Ik weet het nog niet.
Of het wel iets voor mij is.
En of het werkt.
En of het wel zo gezond is.”
“Kijk naar mij,” zegt Buurman Barman.
“Ik ben getraind.
En heb een goede conditie.”
“Maar ook heel vaak blessures.”
Carlo Piemol weet het nog niet.

“Vroeger bewoog de mens veel meer.
Hij deed zwaar lichamelijk werk.
In de fabriek.
Op het land.
In huis.
Auto’s had je nog niet.”
Buurman Barman zegt: “Gelukkig is dat nu niet meer.”
“Nee,” knikt Carlo Piemol.
“Nu heeft iedereen een auto.
Of zelfs twee.
Boodschappen op de hoek.
Met de auto.
We doen veel zittend werk,” zegt Carlo Piemol.
“En om dat te compenseren,
gaan we iedere week naar de sportschool.
Een uur lang je uit je naad bewegen.
Dat lijkt me niet gezond.”

Carlo Piemol zit bij de Mac.
Hij geniet van een quarterpounder.
Daar komt Buurman Barman langs.
“Nee, dát is gezond!” roept Buurman Barman.
“Hoezo?” vraagt Carlo Piemol.
“Het is mager rundvlees.
En er zit een boel sla bij.”
“En veel vette saus,” zegt Buurman Barman.
“Met suiker en zetmeel erin.
Dat kan ook niet gezond zijn.”
“Misschien heb je gelijk,” zegt Carlo Piemol.

Carlo Piemol kookt eten.
“Dat wordt weer lekker,” denkt hij.
“Raapstelenstamppot.
Gestoofde schorseneren met posteleinsalade.
En alles biologisch geteeld.
Niets geen chemische toevoegingen.
Allemaal vers uit de biologische winkel.
Op de fiets gehaald.
Ik ben al zeker vijf kilo kwijt.
Die Sonja Bakker kan de pot op!”

Zet ‘m op, Carlo Piemol!
Beweeg regelmatig.
En eet gezond.
Goede vetten.
Niet teveel aardappelen en rijst en pasta.
Veel verse groenten en fruit.
Raapstelen en schorseneren.
Aardperen en postelein.
Rabarber en pastinaken.

Eet smakelijk, Carlo Piemol!

Apeldoorn, december 2007

(Dit is deeltje 6 uit de Carlo Piemol serie.
Andere deeltjes zijn in voorbereiding.)

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Mayra en haar gitaar – een kerstverhaal

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 21:25

De tas met haar laatste bezittingen hangt op haar heup. Veel zit er niet meer in. Wat vuile kleren, een borstel voor haar lange haren, haar paspoort en een kleine spiegel.
“Getsie,” denkt ze in haar eigen taal. “Als het nou echte sneeuw was, dan vond ik het wel oké. Dit is natte troep.” Snel zoekt ze een plek om te schuilen. Daarginds is de luifel van een winkel. Als ze er is, haalt ze de gitaar om haar hals weg. Het is het meest waardevolle dat ze nog heeft. Ze legt de tas naast haar neer. Dan knielt ze en legt de gitaar op haar bovenbeen. Ze zet haar handen op de juiste plek en slaat een akkoord aan. Automatisch gaan haar vingers over de snaren. Onbewust weet ze precies wat ze moet doen. Zachtjes zingt ze de tekst.
“Wat een mooi liedje,” zegt ineens iemand naast haar. Ze kijkt op. Het is een kerstman. Zijn kleren zijn vuil. Een zwerver in een kerstmannenpak. Hij lacht vriendelijk naar haar. “Hoe heet het?”
Ze stopt met spelen. “Het lied heet ‘Mana’,” zegt ze zachtjes.
“Waar komt het vandaan? En waar gaat het precies over?”
“Uit Kaap-Verdië,” zegt ze. “Het is een lied over een meisje van het platteland. Ze droomt van een betere toekomst en zoekt haar geluk in de grote stad. Maar snel krijgt ze heimwee. Er is geen weg terug.”
“Ik vind het heel mooi,” zegt hij. “Hoe heet je?”
“Mayra.”
“Dag Mayra,” zegt de kerstman. “Ik heb veel werk te doen.” Ineens is hij weg.

Mayra blijft stilletjes zitten. Het is bijna Kerstmis. Ze denkt aan haar vaderland. Zo warm als het daar nu is, zo koud is het hier. Haar moeder is vast bezig met het bakken van brood, en haar vader zal een vreugdevuur hebben gebouwd om het naderende kerstfeest te vieren.
In de winkelruit kijkt ze naar de weerspiegeling van haar eigen gezicht. Ze ziet haar eigen jonge gelaat met de grote donkerbruine ogen erin. Volle lippen. En lang krullend haar, dat nu stug over haar schouders hangt. Er zit een grote zwarte veeg over haar wang. Had ze een cd gemaakt, dan had haar gezicht voor op de cover gestaan. Het mocht niet zo zijn. Op haar eiland had ze het arm, net als alle andere mensen. En dus koos ze voor een vlucht naar een beter land en een betere toekomst. Uiteindelijk kwam ze hier in Nederland. Ze had gedacht dat ze hier rijk en gelukkig zou worden.
“Moet je mij nu eens zien,” denkt ze in haar eigen taal. “Wie had dat ooit gedacht? Dat ik hier op de koude stoep zou zitten met mijn gitaar? Niks geen publiek dat een staande ovatie geeft. Geen bloemen en geen limousine die me naar huis brengt. Ik heb niet eens een huis. Deze stad is mijn huis. Hoe koud ze ook is. Iedere dag is het weer een vraag hoe ik aan eten kom.”

“Wat moet dat hier?” Ze schrikt op van deze brute stem. “Dit is mijn wijk!” Mayra richt haar blik omhoog en kijkt in het gezicht van een dikke man. Hij draagt een versleten hoed en een lange jas met gaten.
“Pardon,” zegt ze. “Ik wilde geen kwaad doen.”
“Flikker op!” roept de man. Er komt spuug uit zijn mond. “Wie ben jij?”
“Ik heet Mayra,” zegt ze bibberend. “Ik heb het koud.”
“Je bent een lekker wijf,” kwijlt de kerel. “Kom maar eens hier, dan maak ik je heet.” De man komt op haar af.
Mayra is opgestaan en wil weglopen, maar de man heeft haar tas vastgepakt en wil die naar zich toe trekken.
“Wat heb je in die tas? Iets te eten?” lispelt hij.
“Nee! Ga weg!” roept Mayra in haar eigen taal. Ze kan zo snel de juiste Nederlandse woorden niet vinden.
“Ah, een illegaaltje?” sist de man. “Ik zal jou eens wat Nederlandse les geven.”
In een vlaag van paniek haalt Mayra uit. Ze slaat haar tas in het gezicht van de man. Die schrikt en houdt hem angstvallig vast.
Mayra weet niet wat ze moet doen en slaat op de vlucht. Ze moet haar tas achterlaten. Met alleen nog haar gitaar in de handen rent ze naar de hoek van de straat. Vlug gaat ze de bocht om. De man is blijven staan onder de winkelluifel. Ze leunt met haar rug tegen de muur van het pand op de hoek en hijgt uit.

Was ze maar terug op haar eiland. Daar zorgt iedereen voor elkaar. Of je nu geld hebt of niet. Of je arm bent of rijk, iedereen is begaan met elkaar. Als je eten hebt, deel je dat met de mensen die dat niet hebben. Zo simpel zijn de gewoontes. Je houdt er veel vrienden aan over.
Hier heeft ze geen vrienden. Weinig. Ze kent wat andere zwervers. Waar zouden die zijn? Ineens herinnert ze zich de groep mensen die ze gisteren heeft ontmoet. Ze verzamelen zich hier niet ver vandaan in een steegje.
Haar maag doet pijn. Hoe lang heeft ze nu al niet gegeten? Nog eenmaal haalt ze diep adem. Dan gaat ze op weg. Ze houdt de gitaar dicht tegen zich aangeklemd. Het is het allerlaatste dat ze nog heeft. In het donker loopt ze door de straten. De natte sneeuw maakt haar nog kouder dan ze al is. Haar lange haar hangt nu in natte slierten langs haar hoofd op haar schouders.

Daar. Daarginds zijn ze. Een groepje mensen staat rondom een grote metalen ton. Ze houden hun handen erboven. Langzaam komt Mayra dichterbij.
“Hee, Mayra!” roept iemand. “Jij hier?”
“Ik heb het koud,” zegt ze.
“Kom er maar bij, hoor. Maar lang zal het niet warm zijn.”
Ze komt de kring binnen. Er staan wat mannen en vrouwen om de ton heen. Er komen geen vlammen bovenuit, maar toch voelt het warm aan. Mayra strekt haar armen en houdt deze boven de ton.
“Dank jullie wel,” zegt ze in haar gebrekkige Nederlands.
“Nou moet je wel een liedje voor ons spelen en zingen,” zegt een oude man.
Ze haalt de gitaar van haar rug en houdt die nu voor haar buik. Dan zingt ze haar lied. Over Kaap-Verdië. Maar dat verstaat toch niemand. Als ze klaar is, kijkt ze de kring rond. Iedereen klapt. Het vuur is bijna uit. Mayra wrijft in haar handen om ze weer warm te krijgen.
Iets verderop ziet ze iemand tegen de muur van de steeg zitten. Het is een ouder dametje. Ze loopt erheen en knielt neer. Voorzichtig pakt ze de hand van de vrouw.

“Och arme,” fluistert Mayra. “Wat heb je het koud.”
“Laat maar,” zegt het vrouwtje. “Ik red het niet. Het vuur geeft te weinig warmte. Vroeg of laat gaan mensen zoals ik dood.”
“Ik weet iets.” Mayra staat op en helpt de vrouw overeind. Samen lopen ze naar de grote ton, waar nu bijna alleen nog maar wat gloeiende kooltjes in liggen. Mayra pakt de gitaar van haar schouder.
“Doe het niet,” fluistert de oude vrouw.
“Ik heb het ook koud,” bibbert Mayra. “Dit is onze laatste hoop.” Ze steekt de gitaar in de ton. Dan buigt ze eroverheen en begint te blazen. De kooltjes gloeien op. Door haar tranen heen ziet Mayra dat de gitaar vlam vat. Eerst zachtjes, maar al snel komen de vlammen haar tegemoet. Het knapperende geluid van het hout van de gitaar doet pijn in haar oren.
“Mana bá sidádi grándi,” fluistert Mayra. “Tiru sai-i pa kulátra.”
“Lief kind,” zucht het vrouwtje en laat haar hoofd zakken. “Dank je wel.” Voordat Mayra kan antwoorden, zakt de vrouw door de knieën.
“Volhouden,” zegt Mayra. Ze knielt neer bij het lichaam van de oude vrouw.
“Mijn tijd is gekomen,” zegt het mensje. Ineens breken haar ogen en valt haar hoofd opzij. Mayra buigt. Haar ogen doen pijn. Met moeite houdt ze haar huilen in.
Dan staat ze op. De wind snijdt door haar dunne jasje. Haar haren wapperen. Ze begint te lopen, al weet ze niet waarheen. De ene voet voor de andere. De ene stap na de andere. Stoeptegels glijden onder haar voeten door. Rillend loopt ze door de straten van de stad. In het begin snel, maar naarmate ze verder komt, gaat het steeds langzamer. Natte sneeuw maakt haar almaar kouder.
Ze is doorweekt als ze bij een luifel van een winkel komt. “Was ik hier al niet eerder?” denkt ze. Onder de luifel is het droog. Traag laat ze zich door de knieën zakken. Ze gaat met haar rug tegen een winkelruit aan zitten.
Zingen, wil ze. Maar ze heeft geen gitaar meer. Bibberend probeert ze het zonder instrument. Haar stem vervliegt in de koude lucht. Toch blijft ze zingen.
“Mana bá sidádi grándi, tiru sai-i pa kulátra. Mana went to the city, and soon regretted it.”
Ze laat haar hoofd zakken. Er loopt een traan over haar rechterwang. Vingers doen pijn van de kou. Haar armen heeft ze om zich heen geslagen, in de hoop dat ze nog een beetje warm wordt. Het helpt niet. Dan geeft ze toe aan wat moet komen en doet ze haar ogen dicht. Alles is zwart.

“Hallo?” klinkt ineens een stem van ver weg. “Gaat het nog?”
Ze kijkt op. Er staat een grote man naast haar. Geschrokken staat ze op. Straks is het die engerd van eerder. Maar nee. Dit is een andere man. Ook iemand zonder huis, dat is duidelijk. Zijn kleren zijn vies. Maar hij heeft geen gewone kleren. Hij draagt een kerstmanpak. Ze kijkt hem in de ogen. Die glimmen.
“Ik heb iets voor je,” zegt hij. Vanachter zijn rug haalt hij een groot pak tevoorschijn.
“Voor mij?” vraagt ze. Hij knikt.
Mayra scheurt het papier weg. Ze kon aan de vorm van het pakket al zien wat het is: een nieuwe gitaar. Daar staat ze dan. Niet wetend wat ze moet zeggen. Met een gitaar in haar hand.
“Zing je voor mij?” vraagt de kerstman. “Dat ene mooie liedje? ‘Mana’ heette het.”
Mayra zingt het lied over Kaap-Verdië. “Mana bá sidádi grándi, tiru sai-i pa kulátra. Mana went to the city, and soon regretted it.” Als ze klaar is, kijkt ze de kerstman aan.
“Gebeurt dit echt?” vraagt ze.
De kerstman haalt zijn schouders op. “Is dat belangrijk, dan?”
“Wie ben je?”
“De kerstman,” antwoord ik.
“Maar wie ben je echt?” Ze pakt mijn baard en trekt die naar beneden. Dan doet ze mijn kerstmuts af. Zelf heb ik dat malle kussen al van onder mijn rode jas getrokken. Nu ben ik weer mijzelf.
“Ik ben het,” zeg ik.
“Gelukkig wel,” zegt ze. Ik krijg een zoen op mijn wang. Lieve help, wat is ze mooi en lief.
“Vrolijk Kerstfeest, Mayra.”
“Dat gaat nu wel lukken, Bas.”

Apeldoorn, december 2007

(Dit verhaal kwam tot stand tijdens het luisteren naar wat ik de mooiste plaat van 2007 vind: ‘Navega’ door Mayra Andrade.)

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Zuchtend op een kerstmarkt

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 21:24

Plotseling stond ik op een kerstmarkt hamburgers te bakken. Naast mij stond het Mascara Meisje, dat we voor het gemak maar even Tineke noemen. Het begon al flink koud te worden in de tent, maar dankzij de grote bakplaat bleven we zelf lekker warm.
“De boel staat aardig blauw hier,” zei Tineke. Ze wapperde met haar hand de donkere rook om haar heen weg.
“Welnee!” riep ik hard. De mensen die stonden te wachten schrokken van mijn uitval.
Tineke lachte alweer. “Man, schreeuw niet zo!”
“Ik schreeuw niet!” De meneer die vooraan in de rij stond trok wit weg. “Zegt u het maar.”
“Mag ik drie broodjes hamburger?”
“Dat mag. Uitje erbij?”
“Doe maar twee met en een zonder ui.”
“Te moeilijk, meneer. Volgende klant, graag.”
Vanuit een ooghoek zag ik dat Tineke pijn in haar buik kreeg. “Nee hoor, meneer. Het is misschien te moeilijk voor hém. Maar het komt helemaal goed met die hamburgers van u.”
“Wat zit jij hier nou een beetje mijn gezag te ondermijnen?” deed ik zogenaamd boos.
“Trekt u zich van hem maar niets aan, hoor,” zei Tineke tegen de meneer. “Hij kan er ook niets aan doen. Zo is hij nu eenmaal. Ik ga straks even controleren of hij zijn medicijnen wel heeft gehad.”
Nu was het aan mij om te lachen. Ze gaf de meneer zijn broodjes hamburger. Toen het iets later wat rustiger werd in ons tentje, zei ik: “Allemensen, Tineke, heeft iemand vandaag al tegen jou gezegd dat je geweldig bent?”
“Nee, nog niet.”
“Je bent geweldig.”
“Dank je.” En een zoveelste lach.
“Mag ik een broodje hamburger?” vroeg een mevrouw aan mij.
“Nee.”
“Oh, waarom niet? U verkoopt toch hamburgers?”
“Hamburgers, ja. Meervoud. U wilt er eentje. Ik ga voor u geen verse koe aansnijden.”
“O, Bas! Wat een onzin!” Tineke kon haar lachen bijna niet inhouden. “We hebben helemaal geen verse hamburgers.”
“Maakt dat nou uit. Voor één burger zet ik die enorme plaat niet aan. Dat kost teveel gas en teveel bakboter.”
“Die plaat stáát aan, mallerd.” Met handige bewegingen draaide ze de schijven op de bakplaat om. Ik vond het lastig om in mijn rol te blijven met haar naast me. Ik legde servetjes op de grote plank en sneed de broodjes open. Tineke schepte de hamburgers op de broodjes en legde er een hoopje gebakken uien bovenop. We werden er aardig handig in, samen.
Ineens liep ik de tent uit. Nu stond ik bijna in de grote zaal.
“Mensen!” riep ik dreigend. “Als er nu binnen twee minuten niet vijf mensen een broodje hamburger komen bestellen … ” Met boze blik keek ik de zaal in. Alle ogen op mij gericht.
“Nou, wat dan?” hoorde ik haar stemmetje achter me.
“Dan zitten wij met vijf zwarte hamburgers!”
“Oh Bas, doe toch ’s normáál!” gierde ze.
“Dit ís normaal! Weet jij veel hoe ik ben!”
“Je bent echt gek.”
Ik keek haar diep in haar ogen. Door de mascara vielen ze extra op. Haar blonde haren zaten sprieterig. Het rode overhemd verhulde haar smalle lijfje; ikzelf had ook zo’n rood uniformhemd aan. Een roze shawltje bedekte haar hals. Ze was vanmiddag binnengekomen om ons eenmalig te helpen. Zij was vrijwilliger en ik was echt gek.
“Ik beschouw het maar als een compliment,” kreeg ik eruit. Van achter haar donkere ogen welde alweer een lach op. “Wat voor jou gek is, Tineke, is misschien voor mij wel heel normaal. En andersom: wat voor jou normaal is, is voor mij misschien wel heel bijzonder.”
“Zoals? Noem eens wat?”
“Ik draag mijn haar in een staart; jij niet.”
“Hahaha, meestal is dat andersom. Dragen vrouwen hun haar in een staart.”
“En verder weet ik zo gauw niets, hoor. Ik weet wel dingen die voor ons allebei heel gewoon zijn.”
“Zoals? Noem eens wat?”
“We scheren ons allebei niet.”
“Ik weet iets dat voor mij heel gewoon is en voor jou bijzonder,” zei ze met een ondeugende blik in haar ogen. “Zittend plassen.”
“Nou, daar vergis je je dan mooi in. Ik ga ook altijd zitten. Niet alleen om minder te knoeien, maar ook omdat ik geen achttien meer ben.”
Tineke kreeg een rood hoofd. “Joh, dat zeg je toch niet waar iedereen bij zit?”
“Jij begon over zittend plassen!”
“Ga ’s uit de weg,” zei ze brutaalweg. Met de spatel had ze een hamburger opgepakt en wilde die op een broodje leggen. Ze struikelde bijna over mijn voeten. Ik ving haar op en hield haar even vast in mijn armen.
“Voorzichtig, hoor. Straks val je.”
“Ja, zal ik doen. Blijf je wel een beetje op me passen?”
Ik kon mijn ogen niet meer van háár ogen af houden.

“Meneer!” riep ik de man na. “De Amerikanen eten gemiddeld tachtig hamburgers de man per jaar, en dan draait u zich om en loopt u hier mijn tent uit! Dan kunt u toch ook wel één zo’n ding bij ons bestellen?”
“Hoe durf je dat toch allemaal?” vroeg Tineke.
“En nu moet u niet net doen alsof u mij niet hoort!” ging ik verder.
“Bas, we zijn bijna door de uien heen.”
“Mevrouw,” begon ik tegen het mens dat halverwege de rij stond. “Wilt u iets voor mij doen?”
“Jawel hoor, wat mag het zijn?”
“Hier staat een tafel met een snijplank, een mes en een zak uien. Wilt u even wat uien snijden?”
“Bas!” siste Tineke. “Dat doe je toch niet?”
Tot mijn eigen stomme verbazing ging de vrouw nog aan de tafel zitten ook. Driftig ging ze aan het werk.
“Ik doe het wél, dat zie je toch?” zei ik tegen Tineke.
Er stond een jongeman voor in de rij. “Mag ik zo’n Duitse rundvleesschijf van je?”
“Pardon? A: het zijn geen rundvleesschijven. Kijkt u maar hier op de verpakking.” Ik haalde een lege kartonnen doos erbij. “Twaalf hamburgers, staat hier. Met varkens- en rundvlees. B: het is een wijd verspreid misverstand dat de hamburger uit Duitsland zou komen. Ten eerste: Duitschers eten alleen wat ze zelf zijn: nur Schweinefleisch. En ten tweede: weet u waar de hamburger zijn oorsprong vond?”
“Krijgen we dat verhaal weer,” zei Tineke. “In Mongolië zeker, Bas?”
“Precies! Het waren de Mongolen die in de dertiende of veertiende eeuw hun yak tot moes hakten en er platte schijven van maakten en die bakten.”
“Mag ik een broodje hamburger?” vroeg de jongeman zachtjes.
“Alleen als u voortaan niet meer van die domme dingen zegt.”
“Ik zei maar wat.”
“Precies! En u eet ook maar wat! Als u eens wist hoe slecht dit voor u is!”
“Bas,” kwam Tineke tussenbeide. “Wil je wel een beetje reclame blijven maken?”
“En jij bákt maar wat!”
“Daarvoor heb je me toch aangenomen?”
“Daar heb je weer gelijk in. Ik zeg het niet graag, maar je hebt gelijk.”
“Heb je er al spijt van, dan?”
“Nee joh,” zei ik ineens doodkalm en bloedserieus. “Je doet het geweldig.”
“Ik zit je te stangen, Bas.”
“En je begint al aardig door te krijgen hoe je met mij moet omgaan.”
“Hoezo?”
“Nou, de meeste mensen weten niet hoe ze moeten reageren op mijn domme gezwets en geouwehoer. Jij geeft me gewoon een grote mond terug, zodat ík niet meer weet wat ik moet zeggen.”
Tineke zei niets. Ze keek me alleen maar aan met een brede grijns.
“Jij krijgt trouwens wel een heel foute indruk van mij,” ging ik verder.
“Hoezo dat?”
“Ik ben hier alleen maar bezig met debiel gezever en geouwehoer.”
“O, ben je normaal wat rustiger dan?”
“Nee joh! Normaal is het allemaal nog veel erger!”
En zo bakten en lachten we voort, totdat het bijna acht uur was.
“Bas, ik moet zo gaan,” zei ze. Het deed een beetje pijn. “Ik wil de bus van iets over acht uur halen.”
“Shit, is het al zo laat?”
“Ja, ik vind het ook jammer.” Ze trok het rode overhemd uit. Ze droeg een zwart truitje op haar zwarte broek. Ineens zag ik hoe klein en slank haar lichaam eigenlijk was.
“Ik stink,” zei ze met opgetrokken neus.
“Ik ook. Wen d’r maar aan.”
Ze lachte.
“Loop even met me mee naar achteren. Ik heb nog iets voor je.” Ze deed het. Haar zwarte laarsjes klikten op de vloer in de gang.
Toen we in mijn kantoor waren, vroeg ze: “Mag ik even naar huis bellen?”
“Tuurlijk, joh. Kijk, hier is de telefoon. Eerst even een nul drukken en dan kan je bellen.”
“Huh? Een nul, daar begint toch ieder telefoonnummer mee?”
“Niet te gevat, jongedame. Dat staat je niet.”
“Eh, serieus… Hoe werkt het?”
“Eerst een nul drukken. Kijk, dit is een nul.” Ik wees op het toetsenbordje. Ze stootte haar elleboog in mijn zij en lachte maar weer eens.
“En moet ik dan nóg een nul drukken?”
“Ligt eraan waar je heen belt. Als je binnen de plaats belt, hoef je geen netnummer te drukken.”
Ze zuchtte. “Ik word wel moe van jou, hoor.” Ze drukte wat toetsen in en wachtte. Ik wachtte ook.
“Nou moeten ze wel opnemen, want anders kom ik bijna niet thuis.”
“Moet je ver, dan?”
Ze noemde een klein plaatsje in Overijssel.
“Dat is niet ver, maar wel lastig om te bereiken.”
“Ja, als ik daar op het station ben, wil ik wel dat ik even word opgehaald.”
“Het station van jouw dorp, dat ligt toch in de bossen en weilanden?”
“Zo ongeveer, ja.” Ze hield de hoorn nog altijd aan haar oor.
“Dan bel je toch even als je in de trein zit? Of heb je niet zo’n modebiel geval?”
“Jawel, maar ik heb geen beltegoed meer. Anders zou ik jou ook niet vragen of ik hier mocht bellen. Slimpie.” Ze legde de hoorn neer. “Ik zie wel.”
“Kijk ‘s, dit hier is voor je hulp vandaag.” Ik gaf haar het cadeautje.
“Wat leuk! Dank je wel!”
“Nee, ik moet jou bedanken voor je inzet.”
Ze deed haar zwarte jas aan. “Nou, tot kijk,” zei ze.
Ik stak mijn hand naar haar uit. Ze legde die van haar in de mijne en lachte me toe.
“Lieve Tineke, kom hier.” Ik trok haar naar me toe. Terwijl ik haar op haar beide wangen zoende, zei ik: “Allemensen, wat heb jij het geweldig gedaan, zeg. Het was fantastisch om met jou te mogen samenwerken. We zijn een goed team. Ik heb vandaag heel erg van jou genoten.”
Ineens legde ze haar armen in mijn nek en keek ze me strak aan. “Ik ook van jou. Ik vond het heel leuk.” Ik kreeg een zoen op mijn mond en toen liet ze me los. “En nou moet ik gaan, anders mis ik de bus nog.”
“Dag, kanjer.”
Nog een blik van die prachtige ogen en toen was ze verdwenen. Ik stond nog na te trillen.
Mijn hoofd zei: “Vieze ouwe man.”
Mijn hart zei: “Ik kan het nog.”

– voor Tineke
Apeldoorn, december 2006

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 
« Vorige paginaVolgende pagina »