bazbo – de wereld van Bas Langereis, het middelpunt der aarde

Bas Langereis leest u voor!

30-07-2026

Hoog tijd voor een kroegverhaal (40)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2026 — bazbo @ 01:00

Het was weer een drukte van belang in café De Boerstoel. Vandaar dat ik er niet naar binnen ging. Even verderop was café Tafelscheiding en daar zat bijna niemand, dus opende ik de deur.
‘Mag de muziek zachter?’ schreeuwde ik naar de pief achter de toog.
‘Wat zeg je?’ brulde hij terug.
Ik deed de deur weer dicht en liep nog een paar panden verder. Maar goed dat we hier redelijk veel horeca hebben, al vraag ik me iedere keer weer af wat of ik er zoek. Dit is wel wat kort voor een verhaal, dus verzin ik er nog wat bij. Op de hoek van het plein bevond zich café Doorn in het Oog, maar dat stond niet zo goed bekend. Ik weet ook niet waarom. Toch meed ik het als de pest. Als je bij de hoek van het plein rechtsaf gaat, zie je links gelijk café De Boezemkamer. Daar was ik nog nooit geweest. Eens proberen.

Er waren niet veel mensen en de muziek stond niet al te luid, toen ik binnen kwam. Dat zou nog kunnen veranderen, maar ik waagde de gok en deed deur achter me dicht. Bij het raam was een aardige tafel leeg en daar nam ik plaats. Voor ik het wist stond er iemand naast me.
‘Mag ik hier plaatsnemen?’ vroeg ik.
‘Maar natuurlijk,’ zei de wat oudere dame. Hoewel, zo oud was ze waarschijnlijk niet eens. Misschien een jaar of wat gevorderder dan ikzelf.
‘Of dat ik hier plaats mag nemen,’ zei ik. ‘En sorry dat ik dat al had gedaan.’
‘Wat bedoelt u?’ Het mens keek me niet-begrijpend aan.
‘Of ik iets wil bestellen?’ vroeg ik. ‘Moet dat per se? Het is wel gebruikelijk in een café, hè?’
De verwarring bij de dame werd zichtbaar groter. ‘Wat mag het zijn?’ leek een vraag waarmee ze zich poogde te redden.
‘Water alstublieft,’ zei ik. ‘Maar doet u niet te veel moeite, hoor.’
‘Ik begrijp u niet?’
‘Dat u niet helemaal naar achteren gaat of naar het magazijn.’
‘Waar hebt u het over?’
‘Over water,’ zei ik. ‘Weet u wat? Doet u maar water uit de kraan, dat is wel zo gemakkelijk.’
‘Ik denk niet dat ik het kan volgen.’
‘Dat geeft niet. Kan de beste gebeuren. Heb ik ook wel eens. Niet vaak, overigens. Water, uit de kraan, soms ook wel eens leutig ‘gemeentepils’ genoemd. Wist u dat in sommige steden het water zó smerig smaakt, dat ze het beter ‘gemeentepis’ hadden kunnen noemen?’
De vrouw keek me stomverbaasd aan.
‘Dat wist u niet. Ik zie het aan uw gezicht. Ook dat geeft niets. Kan de beste gebeuren. Heb ik ook wel eens. Niet vaak, overigens. Zeker niet als het over zoiets essentieels als water gaat. Of gemeentepils of gemeentepis. Al moet ik eraan toevoegen dat ik nog nooit pis heb gedronken, dus ik kan wat dat betreft geen verslag van een vergelijkend warenonderzoek geven. Haha, ik wilde bijna zeggen: vergelijkend wateronderzoek, maar op een dergelijke flauwe woordspeling zult u mij niet snel betrappen. Ondertussen begin ik wel een beetje dorst te krijgen, mevrouw.’
Ze zuchtte, draaide zich om, liep naar de toog en sprak daar een jongedame aan. Ze moest vast even aan de jeugd vragen waar de kraan zich bevond.

’s Kijken, wat ging ik hier zoal doen in dit café? Ik geloof niet dat ik een afspraak had met iemand, dus hoefde ik niet te wachten tot degene met wie ik die afspraak had hier zou zijn. Aanvankelijk had ik ook geen dorst, dus dat was de reden ook niet om dit café te betreden. Ook gevoelde ik nog niet de behoefte om van sanitaire voorzieningen gebruik te gaan maken. ‘Leuk mensen kijken’ misschien? Wat kon mij die andere mensen schelen. Hebben die ooit anders dan verbaasd, boos of geërgerd naar mij gekeken, dat ik nu opeens geïnteresseerd naar hen moest koekeloeren? Zo mooi waren de meeste mensen nou ook weer niet. Evenmin had ik zin, trek of goesting gehad om naar de kroeg te gaan, dus wat ik hier deed, was me een raadsel.

‘Uw water, meneer,’ zei iemand.
Ik keek op. Het was de jongedame die daarnet nog bij de toog stond. Ze was lang, slank, had een zongebruinde huid, donkere ogen en halflange, bijna zwarte krullen. Kortom: een leuke jongedame.
‘Dag jongedame,’ zei ik. ‘Wat fijn dat je het komt brengen. Dat scheelt mij heen en weer lopen.’
‘Graag gedaan,’ glimlachte ze.
‘Is het uit de kraan?’ vroeg ik.
‘Ik heb het zelf getapt.’
‘Knap, hoor.’
‘Dank u wel.’
‘Heb je een dienst van die wat oudere dame overgenomen?’ vroeg ik.
‘Nee,’ zei ze. ‘Ze wist niet goed wat ze met u aan moest.’
‘Met mij aan moest? Maar het was helemaal niet aan tussen ons. Ik bedoel: ik vroeg haar om water, maar ze zei steeds dat ze mij niet begreep. Onder ons gezegd: ik ben bang dat de zogenaamde mentie haar te pakken krijgt of dat ze al de ziekte van Zheimer heeft. Maar dat is een aanname van mijn kant, hoor.’
‘Ze weet niet wie u bent,’ zei ze. ‘Ik bedoel: ze herkende u niet.’
‘Herkennen? Mij?’ Ik keek angstig om mij heen. ‘Heb ik iets misdaan, dan? Staat er een prijs op mijn hoofd?’
‘Nee,’ zei ze geruststellend.
‘Geen hoofdprijs?’
Ze lachte.
‘Mag ik wat zeggen?’
‘Maar natuurlijk. Ga uw gang.’
‘Ik mag wat zeggen?’
‘Dat zeg ik toch?’
‘Fijn, hoor. Ik wist niet dat u boos werd.’
‘Ik ben niet boos!’
‘Nou, zeg. Weten we dat ook weer. Ik dank u voor de medewerking.’
‘Maar u wilde iets zeggen,’ zei ze. ‘Is dat nog steeds het geval?’
‘Jazeker.’
‘Ik ben benieuwd en een en al oor.’
‘Hartelijk dank voor uw aandacht.’
‘Was dat wat u wilde zeggen?’
‘Nee.’
‘Dan gaat u me nu zeggen wat u wilde zeggen.’
‘O.’
‘Ja.’
‘Nou. Wat wou ik nou ook weer zeggen? Ik weet het even niet meer. Dat geheugen van mij toch. Ik ben ook de jongste niet meer, hè. Of wacht: ik weet het weer. Ik vind je een leuke en mooie jongedame.’

‘Dat is lief van u, dat u dat zegt.’
‘Ik mocht wat zeggen. Daar heb je me zelf toestemming voor gegeven. Excuus als ik het beter niet had kunnen doen.’
‘Nee nee, ik vind het fijn dat u het hebt gezegd. Ik waardeer uw woorden.’
‘Dat is het mooiste wat je tegen een schrijver kunt zeggen.’
‘Ik weet het,’ zei ze.
‘Ik ook. Wat ik alleen nog niet weet is hoe je heet.’
‘Ik heet Loes.’
‘Nu weet ik het wel. De wereld om ons heen verandert zo snel, hè.’
‘En hoe ú heet, dat weet ik.’
‘Hoe weet je dat nou weer? De jeugd van tegenwoordig weet zo veel. Meer dan we denken.’
‘Ik weet uw naam, ik ken uw verhalen, weet waar ik ze kan vinden en lezen en straks weet ik hoe laat of het is.’
‘Het zal weer eens niet,’ zei ik. ‘Je weet veel, wist je dat?’
‘Mag ik nu eens iets zeggen?’
‘O pardon, praat ik te veel?’
‘U praat me niet genoeg,’ zei ze lachend. ‘Ik hoor u graag.’
‘Nou dan, zit er niet doorheen.’
‘Och, sorry.’
‘Nee, je wou iets zeggen en dat mag, hoor. Maar mijn toestemming heb je heel niet nodig. Volgens mij ben je oud en wijs genoeg om daar zelf over te beslissen.’
‘Dank u.’
‘Zeg maar je, hoor,’ zei ik. ‘Wil je misschien iets drinken? Er is nog plek aan deze tafel.’
‘Nee, dank u.’
‘Wat zei ik nou net? Laten we ophouden met elkaar te vousvoyeren. Althans jij. Dan blijf ik gewoon u zeggen, als het u niet uitmaakt.’
‘Hahaha, nee dank je.’ Ze bleef lachen. ‘Ik heb dienst. Maar het lijkt me leuk om een keer iets samen te drinken, ook al is het water.’
‘Wat is er mis met water?’ schrok ik. ‘Is het over de datum? Of vind je water sowieso minderwaardig? Je weet dat je zelf voor het merendeel uit water bestaat, hè?’
Ze legde haar hand op die van mij. ‘Er is helemaal niets mis met water,’ zei ze, terwijl ze me aankeek.
‘Gelukkig. Fijn. Dat dacht ik toch ook niet,’ zei ik.
‘Ik wil graag iets met je drinken en dan samen verder praten en vooral veel lachen.’
‘Dat lijkt me leuk,’ zei ik. ‘Ik kijk ernaar uit. Maar vertel: wat wil je me nou zeggen? Want eh…’
‘Precies,’ zei ze glimlachend. ‘Ik weet het.’
‘Je weet zo veel, Loes. Leuke Loes. Wat weet je deze keer?’
‘Bas,’ zei ze, ‘het is hoog tijd.’


Apeldoorn, juli 2026

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Geen reacties »

No comments yet.

RSS feed for comments on this post.

Leave a comment