bazbo – de wereld van Bas Langereis, het middelpunt der aarde

Bas Langereis leest u voor!

05-11-2026

Storm

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2026 — bazbo @ 01:00

Vraag niet naar de bekende weg. Ik weet het drommels goed. Alles overhoop. Veel had ik weggestopt, maar nu komt het weer naar boven. Ik wilde niet dat het ons in de weg stond, ik moest het achter me laten, dat lukte tientallen jaren, maar nu staat het weer op de voorgrond. Pijnlijk. Steeds weer moet ik kijken naar die foto. De gelijkenis is griezelig, ook al had zij haar haren anders zitten, niet blond maar donker en met een krul erin.

Bruine bladeren bedekken de paden. Ze liggen er al een jaar. Nu valt er nieuw blad bovenop. Gele dwarrel die straks ook bruin wordt. De bodem van het bos kan het niet verwerken. Een verstikkende deken. Waar ken ik die van? [Ik weet heus het wel, maar durf het niet te benoemen. Nog altijd de angst. Ik vertelde er thuis niets over, niemand wist het, want als ze het wisten, dan wist ik wat de reactie zou zijn, wat kapot zou gaan. Welke moeder zegt zoiets tegen haar kind?]

De donkere wereld raast voorbij als ik vanuit een ooghoek een blik naar buiten werp. Dan hoor ik een geluidje dat me bekend voorkomt. Ik kan het meisje dat voor me zit niet goed zien. Ik kijk tegen haar achterhoofd aan, zie donkerblonde krullen, vermoed dat het halflang haar is. Tenminste, zo had ze het een vorige keer dat ik haar zag. Toen zat ze op de bank schuin achter mij. Af en toe keek ik opzij en vanuit een ooghoek zag ik haar zitten, verdiept in haar telefoon en met de andere hand spelend met een lok haar. Ze zag wat bleek en nu hoor ik haar af en toe haar neus ophalen. Ik buig voorover, om nog iets dichter bij haar te zijn. Ze snottert. Ik ruik haar parfum, het is een zacht, zoet en lief geurtje dat me aan iemand doet denken. Dan zak ik weer naar achter en werp ik mijn blik opnieuw op mijn e-reader. Een verhaal waarin de hoofdpersoon te maken krijgt met een verdwenen dierbare.

De vlaag lichte regen blies in mijn gezicht. Het deerde me niet. Niets deerde me nog. Hoe lang liep ik hier? En waar liep ik naartoe? Het maakte niet uit. Niets maakte ooit nog uit. Donker was het en donker zou het blijven. Jaren lang. Het was me duidelijk, het was niet voor mij weggelegd. Ik had me erbij neer te leggen. Zo zat dat. Ik haalde adem. Nog wel. Verlangen. ‘Ik wil bij haar zijn.’ De woorden die ik niet kon vinden. Naar haarzelfde lot. Ik vond een weg en overleefde. De koude luchtstroom sloeg op mijn ogen. Ik kneep ze dicht en wist wat er allemaal op mijn netvlies stond.
– en de pijn en de wanhoop.

Ik vroeg: ‘Heb je een wind gelaten?’
‘Ja,’ zei ze, ‘dat moet je niet inhouden.’
‘Klopt, dat is niet gezond.’
‘Stinkt-ie?’
‘Hij ruikt. Stinken is gelijk weer zo subjectief.’
‘Je weet nu wel hoe ik van binnen ruik.’
‘Zal ik een boer laten?’
‘Getsie, nee.’
‘Wil je dan niet weten hoe ík van binnen ruik?’
‘Dat doe ik toch al?’ zei ze. ‘Soms als je naast me zit, merk ik dat je wat transpireert.’
‘Allemaal angstzweet, dat is het.’
‘Grapjas. Het is niet erg, hoor. Best fijn, beetje stoer.’
‘Ik stoer?’
‘En ik? Hoe is mijn lichaamsgeur?’
‘Ik heb niet zo’n goede neus.’ Ik begroef mijn gezicht in haar hals, zoende haar daar en zei: ‘Shampoo, bloemen. En je ruikt.’
‘Ik ruik?’
‘Ja, naar het liefste meisje dat ik ken.’

Steeds meer komt er naar boven. Herinneringen. Zo veel dat ik vergeten was, zo veel dat ik ook wilde vergeten. Ik daal de vergeetput af. Weggestopt, verdrongen. Eenenveertig, tweeënveertig jaar. Beelden, flarden van gesprekken, de vele slappelachbuien, honderdduizend vissenkusjes, de ontelbare tranen van geluk en verdriet, enkele bedscènes, zo veel voorvallen, de pet op haar hoofd, alles en van alles. Nu leg ik dat alles en van alles vast, want ik weet nog niet of ik het nog een keer wil kwijtraken. (Háár was ik al kwijtgeraakt.)
– dat nooit vorst

Rusteloos. Niet stil kunnen zitten, altijd bezig, afleiding zoeken, dingen doen. Alleen ontspannen bij een boek. Allemensen, wat kon zij een boek lezen. Als er iemand was die een boek kon lezen, dan was zij het.
‘Jij brengt rust in mij,’ zei ze. ‘Een orkaan raast door mijn kop. Hou je me vast?’
Ik hield haar vast. ‘De grammofoonplaat is afgelopen. Zal ik hem omdraaien?’
‘Nee. Laat maar. Blijf even zo zitten. Als jij er bent, ben jij mijn boek.’ Haar vinger streek over mijn handpalm. ‘Er zit een grote breuk in je levenslijn,’ zei ze. Pas heel veel later snapte ik wat het betekende.
– en de pijn en de wanhoop en de leegte.

Het najaar is aangebroken. Begin van de avond doe ik een lamp aan. Ik draag weer sokken, ook in huis. Het duurt niet lang meer of ik verwissel mijn hardloopkleding met korte mouwen en pijpen voor het wintertenue. De T-shirts gaan weer onder in de kast. Het dikke dekbed is weer tevoorschijn gekomen. Gisteren aten we stoemp van aardappel, pompoen, andijvie en bruine boon. Ik ben in de herfst, tel mijn rimpels en toch zit ik in mijn hoofd nog zo volop in de lente.
Trillend kijk ik naar de foto die ik terug heb gevonden. Gezocht tot ik wanhopig werd en het opgaf en uiteindelijk kwam ik hem tegen op een voor de hand liggende plaats. Je zult het altijd zien. Op de foto ben ik negentien of twintig jaar oud. Ik kan niet anders dan blijven kijken en ik denk: Dit was de jongen op wie ze zo verliefd was geworden. De tranen lopen me in de ogen en in mijn hoofd heerst de storm.

– dat je nooit

–
Apeldoorn, oktober 2026

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •