bazbo – de wereld van Bas Langereis, het middelpunt der aarde

Bas Langereis leest u voor!

01-07-2008

Woordenbrij – Nóg iets met raapstelen

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 22:23

“Wie het eerste thuis is, die kookt!” is de stomme regel in huize bazbo. Welke mongool zou dat verzonnen hebben? Ikzelf. Voor mijn kop kan ik mijzelf wel rammen. Tegenwoordig ben ik namelijk vijf keer in de week de lul. Ik heb nogal regelmatige werkuren. Kantoortijden. Vrouwlief heeft onregelmatige werkuren en is vaak laat thuis. En dus kan ik zeker drie keer in de week en twee keer in het weekend bedenken wat de pot schaft. Nu is dat nog niet zo erg; het nog klaarmaken ook is een opgave van een heel andere orde.

“Wat gaat het vandaag weer eens worden?” vraag ik mij hardop af als ik van mijn werk naar huis fiets. Had ik al verteld dat ik sinds een half jaar een nieuwe werkplek heb en dat ik tegenwoordig met de fiets naar die nieuwe werkplek kan in plaats van met die stinkende streekbus? Nee? Nou, ik heb sinds een half jaar een nieuwe werkplek en ik kan tegenwoordig met de fiets naar die nieuwe werkplek in plaats van met die stinkende streekbus. “Wat hebben we ook weer allemaal in huis?”

Zoals ik al in een eerdere culicolumn vertelde, hebben we een abonnement op een groentepakket. Iedere week krijg ik een kratje vol groente, vers en biologisch geteeld. En lekker! Het enige nadeel is dat het seizoensgroente zijn en dus komt de andijvie, witlof en prei ons inmiddels danig de strot uit. Maar wat zat er vorige week weer in het pakket? Jawel, hoor! Daar heb je ze weer: raapstelen!
“Gadver, weer raapstelen,” zei mijn lieftallige vrouw. Ze zei het met zo’n vies gezicht, dat ik haar op dat moment even een stuk minder lieftallig vond.

Ondertussen was het repertoire met raapstelen wel zo’n beetje op. We hadden al raapstelenstamppot, raapstelentaart en raapstelensalade gehad. En twee weken erna weer raapstelenstamppot, raapstelentaart en raapstelensalade. In twee maanden tijd hadden we wel vier keer raapstelenstamppot, raapstelentaart en raapstelensalade gegeten. Tijd voor een afwisselender dieet.
“Dat wordt iets met pasta!” gil ik het bijna uit op de fiets.

“Kook de pasta in elf minuten gaar, giet het af en laat het uitlekken in een vergiet,” lees ik op de verpakking van de spaghetti.
“Een vergiet, wat een stom woord, zeg,” mummel ik, terwijl ik een pan met ruim water op het vuur zet. “Je kunt helemaal niets gieten met een vergiet. Of is dat juist de bedoeling dat je iets vér giet? Aan de andere kant: als je een flinke hoeveelheid vloeistof in een vergiet gooit, vergiet je een flinke hoeveelheid vloeistof. Vergieten zoals in ‘verknoeien’. Woorden die met ‘ver’ beginnen, zijn trouwens altijd lastig. Is het verknoeien of vér knoeien? Vertrouwen of vér trouwen? Verzuipen of vér zuipen? Hou toch op!”

Tip: gooi een scheut olie in het water. Dan blijft de pasta later minder aan elkaar plakken. Zeggen ze. Er zijn ook lui die zeggen dat het onzin is. Weet ik veel. Baat het niet, dan schaadt het niet. Mijn pasta plakt in ieder geval nooit aan elkaar.

Terwijl het water met de pasta voor vier personen kookt, snijd ik het blad van de bos raapstelen in smalle reepjes.
“Raapstelen. Ook een stom woord. Je gebruikt het blad en gooit de stelen weg.” Ik doe de groente in de wasbak en was het goed. “Wie wil er nou zand eten?” roep ik nogal hard door de keuken. “Biologische groente is lekker, maar als je het niet wast eet je modder.”
Ik bak wat spekjes uit in een koekenpan.

“Koekenpan. Nog zo’n stom woord. Er kan maar één koek in je pan. En een koekenpan gebruik ik meer voor eieren en spekjes bakken dan voor koeken. Wat voor koeken, trouwens. Chocoladekoeken, eierkoeken, gevulde koeken, tarwekoeken of moederkoeken. Wees ’s wat duidelijker, zeg! Stom woord.”
Ik krijg dorst. Zal ik als een bouwvakker een fles bier aan de bek zetten of zal ik eens chique een mooie cocktail mixen?
Cocktail is ook een mal woord. Net als volledig. (Afgezaagde woordspelingen, bazbo, die kennen je lezers al lang, hoor!) Hoe kan iets nou vol en ledig tegelijk zijn? Of een zeemeermin: is het nou de zee, het meer; meer of min? En valkuil is ook belachelijk: is het een valk of een uil? Naargeestig net zo: wat is het nu? Naar of geestig? In diezelfde orde, maar dan in het Engels: cocktail.”

Ik pak een stuk of tien kerstomaatjes en snijd die doormidden. Vervolgens zet ik als een bouwvakker een fles bier aan de bek. Dan open ik de koelkast en trek ik de gorgonzola tevoorschijn die ik bij mijn kaasboer heb gekocht. Kaas, daarover moet ik toch nog eens een geweldige column schrijven. (Help me onthouden.)
Zo’n tweehonderd vijftig gram van die heerlijke Italiaanse blauwader is wel genoeg. Ik verkruimel het. Het mes spoel ik af onder de hete kraan. Ik heb het nog nodig voor een frisse salade. Ik droog het mes af met een theedoek.

“Een theedoek. Waarom heet een theedoek een theedoek? Heeft niets met thee te maken. Een handdoek is ook een stom woord. Ja, in de keuken hangt een handdoek om je handen mee af te drogen. In de badkamer gebruik je een handdoek om je hele lijf mee af te drogen. En een badhanddoek dan? Een hoofddoek gebruik je niet om je hoofd mee af te drogen en een omslagdoek is er niet voor je omslag. Gebruik je een theedoek om thee mee droog te maken? Nog stommer: een vaatdoek. De vaat droog je af met een theedoek (lekker logisch) en een vaatdoek gebruik je overal voor, maar niet voor de vaat. Nee, dat zou een lekker onhygiënische bende worden in de keuken, zeg. Heb je net je eettafel ontdaan van alle voedselresten die je naast je bord hebt gekwijld, droog je er daarna de afwas mee af. Meestal gebruik ik een vaatdoek om het aanrecht mee schoon te maken. Dat ding moet dus gewoon aanrechtdoek heten.”

En dan komt het grote slot. De pasta is afgegoten en ik doe die weer terug in de pan. Dan roer ik er de uitgebakken spekjes door en de brokjes kaas. De kaas moet goed smelten. Vervolgens meng ik er de uitgelekte raapsteeltjes doorheen en tenslotte heel voorzichtig de tomaten.
“Jongens, eten!” roep ik naar de woonkamer.
“Wat eten we?” vraagt vrouwlief.
“Raapstelenspaghetti.” Ik neem een grote hap. Het is een zwaar gerecht dat goed vult. De zoutige smaak is prettig. Goede kaas in een wonderlijke combinatie met de nootachtige raapsteel. De brij laat ik even in mijn mond en dan slik ik het door. “En wat vind je ervan, vrouwlief?”
Vrouwlief doet heel voorzichtig wat pasta op haar vork, met een spekje, een tomaatje en wat groenslijmerige groente. Dan brengt ze het naar haar mond. Lang kauwt ze niet.
“Gadverdamme.”
Ik ga naar het aanrecht om de vaatdoek te halen. Je kunt er ook kots mee wegvegen.

Theedoek, handdoek, hoofddoek, omslagdoek, vaatdoek. Stomme woorden.
Volgende keer de logica van de zakdoek. (Help me onthouden.)


Apeldoorn, mei 2008

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Plassende vrouwen

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 22:10

Het leven is kut. Of had ik dat al eens gezegd?
Het is zondagmorgen en ik lig in bed. Ik draai mijn hoofd naar het nachtkastje en kijk op de wekker. Het is half elf. Vrouwlief ligt tegen me aan. Ze heeft haar ogen dicht, maar ik weet dat ze wakker is. Haar hand ligt boven het dekbed op mijn buik. Ik hoop dat ze straks mijn ochtenderectie zal benutten. Want hoe zal ik dat eens zeggen? Ik heb momenteel een joekel van een toeter.
Ineens laat ze me los. Ze zwaait het dekbed van zich af en stapt uit bed. Door de spleetjes van mijn ogen zie ik haar de slaapkamer uit lopen. Mijn vrouw is naakt. Wat een lekker gezicht. Ik hoor het klikje van het licht in de badkamer. Niet veel later hoor ik een ander geluid. Ons toilet is een diepspoeler. Er klatert iets in de pot. Ik hoor haar plassen.

Plassende vrouwen, daar heb ik wel wat mee. Niet dat ik er seksueel opgewonden van word, hoor. Maar plassende vrouwen hebben iets kwetsbaars. Mannen pissen gewoon van zich af; vrouwen plassen vol overgave. Dat komt waarschijnlijk doordat ze moeten hurken of zitten. Een plassende vrouw is breekbaar en ontwapenend. Plassende vrouwen zijn van een intense rustgevende schoonheid.

De allereerste vrouw die belangrijk was in mijn leven, mijn oervrouw, mijn goede moeder, had een zwakke blaas. Ik herinner me een lange tocht in de auto op vakantie naar Vlissingen. “Pa, ik moet plassen!” riep ze plotseling.
“Ik kan hier niet stoppen,” mopperde mijn vader, die de bui al zag hangen.
“Ik moet nu toch echt, hoor!”
Vader reed de auto naar de kant van de snelweg en stopte. Wij, de kinderen, moesten de berm in. Mama ging tussen twee openstaande portieren in zitten plassen. Vader had geen emmertje bij de hand; wel een groot blik waar ooit chocolaatjes in hadden gezeten. Even later zag ik hem het blik legen in de greppel.

Mijn allereerste echte vriendinnetje had een naam die op Elisa leek. Dat is nu alweer drieëntwintig jaar geleden. Allemensen, wat waren we verliefd en graag bij elkaar. Ik zocht haar veel op in haar kleine flatje.
Die middag wilde ze liever geen seks. Ze was nogal ongesteld. Nogal erg. Ondanks mijn verlangen naar haar lichaam, wilde ik proberen haar te begrijpen. Uiteindelijk waren we lief voor elkaar met handen, vingers, tongen en lippen.
“Je mag wel even douchen, hoor,” zei ze naderhand. Ik ging naar haar badkamer en stapte onder de douche. Even later ging de deur open.
“Mag ik even binnenkomen?” vroeg ze. “Ik moet heel nodig.”
“Tuurlijk, joh. Het is jouw huis.”
Door het doorzichtige douchegordijn heen zag ik hoe ze op de toiletpot ging zitten. Ik liet het water zachtjes op mijn rug lopen en bleef naar haar kijken. Ze deed haar benen wijd en haalde een bloedrode tampon van tussen haar benen vandaan. Die stopte ze in het afvalbakje naast het toilet. Toen hoorde ik haar plas in de pot stromen. Ik realiseerde me dat ik oneindig veel van haar hield. Ze keek op en zag mij.
“Sta je mij een beetje te beloeren?” vroeg ze met een glimlach.
“Ik kijk graag naar je,” zei ik.
Elisa stond op, schoof het douchegordijn opzij en kwam bij me staan. Haar armen waren om mij heen en het water liep over ons tweetjes heen. Plotseling liet ze een wind vliegen. Door het water was het nogal een knetterende. Ze kreeg een hoofd als een boei.
“Sorry,” fluisterde ze zachtjes. “Ik schaam me zo.”
Het was de mooiste wind die ik ooit had gehoord. (Toch maar eens een column over scheten latende vrouwen maken. Help me onthouden.)
“Op sommige dagen heb ik mijn eigen lichaam niet in de hand,” zei ze.
“Joh, het geeft niet. Als ik jouw lichaam maar af en toe in mijn handen mag hebben.” Ik klemde haar stevig tegen mij aan. Wat was ze lief. Dat zei ik haar ook. “Wat ben je mij lief.”

Over Marianne heb ik al heel veel geschreven. Over hoe allemachtig verliefd ik op haar was, maar dat er nooit echt iets gebeurde. Ik was inmiddels bijna drie jaar getrouwd en mijn zoon werd over een paar maanden een jaar oud, toen ik haar ontmoette. Dat is nu vijftien jaar geleden.
Ik ging voor de zoveelste keer mee als begeleider van een vakantie voor vijftig kinderen uit kansarme gezinnen. En Marianne was de nieuwe leidster. Vanaf het moment dat ik haar voor het eerst zag, was ik volkomen ondersteboven van haar.
De vakantieweek ging naar een camping in Drenthe. Natuurlijk regelde ik dat ik naast haar in de tent lag. We gingen ’s avonds steeds als laatsten naar bed en dan kletsten we honderduit. Ook deze keer weer.
De regen striemde tegen het tentzeil. Wij lagen naast elkaar in de tent bij de andere leiding. Mijn hand gleed door haar prachtige lange blonde haren.
“Vertel eens over wat je in het dagelijks leven doet,” zei ik.
Ze sprak uitgebreid over haar opleiding, haar cursus drama en over de vele activiteiten die ze ernaast nog allemaal deed. Ik deed alsof ik aandachtig luisterde, maar ondertussen hoorde ik alleen maar haar zachte stem, de manier waarop ze sprak, de rust in haar woorden, en rook ik haar adem. We hadden samen een fles vodka leeggedronken. De zoveelste al, deze week.
Ik kreeg verschrikkelijk veel zin om heel dicht tegen haar aan te gaan liggen. En dan hoefde ik niet eens met mijn handen aan haar te komen. Gewoon alleen maar vlak naast haar liggen, mijn lichaam tegen het hare, dat zou al geweldig zijn. Alleen maar haar ademhaling nog dichterbij in mijn gezicht voelen. Haar ademhaling, die als een storm mijn leven tot een grandioze puinzooi maakte.
Marianne kroop ineens uit haar slaapzak en stond op. In het donker zag ik dat ze een zwart T-shirt met lange mouwen droeg. Haar blote benen staken er nogal bij af.
“Wat ga je doen?” vroeg ik verschrikt.
“Alleen maar even plassen,” zei ze.
“O gelukkig,” dacht ik, “ze is niet weg. Ze is alleen maar even plassen.”
Ze wilde over me heen stappen, maar kon in het donker niet goed zien waar ze haar voet neerzette.
“Au!” riep ik. “Je staat op mijn been.”
“O sorry,” giechelde ze. Ook zij was aardig aangeschoten. Ze deed de tentflap opzij en verdween naar buiten. Ik volgde haar snelle pasjes door het gras achter de tent. Boven de regen uit klonk het geluid van nog meer klaterend water. Haar plas raakte de harde bosgrond. Ik luisterde zonder adem te halen. Wat een intiem moment! De gedachte dat ze maar een paar meter verderop gehurkt zat, maakte dat ik het warm kreeg.
“Ik ga nu toch echt slapen, hoor!” zei ze gapend, toen ze weer in haar slaapzak lag. Mijn hand vond haar hand. Vingers gleden in elkaar. Ik gaf haar een kneepje en zij kneep even terug. Voor een minuut of twee maakte niemand geluid.
“Bas?” hoorde ik de fluisterstem van Marianne.
“Ja, vrouw, zeg het eens,” antwoordde ik.
“Slaap je al?”
“Nee. Jij?”
Domme vragen. Maar mensen die iets moois voor elkaar voelen, zeggen domme dingen, bedacht ik me.
“Ik wil wel slapen, maar ik kan niet,” zei ze. Ik hoopte dat ze er achteraan zou zeggen dat ze niet kon slapen omdat ze steeds aan mij moest denken. Maar dat zei ze niet. Ik zei ook niet dat ik niet kon slapen omdat ik steeds aan haar moest denken. In mijn geval was dat waar. In haar geval wist ik het niet.
“Zullen we dan nog een interessant serieus gesprek beginnen?” stelde ik voor.
“Nee,” zei ze, “laten we dat niet doen. Volgens mij is het al half vijf. We moeten om zeven uur op en hebben morgen best een zware dag. Ik moet echt gaan slapen.”
“Vrouwen,” begon ik een flauw zinnetje, “ik ben de zoveelste kerel die ze nooit zal begrijpen.”
Ze gaf geen antwoord. Even was het stil.
“Bas?” vroeg ze weer.
“Ja?”
“Welterusten.”
“Welterusten, mijn Marianne.”
Buiten werd het al licht.

Ineens schiet ik wakker uit mijn mijmeringen. Vrouwlief is de slaapkamer weer binnengekomen. Tot mijn grote teleurstelling heeft ze een onderbroek aan.
“O? Ga je er al uit?” vraag ik.
“Ja,” zegt ze. “Hoezo?”
“Ik dacht dat we nog even gezellig samen in bed bleven liggen.” Ik ben er de man niet naar om gewoon ronduit en bruut te zeggen dat ik helemaal paraat ben voor een fikse ochtendwip.
“Nou,” zegt ze, “het is al laat en we moeten nog van alles vanmorgen. Er ligt nog een hele stapel was, en ik wil de tuin doen.”
Het leven is kut. ’t Is ook altijd wat. Zeikwijven.

Apeldoorn, mei 2008

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Boodschappenbelasting!

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 22:09

“Dat is dan vijfhonderd vierentwintig euro en zeven en tachtig cent,” zei het leuke kassameisje.
“Waaat?” riep ik uit. Ik keek naar een van haar aangename tietjes. ‘Dominique’ stond er op het kaartje.
“Vijfhonderd vierentwintig euro en zeven en tachtig cent, alstublieft,” zei Dominique.
“Lieve Dominique,” begon ik. “Hoe kom je erbij? Ik haal hier al sinds jaren dezelfde weekendboodschappen en altijd betaal ik onder de vijfhonderd twintig euro. Met een dergelijke kassabon kan ik toch niet bij mijn vrouwlief aan komen? Hoe kan het ineens dat alles zoveel duurder is?”
“Verpakkingstaks, meneer,” zei het heerlijke meisje.

“Wat is dit godverdomme nou ineens voor onzin?” vroeg ik.
“Sinds 1 mei zijn we genoodzaakt om verpakkingstaks te berekenen in de prijzen,” zei Dominique.
“Verpakkingstaks, dat is een mooi scrabblewoord, maar wat IS het?”
“U betaalt op ieder product 1% extra belasting vanwege de verpakking.”
“Krijg nou de rottende ratelruft,” zei ik. “Ik ben al zo milieubewust als de pest en koop al geen rommel met veel verpakkingszooi.”
“Ik kan het niet helpen, meneer,” zei het meisje.
“Ik weet het, lieverd. Ik zoek alleen even hardop naar mogelijkheden.”
“Alles staat in de kranten van de laatste paar dagen.”
“Nu je het zegt: shit. Ik heb het gelezen. Twee kranten heb ik maar liefst. Maar ik dacht dat het een grap was.”
“Het spijt me, meneer.”
“Het hoeft jou niet te spijten,” zei ik. “Al zie je er bijzonder leuk en lief uit als je spijt.”
“Dank u, meneer.”
“Hoe zat het ook weer?”

Snel griste ik drie kranten uit het rek. Gretig las ik.
Van de 240 miljoen euro die binnenstroomt via deze manier van belasting, gaat maar 115 miljoen terug naar de gemeenten. Zij kunnen het geld gebruiken om systemen in te voeren om afval te scheiden en te verwerken. 125 miljoen pleuro gaat gewoon naar de staatskas.
Verzet vanuit de politiek is er ook. Er zijn partijen die het zien als een manier om de staatsruif te spekken.
Er is ook nog verschil tussen primaire en secundaire verpakking. Primaire verpakking is bijvoorbeeld het blikje waarin je bier zit; secundaire verpakking het plasticje waarmee die zes blikjes aan elkaar vast zitten. Voor beide soorten verpakking geldt een ander belastingtarief.
“Wat een gelul!” riep ik luid door de winkel. “Zijn ze nou helemaal gek geworden?”
“Wie, meneer?” vroeg het kassameisje.
“Die gasten van de overheid! Die bedenken dit soort dingen. Wat dacht je van verwijderingsbijdrage? En diezelfde overheid heeft eerst al die producenten oogluikend toegestaan om artikelen op de markt te brengen die totaal overbodig verpakt zijn in plastic. Weet jij hoeveel gemeentebelasting ik al betaal om mijn afval, dat grotendeels bestaat uit verpakkingen, af te laten voeren?”
“Geen idee, meneer.”
“En nu komen ze aan met verpakkingstaks! Boodschappenbelasting, dat is het!”

“Oké,” zei ik tegen Dominique. “Ik ga het anders aanpakken.”
“Wat bent u van plan, meneer?” zei ze. Ze kent me een beetje.
“Kijk hier.” Ik pakte de schouderkarbonades en scheurde de verpakking open. “Scan jij de verpakking en gooi hem dan weg. Ik leg ze zo wel in mijn boodschappentas.”
“Ik weet niet of dat zo wel zal gaan.”
“Tuurlijk wel. Voortaan neem ik allerlei bakjes en zakjes zelf mee.”
“Ik denk dat ik even mijn chef erbij moet halen.”
“Hier! Waspoeder! Ik giet het zo in mijn binnenzak! Dan hoef ik niet te betalen voor die kartonnen doos.”
“Meneer?”
“Met de sneeën brood maak ik een mooie zachte bodem onder in de tas voor de tomaatjes die ik wil hebben.”
“U heeft hier nog een grote twee liter can met melk.”
“Ik drink hem hier ter plekke op.”
“Wat is hier gaande?” vroeg ineens een meneer in een pak die achter Dominique was komen staan.
“Meneer wil liever geen verpakkingstaks betalen,” zei Dominique zachtjes.

“Klopt,” zei ik. “Ik koop hier voortaan alleen nog maar spullen zonder verpakkingsmateriaal.” Ik draaide me om en wendde me tot de andere klanten in de rij. “En ik zou jullie allemaal willen aanraden: neem voortaan je eigen tupperware bakjes, je eigen flessen, doosjes en zakjes mee. Ontdoe alles van de verpakkingsmaterialen uit deze winkel voordat je ze koopt. Een procent lijkt niets. Maar het scheelt je ik-weet-niet-hoeveel aan geld op jaarbasis.”
Iedereen knikte.
“Meneer,” zei de bedrijfsleider. “Ik ben bang dat u gewoon zult moeten betalen wat er op de verpakking staat.”
“Maar ik koop de verpakking niet, alleen nog maar de inhoud,” zei ik.
“Ik ben bang dat dit niet gaat werken.”
“O jawel, hoor,” ging ik ongestoord door. “Het systeem is simpel. Ik doe boodschappen, Dominique haalt alles onder de scanner door, en dan verwijder ik alle verpakking. Vervolgens berekent zij de eindprijs met een procent korting.”
“Ik word niet goed,” zei de bedrijfsleider.
“Kijkt u wel uit bij de aankoop van paracetamol?” raadde ik hem aan. “Er is zoiets als het verschil in primaire en secundaire verpakking!”

“Volgens mij was dit het dan zo, meneer.”
“Dag lieve Dominique, tot volgende week.”
Ik wilde haar op haar wang zoenen, maar ze zat net iets te veraf. Nou ja, pech gehad. Ik gaf haar een geile knipoog en deed mijn brood, waspoeder, schouderkarbonades, tomaten en rijst zonder verpakking in mijn tas en verliet druipend en lekkend de winkel.
“Dag, meneer!” riep Dominique mij na. “Doet u de groeten aan uw vrouw?”

Diezelfde avond was ik bij de hoeren.
“Doe mij Rolinda maar weer eens!” riep ik bij binnenkomst. Niet veel later lag de heerlijke roodharige in prettige positie op mij te wachten.
“Deze keer ben ik 1% goedkoper,” zei ik.
“Hoezo dat?” vroeg ze, onderwijl haar lippen aflikkend.
“Vandaag neuk ik zonder condoom,” gromde ik, terwijl ik haar besteeg. “Niks geen verpakkingstaks voor jou.”


Apeldoorn, mei 2008

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Het strontstraatje

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 22:08

Het leven is kut. Dat weet iedereen. Vanaf 21 december is het leven steeds kutter geworden ook, want vanaf die datum worden de dagen nog steeds langer ook. Het wordt steeds vroeger op de ochtend licht. Gelukkig gaat de zomertijd in tijdens het laatste weekend van maart, dus dan is het weer een uur later licht. Daar staat dan weer tegenover dat het ’s avonds later donker wordt, maar de ware hypochonder heeft het dan toch al op een zwaar zuipen gezet.Doordat het vroeger licht wordt, heb ik ’s morgens vroeg steeds beter zicht als ik op de fiets naar mijn werk ga. Ik heb tegenwoordig een nieuwe werkplek en daar kan ik op de fiets heen. Had ik al verteld over mijn nieuwe werkplek? Help me onthouden. Ik heb leuke verhalen. Zeker die over die ene collega met die schitterende bruine ogen.
Drie keer in de week gaat mijn fietstocht via de dezelfde route. Eerst langs het winkelcentrum, dan over wat fietspaadjes en halverwege onder twee fietstunneltjes door.

Het is goed gesteld met de fietsroutes in Apeldoorn. De meeste zijn voorzien van een gladde laag rood asfalt, zodat je zonder al teveel trappen naar je bestemming toe pedaleert.
Vanmorgen reed ik rond tien over acht onder het tweede tunneltje. De trein naar Deventer raasde boven mijn hoofd.
Het zonnetje deed een beetje pijn aan mijn ogen toen ik de tunnel verliet. Nu reed ik over een brug over een vijver, passeerde ik een hondenuitlaatplaats en kwam ik in een plantsoen. Aan de rechterkant staan huizen met een klein voortuintje. Daarvoor ligt een voetpad en een wijkweggetje. Een smalle strook groen scheidt de wijkweg van het fietspad. Aan de linkerkant is een speelveld waar voetbaldoelen staan en verderop is weer een rij huizen.

Ik noem dit stukje fietspad al geruime tijd ‘het strontstraatje’. Aan de rechterkant liggen overal enorme hopen hondenpoep op het asfalt. Je zult maar als onvast lopende oudere met je rollator over het rode asfalt moeten glibberen, of als kind lekker op het speelveld aan het voetballen zijn en je Disneybal belandt op het strontstraatje. Wie zou ooit keeper willen zijn tijdens het spel? En dat terwijl er honderd meter terug een hondenuitlaatplaats is. Wat is dat toch dat mensen zo lui kunnen zijn om even naar de daarvoor bestemde plaats te lopen? Het lijkt me nog goed voor de conditie van mens en dier ook.
Wetenschappers roemen zuurstof als het meest essentiële element in het universum, omdat dat het meeste voorkomt in het heelal, in welke verbinding of samenstelling dan ook. Ik zou hondenstront willen toevoegen als gedegen concurrent. Volgens mij is er meer hondenkak dan zuurstof in het universum.

De zon wierp een verhelderende blik op de drollen die er lagen. Ik passeerde verse, oude, en al bijna vergane excrementen. Kokhalzend keek ik een andere kant op, en toen zag ik niet het zojuist gelegde prachtexemplaar. Ik reed er vol in. Het profiel van mijn band had in een keer geen enkele grip meer. Mijn fiets maakte een schuiver. Ik kon nog maar net voorkomen dat ik omviel, door mijn voet op het asfalt te zetten. Samen met de banden gleed ik met mijn voet door de smurrie. Langzaam pirouetterend kwamen we tot stilstand.

Iets voor mij kwam een man aangelopen. Het was een nogal grote vent met een trainingspak aan en een kaal hoofd. Zoals hij uit zijn ogen keek, leek het erop dat hij nog niet goed wakker was en voor het douchen even snel de hond uit wilde laten. Aan zijn riem liep een minuscuul keffertje. De man stopte midden op het fietspad, hetgeen voor zijn petieterige huisdiertje het teken was om eens uitgebreid door de achterpootjes te zakken. Ik keek het tafereel met afgrijzen aan.
Het beestje produceerde een bolus nog groter dan hijzelf. Er leek geen einde aan te komen. Dat zo’n enorm gevaarte uit zo’n klein rothondje kon komen. De verhouding tussen het formaat van het huisdier en de diameter van de opengesperde aars was totaal zoek.

“Ah meneer,” sprak ik de eigenaar van het kakkerdje aan. “Zou u uw hondje daarginds in de hondenuitlaatplaats willen uitlaten? Die is daar speciaal voor bedoeld.”
“Waar bemoei jij je mee?” was het antwoord van de man.
“Ik glibber en glijd hier weg vanwege de uitwerpselen die hier op het fietspad liggen. Nu ligt de poep van uw hond er ook weer bij.”
“Wou je ’t hebben?”
Op de achtergrond bleef zijn minikeeshond maar in de ontlasthouding. Het fietspad lag inmiddels over de gehele breedte onder gesmeerd. Ik zette mijn fiets op de standaard.
“Meneer,” zei ik, “ik vroeg u vriendelijk of u uw hond ergens anders zijn gevoeg wilt laten doen. Ik heb er nogal last van dat het dier hier op het fietspad poept.”
“Wat kan mij dat nou schelen? Moet je maar een auto kopen.”

Ineens kwam de Freek Torso in mij naar boven. Ik bukte, greep het Duitse holherdertje bij zijn staart en drukte hem met zijn snuit in zijn eigen drek. Woedend kwam de eigenaar op mij af.
“Hee, randdebiel! Wat doe je nou?” riep hij. “Dat beest heeft jou niets misdaan!”
“Ach, ik leer hem even wat regeltjes. De gebrande hand is de beste leermeester. Van zijn baas moet hij het niet hebben.”
“Ik zal jou ’s effe,” begon hij zijn mouwen op te stropen. Verder dan een mouw kwam hij niet. Ik had inmiddels het minuscule kutkeffertje opnieuw bij de staart beet. Met een ferme zwaai zwierde ik de pygmeeënpitbull de lucht in en liet ik hem midden in het gezicht van zijn eigenaar smakken.
De man had mijn beweging niet verwacht. Hij verloor zijn evenwicht en viel samen met zijn pinkeltjespoedel achterover. Met een doffe plof belandden ze beiden in de hopen hondenpoep die daar op het asfalt lagen.

“Goed zo, meneer!” riep ineens iemand naast mij. Het was een mevrouw die uit een van de huizen langs het fietspad was gekomen. Ze had de deur van haar woning open laten staan. “Ik zag wat er gebeurde. Ze laten die honden hier overal maar schijten. Tijd dat we ze een poepie laten ruiken!”
“Inderdaad!” zei een meneer die er ook bij was komen staan.
“Het wordt hier een grote smerige strontstraat!” schreeuwde een oud vrouwtje.
Een andere meneer had een schepje bij zich. Handig lepelde hij een enorme, ietwat halfvergane drol erop. In dezelfde beweging liet hij de lading in het gezicht van de trainingspakvent vallen.
“Hee, wat doen jullie met die arme man?” gilde een jonge vrouw die kwam aanlopen. Ze had een grote bouvier aan de lijn. “Laat hem gaan of ik laat Hector los!”

Ineens ging het snel. Voor ik het wist stond de halve buurt om mij heen. Iedereen stond elkaar met hondenuitwerpselen te bekogelen. Ik zag een man die met zijn blote handen een verse keutel in het gezicht van een hondenbezitter smeerde. Iets verderop stond een vrouw zich te verdedigen met een strontschepje. Hector hapte naar edele delen. Het speelveld werd een waar slagveld. De menigte zwol aan. In de verte hoorde ik sirenes.

Ik maakte van de verwarring gebruik om stilletjes mijn fiets te pakken en me uit de voeten te maken. Tien minuten later was ik op mijn nieuwe werkplek gearriveerd. Ik veegde mijn voeten zorgvuldig, deed mijn jas uit en zette mijn tas op mijn kantoor. Vervolgens verstopte ik mij op het toilet om daar de pot eens goed vol te schijten.


Apeldoorn, april 2008

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Tuba podex est – een culi-column

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 22:07

“Tuba podex est”
Aristofanes

Zalig getafeld, gisterenavond. Hot chili met veel uien, prei en bonen. Die zijn goed voor je. Pruimen in het toetje. Flesje wijn erbij. Naderhand ging er nog een flesje open. Het smaakte allemaal goed.
De sfeer werd zo prettig en het gesprek zo intiem, dat we deze vrijdagavond in hitsige toestand eens vroeg naar boven gingen.
Niet veel later lag vrouwlief zonder kleren in een verleidelijke pose op het bed. Ikzelf had ook mijn kleren uitgetrokken. Mijn orgaan had zich al helemaal voorbereid en wees fier omhoog. Ik stond naast het bed, klaar voor hete toestanden. Toen voelde ik een lichte druk op het uiteinde van mijn maagdarmkanaal.

Seks en humor gaan zo heerlijk samen. Niets zo goed als lachend de liefde bedrijven. Frank Zappa vroeg het zich ook al af: “Is it possible to laugh while fucking?” Hij vond van wel. Ik zocht naar een manier om het uit te proberen en gaf me intuïtief over aan een aloude bazbo-familietraditie.
Met mijn wijsvinger tekende ik een denkbeeldig koord in de lucht. Toen deed ik net of ik hard aan het touwtje trok, en tegelijkertijd tilde ik mijn linkerbeen een stuk op. Ik zette ietwat druk op de anus en vanuit mijn bilnaad liet ik wat vliegen. Het ging iets harder dan ik had verwacht.
Het leek alsof de aarde open scheurde. Er klonk een alles overrompelend dondergeluid, dat in films het einde van de wereld aankondigt. De bodem schudde op zijn grondvesten. Kortom: ‘Le Grand Tout’.

“Wat doe jij nou!?” riep vrouwlief met een lijkbleek gezicht en verbijsterde blik in haar ogen.
“Gewoon. Dit moet van de ‘GezondNU’.”
“Gadverdamme! Waar kom je nu weer mee aan?”
“Divertikels,” legde ik uit.
“Met wat?”
“Kleine uitstulpingen in de darmwand.”
“Wat lul je nou toch?” Normaal was het vrouwlief die wel eens van zich af knetterde. Zeker in een bepaalde periode in haar menstruatiecyclus toeterde ze er op los. Ik begreep de onthutsing dan ook niet helemaal.
“Divertikels zijn momenteel heel erg actueel,” zei ik. “Vincent Bijlo schreef erover in het AD van afgelopen donderdag. En DriekOplopers in zijn column van gisterenmorgen.”
“Actueel, me reet,” zei vrouwlief. Ik vond het op zich wel een grappige uitspraak.

“Kijk,” begon ik. De docent in mij kwam naar boven. “Het tijdschrift ‘GezondNu’ heeft er belangrijk onderzoek naar gedaan. Divertikels ontstaan door het veelvuldig inhouden van je scheten. Het komt hier op neer. Als je je daverende donderslag inhoudt, ontstaat er extra druk op de darmwand. Hierdoor kunnen afvalstoffen in het bloed opgenomen worden en uiteindelijk veroorzaken die uiteenlopende klachten. De druk in de darmen kan zo hoog oplopen, dat het darmslijmvlies door de gaatjes in de spierwand naar buiten wordt geperst. Kleine uitstulpingen in de darmwand zijn het resultaat. Deskundigen noemen die uitstulpingen ‘divertikels’. Hierin kunnen voedselresten zich opstapelen, hetgeen weer tot nare darmonstekingen kan leiden. De divertikels komen het meest voor aan het eind van de dikke darm. Tot zover het saaie wetenschappelijke gedeelte.”

“O, komt dan nu het praktische deel?” vroeg vrouwlief. Ze gaapte.
“Jazeker!” riep ik enthousiast uit. We weten allemaal dat een riant ratelende reutelruft niets zegt over de darmen, maar alles over je eetgedrag. Je kunt ook aan de geur van je wind bepalen hoe het met je gezondheid gesteld is.”
“Nou ja! Wedden dat je het helemaal gaat uitleggen?”
“Precies! Als je scheet stinkt naar rotte eieren, dan wijst dit op een slechte eiwitvertering door een overschot aan dierlijke eiwitten. Darmbacteriën die van eiwitten leven, gaan extra groeien en veroorzaken klachten als een slechte adem, vermoeidheid en hoofdpijn.”
“Dus van veel barbecue ga je uit je bek stinken. En je wordt er erg moe van.”
“Exact. En als jij ’s avonds laat hoofdpijn hebt, dan komt dat niet van je desinteresse in seks, maar van teveel vlees!”
“Ik geloof niet dat ik het nu nog helemaal volg.”
“Gaan we verder met de zurig ruikende wind.”
“Ik word niet lekker.”
“Gisting in de darmen is de oorzaak, vooral na het eten van een overvloed aan koolhydraten als suiker of fruit.”
“Koffie zwart drinken en die twee stuks fruit per dag van het dieet verwijderen?”
“Zachte fluisterflatulentie daarentegen duidt op een vetverteringsprobleem. Van een bezoek aan de Mac krijg je dat, bijvoorbeeld.”
“Wij komen toch nooit bij de Mac?” vroeg mijn vrouwlief.
“Inderdaad.”
“Vandaar dat jij daarnet geen zacht windje liet maar zo’n knoertharde knaller.”
“Goed dat je erover begint. Hard klinkende winden komen voor bij een slechte koolhydraatvertering.”
“Dus als je je pasta of rijst niet goed gekauwd hebt.”
“Niet goed kauwen is sowieso niet aan te raden. Dan loop je namelijk ook het risico op klonten in de kots.”

“Bah, wat onsmakelijk allemaal,” trok vrouwlief een vies gezicht. Ze verstopte zich onder het dekbed.
“Toegepaste wetenschap is niet voor iedereen weggelegd,” mompelde ik.
Ondertussen was alle kans op fenomenale superseks wel verkeken. Vrouwlief had zich omgedraaid en lag met haar rug naar mij toe. Mijn zo fiere orgaan was inmiddels weer geslonken tot een slap slangetje. Ik sloeg het dekbed aan mijn kant van het lits-jumeaux open en ging liggen. Zuchtend knipte ik het lampje op het nachtkastje uit.
Nog lang lag ik in het donker naar Kaap Kont van Moeder de Vrouw te staren. Wat zat er toch in het eten van vanavond dat dit allemaal had veroorzaakt?

Ingrediënten voor een fantastisch flatulentie-opwekkend gerecht voor vier personen, of voor het aanboren van diepe grotten en spelonken voor twee personen:

olie of boter
500 gram rundergehakt
2 grote uien, gesnipperd
2 grote preien, in ringen gesneden en schoongemaakt
1 rode peper en 1 groene peper, in ringetjes gesneden
1 groot blik bruine bonen
1 klein blik kidneybeans
chili kruiden (veel)
1 blikje ananasstukjes

Bak het gehakt rul.
Bak ook de uien mee.
Voeg de prei en de pepers toe en laat het geheel even doorbakken.
Doe de chilikruiden erbij en roer goed door.
Giet de bonen af, maar bewaar het vocht. Doe de bonen in de pan en verwarm goed door.
Voeg zoveel vocht uit het blik toe dat een smeuïge massa ontstaat.
Giet de ananasstukjes af en doe deze in de pan.
Serveer met rijst of brood en een frisse salade.
Veel van eten en een uurtje wachten. Geheid succes.

PROET!
Apeldoorn, april 2008

(Aanbevolen literatuur: ‘Kakafonie – Encyclopedie van de stront’, samengesteld door Gerrit Komrij, 2007)

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Prins en prinses in de kou

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 22:06

Het was koud op de fiets. Een felle februariwind sneed door mijn jas heen. Naar je werk op de fiets is leuk. Had ik al verteld van mijn nieuwe werkplek? (Dat ding blijft niet nieuw!) Tegenwoordig kan ik op mijn rijwiel naar het werk. Nog geen half uur kost het me. Heerlijk als het weer en de wind meezit. Minder leuk als het stortregent.
De tocht leidt me van mijn woonwijk De Maten naar de wijk Zevenhuizen. Onderweg zie ik van alles. Van stukjes weiland tot drukke woonerven. Van forenzenauto’s tot schoolgaande jeugd. In Apeldoorn maak je wat mee.

Het was al bijna licht. Ik fietste door een rustige straat. Op de stoep liepen een jongen en een meisje, allebei van een jaar of tien. Het meisje droeg een rode muts over haar lange blonde haren die over haar schouders hingen. De jongen had een donker kortgeknipt koppie en een baseballpet op. Op hun rug hing een rugzak. Het meisje was een halve kop groter dan de jongen. Ze liepen hand in hand. Toen ik ze inhaalde, zag ik duidelijk dat het geen broertje en zusje waren. De kinderen keken elkaar aan en glimlachten. Zelfverzekerd en trots, bijna koninklijk, zo leken ze.
De wind sneed nog door mijn jas, maar ik had het niet langer koud.

Haar zusje heette Herma en Herma zat bij mij in de klas. Zijzelf zat in de zesde. Zo heette dat toen nog. De zesde was groep acht. Wij zaten in de vijfde. Groep zeven, dus. (Ik val mijn hele leven al op oudere vrouwen.)
Herma en Ellen woonden in zo’n flat aan de Breitnerstraat. Ik was wel eens in die buurt geweest en ik vond het er maar een vieze boel. De huizen waren ongeschilderd en er lag afval op straat. Mijn moeder noemde het wel eens ‘de asociale buurt’, maar ik wist niet wat dat betekende en ik durfde er niet naar te vragen. Later stonden die flats in deze buurt een tijd lang bekend als vergaarbakken van prostitutie en criminaliteit.
In het speelkwartier trok ik veel met de zusjes op. Ik weet niet meer of het een tweeling was of niet. Achteraf denk ik van niet.
Herma was vrij tenger. Ze had een spits snuitje met holle ogen en wild krullend halfblond haar. Ellen was steviger, zachter, ronder en eleganter in haar bewegingen. Ze had diepe waterachtige blauwe ogen en zacht golvend wit haar. Op haar was ik verliefd.
’s Nachts droomde ik met open ogen van blonde prinsesjes met helderblauwe ogen en de glimlach van de wereld. Ze heetten allemaal naar de meisjes van mijn school op wie ik verliefd was en in de vijfde klas heette mijn prinsesje Ellen. Om een of andere reden droomde ik ook dat haar prins Peter heette. Dat was zoals ik wilde zijn: een prachtige prins die Peter heette.
In de vijfde hadden we op school zo’n rage waar alle leerlingen uit alle klassen aan meededen. We deden ouderwetse kringspelletjes. Je kent ze wel. Van die liedjes waarbij iedereen in een grote kring staat te zingen. Eentje staat er dan in het midden, danst wat rond, moet dan een ander uit de kring kiezen, daar wat mee rondhuppelen en dan weer in de kring gaan staan. Het aantal kinderen dat meedeed was altijd erg groot en de kans dat ik eens in het midden zou staan en mijn prinses kon uitkiezen, was dus klein.
Ik was zo’n veel te klein jongetje dat stilletjes in een hoekje van het schoolplein stond te kijken hoe andere jongetjes succes hadden bij de meisjes. Ik stond daar vaak alleen. Soms stond Herma naast me en een heel enkele keer kwam haar zusje er ook bij staan. Dat waren de gelukkigste momenten van mijn leven. Niet dat ik iets tegen Ellen durfde te zeggen. Praten kon ik toen nog niet. Dat heb ik pas veel later, jaren later een beetje geleerd. Herma had het wel door.
“Jij bent op mijn zus, hè?” vroeg ze op een middag.
Ik zei niets en knikte alleen maar.
Herma moest lachen.
De volgende morgen stonden de twee zusjes op het schoolplein bij elkaar te giechelen. Ik was er al bang voor: Herma had haar zus ingelicht. En Ellen vond mij natuurlijk maar een raar klein jochie. Ik was echt heel klein voor mijn leeftijd. Nee, ze stond me vast uit te lachen! Maar iets in haar helder blauwe ogen stelde me gerust. Het was alsof ze wilden zeggen: “Ik vind je wél aardig.”
Dagenlang keken en glimlachten we naar elkaar op het schoolplein. Zij was het. Zij was de liefste en de mooiste en niemand wist het. O, als ik maar een keer in het midden van de kring stond, dan zou ik haar laten zien dat zij mijn prinses was. Dan zou de hele wereld weten dat wij bij elkaar hoorden.
En op een maandagmorgen was het grote moment aangebroken. Ondanks het barre winterweer stond de hele school in het speelkwartier weer in de kring. Het spelletje was weer ‘prins en prinses’. Ik herinner mij niet meer of het spelletje ook zo heette, maar het lied ging wel over een prins en een prinses.
Een dik en vriendelijk meisje stond in het midden. Ze keek rond en koos mij. Daar huppelde ik naast het grote dikke meisje met de bril en het rode haar. Iedereen moest lachen om dit gekke stel. Een grote stevige meid met zo’n klein jochie. Maar het deed mij niets. “Wacht maar,” dacht ik, “ik zal jullie straks eens wat laten zien. Ik kies het liefste en mooiste meisje van de hele wereld.” En daar stond ik alleen in de kring. Iedereen zong.
Ik zocht met mijn ogen naar helder blauw. Daar! Daar waren ze. Ik strekte mijn twee armen uit en reikte haar mijn hand. En… ze ging met me mee!
Uren dansten we. Prins Peter zwierde met zijn prinses Ellen over de wereld. Ik was volmaakt gelukkig. Terwijl we huppelden, keek ik alleen maar in haar ogen.
Veel te snel moest ik haar weer loslaten. Bij de volgende ronde koos Ellen die stomme knul uit de zesde.

Ik was de twee koningskinderen inmiddels voorbij, en keek nog even naar ze om. Nog altijd liepen ze hand in hand. Vol goede moed het leven tegemoet. Of op z’n minst de saaie schooldag van vandaag.
Ze keken elkaar aan. De jongen iets omhoog en het meisje iets naar beneden. De glinsterende blik in hun ogen en hun beider glimlach waren onbetaalbaar.
Ik keek weer voor me uit en zuchtte diep. De tranen op mijn wangen kwamen vast van de kou. Van nergens kwam die grote vrachtwagen die me tot pap zou rijden.

Apeldoorn, april 2008

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Lastig parket

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 22:05

Maandagmorgen. Ik heb mijn zoon de deur uitgewerkt. Hij moest om half acht op. Traag hees ik mij in de kleren van gisteren die ik op de stoel naast mijn bed had gegooid. Toen liep ik naar de slaapkamer van mijn zoon en maakte ik hem wakker. Beneden bereidde ik koffie voor mijzelf en zette ik zijn ontbijtspullen klaar. Drie kwartier later deed hij de voordeur achter zich dicht. Ik had mijzelf weer naar boven gesleept en uitgekleed. Ik viel uitgeput op bed en onmiddellijk in slaap.”Plok!” hoor ik in het kamertje naast mij. Onmiddellijk ben ik klaarwakker. Ik zit zelfs bijna rechtop. Het kamertje naast mij bevindt zich in het huis van de buren. In het kamertje slaapt hun kindje. Het is een meisje.
“Hoe oud zal ze inmiddels zijn? Een jaar? Anderhalf? Geen idee. Laatst zag ik haar aan de hand van haar vader van de auto naar hun voordeur lopen. Nou lopen; die vader sleepte haar meer dan dat ze zelf liep. Aardige buren, hoor. Kun je niets van zeggen. Ze vangen eventuele postpakketjes voor ons op als we niet thuis zijn, en wij zijn er voor de buren.”

“Plok!” klinkt het nogmaals. Het kindje van de buren ligt vlak naast mij en laat iets uit bed vallen.
“Leuke buren,” zucht ik voor mij uit, “maar waarom moesten ze zo nodig parket leggen door het hele huis heen? Nu horen wij alles. En niet alleen wij, vijf huizen verder hoor je het nog, volgens mij.”
“Plok! Plok!”
“Het lijken wel blokjes uit een doos. Zouden het houten blokken zijn of van die Lego Duplo? Het klinkt nogal massief, maar dat weet je nooit zeker met parket.”

Ik wil nog wat slaap vatten. Het lukt niet. Er blijft van alles uit het bedje van het buurkindje vallen. “Laat ik me concentreren op iets totaal anders.” Van alles schiet er door mijn hoofd.
“Ik lig hier alleen in bed. Hoe lang is het geleden dat er een mooi jong meisje naast mij in bed lag? ’s Even denken. Dat is inmiddels bijna 23 jaar geleden. Tjonge, wat was ze lief. En mooi. En jong. Toen was ik zelf ook nog jong. En twintig jaar geleden kwam ineens die ene vrouw in mijn leven. Sindsdien ligt die naast mij in bed. Niks geen bezwaar, hoor. Of het moet die kreet van Freek Torso zijn. Wat was het ook weer? Potdomme, ik heb die onzin allemaal zelf bedacht, en dan kan ik er nu niet opkomen. O ja: ‘Het is best prettig als er een vrouw in je bed ligt; minder prettig is het dat het altijd dezelfde vrouw is.’ Het is de vrouw met wie ik getrouwd ben, dus eigenlijk telt dat niet.
Waar zijn de mooie jonge meisjes in mijn leven gebleven? Ik weet er nog wel een paar. Dat meisje van mijn vorige werkplek, bijvoorbeeld. Lieve help, die was ook lief en mooi. En dan het meidje dat ik via internet leerde kennen, met wie ik wat heen en weer mail en dat ik een maandje of wat geleden mocht ontmoeten op het station in Utrecht. Wat een heerlijkheidje. Maar naast mij in bed hebben ze niet gelegen. Dat dan weer niet. Het leven is kut, dat blijkt dan maar weer.”

“Plok! Plok! K’dang!” klinkt het bij de buren. Volgens mij gaat nu de hele blokkendoos tegen het mooie parket aan. Het lijkt wel of het geluid iedere keer harder wordt.
“Je krijgt wat van zo’n kind. Dat soort ellende heb ik bij mijn eigen kind er al vroeg uitgeslagen. Slapen, kreng! Zo erg was het bij onze kleine niet. Dat joch was altijd een stille baby en een zeer rustige peuter. Als baby sliep hij als een roos. Tenminste, als hij zijn fopspeen in zijn mond had. In het begin, toen hij nog maar net geboren of een paar maanden oud was, kon hij die speen nog niet goed in zijn mondje houden. Om de haverklap floepte hij tussen zijn tandeloze kaakjes vandaan en dan was hij hem dus kwijt. En wat krijg je dan? Precies! Gejank! In het begin propte ik met veel geduld het speentje weer terug tussen zijn lipjes, maar als je dat een keer of vijfhonderd binnen een uurtje hebt gedaan, komt dat gemekker je goed de keel uit. Ik herinner mij dat ik naar een creatieve oplossing zocht. Nu hadden wij van dat huidvriendelijke plakband in huis. Als je dat een paar keer over je hand haalde, was de ergste ‘plak’ eraf. Het zag er niet uit, zo’n speen vastgelijmd met plakband op de bek van het jochie, maar het werkte wel!”

“Klik klak, klik klak,” klinkt het ineens nogal doordringend bij de lui van hiernaast. De buurvrouw loopt de trap op en af. Het is een open trap met houten treden. En de buurvrouw draagt graag schoenen en laarsjes met hoge hakken.
“Woongeluiden. Tja, dat heb je zo als je in een rijtjeshuis woont,” probeer ik het gedrag van de buren goed te praten. “Dan weet je dat je wel eens iets van de buren hoort. Zij zullen ook heus wel eens iets van mij horen. Als ik mijn King Crimson platen lekker hard door de woonkamer heen knal. Of die laatste Porcupine Tree! Wat een fantastische takkeherrie is dat toch! Vooral tijdens het koken. Beuken in de keuken! Heerlijk!”

“KLIK KLAK, KLIK KLAK!” dendert het op de trap van het huis van de buren.
“Buurvrouw op naaldhakken. Tjonge, dat is best wel een geile gedachte.” Het duurt niet lang of mijn orgaan is volledig overeind gekomen. “Wat een gek gezicht, zeg, die heuvel in het dekbed.” Ineens moet ik denken aan allerlei opwindends. Scènes op stranden en in sauna’s, gebeurtenissen op vakanties, in de woonkamer of in het bed waarin ik nu lig.

“KABAAAAAM!” Weg is mijn harde plasser.
“Het lijkt wel of ze het kind met bakstenen en stoeptegels laten spelen! Zijn ze nou godverdomme helemaal gek geworden? Wat krijgt dat mormel daar voor opvoeding, zeg? Ik probeer hier te slapen! Nog een keer en dan gaat er wat gebeuren!”
Voor de zoveelste maal draai ik me om. Ik begraaf mijn hoofd in mijn kussen.

“BEDEEEEENNGGGGGGGG!!!” Het klinkt als een blok beton dat mede de fundering van de Oosterscheldekering vormt.
“Nu is de maat vol!” schreeuw ik in blinde woede. “Hoog tijd dat ik die buren eens verwittig van wat ze aanrichten! Ze zullen weten welke overlast ze veroorzaken!”
Ik gooi giftig het dekbed van mij af. Briesend storm ik de trap af naar beneden. Ik ben al in het halletje als ik me iets gewaar word. “Shit,” realiseer ik mij. Ik loop nog in mijn blote kont.
“Wat kan mij het schelen!” roep ik uit. “Dit moet opgelost worden en snel!”
Ik open de voordeur en ga naar de schuur. Niet veel later heb ik gevonden wat ik zocht. Hevig schuimbekkend ren ik naar de voordeur van de buren, zwaaiend met mijn allergrootste bijl.


Apeldoorn, april 2008

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Raapstelenstamppot – een culi-column

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 22:03


“Raapstelen! Een kilo voor een euro!”
De marktkoopman riep het hard van achter zijn kraam. Niet dat veel mensen erop in gingen. Jammer.

“Jaaaaaaaa!” riep ik vrijdag enthousiast.
“Wat is er?” vroeg mijn vrouw.
“Ze zijn er weer!”
“Waar heb je het over?”
“Raapstelen in het pakket!”
“Gadverdamme. Nee, hè?” zei mijn vrouw fijntjes.

Iedere vrijdag komt er een grote vrachtwagen bij mij voorrijden. De bestuurder is een werknemer van een biologisch-dynamische boerderij uit de omgeving. Al een paar jaar heb ik een abonnement op een groentepakket. De boerderij levert mij iedere week een portie biologisch geteelde groenten. Inmiddels fungeert mijn carport als distributiecentrum voor de buurt. Allerlei mensen uit mijn omgeving die ook een abonnement hebben, komen iedere vrijdagmiddag hun pakket bij mij afhalen. Onder de carport staat een grote stapel blauwe kratten.
Zo’n groentepakket is geinig. De echte smaak van de producten is geweldig; dit is groente zoals groente moet smaken. En iedere week is het weer een verrassing wat er in het pakket zit. Tuurlijk, in de winter word je doodgegooid met kool en witlof, maar buiten de winter is het iedere week anders. Niet zelden sta ik in de keuken met een product in mijn hand en vraag ik mij hardop af: “Wat is dit en wat moet ik ermee?”
Postelein en schorseneren, aardperen en pastinaken, wortelpeterselie en snijbiet. Nu waren er dan weer eens raapstelen.
“Gadverdamme,” zei mijn vrouw nogmaals. Toch houd ik van haar.

Wie weet (nog) wat raapstelen zijn? Niet veel mensen, ben ik bang. Raapstelen behoren steeds meer tot de ‘vergeten’ groente, net zoals schorseneren, postelein en pastinaken. En dat is onterecht, want het is niet alleen een goedkope, maar ook een zeer gezonde en smakelijke groente, die zich leent voor allerlei toepassingen. Qua gebruik en verwerking kun je raapstelen vergelijken met andijvie; de smaak is echter heel anders.
De tijd dat ze bij de groenteman of in de supermarkt liggen is relatief kort. Het is een echte voorjaarsgroente. Meestal verkrijgbaar vanaf eind april tot begin juni. Maar nu zaten ze al begin april in het pakket.

Raapstelen, ook wel bladmoes geheten, behoren tot de orde van de brassicales, en is daarmee verwant aan de kool. Het is een groente waarvan het jonge blad en de bladstelen gegeten worden. Het gewas is snel groeiend en wordt hoofdzakelijk in de glastuinbouw geteeld.
Raapstelen zijn gevoelig voor smeul en rot. Tijdens de teelt mag er daarom niet te veel water worden gegeven. Ook aardvlooien kunnen schade aan het gewas toebrengen.
De groente moet kort na aankoop genuttigd of verwerkt worden, omdat de bladeren snel verleppen. Het best bewaar je de raapstelen in een plastic zak in de koelkast. Zijn de bladeren slap, dan kun je ze nog wel ‘oppeppen’, door ze een tijdje in water te leggen. Voor gebruik moeten de bladeren goed gewassen worden.

Genoeg technisch gewauwel nu; het belangrijkste is toch wat je ermee doet. Opeten, natuurlijk. Maar in welke vorm?
Veel mensen gaan voor een zonnige salade van raapstelen met tomaat, appel en pijnboompitten, maar ikzelf zweer bij de raapstelenstamppot.

Benodigdheden voor vier personen:
750g raapstelen, 1,5 kg aardappelen, 1 dl melk, scheut olijfolie, peper, eventueel gerookte spekblokjes.

Snijd of hak de raapstelen fijn en verwijder de worteltjes. Was het blad goed.
Bak eventueel de spekblokjes uit.
Kook de aardappelen gaar, giet ze af en pureer ze. Voeg de melk en een scheut olie toe. Roer alles goed door elkaar, zodat een gladde puree ontstaat. Roer er dan eventueel de uitgebakken spekblokjes door. Breng op smaak met (veel) peper.
Meng er tenslotte de raapstelen doorheen. Dien onmiddellijk op.

Eventueel bestrooien met geraspte oude kaas. Lekker met verse worst en een frisse salade met veel rode paprika erin. Vergeet ook niet de mosterd op tafel te zetten.

“Raapstelen! Een kilo voor een euro!” Geen geld voor zoveel oergevoel.
Het voorjaar is nu waarlijk aangebroken. Grijp uw kans.
Ik wens u smakelijk eten.

“Gadverdamme!”

Apeldoorn, april 2008

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

PC-gedonder: van alles naar de bliksem (2)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 22:00

Inhoud van het voorafgaande:
Mijn modem ging naar de bliksem. Vervolgens kreeg ik een hoop gedonder met medewerkers van de KPN-Klantenservice. Dood moeten ze! Die aambeien van ergernis trouwens ook.
Ik ben klant bij een fijne internetprovider. Zij bestelden een nieuw modem. Ik zou het gratis krijgen. Binnen een week zou het bij mij binnen zijn.

Ik krijg zowaar binnen een week mijn nieuwe modem binnen. Op een prettige regenachtige avond trek ik – na het avondeten en het inpakken van de vaatwasmachine – de doos open en pak ik mijn nieuwe Speedtouch 541 i v6 uit. “Wat een klein dingetje! De techniek staat toch voor niets,” mompel ik. “En hee, hier is de ADSL-installatie cd-rom van de KPN ook weer!”
“Lukt het niet, schat?” vraagt mijn vrouw.
“Bek dicht, demente koe,” zeg ik iets te hardop.
“Wat zei je?”
“Geen problemen tot nog toe,” bedoel ik.
Ik sluit alle kabels op de juiste manier aan, zet het modem aan en druk de installatie cd-rom in de pc.
“Welkom bij de installatie cd-rom van KPN,” lees ik in beeld. “Wij gaan jou door het installatieproces helpen. Als jij de aanwijzingen precies opvolgt, zal dit probleemloos verlopen.”
Branderige jeuk rond mijn aars dient zich aan. Ik krijg er wat van als ik door een apparaat getutoyeerd word.
Al bij het derde scherm gaat het mis. Het installatieprogramma probeert een verbinding te zoeken tussen het modem en de pc. Die is er niet, dus. Terwijl mijn ene hand door mijn broek heen in mijn bilnaad schuurt, pak ik met mijn andere hand de telefoon.

“Dit is de KPN-klantenservice. Heeft u vragen over een nieuw abonnement, toets dan 1.”
Na een stief kwartier heb ik iemand aan de lijn.
“Hallo. Ik probeer hier een nieuw modem te installeren via jullie installatie cd-rom. Echter, ik kan geen verbinding tot stand brengen tussen het modem en de pc.”
“O.”
“Wat doe ik nu?”
“Heeft u de kabels gecontroleerd?”
“Tuurlijk. En de hitte in mijn hol stijgt tot grote hoogte.”
“Huh? Waar heeft u het over?”
“In het installatieproces krijg ik ook tips wat ik moet doen als het niet lukt. Ik heb alles gedaan wat mij aangeraden werd, maar het ene lampje ‘Ethernet’ op het modem blijft uit.”
“Dan zou ik de provider bellen, als ik u was.”
“Als u mij was, had u gigantische fik rond de sluitspier. Ik wens u goedenavond.”

“Dit is de helpdesk van xs4all. Helaas kunnen wij u niet meer van dienst zijn. U kunt morgen bellen van 08.00 tot 20.00 uur.”
Ik kijk op de klok. Godverdomme, het is half negen.
Herman Brusselmans heeft een nieuw boek uit. Ik heb het in twee avonden kapotgelezen. Zullen we even een boekentip doen? Nee, laten we dat niet niet doen. Laten we een dag verder kijken.

“Dit is de helpdesk van xs4all. Heeft u vragen over uw abonnement, toets dan 1. Heeft u problemen of kunt u niet internetten, toets dan 2. Voor alle andere vragen, …” Ik wacht de volgende keuzemogelijkheid weer niet af. Het zal nog steeds 3 zijn. Gok ik. Maar wat een bak zou het zijn als je ineens op 8 zou moeten duwen. Of op het hekje, of de uitknop of de zelfontspanner. Ik zeg maar wat. Veel tijd om verder te denken gun ik mijzelf niet. Ik druk op knopje 2.
“Helpdesk xs4all, met Willem. Zegt u het maar.”
“Goedemiddag, ik heb een nieuw modem Speedtouch i v6, maar heb wat problemen met de installatie. De KPN heeft me naar jullie doorverwezen.”
“O die. Ja, die weten niks.”
Ik grinnik.
“Wat zegt u, meneer?” vraagt Willem.
“Ik krijg nogal zand in de gleuf van de KPN,” zeg ik.
“Wat heeft u?”
“Zand in de gleuf. Acné op de anus. Hitte in de kont. Reetketelstenen. Aambeien.”
“Ik kan u niet goed verstaan. Wat is precies het probleem?”
“Alles is goed aangesloten, maar toch krijg ik bij de installatie een melding dat er geen verbinding is tussen de pc en het modem.”

Willem laat mij opnieuw beginnen met de installatie, zij het zonder cd-rom. Ik reset en controleer lampjes, kabels en verbindingen. Het lampje dat moet branden, blijft uit.
“Kunt u het modem verbinden met een andere pc?” vraagt hij?
“Nee. Ik heb maar een computer met een ethernetkaart erin.”
“Is er misschien iemand bij u in de buurt bij wie u het kunt testen?”
“Buurman!” roep ik iets te enthousiast. “Ik ga het bij de buurman proberen.”
“Mooi, meneer.”
“Maar … als het lampje bij de buurman niet werkt, wat dan?”
“Dan is er waarschijnlijk iets mis met het modem en dan sturen wij u een nieuwe.”
“O. En als het lampje bij de buren wel werkt, wat betekent dat dan?”
“Dan kan het zijn dat u de drivers opnieuw moet installeren…”
“Of?” merkte ik de aarzeling in zijn stem. Het bleef stil aan de andere kant van de lijn. “Of mijn ethernetkaart is naar zijn grootje?” vul ik in.
“Dat is dan de laatste mogelijkheid.”
“Dus de jeuk blijft nog even aan?” vraag ik.
“Ik ben bang van wel, meneer,” zegt Willem. Ik bedank hem en hang op.

“Buurman!” roep ik als hij zijn voordeur open doet. Door het voorkamerraam heb ik gezien dat hij aan zijn stereoapparatuur staat te prutsen. “Ben je aan het klussen?”
“Ik ben iets aan het uittesten,” zegt Buurman.
“Mag ik bij jou iets uittesten?” vraag ik. “Kijk, ik heb hier een modem.”
“O, nog steeds niet voor elkaar?” is zijn reactie. “Ik hoorde van je vrouw dat je al meer dan een week geen internetverbinding hebt.”
“Klopt,” zeg ik snel. “Maar als ik bij jou nou wel een lampje brandend krijg, weet ik wat er aan de hand is.”
“Wat een gedoe heb je ermee,” zegt hij.
“Blikseminslag, hè?”
“Maar ik heb geen KPN. Ik heb UPC.”
“Dat maakt voor het lampje niet uit. Het gaat mij erom dat ik weet of het modem goed is of niet.”
“Zo zie je maar weer dat KPN niet goed is. Heel kwetsbaar. Gelukkig heb ik UPC.”
“Man, mijn beeldscherm was ook kapot. En die is niet van KPN. De Playstation van mijn zoon is ook ter ziele. Het heeft niets met KPN te maken.” Maar enorme knoerten van aambeien heb ik wel weer, hoor.
Buurman houdt zijn bek verder dicht en we maken de verbinding tussen zijn computer en mijn modem. Krijg nou de blafhik: het ethernetlampje brandt wel.
“Mooi, nu weet ik wat ik verder moet doen,” zeg ik. “Bedankt voor de moeite.”

“Fuck, nou moet ik drivers controleren en dat kan ik helemaal niet,” zeg ik hardop bij thuiskomst.
Op een werkkamertje boven in het huis vind ik vrij snel de doos waarin ooit de ethernetkaart heeft gezeten. Er zit een cd-rom in. Die duw ik in mijn computer. Na twee schermpjes haal ik hem er weer uit. Het is me te technisch. Ik snap er geen rattenreet van. Stel, ik installeer allerlei zooi die allerlei andere zooi in de war schopt? Ik heb geen flauw benul wat het effect is van wat ik doe. Wie weet welke softwareschade ik aanricht? Wat kost een nieuwe ethernetkaart helemaal?
Alles voor een beetje rust en koelte aan mijn kont.

Een dag later kom ik thuis van werk en heeft mijn vrouwlief boodschappen gedaan.
“Kijk eens,” zegt ze glunderend. “Volgens mij kun je deze goed gebruiken.”
Het is een klein doosje met een nieuwe ethernetkaart erin. Ik ben haar zeer dankbaar. In plaats van dat te uiten, ga ik aan het werk.
Tien minuten later zit de kaart erin en kan ik de nieuwe kaart en het nieuwe modem installeren. Nog weer tien minuten later kan ik deze column inplannen. Na tien dagen van de buitenwereld afgesloten te zijn geweest, ben ik weer in de bewoonde wereld beland.

Diezelfde avond zit ik op het toilet te poepen dat het een lieve lust is. Nergens last van. Niks geen gedonder bij de endeldarm.

Apeldoorn, maart 2008

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

PC-gedonder: van alles naar de bliksem (1)

Filed under: Publicaties voor FOK! - 2008 — bazbo @ 21:57

FLITS! BAOEM!
Ik zit gelijk rechtop in bed. Wat was dat? Het was een flits, onmiddellijk gevolgd door een enorme knal. Of nee, de klap was gelijk met de flits. Ik hoor hoe slagregen tegen het slaapkamerraam aan klettert. Shit, het onweert, en de inslag moet hier vlakbij geweest zijn.
Even wacht ik. Dan zie ik opnieuw een flitsende schittering op het behang. Vol spanning wacht ik op de donder. Die duurt nogal wat tellen. De rommeling in de verte doet me concluderen dat het onweer in vliegende vaart over het land dendert. Niet veel later hoor ik alleen nog maar wat gerommel, zij het nauwelijks hoorbaar. Wel regent het nog hard, maar er is geen onweer meer.

Om zeven uur sta ik op. Ik neem een douche, kleed mij aan en ga naar beneden. Ik laat vrouw en zoon achter op de bovenverdieping. Zij hoeven pas om acht uur wakker te worden. In de keuken maak ik koffie en terwijl die loopt, loop ik naar de pc in de woonkamer. Even kijken. Bij mij staat de computer vierentwintig uur per dag, zeven dagen in de week en vijftig weken in het jaar aan. Alleen als ik op vakantie ben is hij uit, en dat is hooguit twee keer een week in het jaar. Vandaar dus die vijftig weken. Reken maar na, als je zin hebt.
Ik doe het beeldscherm aan. Het led-lampje gaat niet aan en het beeld blijft zwart.
“Potdomme,” zeg ik iets te hard. “Wat krijgen we nou?”
Ik kijk onder het bureau en controleer mijn modem. Daar waar normaal drie lampjes groen behoren te branden, daar knipperen nu twee lampjes groen en een oranje. Geen goed teken. Ik vloek en krijg jeuk aan mijn kont.
“Is er wat mis?” hoor ik de stem van mijn vrouw boven aan de trap.
“Het beeldscherm van de pc is naar de kloten en we hebben geen internetverbinding meer,” bries ik.
“Hoe komt dat dan?”
“Heb jij vannacht het onweer niet gehoord?”
“Nee.”
“Doof schepsel.”
“Wat zei je?”
“Ik wel. Ik ben bang dat de bliksem is ingeslagen.”
“De Aldi heeft deze week de beeldschermen in de aanbieding.” Handig, zo’n vrouw die praktisch is ingesteld.
Ik prepareer mijn lunchpakket en stap op de fiets naar het werk. De jeuk aan mijn gat is nog niet weg en het fietst lastig met aambeien van ergernis.

Die namiddag ben ik extra vroeg thuis. Ik ga naar de slaapkamer van mijn zoon en trek het beeldscherm van zijn computer weg. Zwetend sjouw ik het ding naar beneden en sluit het aan op mijn eigen pc. Beeld!
Het IRC-chatkanaal waarin ik altijd zit heeft links onderin het woord ‘Disconnected’ in blauwe letters. Ik klik op ‘Connect’, linksboven in beeld. Er gebeurt niets.
In het rijtje internetsites dat ik altijd open heb staan, klik ik op ‘FOK!’. De column van gisterenavond komt in beeld. Ik druk op F5. Onder in beeld komt een wit balkje, waarin van links naar rechts groene blokjes komen. Na drie blokjes gaat het wel heel erg langzaam. Dan wordt het hele scherm wit en verschijnen er letters: “De internetpagina kan niet worden geopend.” Ik kijk weer onder het bureau en zie dat de lampjes nog steeds knipperen. De jeuk in mijn aars wordt weer onhoudbaar.
Ik doe het beeldscherm en de computer uit en loop naar de stapel boeken die ik nog wil lezen.

De volgende dag rijd ik na het werk via het centrum van Apeldoorn. Daar bevind zich de Primafoon winkel.
“Goedemiddag,” begin ik. “Mijn modem is kapot. Ik wil een nieuwe.”
“Om wat voor modem gaat het?” vraagt de popi knul van achter zijn desk.
“Een Speedtouch 500.”
“En u wilt een nieuwe?”
“Dat zei ik toch?” Het begint wederom te branden tussen de kaken van mijn reet.
“Ik heb ze niet meer.”
“Heb je niet een alternatief?” zucht ik, de pijn in mijn broek verbijtend.
“Er is wel een nieuwe serie, maar die verkoop ik niet.”
“Huh? Leg uit.”
“Tegenwoordig zijn ze alleen nog maar in bruikleen van de KPN.”
“Nou, bruikleen mij er dan maar een uit, zou ik zeggen.”
“Dat gaat niet op die manier. U moet er een telefonisch bestellen via de KPN-klantenservice.”
“Tuurlijk,” zeg ik. “Wat is het nummer?”
De knul schrijft acht cijfers op een papiertje. Ik fiets naar de Aldi en koop een nieuw beeldscherm van 250 pleuro. Dan rijd ik met beeldscherm én aambeien naar huis. Ik ben nog ruim op tijd om de KPN-klantenservice te bellen.

“Dit is de KPN-klantenservice. Heeft u vragen over een nieuw abonnement, toets dan 1.”
Ik weiger om het hele keuzemenu uit te werken in een column. Dat zou teveel ruimte kosten. Laat ik volstaan met te melden dat er negen keuzemogelijkheden zijn. Er zijn ook nog een heleboel wachtenden voor mij. Of ik een momentje geduld heb. Ik heb wel een momentje. En nog een. En nog een en nog een en nog veel meer.
“KPN-klantenservice, goedemiddag. Waarmee kan ik u van dienst zijn?”
“Mijn modem is kapot en ik heb geen internetverbinding. Ik wil een nieuw modem, Speedtouch 500. De knul uit de Primafoon winkel zei dat ik er via jullie een kan bestellen.”
“Dat kan niet bij ons. U kunt er een aanvragen op www.kpn.com.”
“Ik heb aambeien,” zei ik.
“Wat zei u?”
“Ik heb geen internet, omdat mijn modem kapot is. Ik kan er dus geen bestellen via www.kpn.com, begrijpt u?”
“O. Eh, ja. En nu?”
“Nu gaat u er een voor mij bestellen.”
“Dat kan ik vanaf hier niet.”
“En nu?”
“Tja. Eh, ik verbind u door met de afdeling Verkoop.”
“Ik dacht dat ik ze in bruikleen kreeg?”
Ineens is het stil aan de andere kant van de lijn. Ik wacht vier minuten. Ondertussen krab ik in mijn poepgleuf. Door mijn spijkerbroek heen. Dan hang ik op en bel ik opnieuw.

“Dit is de KPN-klantenservice. Heeft u vragen over een nieuw abonnement, toets dan 1.”
Ik ga hier niet een tweede keer zitten zemelen over het hele keuzemenu. Alle collega’s zijn in gesprek. Of ik nog een momentje heb. Ik heb een momentje en een enorme jeuk in mijn kont.
“KPN-klantenservice, goedemiddag. Waarmee kan ik u van dienst zijn?”
“Mijn modem is kapot en ik heb geen internetverbinding. Ik wil een nieuw modem, Speedtouch 500. De knul uit de primafoon zei dat ik er via jullie een kan bestellen.”
“Dat kan niet bij ons. U kunt er een aanvragen op www.kpn.com.”
“Mijn reet staat in lichterlaaie.”
“Pardon?”
“Uw collega zou mij doorverbinden met de afdeling Verkoop. Die kunnen er wellicht wel een voor mij bestellen.”
“Momentje alstublieft.”
Ik zit ondertussen al vet een half uur aan de telefoon.
“KPN afdeling Verkoop, goedemiddag.”
Ik vertel het hele verhaal.
“Nee,” zegt de stem. “Ik kan ze niet bestellen. Dat moet via uw internet provider.”
“Potjandosie, mijn reetketelstenen komen in opstand.”
“Wat zei u?”
“Bedankt voor de moeite.” Ik hang op.

“Dit is de helpdesk van xs4all. Heeft u vragen over uw abonnement, toets dan 1. Heeft u problemen of kunt u niet internetten, toets dan 2. Voor alle andere vragen, …” Ik wacht de volgende keuzemogelijkheid niet af. Het zal 3 zijn. Gok ik. Ik druk op knopje 2.
“Helpdesk xs4all, met Peter. Zegt u het maar.”
“Goedemiddag, ik wil een nieuw modem Speedtouch 500. De KPN heeft me naar jullie doorverwezen.”
“Dat type hebben we niet meer, maar wel een vernieuwde versie. Ik kan er wel een voor u bestellen. Wat zijn uw adresgegevens?”
Ik gaf hem mijn adresgegevens.
“Prima. U kunt er een kopen, maar als u uw contract nog een jaar verlengt, krijgt u hem gratis.”
“De jeuk is even gestopt,” zeg ik.
“Pardon? Wat bedoelt u?”
“Ik verleng mijn contract nog een jaar. Zeker!”
“Dank u.” Ik hoor vingers op een toetsenbord aan de andere kant van de lijn. “Hij is besteld. Binnen een week moet hij bij u zijn.”
“Dank u voor de moeite. Goedenavond.”

En nu? Nu moet onze eindredacteur superworm mijn column plaatsen. Op het werk PM ik mijn meesterwerk ‘Het buurthuis’ naar die aap. Die kon je vorige week lezen. Ik bid tot de Heer dat hij (superworm dus) de opmaak intact heeft gelaten. Als dat stuk onleesbaar was, weet je nu dus wie de dader is. Naar de bliksem met hem! Deze column plan ik zelf in, ook op mijn werk.
Ik heb knollen van aambeien. Wordt vervolgd.

Apeldoorn, maart 2008

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 
« Vorige paginaVolgende pagina »