Wind – Lotgenoten (0084)
Lotgenoten,
Er is iets gaande. Er is niemand op straat. Het is stil. Net een beetje licht ook. De straat is leeg; niemand die op het vroege uur op pad is. Het is al geen doorgaande weg waaraan ik woon, maar nu is er echt niemand te zien. Wacht, in de flat aan de overkant is beweging. Er gaat een schemerlamp aan en iemand zet de deur naar het balkon open. Straks – weet ik – komt een overbuurman naar buiten met zijn hondje en die loopt naar het parkje even verderop. De stad wordt wakker.
Daar is iets gaande. Ik zit niet vanaf mijn stoel de boel te inspecteren, maar vanuit mijn ooghoek zie ik beweging. Voordat ik een van de eerste bussen aan de overkant van de straat neem en naar het werk ga, mag ik graag hier buiten op het balkon zitten. Ik eet mijn ontbijt, scroll door eventueel belangrijke berichten op mijn telefoon en snuif de frisse morgenlucht op.
Daar aan de overkant, daar is iets gaande. Maar wat is het? Het gebeurt bij de ingang van het appartementencomplex. Ik zie een ekster, volgens mij een jong expemplaar, een juveniel, rondhopsen. Maar waar zit hij achteraan? Wat is dat? Ik heb mijn bril niet op. Mijn bril is een leesbril, dus daar heb ik hier in de verte niets aan.
Bij vlagen zie ik heel slecht. Lezen bijvoorbeeld, dat lukt me nauwelijks zonder hulpmiddel. Die leesbrillen van mij. Ik heb er nogal wat. In huis een stuk of twintig, denk ik. Op de werkplek ook zeker vijf. Het zijn allemaal goedkopies, de meeste aangeschaft tijdens de recentelijke bezoeken aan Duitsche plaatsen en steden. In de Rossmann of de DM zijn prima leesbrillen verkrijgbaar, ze hebben ze zelfs in mijn thermopanesterkte. Als we een keertje in Münster of Köln zijn, dan neem ik altijd een exemplaar of wat mee. Voor verder weg zou ik waarschijnlijk ook aan een bril moeten; mijn broers en zus dragen allen een permanente bril. We zijn allemaal 55+ en ik ben de enige die geen bril draagt. Ik stel het ook graag nog een jaar of wat uit. Uit ijdelheid, lijkt het misschien, maar dat is het niet; ik draag mijn leesbrillen graag en liefst kies ik ze uit met een opvallend en kleurrijk montuur. Eerder is het vanwege het praktisch gedoe waar ik geen zin in heb. En daar komt bij: ik red me nog redelijk zonder. Hoewel.
Wat is het? Een zwart langwerpig iets. Een muis? Een rat? Nee, dat is het niet. Wacht. Boven de deur van het appartementencomplex daar is een luifel en doordat het portiek iets naar achteren is, staat daar in die hoek vaak een bijzondere wind. Een soort miniwindhoos. In de herfst zie ik er bladeren in cirkels rondwaaien, soms gaan ze een stukje omhoog, maar na een meter of zo is zo’n blad te zwaar voor de wind en dan zakt het weer.
Ja, wat ik zie is iets wat door de wind rondgeblazen wordt. Het is geen levend iets, geen dier, maar wat is het wel? Het is zwart, wat verfrommeld, eh … ik knijp mijn ogen tot spleetjes, maar het helpt niet. Toch blijf ik turen. En dan. Dan gaat me een licht op en zie ik het en weet ik het. Het is een leeg hondenpoepzakje.
Wat een avonturen toch weer.
–
Apeldoorn, juli 2026