De hand
De jonge vrouw met de prachtig bruine huid vertelt. Ik hoor, het eerste wat ik doe is wat ze vertelt op mijzelf betrekken. Zo van: wat zij kan, dat kan ik ook. Ik kan vertellen, ik kan uitleggen en
een opsomming maken over alles wat telt, over alles wat me boeit, de dingen die ik heb meegemaakt en als zwaar heb ervaren, alles waar ik aan vast zit. Maar dat is alleen maar leuk en aardig voor de vorm, de lachers op mijn hand. Wat zij kan, dat kan ik ook. Maar ik kan het niet. De jonge vrouw met de prachtig bruine huid vertelt. Ik weet: ik hoor, maar ik luister niet.
Wie ben ik om te –
Wie ben ík
De jonge vrouw met de prachtig bruine huid vertelt, ze is mooi, ze is bevlogen, ze is jong en ik vraag me af wat ze zelf heeft meegemaakt – het doet totaal niet ter zake, waarom vraag ik het dan? Als afleidingsmanoeuvre, wil ik het niet hebben over wat ze aankaart, moet het weer over mijzelf gaan of is er iets anders, iets diepers, iets wezenlijkers? Iets wat ik niet zie, wat ik niet wil zien? Wat is er toch met me aan de hand?
Wie ben ik om te –
Wie ben ík
De jonge vrouw met de prachtig bruine huid vertelt over haar voorvaderen, voormoeders, voorouders, die hebben gruwelijke zaken meegemaakt. Mijn voorvaderen, voormoeders, voorouders hebben ook zaken meegemaakt, ook gruwelijk. Of ze vergelijkbaar zijn, weet ik niet.
Is gruwelijkheid, onmenselijkheid meetbaar? ‘Op een schaal van nul tot tien is uw factor gruwelijk onmenselijk: acht punt twee.’ De lachers op mijn hand. Maar wat als die hand geketend is.
Wie ben ik om te –
Wie ben ík
De jonge vrouw met de prachtig bruine huid vertelt en het gaat niet om mij – het gaat vanavond/vanmiddag niet om mij, niet nu – vandaag gaat het over de ander. Over de ander die hetzelfde is, niets meer of minder dan ikzelf. Ikzelf. Toch weer. De ander die hetzelfde is, maar het verleden, ver verleden en recent, laat zien dat we die ander toch hebben beschouwd als anders, als minder, als niets. ‘Mag ik een grapje, mag ik dat grapje over negers maken? Het betekent niets. Je moet het in de tijd zien.’ Ik heb het niet in de hand.
Wie ben ik om te –
Wie ben ík
De jonge vrouw met de prachtig bruine huid vertelt. Ik luister nu ademloos toe. De geschiedenis, ons koloniale verleden, de slavernij, het blijft boeiend. Ha, daar heb je ze weer: de hand en de lachers. Zoals ik al zei: wat zij kan, dat kan ik ook. Ik kan vertellen over, ik kan uitleggen,
ik kan een eindeloze opsomming maken, maar hoe het is om werkelijk geketend te zijn voor het leven, het leven van je voorvaderen, je voormoeders, je voorouders, jezelf, je kinderen, je kleinkinderen, je achterkleinkinderen en alle generaties na je, daarover kan ik geen voorstelling maken.
Jonge vrouw met de prachtig bruine huid, neem me bij de hand en vertel –
Wie bén ik?
–
Apeldoorn, juli 2026
–
Voorgedragen op 26 en 27 september 2026 tijdens Helemaal stuk, een voorstelling van zaken in zaal De Walvis in Gigant te Apeldoorn.