Nein – Lotgenoten (0085)
De oude dame met de rollator staat bij het fietspad. Ze wil duidelijk oversteken. Ze is klein en ze loopt nogal voorovergebogen. Ik herken haar gelijk.
Het is donderdag en ik ben drie kwartier geleden thuis gekomen van het werk. Mijn krant is uit en ik kijk vanaf ons balkon over de straat. Aan de overzijde staat een groot kantoorgebouw en een ander appartementencomplex en er zijn verschillende bushaltes. Op werkdagen steek ik ’s morgens vroeg eerst dat fietspad en dan de straat over en daar stopt de bus naar mijn werkplek in een andere provincieplaats. Aan onze kant van de straat zit een bankfiliaal en staat het appartementencomplex waarin ik woon.
Bijna iedere donderdagmiddag stapt ze in de bus, iets na half vier op het grote plein in die andere provincieplaats in Gelderland. Ik zit dan al in die bus en zie haar worstelen om naar binnen te komen. Ze is klein en lijkt krom voorovergebogen achter haar rollator aan te sukkelen, alsof die het tempo bepaalt en zij die maar net kan bijhouden. Passagiers die bij de achterdeuren zitten, helpen de oude dame naar binnen en iemand tilt haar rollator de bus in. Vaak is er ook iemand die plaats maakt voor haar en anders sta ik zelf op, als ik niet helemaal achterin zit.
Ze stapt uit bij dezelfde bushalte als ik. Ik help haar bijna altijd. Ze kan zelf omhoogkomen en opstaan en naar de deur schuifelen; bij de stap naar de stoep pak ik haar bij een arm. Ik til haar niet echt op, maar voel dat ze niets weegt. Terwijl ze op het trottoir mijn arm blijft vasthouden, draai ik me om en til ik de rollator uit de bus. De eerste keer dat ik haar hielp, vroeg ze in gebroken Nederlands waar de bank was. Ik verstond haar niet goed, stuurde haar naar onze Hoofdstraat, want daar was onlangs een pand geopend met een boel geldautomaten erin. Nein, ze moest naar een bankgebouw, een Sparkasse. Ik herkende een zwaar accent dat Duits, Zwitsers of Oostenrijks moest zijn. Ach zo, dan moet u daarginds zijn, wees ik de andere kant op, naar het pand dat naast ons appartementencomplex staat.
Wat gebeurt er nu? De dame staat nog altijd tussen het fietspad en de straat, klaar om over te steken. Een negerjongeman is langs komen rijden en heeft zijn fiets midden op het fietspad op de standaard geparkeerd. Hij is naar haar toegelopen en ik zie dat hij haar iets vraagt. Hij moet heel ver buigen om met zijn hoofd bij het hare te komen. Ik zie hem niet-begrijpend kijken en zijn hoofd schudden en de mevrouw beweegt haar lichaam ietwat ongeduldig heen en weer. Dan zie ik hem in actie komen. Met een hand houdt hij de rollator vast, met de andere ondersteunt hij de mevrouw in de rug. Voetje voor voetje steken ze over. Een bijzonder stel zo: een oude dame, voorovergebogen en traag vooruitkomend achter haar rollator en dan die jonge man ernaast, met een korte broek aan en een overhemd met korte mouwen, zijn donkerbruine ledematen steken af bij het bleke gezicht van de oude mevrouw. Er komt een auto aan gescheurd in een mallotig hoog tempo. De jongeman steekt zijn hand op ten teken dat de coureur moet stoppen.
Als ze na een schier eindeloos lange tijd aan de overkant weer op de stoep zijn aangekomen, laat hij haar los. De jongeman zwaait haar nog na, maar ze kijkt niet meer om. Hij rent terug naar de overkant van de straat, pakt zijn fiets en slingert weg. De oude dame scharrelt over het trottoir en begeeft zich naar de bushalte.
Wacht even. Ze is dik drie kwartier geleden uit de bus gestapt en heeft gewoontegetrouw de bank bezocht en nu gaat ze alweer terug? Doet ze dat iedere donderdagmiddag? Rijdt ze dat hele eind naar ons zo majestueuze Apeldoorn alleen om de bank te bezoeken? Ze hebben in die andere provinciestad toch ook een bankgebouw? Hoe zit dit? Ik geloof dat ik weer iets heb om van wakker te liggen.
Wat een avonturen toch weer.
–
Apeldoorn, augustus 2026