bazbo – de wereld van Bas Langereis, het middelpunt der aarde

Bas Langereis leest u voor!

15-08-2019

Het went (2)

Filed under: Publicaties voor FOK! - overig — bazbo @ 18:51

Het was vandaag de eerste échte herfstdag. En ook nog eens op maandag. Er was storm verwacht met rukwinden. Inderdaad, het woei hard bij ons, maar nog niet zo dat ik niet de straat op durfde. Ik had de wind in de rug, dus het kostte me niet veel moeite om te trappen. Er zijn veel bomen langs de weg en mijn route gaat voor een stukje door een park. Er vielen veel bladeren van de bomen. Ze zeilden door de lucht tientallen meters lang voor mij uit. Ik vond het prachtig. Alarmcode oranje: heerlijk.

Ik houd van lezen, maar heb niet veel geld om boeken te kopen. Daarom heb ik een abonnement bij de bibliotheek. Tot voor een paar jaar geleden was er bij mij in de buurt een wijkbibliotheek, maar die is door de gemeente wegbezuinigd. (Over dit soort verschraling van voorzieningen zou ik een boek kunnen schrijven, maar dat is wel een erg flauwe grap.) Daarom moet ik naar de grote bieb in het centrum van de stad. Ik kan niet autorijden, dus moet ik op de fiets of met het openbaar vervoer. Jammer genoeg is de buslijn een tijdje geleden verlegd en loopt hij nu een heel eind bij mijn flat vandaan, dus ga ik tegenwoordig altijd op de fiets. (Over verschraling van voorzieningen gesproken.) Ik doe er twintig tot dertig minuten over. Geen ramp, want ik fiets ook graag.

Toen ik het park uit was en bijna bij de binnenstad was aangekomen, hoorde ik lawaai achter mij. Vanuit mijn ooghoek zag ik dat ik werd ingehaald door een bromscooter met twee jonge hippe meiden erop. Het meisje dat achterop zat, lurkte van een pakje drinken. Die scooter draaide iets bij en reed dwars door de grote plas die ik net wilde ontwijken. Splatsj, ik werd helemaal ondergespetterd. Mijn broek was drijfnat.
Ik schrok ervan en slingerde. Dankzij mijn fiets bleef ik wel overeind. Wat ik echter niet verwachtte: het meisje dat achterop de bromscooter zat smeet haar pakje drinken weg. Ik kreeg het recht in mijn gezicht.
Au. Een stukje verderop was het verkeerslicht en de bromscooter moest stoppen. Even later stond ik ernaast. ‘Stoer, hoor,’ zei ik.
‘Wat bedoel je, kut?’ riep de meid achterop.
‘Dat weet je drommels goed. Jullie racen expres door een plas. Ik ben helemaal nat.’ Ik trilde van angst en woede, kwam niet helemaal goed uit mijn woorden. ‘Daarna gooi je je afval van je af, precies in mijn gezicht. Ik schrok me rot en lag bijna onderuit.’
‘Nou en? Niet zo’n grote bek, zeg. Bemoei je met je eigen zaken. En je hoeft niet zo te spugen, stomme mongool.’
Even was ik met stomheid geslagen. Voor ik iets kon terugzeggen, werd het licht groen en de bromscooter spoot weg.

Nog weer wat verder liep een mevrouw met een rollator. Omdat de stoep was opgebroken, moest ze over het fietspad. De bromscooter scheurde er vlak langs en toeterde keihard. Ik zag dat de oude mevrouw heel erg schrok. Haar rollator wankelde en ze bleef nog maar net overeind. Er viel een boodschappentas half open uit haar mandje en allerlei spulletjes rolden nu over het fietspad.
Ik stak over en stopte bij de oude dame. ‘Gaat het, mevrouw?’ vroeg ik.
‘Ja, ik geloof van wel,’ zei ze. ‘Ik schrok me een hoedje.’
‘Ach, de jeugd van tegenwoordig, hè?’ grapte ik.
‘Ik wou het niet zeggen,’ lachte ze nu.
‘Wacht, ik help u even met oprapen,’ zei ik. Ik stapte af en bukte me om haar boodschapjes van de straat te halen. Een rol koekjes, drie losse sinaasappels en een komkommer. Ik legde ze weer in het rekje.
‘Dank je wel,’ zei de mevrouw. ‘Dat is lief van je.’
‘Graag gedaan, hoor,’ zei ik.
‘Je beweegt zelf ook niet zo makkelijk, zie ik. Blijf jij wel overeind met die wind?’
‘Ik red me prima. Natuurlijk moet ik opletten en me goed vasthouden, net zoals iedereen. En gelukkig waait het alleen maar hard en regent het nog niet.’
‘Ik ben op weg naar huis,’ vertelde de mevrouw. ‘Maar ginds is een lunchroom. Zullen we daar een kop koffie nemen?’
‘Dat is een leuk aanbod, maar ik heb helaas niet veel geld te besteden.’
‘Geeft niets. Ik trakteer. Kom, heb je even tijd?’

Niet veel later zaten we samen aan een tafeltje in de lunchroom.
‘Wat mag het zijn?’ vroeg de jonge bediende. Het was een knappe jongen met blauwe ogen. Hij had zijn haren glad gekamd met een scheiding erin en zijn kin was gladgeschoren.
‘Voor mij een cappuccino,’ zei de mevrouw. ‘En voor eh … hoe heet jij?’
‘Reina.’ Ik stak mijn hand uit.
Haar oude vel voelde zacht aan. ‘Ik ben Cornelia, maar iedereen noemt me Nel.’
‘Dag Nel.’
‘Aangenaam kennis te maken, Reina.’
‘Weet je al wat je wilt drinken?’ vroeg de jongen.
‘Mag ik een warme chocomel?’
‘Met slagroom?’
‘Nee, dank je. Ik moet een beetje aan mijn lijn denken.’
‘Onzin,’ zei Nel. ‘Je bent zo slank als wat. Daar mag best wel slagroom bij, hoor.’
We lachten.
‘Een cappuccino en een warme chocolademelk met slagroom.’ De leuke jongen liep weg.

‘Wat een weer, hè?’ zuchtte Nel.
‘Het is toch gevaarlijker op straat dan ik dacht,’ zei ik. ‘Je zou je niet buiten moeten wagen, Nel.’
‘Nee, jij dan. Ik had boodschappen nodig. En jij?’
‘Ik was onderweg naar de bieb.’
‘De bibliotheek? Bestaat die nog?’
‘Gelukkig wel,’ lachte ik. ‘Er is er nog maar eentje in de hele stad, maar dat is dan ook wel een heel grote. Ze hebben alle boeken die je maar wilt lezen en als ze iets niet hebben, dan bestellen ze het voor je in een andere stad.’
‘Ik dacht dat mensen geen boeken meer lazen. Tegenwoordig gaat alles toch met knopjes?’
‘Dat is ook alweer ouderwets,’ lachte ik. ‘Een touchscreen moet je hebben.’
‘Een wat? Een totskrien? Wat is dat nou weer?’
Ik legde het uit.
‘Dat is niets voor mijn bibbervingers. Ik ben al vierenzeventig; dat leer ik nooit meer. Hoe oud ben jij eigenlijk?’
‘Tweeëntwintig.’
‘Kun jij er wel mee overweg, met zo’n ding? Ik bedoel: jij beweegt ook niet zo makkelijk.’
‘Met mijn rechterkant is er niets aan de hand,’ vertelde ik. ‘Links gaat het minder, maar als ik ontspannen ben, lukt het me aardig.’
‘Heb jij zo’n totskrien, dan?’
‘Nee, ik heb wel een mobiel, maar dat is een ouderwets dingetje. Ik kan ermee bellen en sms’en in noodgevallen. Meer heb ik niet nodig. Thuis heb ik een gewone computer.’
‘Noem het maar gewoon. Ik kan het allemaal niet bijhouden,’ zei Nel. ‘Soms zie ik dingen op televisie en dan denk ik dat ik duizend jaar verder in de toekomst leef.’
Ik glimlachte.

Het werd een bijzonder uur. Nel vertelde over haar leven. Ze was danseres geweest, maar had haar carrière opgegeven toen ze de grote liefde van haar leven had ontmoet. Er kwam een gezin, ze had grote zorgen om haar kinderen, haar man verliet haar voor een ander en toen was ze te oud om haar loopbaan bij het ballet voort te zetten. Ze werd schoonmaakster, had af en toe korte relaties met een man, vond uiteindelijk iemand die haar meenam naar Portugal. Daar woonde ze een paar jaar, maar toen de man stierf, keerde ze terug naar Nederland in de hoop haar leven hier weer op te pakken en het contact met haar kinderen te herstellen. Het lukte niet. Ze was nu al tientallen jaren alleen. Ze had wel wat vrienden en kennissen, maar naarmate ze ouder werd, werden het er steeds minder. Soms was ze dagen, weken alleen.
‘Maar het went,’ zei ze.
‘Hé, dat zeg ik ook vaak.’
‘Ben je ook alleen?’
‘Ik woon alleen, maar heb fijne mensen om me heen. Vriendinnen, mijn broertje, papa, collega’s.’
‘Dat is mooi. Koester ze, mijn kind. En laat ze dat ook regelmatig weten, dat het fijne mensen zijn.’
‘Dat doe ik ook.’
‘Goed zo.’

Aan het eind van de morgen nam ik afscheid van Nel. We stonden weer buiten, op de stoep van de lunchroom.
‘Dat was een knappe jongen, die van de bediening,’ zei ze. ‘Niets voor jou?’
‘Haha, het was inderdaad wel een leuke knul,’ zei ik. ‘Maar ik denk niet dat hij iets met mij zou willen. Of een andere jongen.’
‘Natuurlijk wel. Jouw tijd komt heus nog. Geloof me, je bent een mooie meid. Je hebt een prachtige kop met die bos donkere krullen van je. En dan die mooie bruine ogen en je leuke lach. En je bent prettig gezelschap.’
‘Dank je, Nel.’ Ik werd er verlegen van. ‘En bedankt voor de chocomel.’
‘Dag Reina,’ zei ze. ‘Ik geloof dat het wel meevalt met de jeugd van tegenwoordig.’ Ze keek me nog eens dankbaar aan en waggelde toen achter haar rollator naar de flat aan de overkant van de straat.

Ik fietste de paar honderd meter verder naar de bibliotheek. Daar haalde ik nieuwe boeken. Met dit stormachtige weer zou ik de rest van de dag lekker binnen zitten en fijn veel te lezen hebben. En als mijn boeken uit waren, kon ik altijd nog terugkijken op een bijzondere morgen en een bijzondere ontmoeting.
Het was koud op de fiets naar huis. In mijn kontzak zat het briefje met het adres van Nel. Ik had de harde wind tegen en het regende ook nog eens, maar dat gaf niks. Het went.

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Het went

Filed under: Publicaties voor FOK! - overig — bazbo @ 18:47

Ik ben echt gezegend met vriendinnen zoals Daisy en Vanessa. We hebben veel contact via Facebook en ze nemen me vaak mee uit. Zelf durf ik niet zo goed alleen te gaan, dus als ze me vragen ga ik maar wat graag mee.
Waar waren we nou laatst? Het was zo’n tent met voorin een cafégedeelte en achterin ruimte om te dansen. Ik vind dansen fijn, maar ben er niet goed in. En als die twee meiden erbij zijn, dan is het toch leuker om te kletsen. We bleven dus voorin de kroeg zitten. Daar was het best druk; alle tafeltjes waren bezet. We gingen bij de bar hangen. Er was nog een kruk leeg en die pakte ik.
Vanessa ging gelijk aan de wijn. Ha, ze lust ‘m graag. Daisy was vanavond de Bobbin, dus die bestelde een glas water. En ik? Ik drink niet zo heel vaak. Soms pak ik een biertje en heel af en toe een goede whisky, maar nu had ik gewoon zin in cola.

We kletsten en lachten. Toen Vanessa haar derde wijn had gekregen, vroeg ze of we met z’n allen gingen dansen. Daisy knikte, maar ik was niet zo in de stemming. ‘Ga maar,’ zei ik. Of ik het niet vervelend vond om alleen te zitten. Nee hoor, er was genoeg te zien. Er kwamen regelmatig leuke jongens voorbij. Daar gingen ze. Dahaag.
Ik nipte van mijn cola en legde een elleboog op de bar. ‘Zo, hallo,’ hoorde ik rechts naast mij. ‘Wie we daar hebben.’
Ik keek half op. Het was een knul en hij had het tegen mij. ‘Ik geloof niet dat ik je ooit eerder heb gezien,’ zei ik.
‘Maar nu wel,’ was zijn antwoord.
Ik bekeek hem eens. Hij was lang, droeg een wijde sportbroek en een wit shirt. Op zijn kin zag ik een beginnend baardje. Wel schattig. Verder blauwe ogen die me indringend aankeken. Zijn haren stonden omhoog, maar het was boven zijn oren en achterop zijn hoofd heel kort geschoren. Wat een jochie. Ik keek weer voor me.
‘Nou moet je niet zo arrogant doen,’ hoorde ik hem zeggen.
‘Arrogant?’ vroeg ik. ‘Dat maak jij ervan. Ik ben alleen niet geïnteresseerd.’
‘Je kent me geeneens.’
‘En jij mij wel? Met je: wie we daar hebben?’
Hij lachte. Wat nu volgt, is een sterk staaltje kroegpraat.

‘Wat lach je?’
‘Ik hou daar wel van, zo’n wijffie dat van zich af bijt.’
‘Wijffie?’
‘Hoe wil je dat ik je noem?’
‘Het gaat je niet zo goed af, hè?’ vroeg ik.
‘Wat? Hoe bedoel je?’
‘Contact maken.’
‘We hebben toch contact?’
‘Dat is waar,’ lachte ik. ‘Vooruit: je mag me Reina noemen.’
‘Ik heet Jos.’ Ook dat nog.
‘Dag Jos.’
‘Wil je iets drinken? Biertje?’
‘Nee, dank je. Ik heb nog cola.’
‘Ben je alleen?’
‘Nee.’
‘O. Is er een vriendje?’
‘Nee. Ik ben met twee vriendinnen.’
‘Zijn die net zo knap als jij?’
‘Ze zijn nog knapper dan ik.’ ’s Kijken hoe hij hier mee omging.
‘Waar zijn ze dan?’
‘Op de dansvloer.’
‘Moet jij niet dansen?’
‘Nee. Even geen zin in. Jij dan?’
‘Ze draaien kutmuziek, vanavond.’
‘Jij komt hier kennelijk vaker?’
‘Ik ben kind aan huis. Bijna alle avonden tref ik hier m’n maten.’
Ik trok mijn wenkbrauwen omhoog.
‘Ik ben geen homo of zo, hoor.’
‘Zei ik dat dan?’ vroeg ik.
‘Nee, maar zo keek je wel.’
Ik wilde me weer naar de bar draaien, maar hij vroeg: ‘Hoe oud ben je?’
‘Is dat belangrijk?’
‘Niet echt.’
‘Nou dan. Hoe oud ben jíj?’
‘Achttien.’
Ik lachte.
‘Wat?’
‘Zoiets vermoedde ik al.’
‘Hoezo? Hoe oud ben jij dan?’
‘Dat was toch niet echt belangrijk?’
‘Klopt. Jij bent een vreemde, weet je dat?’
Ik keek hem weer aan. ‘Dank je,’ zei ik.
‘Nee, echt.’ Hij kwam dichterbij mij staan. ‘Je maakt me nieuwsgierig.’
‘O? Hoezo dat?’
‘Gewoon. Je bent aantrekkelijk.’
‘Tweeëntwintig. Ben ik te oud voor je?’
Even was hij stil. Als hij ging zeggen dat je het op een oude fiets moet leren, dan had hij ruzie. ‘Nee.’ zei hij. ‘Leeftijd doet er toch niet toe?’
‘Je lijkt me een verstandige jongen,’ zei ik.
‘O ja?’ vroeg hij. ‘Waar maak je dat uit op?’
‘Ik moet even plassen,’ zei ik. Een beetje onhandig gleed ik van mijn kruk. Dat doe ik altijd. De jongen zette grote ogen op. Dat doen ze altijd. ‘Schrik je?’ vroeg ik.
De jongen keek een andere kant op. ‘Laat maar,’ zei hij. ‘Ik moet weg.’ En weg wás hij.

Ja, ik glijd raar mijn barkruk af. Ik ben dan ook nogal spastisch. Vooral links is het goed zichtbaar. Ik trek met mijn linkerbeen. Tijdens het lopen kan ik mijn knieën niet zo ver uit elkaar doen en dus beweeg ik nogal vanuit mijn heupen. Dan wiebel ik dus heel erg met mijn kont. Ik weet dat veel kerels dat op zich wel leuk vinden, maar zoals ik het doe is het vast veel te overdreven voor hen. Dingen pakken met mijn linkerhand gaat me ook niet zo goed af. Als ik een glas drinken wil inschenken, dan gaat het nog wel eens mis. De huidige flessen cola zijn vaak die van anderhalve of twee liter en die moet ik met twee handen vasthouden. En dan heb ik niet echt een vaste hand. De rommel op het aanrecht is niet te overzien. Maar het went.
Ook in mijn gezicht kun je het merken, als je aan mijn linkerkant staat. Ik trek soms met een mondhoek en ik slis en lispel wat. Als ik je iets enthousiast wil vertellen of als ik heel gespannen ben, kun je beter een stukje uit de buurt blijven, want ik spuug je aardig onder. ‘Je spreekt vloeibaar Nederlands’ is wel de oudste grap die ik ken. Maar het went.
Ondanks mijn beperking zit ik toch lekker in mijn vel. Ik ben verder gewoon goed in de kop, woon zelfstandig, red mezelf goed, heb een deeltijdbaantje op een kantoor en mag me gelukkig prijzen met meiden zoals Vanessa en Daisy, die me af en toe meenemen voor een avondje stappen.

Toch verlang ik wel naar iets meer in het leven. Een leuke jongen, die teder en lief voor me is. Die me vasthoudt en warm wrijft als ik het koud heb (en dat is nogal vaak). Die samen met mij lacht en die de traan van mijn wang veegt als ik me moedeloos voel. Andersom kan ik het niet doen, want met die grove motoriek van mij krab ik zijn hele wang open. Als hij wil knuffelen, zal ik handschoenen aan moeten trekken. Lach maar. Doe ik vaak ook. Maar ondertussen blijf ik verlangen. Noem me naïef. Soms ben ik eenzaam en voel ik me onbegrepen. Dat went nooit.

Maar goed, ik ging dus plassen. Waar waren de toiletten? Dat zul je altijd zien: helemaal achterin de kroeg. Uiteindelijk vond ik ze. Toen ik mijn handen waste en in de spiegel keek, slikte ik een traan weg. Diepe zucht. Tegen mezelf zei ik maar weer eens dat het went. Ik lachte naar mijzelf en vond mijn scheve mond mooi.
Ik ging het toilet uit en zag Vanessa en Daisy op de dansvloer staan. ‘Kom je ook?’ gilden ze. Ze trokken me ieder aan een hand mee. Vooruit dan maar. We dansten en lachten.
Door het dansende volk heen zag ik plots Jos. Hij stond aan de kant en met een elleboog stootte hij een andere jongen naast hem aan. Ze keken naar ons. Er kwamen nog twee andere knullen bij staan. Jos wees. Ze moesten lachen. Ik had geen zin meer in dansen en draaide me om.
Daisy en Vanessa hadden gemerkt wat er aan de hand was. We hadden zoiets wel vaker meegemaakt. Ik wilde geen spelbreker zijn en gebaarde dat ze konden blijven dansen als ze dat wilden.
‘Ben je gek?’ riep Daisy. ‘Voor ons is de lol er ook af, hoor.’
Ik gaf ze beiden een kus. Toen keek ik verleidelijk naar de vier jongens. Wie weet zouden ze denken dat we een triootje waren. Whatever.

We gingen terug naar de bar. Mijn kruk was nu bezet, dus moest ik blijven staan. Vanessa haalde nieuwe drankjes.
Terwijl ik voorzichtig een slokje van mijn cola nam, merkte ik dat er mensen naar ons toe kwamen. Het was Jos met zijn drie vrienden in zijn kielzog. Van een afstandje bleef hij staan kijken. Z’n maten keken met hem mee.
‘Je was toch zo nieuwsgierig naar mij?’ vroeg ik hem. ‘Je mag heus wel dichterbij komen en met mij praten, hoor. Dan kun je het gelijk goed zien.’
Hij keek om naar zijn vriendjes, lachte stoer en kwam toen naar mij toe. ‘Ik heb vroeger paardrijles gehad,’ zei hij. ‘Maar nu ben ik te groot voor zo’n oud hobbelpaard.’
‘Stakker,’ sliste en lispelde ik. Mijn spuug spoot over zijn sportschoenen. Toen gooide ik mijn arm omhoog. De inhoud van mijn glas cola kwam recht in zijn gezicht.
‘Wat flik je me nou?’ brulde hij. Vanessa en Daisy lachten hardop.
‘Oeps,’ zei ik. ‘Sorry. Spasme. Kon ik niets aan doen.’

Die gast droop af. Letterlijk.
Soms, hè? Soms voel ik me heel sterk. Alsof het went.

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

11-08-2019

Draai hier al je vinyl uit je platenkast – zondag 11 augustus 2019

Filed under: Muziek - Draai al je vinyl — bazbo @ 19:20



bazbo 0746: Mitch Miller en zijn orkest en koor – The Bridge On The River Kwai
Jaaaaaa! Deze was zeer favoriet in de jongenskamer van bazbo! Wie kent niet dat deuntje van Schele, zie jij dat vliegtuig niet? Nou, dit is de klapper die we keihard meefloten op die zolderkamer. Het is The River Kwai March, ook wel bekend als Colonel Bogey. Op de B-kant horen we The Bowery Grenadiers, ook al zo’n stamper van jewelste. We hebben een originele Nederlandse single uit 1958 en hij klinkt nog prima. En ik maar denken en tegen iedereen zeggen dat we hem grijs hebben gedraaid. Weet je wat? Ik draai hem nog een keer! Jaaaa!

0746



bazbo 0745: Melina Mercouri – Les Enfants Du Pirée
Dit is zo’n plaatje waarvan de naam van de artiest en de titel van het lied me helemaal niets zegt, maar nu ik hem draai, herken ik hem als geen ander. Leuk dit weer terug te horen, na bijna vijfenveertig jaar. Ik zoek me klem op Discogs, maar vind hem met een paar klikjes op 45cat.com. Het betreft hier een Nederlandsche plaat uit 1961, het jaar dat mijn ouders huwden. Melina Mercouri was een Griekse zangeres. Op de B-kant staat de instrumentale kitschknaller Hassapico Nostalgique door het Manos Hadjidakis Orchestra. Ideaal bij uw etentje. U gaat er geheid borden van kapot gooien.

0745



bazbo 0744: Mantovani and his Orchestra – Mantovani plays Tangos
Deze herinner ik me ook niet van vroeger. Onze Vader was wel een liefhebber van Mantovani, maar deze zat zeker niet in zijn verzameling. Moet dus op een andere manier de stapel zijn binnengekomen. Op deze EP staan vier tango’s, waaronder Jealous en Besame Mucho. Plaatje komt waarschijnlijk uit 1955 en ik heb een Britse versie. Blijft wel heel veel hangen. Wat een kutplaat.

0744



bazbo 0743: Artie Malvin & Jimmy Leyden – Bye Bye Love
Beetje vreemde single, dit. Op de A-zijde staat de A-zijde, op de B-kant vinden we Around The World door het Michael Stewart Quartet. Toen ik klein was en met de plaatjes van mijn ouders op de koffergrammofoon speelde, dacht ik altijd dat het de echte Everly Brothers single was. Dat bleek later dus niet zo te zijn. En barst: nu ik hem op Discogs opzoek, blijkt het andersom te zijn! De A-kant is dus Michael Stewart en Bye Bye Love de B-zijde. Schiet mij maar lek. Het plaatje komt uit 1957, dat staat dan weer wel vast.

0743



bazbo 0742: Danny Kaye – Extraits de la bande sonore orriginale du film The Five Pennies
Volgens mij was deze niet van mijn ouders en volgens De Vrouw komt hij ook niet van haar kant. Maakt niet uit. Dit is een EP uit 1960, van Franse origine. Er staan vijf stukjes op uit de film The Five Pennies. Ik kan me niet herinneren de film ooit te hebben gezien. Mijn moeder was wel een liefhebber van de films van Danny Kaye, maar dat was De Vrouw vroeger ook. Alleraardigst, maar niet wereldschokkend.

0742
• • •
 

10-08-2019

Draai hier al je vinyl uit je platenkast – zaterdag 10 augustus 2019

Filed under: Muziek - Draai al je vinyl — bazbo @ 20:03



bazbo 741: Kamahl – The Elephant Song
Sjonge, we maken ineens een enorme sprong in de tijd. In 1975 hoorde mijn moeder dit op de radio en riep dat ze het een heel mooi lied vond. Als ik het mij goed herinner, heeft Onze Vader het singletje toen gekocht. Ze heeft het een paar keer gedraaid; toen belandde het in de stapel met overige singles en speelden wij het aan gort op de koffergrammofoon. Wist u dat de zanger eigenlijk Kandiah Kamalesvaran heet? Op kant twee staat het liedje A Daisy A Day, dat bekend werd in een Nederlandschtalige versie door mevrouw Conny van den Bosch of hoe heette dat mensch. Ik heb hier de Nederlandsche uitgave van de single uit 1975 en op Discogs durven mensen er gerust een tientje voor te vragen. Wilt u het clipje hieronder allen meezingen? Ik tel af, daar gaat-ie: één, twéé, DRIE!:

0741



bazbo 0740: Mahalia Jackson – Silent Night
Ook deze draaiden we nooit, ook niet rond Kerstmis. Pas veel later begreep ik dat Mahalia wel degelijk een naam was in de soul- en gospelhoek. Ook nu begeef ik me nooit in de soul- en gospelhoek. Volgens 45cat.com komt mijn versie (TROS 1400) uit 1960. Op de B-kant staat Go Tell It On The Mountain (dat op andere versies van deze single de A-kant is) en die zal ik na vandaag ook nooit meer draaien.

0740



bazbo 0739: Jongenskoor St. Gregorius o.l.v. Herman Souren – Vrede Op Aarde
Juist. Ik heb dit maar bij de G van Gregorius neergezet. De orgelbegeleiding is van Jan Vroomans en de solisten zijn Marcel Jans en Loek Bekkers. Hun foto staat op de achterzijde van de hoes. Ik zal die foto hier niet plaatsen, want ik wil op geen enkele wijze in verband gebracht met de pedopartij. Op de achterzijde van de hoes ook een foto van het hele jongenskoor. Boven hun hoofd is een vlag te zien met daarop het toenmalige logo van de AVRO. Iemand die nog weet wat dat is? Plaatje is niet te vinden op webstekken en jaar is onbekend. In mijn jongensslaapkamer draaide ik dit nooit, ook niet rond Kerstmis.

0739



bazbo 0738: Quartetto Enzo Gallo – Conversazione Con La Chitarra
Laat ik toch altijd gedacht hebben dat dit de B-kant van het plaatje was. Niet dat het titelnummer slecht is, maar ik vind het typisch zo’n luchtig stukje dat je op de achterzijde zou plakken. Het lied Oho, Oha! vind ik namelijk nogal wat pakkender en meer hitpotentie hebben. Maar ik klaag niet. Dit singletje komt uit november 1957 en is een Nederlandsche uitgave. Ik zing het zo weer mee, ook al ken ik geen woord Italiaans.

0738



bazbo 0737: Quartetto Enzo Gallo – Napolitana
Maar liefst acht Napolitaanse liederen, verspreid over twee plaatkantjes. Op Discogs is mijn versie niet te vinden, wél op 45cat.com. Dit komt uit 1957. Enzo Gallo was een Italiaanse jazzgitarist. Dit plaatje is een beetje erg. Vroeger draaiden we hem niet zo veel. We vonden het gewoon niet zo spetterend, in tegenstelling tot het andere plaatje van Quartetto Enzo Gallo dat we tot onze beschikking hadden. De muziek op dit plaatje is niet op YouTube te vinden.

0737



bazbo 0736: Franco El ‘G.5’ – Casanova
Het titelnummer was een heel grote favoriet in onze kinderslaapkamer. Deze 7″ EP is niet op Discogs te vinden, wat verder googlen levert een Italiaanse site op die de EP wel noemt met de juiste tracklist van vier liedjes, maar het catalogusnummer klopt dan weer niet, dus dat doet me dan vermoeden dat er meerdere versies van verschenen zijn. De versie die ik hier heb is in ieder geval een Nederlansdse ’45 toeren langspeel’. Op YouTube is wel wat van de man te vinden, maar helaas niet dat titelnummer of twee van de andere drie liedjes, La Macarena (nee, niet dé) en Zambezi (nee, niet dé). Franco maakte heerlijk verkeerde mambo, calypso en dansmeuk. Samba Fantastico komt uit 1956!

0736
• • •
 

Het vuur ontketend

Filed under: Publicaties voor FOK! - overig — bazbo @ 07:19

Dit was een serie die tuvokki en ik schreven in 2011.
Dit keer hadden we het hele plot vooraf uitgedacht en vervolgens uitgewerkt. Al schrijvende stelden we her en der dat plot bij. Toen de hele serie was uitgeschreven, vroegen we de eindredacteur van de columns van FOK! of we het mochten plaatsen onder een pseudoniem. Hij stond het toe en wij drieën waren de enigen die wisten dat Johan Huiskamp niet bestond. Het aardige van de serie is dat in het begin de hoofdpersoon best een aardige vent lijkt, maar gaandeweg ontpopt hij zich steeds meer als een pychopatische seriemoordenaar.

• • •
 

Het vuur ontketend (13) (slot)

Filed under: Publicaties voor FOK! - overig — bazbo @ 07:16

“Voor de laatste keer!” klonk de stem van achter de voordeur. “Doe open! We weten dat u thuis bent!”
Héél even bedacht ik me dat ik die twee wel zou kunnen overmeesteren. Misschien zou ik een pistool te pakken kunnen krijgen. Maar nee, ik besloot het risico niet te nemen. En dat was maar goed ook. Toen ik via de brandtrap naar beneden was geklommen en langs de huizen liep om niet op te vallen, zag ik nog zeker twee andere geüniformeerde agenten mijn kant op komen. Ik dook weg achter een bosje. Via een aantal tuinen wist ik ongemerkt weg te komen. ‘Laat ze maar inbreken. Het kan me niet schelen vandaag,’ dacht ik bij mezelf. Het zou snel afgelopen zijn.

Ik wist dat ik haast moest maken. De daders laten lopen? Dat nooit. Boven alles moest ik met Kimberley ontsnappen en de rotzakken die deze hele rotzooi hadden veroorzaakt laten bloeden. ‘Nog meer bloed? Hebben we daar nu nog behoefte aan?’ Mijn innerlijke stem drong nog wel aan op voorzichtigheid en terughoudendheid. Ik had ergens ook wel genoeg van geweld. “Ga je het ultieme offer brengen? Ben je bereid om Kimberley op te geven om te ontsnappen aan wat er gedaan moet worden?” Via de tuintjes, wat steegjes en de achterkant van de supermarkt kwam ik aan bij de achterkant van het café. De deur was nog keurig afgesloten, maar ik had de sleutels in mijn zak en ik was binnen voor iemand me had kunnen zien. Aangezien ik ook de voordeur op slot had gedaan, hing het bordje ‘Gesloten’ nog steeds voor het raam. De toestand waarin ik Rein had achtergelaten was nog niet opgemerkt. Tegen de tijd dat de eerste klanten aan kwamen kloppen, zouden ze misschien zien dat hij niet achter de bar stond maar lag. En dan zou er snel politie komen. Vóór die tijd wilde ik al onderweg zijn. Het liefst samen met Kimmie. “Oh, gelukkig. Ik dacht al.” Ik had haar al een keer in de steek gelaten. Dat zou me niet nog een keer gebeuren.

Binnen zocht ik de honkbalknuppel die Rein daar had liggen. Waar was dat ding? Ik zag het nergens. Snel opende ik allerlei laatjes, in de hoop iets anders te vinden. Hier! Dit was interessanter. Er lag een pistool en een doos munitie. “Dat had ik niet verwacht van Rein.” “Ik ken die viezerik langer dan vandaag,” zei ik alleen maar terug en ik laadde het ding. Verroest, daar had je de knuppel. Die liet ik liggen. Ik verliet het café weer via de achterkant. Met een beetje mazzel duurde het nog lang voordat men ontdekte dat er iets in ‘De Lamme Goedzak’ niet pluis was. Hoe langer het duurde voordat de politie ter plaatse was, hoe meer tijd ik zou hebben om hiernaast de klus te klaren.
Ik keek snel even over de schutting of er iemand beneden was in het hoerenhuis, maar ik kon niemand zien. Het was een koud kunstje om over de schutting te wippen en de achterdeur te forceren.

Dit keer was ik voorzichtiger. In de keuken stond een volle kan koffie te pruttelen. Stil liep ik richting woonkamer. Ik had nog niemand gezien. Dan was ik waarschijnlijk ongezien binnengekomen. Toen ik de woonkamer in sloop, liep ik iemand tegen het lijf. Hij kwam de trap af toen ik de woonkamer betrad.
“Ah, heeft Tarkan je binnen gelaten?” Hij klonk tevreden. Ik zou zweren dat hij liep te fluiten.
“Ik heb de pillen hier, Ahmed.” Het leek me het beste om de vraag niet te beantwoorden. “Wil je ze nog zien?”
“Leg ze maar op tafel,” knikte hij. “Ik houd me aan de afspraak en zal je het meisje teruggeven.”

Bovenaan de trap verscheen licht. Er was een deur opengegaan. Tarkan kwam tevoorschijn. Ahmed was verbaasd.
“Tarkan?” Hij draaide zich om naar mij. “Ben jij de hele tijd al boven? En hoe ben jij dan binnengekomen, Johan?”
“Johan is even op vakantie. Die slappeling kon niet doen voor zijn dochter wat er hier nodig is.” Ik pakte het pistool en zonder te twijfelen schoot ik Ahmed in zijn buik. Vervolgens richtte ik naar boven naar de plek waar Tarkan stond. Voor ik kon schieten zag ik een blonde verschijning achter hem en toen ging alles snel.
“Klootzak!” schreeuwde Kimberley en ze gaf Tarkan een duw. Hij viel voorover de trap af. Ik stapte naar hem toe, over de nog steeds verbaasd kijkende Ahmed heen, die het bloeden van zijn buik probeerde te stoppen met zijn handen. Het leek erop of hij moeite had zijn ingewanden tegen te houden naar buiten te puilen. Toen ging mijn aandacht weer naar Tarkan. Met een gerichte schop in zijn gezicht zorgde ik ervoor dat hij ons even niet meer lastig zou vallen.

“Jij … jij bent Franco,…” stamelde Ahmed, zijn pijn verbijtend. “Ik dacht dat je vast zat.”
“Dat klopt. Dat zát ik ook,” antwoordde ik doodkalm. “En snap je nu ook dat je met de dochter van de verkeerde man aan het klootzakken was?”
“Ik … herkende je niet.” Hij lachte een beetje gegeneerd. “Je bent oud geworden … ” Bloed kwam uit zijn mond.
“Tien jaar in de nor, Ahmed. Tien jaar, godverdomme.”
“Wat bedoelt hij?” Kimberley was de trap afgekomen en ze pakte mijn hand vast. “Wat bedoel jíj?”
“Dat is een lang verhaal, schatje.” Ik pakte haar bij haar schouder en draaide haar een beetje weg van de stervende dealer en pooier. “Als we tijd hebben vertel ik je alles. Maar nu gaan we eerst even de boel hier afhandelen.”
Ik richtte het pistool en met een droge knal maakte ik een einde aan het leven van Ahmed.
Tarkan kreunde en Kimberley en ik draaiden ons tegelijkertijd om.
“Die klootzak heeft aan me gezeten.” Haar stem klonk niet angstig meer.
Zonder verder iets te zeggen haalde ik het mes tevoorschijn. Het glom in het weinige licht. Ik hief mijn arm, maar toen ik toe wilde steken, werd ik tegengehouden. Even dacht ik dat de politie ons gevonden had. Maar neen, het was Kimmie. Met een verbeten grijns haalde ze mijn arm naar beneden.
“Ga zitten,” was alles wat ze zei. “Deze is voor mij.”
Kimberley haalde de riem uit Tarkans broek en bond de jongeman behendig ermee aan de trap vast. Ze draaide zich om en liep naar de keuken. Op weg daar naartoe pakte ze het mes uit mijn hand. Mij duwde ze naar de bank, waar ik gisteren de hoer had gegrepen. Ik ging zitten.
“Ik zou even de andere kant op kijken, Johan. Hier is míjn dochter aan het werk.” De stem in mij was van mij.

Kimberley kwam terug met de pot koffie. Zonder pardon goot ze die over de jongen heen. Die kwam met een schreeuw bij zijn positieven. Hij wist duidelijk niet goed waar hij was.
“Hé, kanjer.” Kimberley had haar blouse opengemaakt en bood de jongen een gulle blik op haar volle boezem. Haar handen gingen over zijn pijnlijke lichaam en streelden in de richting van zijn openhangende broek. Hij kreunde even.
“Aaah,” hijgde ze in zijn oor. “Je voelt nog wel iets?” Ze likte aan haar lippen. Haar hand ging dieper zijn broek in en haalde zijn gezwollen lid tevoorschijn. Tarkan kreunde weer.
“‘Lekker hè? Als ze nog kunnen bewegen.’ Zoiets zei je toch, toen ik vastgebonden zat? ‘Als ze wel kunnen bewegen, maar niks kunnen doen?’ Je had gelijk.” Ritmisch ging haar hand op en neer over de inmiddels half stijve piemel van Tarkan. “Het is heerlijk. Ik hoop dat jij er ook van geniet, maar zo te voelen gaat dat wel goed.”
“K … k .. kankerteef .. ” Het kwam met moeite over zijn lippen.
“Stil maar, jochie. Het is bij jou altijd zó voorbij.” Ze glimlachte en werkte Tarkan naar zijn hoogtepunt. Zijn laatste.
“Oh, ooh, jah, jaa .. geile teef, ik ga klaarkomen. Oooh .. ik heb genoten van je pijn.” Het middenrif van de jongen spande zich. Hij kon elk moment spuiten. Kimberley karnde hem met haar rechterhand en vlak voor hij klaarkwam stak ze toe met haar linker. Het mes ging op en neer. Keer op keer. Lekkere kartels. Op en neer, in hetzelfde ritme als haar hand om zijn penis. Tarkan gorgelde. Bloed kwam uit zijn mond en zijn zaad spetterde in een boog naar boven. Bloed en sperma: de grillige, maar o zo heerlijke combinatie van dood en genot. Met een nijdige haal van het mes maakte Kimberley een einde aan het tafereel. Ik hoorde een oogbal knappen en zag het heft van het mes geplant in dat wat ooit het gezicht van Tarkan was. Toen keek ik naar Kimberley.

“Laten we gaan.” Ze klonk tevreden.
“Hier.” Ik pakte de tas en trok hem open. “Ik heb schone kleren voor je mee genomen.”
Snel kleedde ze zich om. Van mij had het best wat langer mogen duren. Ze had een prachtig lichaam. Vol en jong, precies het soort waarvoor ik de eerste keer in de bak was beland. Dat zou me nu niet gebeuren. Ik haalde een schone trui voor mezelf uit de tas. Mijn jas was vies geworden, dus leegde ik mijn zakken en gooide ik de jas weg. Mijn paspoort viel naast dat van Kimberley op tafel.
“Waar gaan we heen?” Ze had haar kleding aan en pakte een zonnebril die op het tafeltje lag.
“Ergens waar het warm is en waar je veel vriendinnetjes kan maken.” Ik grijnsde. Het was precies wat ze wilde horen en ik verheugde me op haar en haar vriendinnetjes in bikini.

De paspoorten lagen open voor ons op tafel.
“Dus jij bent mijn echte vader?” vroeg ze. “Is Franco dan ook je echte naam?”
“Ja.” We waren bijna veilig en ze had recht op de waarheid. Of in ieder geval een deel daarvan. “Johan wilde opnieuw beginnen; van mij hoeft dat niet.”
“Is het nu voorbij?” vroeg ze bevend. Ze drukte zich tegen me aan.
“Ja, het is voorbij. Bijna. Nog heel even. Je hoeft niet bang meer te zijn.”
Ik nam haar in mijn armen. Ze zuchtte.
“Je bent lief,” zei ik.
Kimberley keek me glimlachend aan. “Jij ook,” zei ze. “Je bent mijn redder.”
“Ja,” knikte ik. Zachtjes legde ik mijn handen rond haar hals. “Ik ben je verlosser en zal je redden.”


E I N D E

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Het vuur ontketend (12)

Filed under: Publicaties voor FOK! - overig — bazbo @ 07:15

“Murat was een hond!” Het waren de eerste woorden die ik wist uit te brengen. Ik kon nog steeds niet helemaal scherp zien, maar ik wist wel dat Ahmed in de ruimte was.
“Ik maak je kapot, kankerlijer,” was het gesiste antwoord.
“Dat zei die hond van een dealer van je ook.” Ik kon zijn woede haast voelen. Dat is lekker. Alsof de kokende hitte tegenover je direct jouw eigen energie voedt, is het niet? Even kwam er een glimlach op mijn lippen.
“Jij hebt hem kapot gemaakt,” lispelde Ahmed. “Daarvoor maak ik jóú kapot!”
“Waarom heb je dat dan nog niet gedaan?”
“Ik wil weten wat je hier deed. En waarom je mijn hoer dood hebt gemaakt. Daarna snijd ik je ballen kapot en stop ik ze in je leugenachtige kankerbek.”
“Dat was ik niet.” Je gelooft het zelf. “Maar die hoeren van jou verdienden het te sterven,” zei ik. Ik was nu helemaal bij mijn positieven en zocht een weg om los te komen. Potdomme, ik zat stevig vast.
“Waarom dan? Het zijn toch gewoon hoeren, man? Waar maak je je eigenlijk druk om?”
“Ze hebben het meisje aan die hond van een broer van jou verpatst omdat hun eigen stinkende kutten te weinig opleverden.”
Ahmed was geschokt. “Wat?” Hij keek naar de jongen die naast hem stond. Goed bezig, zo. Het duurt niet lang meer. Toen die geen reactie gaf zei hij nogmaals: “Wat?”
“Vraag maar aan je zoontje.” Ik knikte naar de jongen. “Die weet wel waar ik het over heb. Kimberley is door hem en die kuthoeren deze verrotte business in gesleept. En dat terwijl ze nog minderjarig is. Die hoeren hebben er niks aan gedaan. Rachid heeft haar de drugs in geholpen. Dat zal niet zonder gevolgen zijn.” Ik pauzeerde even. Zie ze staan. Ze weten niet wat te doen. Maak het af. Ik ging verder. “Dus wat ik me druk maak? Nu niks meer. Ik heb geen problemen met jou of met je zoon. De enige die hier volgens mij ook vanaf wist is Rein, de cafébaas. Maar dat is mijn probleem, niet het jouwe.”
Tarkan knikte wederom bevestigend. Ahmed begon te ijsberen. Hij zei iets in het Turks, waarop de jongen naar beneden ging. “Even schoonmaken,” zei Ahmed haast verontschuldigend.
“Volgens mij ben jij de grote winnaar hier, Ahmed.”
“Hoezo?”
“Je bent in elk geval van die verlepte hoeren af, als je mannetjes hun werk een beetje verstaan en een paar lijken kunnen laten verdwijnen. En jij kan verder met het uitbouwen van je kleine drugsimperium naar iets groters. Je broer Rachid loopt je niet meer voor de voeten.”
“Hoezo? Hoe bedoel je? Wat is er met Rachid?”
“Die wordt opgepakt voor de moord op twee kassameisjes in de supermarkt. Hij heeft het leuk gedaan. Eerst uitgekleed en seks met ze gehad; toen de keeltjes doorgesneden.”
“Hou op.”
“Zie het positief. Je handel in pilletjes is veel makkelijker en lucratiever dan te lopen pooieren met die luizendozen van je.”
“En ik moet je zeker bedanken? In plaats van je ballen pletten tussen twee bakstenen?” schamperde Ahmed.
“Ik snap dat je boos bent.” Ik draaide een beetje, zodat ik Ahmed aan kon kijken. “Jij had toch belangstelling voor nieuwe leveringen?”
“Allemaal leuk en aardig, maar Murat is dood en straks zit Rachid achter de tralies.” Even leek Ahmed besluiteloos. Toen zei hij: “Wacht..” Hij liep weg.
Alsof ik iets anders kon dan wachten.
Daar was hij weer. “Jij bent niet bang, hè?” vroeg hij, terwijl hij een mes tevoorschijn haalde.
– Franco was nooit bang. Hij niet; hij zorgde er wel voor dat de ander het in zijn broek deed van angst. Dat gaf hem alle gelegenheid om de regie te nemen. Niet veel later vloeide dan het bloed. En – Ik gaf geen kik. Mijn ogen volgden het mes. Ahmed stak toe, langs mijn arm. Hij sneed door het laken waarmee ik vast zat. Zijn doodvonnis. Ik bleef stil zitten. Heel even had ik de kans om Ahmed uit balans te brengen en hem het mes afhandig te maken. Nog heel even geduld. Ik deed het niet. Wie weet stonden de twee jongemannen achter de deur. Nu niets stoms doen. Tevreden trok Ahmed de laatste boeien los.
Ik stond op. “Wat moet je?”
“Pillen. Wat anders? Jij weet waar je ze kunt krijgen.”
“Waar is Kimberley?”

– altijd weer; het verlangen om te vluchten. Te vluchten waarin? Weg, ver weg. Als het maar ver is. De gedachte dat Franco bezit van mij nam, leek steeds dichterbij te komen. “Als je niet doet wat ik wil, neem ik wraak. Je hebt dierbaren om je heen. Nog wel.” Zijn stem sneed in mijn ingewanden. Het laatste beetje ziel en geweten –

“Die is veilig. Je hoeft je geen zorgen te maken. Tarkan weet wel hoe hij haar rustig krijgt.” Hij lachte vilein. “Ze blijft even bij mij. Eerst zorg jij voor de juiste levering.”
“Oké. Maar als haar één haar wordt gekrenkt, ga je eraan.” Dat ga je evengoed wel. “Je hoort van me.” Ik liep de deur uit. Ik bedoel: ik liep gewoon de deur uit! Ahmed liet me gaan.
Buiten was het net licht geworden. Het regende. Eerst maar eens naar Rein.

De deur klemde.
“Johan,” zei Rein. Hij stond zijn vloer te dweilen. “Ik ben dicht.”
“Geef me koffie.”
“Zenuwachtig?”
Eerder gewelddadig. “Kom, geef me koffie.”
“Vooruit.”
“En leg me uit waarom je nooit verteld hebt dat je weet wat hiernaast plaats heeft gevonden.”
“Hoe bedoel je?”
“Hiernaast. Ahmed. Tarkan. Kimberley. Moet ik je meer tips geven?”
“Johan, …”
“Bespaar me je verontschuldigingen. Wist Muriël ervan?”
“Nee.” Hij zette me een kop koffie voor. Die begon ik snel te slurpen.
“Je hebt haar niet gewaarschuwd?”
“Ik heb een zaak te runnen, Johan.” Genoeg. “Dat lukt me al half. Dan kan ik daar geen gezeur bij hebben.”
Ik zette het half leeggedronken kopje neer en boog over de toog naar Rein toe.

– in het begin leek het ze allemaal heel spannend. Ze waren nog gewillig ook. Hij nam ze mee naar het magazijn. Gretig namen ze de pillen van hem aan. Franco wist dat dit een van zijn hoogtepunten werd. De twee meisjes hingen giechelend om zijn nek. Hij zoende ze in hun hals. Hun heerlijke hals. Zijn handen gleden over de jonge lichamen. Hij kleedde ze uit en gooide hun werkkleren van zich af. Geil wachtten ze op wat er komen ging. Of ze elkaar wilden strelen. Dat wilden ze wel. Ze likten elkaars tepeltjes. Franco opende zijn broek. Ze nodigden hem uit. Hij ging erbij zitten en aaide hen langs de wangen. Met zijn toompje. Dat vonden ze leuk. Hun tongen vochten; ze kregen bijna ruzie wie er het eerst mocht. Hij haalde een condoom tevoorschijn. Zo voorzichtig was hij wel. Zijn handschoenen hield hij ook aan. Dat wond ze nog meer op. De meisjes kropen op elkaar. Franco wreef zijn neus langs de natte sleuven. Toen knielde hij tussen hun benen. Grinnikend gleed hij naar binnen. Wie had hij als eerste te pakken? Straks de ander. De meisjes kronkelden. Om beurten gaf hij ze een paar stootjes. Hun gehijg werd luider. Zijn handen vonden de hals van het ene meisje. Gekreun. En daar was die andere. Gegil van genot. In iedere hand een heerlijke hals. Hij begon zachtjes te knijpen. Ze kregen het benauwd, maar leken het lekker te vinden. Zo klonken ze wel. “Kassa!” gromde hij. Franco spoot het condoom vol. Toen pakte hij zijn grote mes. Weg heerlijke hals. Bloed. Er gorgelde wat lucht uit de wonden. Het wond hem nog meer op. De meisjes waren nog nat tussen de benen. Lang ging hij niet te keer op de betonnen vloer. Weer spoot hij. Erna sleepte hij de slappe lijven naar de koelcel. Zo koud –

Ik liet het lichaam van Rein achter de toog liggen zodat het vanaf de straat niet te zien was. Ik pakte de sleutels van Rein en sloot de deur netjes af en verliet het café. Buiten regende het nog harder. Het stormde in mijn kop. Even later was ik thuis.
Uit het plastic zakje haalde ik een pilletje. Het was een van de laatste. Ik spoelde hem weg met een grote slok whiskey. In de slaapkamer opende ik de klerenkast. Onderin stond mijn weekendtas. Ik deed er wat kleren in.
Ik dacht aan Kimberley. Waar zou ze zijn? Het meidje had al heel wat moeten meemaken. Ik miste haar. Ze verdiende een leven als dit niet. Ik gunde haar een onbezorgd bestaan. Het was haar fout niet dat het allemaal zo gelopen was. Ik moest haar redden. De verlossing nabij.
Uit haar kamer haalde ik nog een aantal kledingstukken. Ik wist niet meer precies wat. De vermoeidheid en pillen van de afgelopen uren deden zijn werk. Ik voelde mezelf wegglippen, alsof ik keek naar iemand anders die dingen uit mijn naam deed. En ik wist héél goed wie die persoon was. Nadat ik het paspoort van Kimberley had gevonden, maakte ik de tas dicht. Beneden moest ik me even vasthouden aan de deurpost. Het duizelde me nog een keer. Uit de keuken haalde ik een broodmes. Lekkere kartels. Had ik verder alles? Volgens mij wel. Mijn pet en bivakmuts zaten in de tas, mijn paspoort in de binnenzak van mijn jasje.
Op de salontafel lag het zakje met de laatste pillen. Ik schudde het leeg in mijn hand. Mijn zucht was diep. Toen bracht ik mijn hand naar mijn mond. Met het laatste beetje uit de fles slikte ik alles door.
Toen ging de bel. Ik deed niet open. De bel ging nog een keer. Toen klonk er geklop op de deur.
“Johan Huiskamp!” hoorde ik een mannenstem. “Politie. We weten dat u thuis bent.”
Ik graaide mijn tas en mijn jas en liep naar het balkon. Daar was de brandtrap.

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Het vuur ontketend (11)

Filed under: Publicaties voor FOK! - overig — bazbo @ 07:14

“Dat ben ik.”
“We willen u wat vragen stellen,” zei de andere politieman.
“Dat kan, maar ik moet op weg naar mijn werk.”
“U werkt in de supermarkt, klopt dat?”
“Ja. Loopt u mee?” Ik pakte mijn jas van de kapstok en trok die aan. Toen liep ik naar buiten en trok de deur achter me dicht. De agenten moesten met me mee naar buiten.
“Kende u Jasmijn Jacobs?” vroeg de grote politieman, terwijl hij achter me aan de trap af liep.
“Wie is dat?”
“Priscilla van Meerendonk?”
“Zijn dat die twee meiden die vermoord zijn? Ik zal ze vast wel kennen, maar niet van naam.”
“U weet niet of ze contacten hadden met die magazijnmanager?”
“Rachid? Nee joh, daar houd ik me allemaal niet mee bezig. Ik kom er om te werken en wat geld te verdienen. Niet om op dat jonge spul te letten.”
“Nooit iets verdachts gezien aan Rachid?”
“Nee,” loog ik. “Hij doet z’n werk. Ik ook. Anders nog iets?”
“Waar was u gisterennacht?”
“Hier thuis. En ik was niet alleen. Ik heb een lekker wijf. Dan weet u wel wat er allemaal te doen is. Of niet, heren? Anders nog iets?”
“Dat was het. Als u wat te binnen schiet, neemt u dan contact met ons op? Hier is mijn kaartje.”
“Doe ik.” Ik keek ze na. Toen ze uit het zicht waren, gooide ik het kaartje in de dichtsbijzijnde prullenbak. Ik draaide me om en ging terug naar huis.

– “Tijd voor actie, maat.” Franco wist maar al te goed wanneer hij op het randje balanceerde. Als er nu iemand binnenkwam of alleen maar door het raampje naar binnen keek, zouden de problemen pas echt beginnen. En dat kwam hem niet uit. Hij had nog een aantal zaken op te lossen. En die ander had hij daar meer dan ooit voor nodig. Maar dan moest die wel wakker worden en zijn rommel opruimen. “Tijd voor actie!”
Hoe alert je ook bent, je ontkomt niet. Niet aan Franco. Zeker niet als hij die blik in zijn bloeddoorlopen ogen heeft. Zo kalm als hij is wanneer hij je dwingt. Verzet is zinloos. Lijdzaam –

De deur klapte achter me dicht. Ik liep de slaapkamer in en liet me op het bed vallen. Onmiddellijk sloeg de slaap toe. Maar niet voor lang. Met een droge bek werd ik wakker. Was het een angstige droom? Muriël is koud en komt achter me aan. Ik droom dat ze dood is. Dan hoor ik een stem die me oproept tot actie. Ik snap er niks van. Dan schijnt er een licht in mijn ogen. Het is dag. Als een stortvloed aan beelden, emoties en fysieke herinneringen komen de gebeurtenissen van vorige avond terug. Ik stond op en liep naar de woonkamer. Op de bank lag Muriël. Ik hoefde niet eens te voelen. Ze was echt dood. Dood-dood, niet zoals in mijn droom.
“Ik heb haar gisteren vermoord,” zei ik hardop tegen niemand. Gelukkig was Kimberley er niet. “Shit. Ik zit diep in de problemen. Zéér diep. Het is inderdaad tijd voor actie. De stem had gelijk; ik moet iets doen.” Werktuigelijk liep ik naar het raam om de gordijnen dicht te doen.

“Waar laat ik haar?” Onder in de flat had Muriël een kleine kelder met een grote vriezer waarin ze stukken vlees bewaarde. Als ik al een ladinkje mee kon nemen uit de supermarkt, moest dat vaak meteen worden ingevroren omdat het al over de datum was. De laatste tijd was er niet veel om mee te nemen, dus was de vriezer bijna leeg. – “Het klinkt hard, mijn kameraad, maar een mens moet eten. En je hebt nog een hoop werk voor de boeg vandaag.” – Ik ging naar de kelder en haalde er een behoorlijk stuk ham uit. Weer boven stopte ik de ham in de oven, zodat ik over een uurtje wat te eten had.
Ik tilde Muriël naar de gang. Daar legde ik haar even neer. Toen opende ik in de woonkamer de gordijnen weer om geen argwaan te wekken in de buurt. Als de hele dag de gordijnen dicht zitten, bellen ze misschien aan om te vragen of er iets aan de hand is. Ik sloeg een arm van Muriël om mijn nek en tilde haar op. Nu leek het net of ze dronken om me heen hing. Gelukkig kwamen we niemand tegen in het trappenhuis. In onze kelderbox legde ik haar weer op de grond. Ik opende de vriezer. Verdomd, ze was te groot en een beetje te weinig flexibel om goed in de vriezer te passen. Ik keek om mij heen. Zou die betonschaar bruikbaar zijn?

– stel ik mij voor hoe het moet zijn als ikzelf zijn slachtoffer ben. Die vunzige adem van hem in mijn oor. Zijn schurfterige vingers om mijn nek. Ik kom adem te kort. Volkomen hulpeloos lig ik voorover. Ik voel zijn andere hand op mijn rug, mijn billen. Dan weet ik dat hij zijn hoofd terugtrekt. Ik voel zijn speeksel in mijn bilspleet druipen. Alle spieren in mijn lijf staan gespannen. Dit gaat pijn doen. Daar is zijn mes. Zonder al te veel kracht te zetten legt hij alle gramschap van de afgelopen nachten in een houw in mijn buikholte en mijn huid open. Vlees stinkt, adem stokt. Een grote gapende wond, naar buiten puilende darmen en –

In stukken paste ze beter in de vriezer, al bleef het stouwen. Het kostte me ruim een uur, maar uiteindelijk wist ik Muriël in het geheel in de vriezer te krijgen. De kelder had ik ontdaan van de grootste bloedvlekken en stank. Voor de vorm gooide ik nog een fles bleekwater en een fles allesreiniger leeg over de vloer. Ik wist dat het niets oploste, maar wel dat het een beetje de ergste geur maskeerde. “Aan de deur zullen ze het niet ruiken,” mompelde ik.
‘Tijd om wat te gaan eten. En dan gaan we op zoek naar Kimberley. Die moeten we voor de avond gevonden hebben. Dan kunnen we rustig gaan bedenken waar we heen gaan.’ Weer boven at ik de ham, die me erg goed smaakte. De vleessappen liepen me langs de kin. Heerlijk.

Onder het eten bedacht ik me wat ik moest doen. Kimberley zoeken, blijkbaar. Iets in me zei dat het belangrijk is. En tot nu toe heeft die intuïtie, die innerlijke stem altijd gelijk gehad. Hij heeft het altijd voor me opgenomen. Elke keer dat hij me redde van de pestkoppen en uitbuiters, had ik rust. De agressieve klootzakken die me al mijn hele leven hadden gekleineerd, waren nu bang voor míj en dat allemaal dankzij deze stem. Nu de crisis weer compleet was, kon ik maar beter doen wat hij suggereerde. Noem me zweverig. Wat kan mij het schelen.
“De bordjes laat ik op tafel staan, moeder. Die ruim ik niet op!” Soms praat ik tegen niemand. Anderen praten tegen zichzelf. Ik deed mijn jas aan. Het was vroeg in de middag en ik kon wel een borrel gebruiken. Toen ik de deurknop vastpakte, zag ik mijn handen. Die waren vies. Er zat bloed aan. “Zal wel van de ham komen,” mompelde ik. In de spiegel zag ik dat mijn kleding ook vol vlekken zat van de ham. Met mijn jas veegde ik de deurknop af. Toen liep ik naar de badkamer om me te douchen. Het is fijn om weer even helder te worden.
Uit de keukenlade pakte ik een flink stevig koksmes. Je wist maar nooit wat je onderweg tegen komt. Met schone kleren en fris gewassen haren stapte ik naar buiten. “Het is best een mooie dag, vriend,” zei ik tegen niemand in het bijzonder. Het was me nog steeds niet duidelijk wat ik moest gaan doen.

Na een korte wandeling kwam ik aan bij ‘De Lamme Goedzak’. De deur klemde. Ik zette mijn schouder ertegenaan en duwde. Zuchtend ging hij open. Het café was grotendeels leeg. Sommige dingen veranderen gelukkig nooit.
Rein keek me van achter de toog met een schuin oog aan. Ik liet me op een barkruk zakken.
“Wat zie jij er uit, Johan?” Hij haalde een paar viltjes achter de bar vandaan en gooide ze achteloos voor me neer. “Borrel?”
“Ja, doe maar,” knikte ik naar de jonge klare. “En zet er een biertje naast.”
“Waar is dat mooie mokkel van je?” lachte Rein. “Jullie hadden hem aardig hangen gisteren.”
“Die heeft voorlopig genoeg gehad, zou ik zeggen.” Mijn grijns kon voor alles opgevat worden.
Aan zijn kop te zien koos Rein voor het goede in de mens. Hij zou eens moeten weten. “Lekker bezig met haar schoonheidsslaapje, dus.” Hij zette de drankjes neer. “Heb je al wat gegeten? Je ziet bleek.”
“Ja, ik heb een hammetje gehad. Maar ik voel me beroerd.”
“Ga je niet werken vandaag?” Rein keek me indringend aan. “Heb je het baantje niet meer nodig? Toen ik vanmorgen in de supermarkt was, vroeg de manager mij naar je.”
Ja, ik was vanmorgen niet gegaan, zonder me af te melden. Makkelijk geld had het gewonnen van zwoegen voor een hongerloontje. En nu had het helemaal geen zin meer.
“Ach, Rein,” kapte ik de borrel weg. Ging ik me verontschuldigen? No way. “Je weet hoe het gaat. Doe mij een nieuwe.”

– “Laat die klotehomo toch.” Franco wist dingen van de kroegbaas waar de honden geen brood van lustten, “Er is een reden dat we hier zijn.” Hij had geen zin in dat twijfelende gedoe van wie dan ook. Hij had geen behoefte aan drank en geleuter, hij wilde weten waar Kimberley was. En hij wilde weer een gewone avond die hij kon besteden aan een stinkende hoer zoals zijn moeder was geweest. Het mooist was de laatste zucht; de paniek, die klonk als –

Waar zat Kimberley? Waarschijnlijk ergens in de buurt van Tarkan en zijn kloterige pa. Dat ik deze borrels nodig had om mijzelf nieuwe moed in te drinken, dat snapte Rein vast wel. Die was niet voor niets barman. Het was maar goed dat Rein niet wist waar ik die moed voor nodig had. Rein was niet gediend van crimineel gedoe. Hij tolereerde het rond zijn café, maar zijn respect was meteen op als je je ermee in liet. Om het onderwerp niet te laten hangen begon ik ergens anders over. Hoewel.
“Heb je Kimberley ergens gezien vandaag?”
“Wat die meid uitvreet weet ik ook niet, Johan.” Rein leek ook daar niet blij mee te zijn. Ik begon me eraan te ergeren. “Maar ik zag haar vannacht, toen ik besloot hiernaast binnen te gaan.”
“Hoe laat was dat?” Ik negeerde mijn geprikkelde gevoel voor even.
“Om een uur of vier, half vijf.”
In twee korte bewegingen maakte ik korte metten met mijn drankjes en zonder nog iets te zeggen stond ik op. Vlak voor ik de deur bereikte, hoorde ik Rein. “Johan, als eh … ik eh …”
“Ja, wat?” Ik klonk meer gespannen dan ik zelf vermoedde. Er stond weer iets groots te gebeuren.
“Laat maar.” Rein keek ongelukkig. “Hou jezelf heel. En die kleine meid ook.” Hij pakte een doek en ging glazen poetsen.

De bel van de hoerenkeet naast het café deed geluidloos zijn werk. Even later hoorde ik gestommel in de gang. Wat dat betreft had het nog steeds een gewoon woonhuis kunnen zijn. Het luikje ging open en een van de dames die daar ‘woonden’ herkende me. Ze deed de deur open en liet me binnen.
“Ik ben op zoek naar Kimberley.” Het was bedoeld als neutrale mededeling maar ik zag de hoer schrikken.
“Die … eh … is hier niet.”
“Je liegt!” Ik gaf haar een duw de woonkamer in.

– grote ogen. “Hak ze aan stukken!” Franco riep of schreeuwde niet. Hij zei het gewoon heel beslist. Dit soort figuren waren in zijn ogen een klein obstakel dat voor het grote probleem lag. Ze zaten in de weg en dus moesten ze worden opgeruimd. Daar waren zijn handen. Daar was het angstzweet bij de ander. Daar was de maniakale grijns. “Opruimen die handel,” vervolgde hij. “Niet twijfelen maar handelen.” En de doodskreet –

Het was het laatste duwtje overtuiging wat ik nodig had. De hoer sloeg ik in haar gezicht. Ze viel over een salontafeltje dat midden in de kamer stond. Het mes lag al in mijn hand toen ik naar haar toe stapte. Ze probeerde op te staan. Ik herkende haar. Als ik het niet dacht. Hier bijverdienen. Was het loon van kassameisje niet genoeg? Wat was er mis met een eerzaam beroep? Met een lange haal van mijn mes maaide ik haar neer. Ze had een flinke snee over haar gezicht en viel op de grond. Even was het stil. “Deze is voor mij,” zei de vertrouwde stem. “Waarom zou je het nuttige niet met het aangename verenigen?” De bloedende vrouw lag gillend op de grond. Ik gaf haar nog twee gerichte steken. Bloed welde uit haar buik. Ze lag met haar benen half wijd. Ik voelde een aangename sensatie en opende mijn broek. Toen roste ik het minirokje van het wijf omhoog.

– ” het leukst als ze schreeuwen. Alsof het ze nog zou kunnen helpen,” vertelde Franco. “Het allermooist is als ze het laatste zuchtje geven als jij klaarkomt.” Hij genoot er van. Niet een klein beetje maar veel. Het was zijn hele wezen. Waarom ze hem niet de allerzwaarste straf hadden gegeven, was een raadsel. Op de een of andere manier was hij ontsnapt. En voort ging hij. “En dan je vingers langs de zachte hals, als je de slagader steeds trager voelt pulseren. Je zou er nóg een keer van komen.” Hij opende zijn broek en spoot een lading sperma over de betonnen vloer. Van het verhaal alleen al –

Mijn handen gleden om haar hals. Ze opende nog éénmaal haar ogen. Pas toen leek ze te beseffen wat er gebeuren ging. “Haha, ze heeft geen adem genoeg meer om te schreeuwen. Haar ogen beginnen uit te puilen. Vooruit, nu kracht zetten.” Tegelijkertijd ramde ik mijn harde lul haar droge snee in en uit. Lekker was het niet. Ook dit was weer een caissière, die bijklust als hoer. Haar tieten hosten heen en weer op het ritme van mijn stoten.
Ineens hoorde ik een gil. Het was een bekend geluid. Ik brak het wijf haar nek, stond op en deed mijn broek dicht. Snel rende ik naar waar het vandaan kwam. Bovenaan de trap zag ik Kimberley.
“Johan! Wat doe jij hier?” gilde ze. “We moeten weg hier!”
“Kim! Ik kom je halen!” brulde ik, terwijl ik de trap op stormde. Ik zag hoe ze een kamer in werd getrokken. Bijna boven aan de trap zag ik een flits in mijn ooghoek. Daarna kreeg ik enorme hoofdpijn. Even was alles zwart. Ik wankelde en viel op de vloer van de overloop.
“Godverdomme,” kon ik zeggen. Ik deed mijn uiterste best om niet weg te zinken. Blijkbaar had ik een forse klap op mijn hoofd gekregen. Alsof ik door een slecht schoongemaakte bril keek zag ik een bekend gezicht. De pooier die ik zocht boog met een ouderwetse koekenpan in zijn hand over me heen. “Kut, Ahmed ook gevonden, zo te zien,” mompelde ik. Toen ging bij mij het licht uit.

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Het vuur ontketend (10)

Filed under: Publicaties voor FOK! - overig — bazbo @ 07:13

Het was vroeg in de ochtend toen ik thuiskwam. Ik kon het me allemaal niet meer zo goed voor de geest halen. Het leven was leuk, gezellig, aardig. Het ging z’n gangetje. Al een tijdje lang. En die pillen van tegenwoordig zijn toch heel wat anders dan die dingen die we vroeger konden stelen bij de apotheek. Muriël sliep nog steeds. Ik liep langs haar bed, ons bed. Ze lag er totaal uitgeteld bij, met haar benen wijd. Ik werd er niet geil van. Ik wilde haar nemen, maar niet omdat ik er geil van werd. “Ze is van mij,” mompelde ik. Toch deed ik niets. Even bleef ik kijken. Toen draaide ik me om.
Om maar iets te doen te hebben liep ik naar beneden. Halverwege de trap struikelde ik. Ik kon me nog net genoeg vastgrijpen om niet helemaal van de trap te donderen. In de keuken ging ik op zoek naar de koelkast. “Gek. Ik woon hier nu al een tijdje, maar ik kan nog steeds de koelkast niet vinden,” dacht ik. Ik weet niet meer of ik het hardop zei of niet. Het maakte me niks meer uit. “Mama is dood. Ik hoef niet meer op mijn woorden te passen,” zei ik tegen, ja tegen wie eigenlijk? Ik wist het niet meer. Het was al niet echt belangrijk, maar toen ik de fles whiskey zag staan kon het me al helemaal niks meer schelen. Het was lang geleden: drank en pillen. Na een flinke slok ging ik naar de woonkamer. Daar zakte ik op de bank in elkaar.

– maar ’s nachts als alles stil leek, kwam hij tot leven. Door de lange gangen hing de geur van het verderf dat hij zaaide. Kotsmisselijk werd je ervan. Penetrante ranzigheid, achterbaks geniep, hoe noem je het? Franco was nooit wie hij leek. Altijd weer verraste hij. Zijn onvoorspelbaarheid was levensgevaarlijk. Nooit met je rug naar hem toe. Hij greep zijn kans als je het niet verwachtte. En dat was het dan. Uit. Afgelopen. O, laat het nooit afgelopen zijn –

Ik had het gevoel dat ik bekeken werd. “Ik kan het voelen,” mompelde ik. Even hief ik mijn hoofd.
Muriël stond tegen de deuropening geleund naar me te kijken. “Wat zei je daar?” lachte ze wulps. Of speels. Het kon ook allebei zijn.
Ik kon haar niet helemaal scherp krijgen. Het was sowieso alsof ik door een slecht gewassen raam keek. Alles was een beetje wazig. “Zal wel door de pillen komen,” dacht ik.
Muriël kwam naar me toe waggelen. Ze plofte naast me op de bank en omhelsde me. “Hmm … lekkere gozer van me. Ik ben zo gek op je. Ik ben zo blij dat je weer bij me bent.”
“Samen is gezellig,” mompelde ik, terwijl ik de fles pakte.
“Aah ja, samen drinken. Net als vroeger.” Ze pakte de fles van me en nam er een grote slok uit. “Ik denk dat ik wakker van je werd. Waarom ben je aangekleed?” Ze praatte nog met dubbele tong.
“Volgens mij heb ik me helemaal niet uitgekleed gisterenavond.”
“Ik heb een goed idee.” Muriël zette de fles op tafel. Ging ze mij uitkleden? Had ik daar wel zin in? Vooruit, als ik haar maar niet in haar gezicht hoefde te kijken, wilde ik haar wel weer eens naaien. Ze pakte mijn handen terwijl ze ging staan. “Laten we eerst ontbijten, voor we weer dronken worden.”
“Hoezo ‘weer?'” mompelde ik tegen het walgelijke achterwerk van die rotte hoer. Zij draaide zich alleen maar om en ze knipoogde. Dat de klanten daar vroeger nog voor gingen. Nu was het allemaal anders; nu nám je gewoon een vrouw. Ik vond de wereld al raar, maar de laatste weken was die nog veel vreemder geworden. Uit de keuken hoorde ik Muriël zeggen dat het weekend langer duurde dan de week, of iets van die strekking. “Het zal allemaal wel. Ik snap er al lang niks meer van,” dacht ik nog. Muriël kwam de kamer weer binnen lopen.
“Oeh, kijk eens wat voor lekkers ik vond in de keuken.” Ze droeg een blad met borden. Ik rook de geur van koffie. Het was een behoorlijk uitgebreid ontbijt geworden.
“Ik ben waarschijnlijk even buiten bewustzijn geweest door de pillen,” dacht ik. “Ziet er goed uit,” zei ik. Ik merkte dat ik honger had en kon een bak koffie wel gebruiken. “Ik kan wel een bak koffie gebruiken.”
“Oh, schatje.” Muriël keek me verliefd aan. “Het wordt allemaal weer net als vroeger.”
Ik begon te eten en het smaakte goed. Toen Muriël nieuwe koffie ging zetten, verdween ik even naar het toilet. Ik had nog een paar pillen bewaard en gooide er twee naar binnen. Het waren dezelfde die ik vanmorgen had genomen, dus zou ik er waarschijnlijk alleen behoorlijk slaperig van worden. Voor de rest zou de whiskey wel zorgen. Tussen de koffie door dronken we die tijdens ons ontbijtje ‘straight from the bottle’ op. Ik iets meer dan Muriël, maar die had nogal wat alcohol in haar bloed van gisteren.

– werd hij wakker. Naast hem lag een meisje. Ze was van schoolgaande leeftijd, een jaar of veertien, vijftien. Hij kende haar wel, zeker wel. Hij wist precies wie ze was, vertelde Franco. Ze sliep. En dat was fijn. Haar enige kleding was een verlopen, roze ochtendjas met een soort pluizige zoom en veren aan de zakken. Met zijn handen streelde hij haar knietjes. Ze bleef slapen. Franco deed zijn broek uit. Hij kroop op haar en begon langzaam te doen waar hij al tijden aan dacht als hij haar langs zag komen. Ze kreunde pas toen hij bij haar binnen stootte. Hij legde zijn hand op haar mond. Zijn duim drukte op haar keel. Wild beukte zijn bekken. Hij zag de paniekerige tranen en lachte. Toen –

Ik hoorde Muriël kreunen. Het was geen echte kreun, meer een soort gerommel uit haar binnenste. Ik voelde haar trillen onder me. Toen zag ik mijn handen om haar keel en de aderen in haar voorhoofd. Ik liet haar los. Ze ademde met veel moeite. Mijn erectie verslapte. “Ik, och, Muriël, ik … ” Half wilde ik deze schande uitwissen of ongedaan maken. Half wilde ik dat ze stopte met ademen zodat ik niet, nooit meer in de verleiding zou komen om dit af te maken. Om háár af te maken. Even schrok ik van de gedachte. “Rare pillen,” mompelde ik.
Muriël keek me aan met een blik die ik kende, maar niet goed snapte.
“Sorry,” zei ik.
“Het geeft niet, Johan,” zei ze zachtjes.
“Ben je niet boos?” vroeg ik. Dat ze niet boos op me was, maakte me vreselijk kwaad. Veel tijd voor mijn woede kreeg ik niet. Het leek wel of ze weer wat bij haar positieven was. Wat kregen we nu? Voelde ik dat goed? Ja hoor, ik voelde het goed. Ze duwde haar heupen omhoog en keek me geil en gewillig aan. Ik had haar keel zó hard dicht gedrukt dat ze moeilijk kon praten, maar haar blik zei genoeg. “Verneder me. Laat me weten dat je de baas bent,” leek ze te zeggen. Geen schijntje woede, geen tegenwerking. In plaats daarvan totale overgave, volledige onderwerping. Ik kon niet geloven dat dit kon. Ik wist niet dat Muriël zó veel op mijn moeder leek. Die had ook zo gekeken toen haar keel werd dichtgeknepen. Plots werd ik bang. Dat kón ik niet weten, en toch zag ik het heel duidelijk voor me. Ze smeekte niet om genade. Muriël maakte het alleen maar erger door me te verleiden. Ze pakte mijn half opgerichte orgaan en duwde ons in elkaar. Haar heupen deden het werk, terwijl ik als versteend probeerde vat te krijgen op de storm die in mijn hoofd was opgestoken.

– hemd plakte aan mijn lijf. De gedachte aan wat Franco uitspookte, deed de adrenaline door mijn aderen gieren. Over zijn duistere daden hing een zweem van uitnodigende spanning. Die vunzigheid, daar moest ik gewoon meer van weten. De nieuwsgierigheid greep me bij de keel. Hier was geen ontkomen meer aan. Ik moest het weten. Alles op alles; niets. En dan die verstikkende greep. Slaap vatten is onmogelijk. Alle verlangen naar veiligheid maakt plaats voor koude overlevingsdrang. Bloed pulseert door aderen. Hoogspanning. Het hart bonkt in de keel. Nog wel. Een waas voor de ogen. Ontheemd. Zo machteloos, alle hoop gezonken. De ranzigheid van –

“Smerige slet,” dacht ik, of zei ik het hardop? Ik weet het niet meer. “Hoe kun je dit doen terwijl ik je aan het bevrijden was?” Ze leek het niet te horen. Ik legde mijn handen op haar gezicht om haar niet te hoeven zien. Ze gleden als vanzelf weer naar beneden. Toen besloot ik te knijpen. Ze had het verdiend. Elke stoot met mijn lendenen kneep ik harder. En langzamerhand begon Muriël ongecontroleerder te bewegen. Ik keek haar aan en de blik in haar ogen veranderde niet. Ik kneep en stootte, tot ik een flits van angst in haar ogen zag, tot ik voor de laatste keer in haar kwam. Haar slappe lichaam lag onder me en haar ogen waren dof. Behalve de lichte trillingen van de lichamelijke inspanning en het zweet op mijn rug voelde ik niks.

– “Het begint ergens op te lijken, ouwe peer.” De woorden van Franco konden soms snijden. Snijden als een fileermes in het zachte vlees van –

De deurbel ging. Ik stond op en trok mijn broek omhoog. Terwijl ik naar de hal liep, ritste ik de gulp dicht. De bel ging nogmaals. Ik opende de deur. Daar stonden twee mannen.
“Goedendag,” zei de ene. Hij hield een mapje omhoog met daarin een pasje met zijn foto erop, alsof hij in een slechte politiefilm speelde. “We zijn bezig met het onderzoek naar de dood van twee medewerksters van de supermarkt.”
“Daar heb ik van gehoord.”
“We zijn op zoek naar ene Johan Huiskamp.”
“Dat ben ik.”

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 

Het vuur ontketend (9)

Filed under: Publicaties voor FOK! - overig — bazbo @ 07:12

Een paar weken later was Muriël al helemaal gewend aan haar nieuwe leven als schoonmaakster in de kliniek. Elke avond kwam ze met een nieuw leuk verhaal thuis. Zoals ze tevreden haar uniform ophing aan het haakje naast de deur, zorgvuldig haar sleutels in het kastje legde zodat ze ’s ochtends vroeg de kliniek binnen kon komen en begon aan haar huislijke taken; het was voor mij bijna alsof we een normaal leven hadden. Kimberley ging weer elke dag naar school en leek ook daar wat meer plezier te hebben.
Muriël kreeg haar salaris en om te vieren dat alles goed was afgelopen, gingen we naar de kroeg. Kimberley had op school wat nieuwe vrienden gemaakt en was op een slaapfeestje bij een van de meisjes. Onder keurig ouderlijk toezicht.

We liepen ‘De Lamme Goedzak’ binnen. De deur klemde als vanouds en Rein knikte naar ons toen we een tafeltje pakten. Het was iets drukker dan gebruikelijk, dus hij had niet echt tijd voor een praatje. Toen hij onze biertje kwam brengen zei hij alleen: “Muriël, het komt allemaal goed. Dat baantje is je op het lijf geschreven.”
“Bedankt Rein, je bent een topgozer!”

– gekropen. ‘En jij bent een vuile hoer!’ riep Franco. Waarom hygiënisch te werk gaan? Het is overbodig. Het is ook zo zinloos, vond hij. Werk voor de politie en de gewone man lag er niet wakker van. Een dode hoer meer of minder. Het enige belangrijke moment in het leven van zo’n vrouw was het laatste moment. Als hij haar verloste door een mes in haar smerige vlees te steken. Overdag voor een rotloontje achter de kassa, en ’s nachts op straat op haar knieën. Franco vond het mooi om te zien. Die laatste blik, die walging en de dood. (Ik rilde.) De stank –

We zetten het gezamenlijk op een drinken. Het werd later en leger in de kroeg. Rein had wat tijd voor ons, dus we gingen aan de bar zitten. Ver na sluitingstijd kon ik Muriël van de bar dragen. Ze was toeterzat en ik kreeg een veelbetekenende knipoog van Rein toen we naar huis gingen. “Alsof ik moeite hoef te doen om haar te neuken,” dacht ik nog. Ik had echter andere plannen.
Thuis legde ik haar op bed. Ze viel vrijwel onmiddellijk in slaap. Ik hoefde niet eens zachtjes te doen nu Muriël zo in coma lag. De drank had op mij niet zo veel effect. Ik pakte de sleutels uit de la en ging op de fiets naar de kliniek. De praatgrage Muriël had me alles fijntjes uit de doeken gedaan.

Toen ik de deur open had, kreeg ik het alarm makkelijk uit. Al snel vond ik de pillen die ik zocht. Ze zaten in plastic zakjes. Ik propte er flink wat in de tas die ik bij me had. Eén zakje stopte ik in mijn jaszak. Camera’s waren nergens te bekennen. En al waren ze er wel, dan herkende niemand me met een pet en bivakmuts op. Alles bij elkaar was ik nog geen tien minuten binnen geweest.

“Mooie vangst,” zei Ahmed. Hij leunde achterover. Er brandde niet veel licht in het huis. De klanten waren weg en de hoeren lagen te slapen. “Als je ooit nog eens geld nodig hebt, ben ik altijd bereid om meer van deze producten af te nemen.”
“Ik ben niet zo gek op dit soort praktijken,” zei ik. “Het zijn die kleine dingen die een man moet doen om te overleven. Liever houd ik me aan de wet, maar in dit geval is die wet te streng.”
“Ach Johan,” keek hij me spottend aan. “Wat doe je moeilijk om wat pilletjes? Jij moet toch weten hoe het is om in een duister kringetje te verkeren? Met die hoeren de hele tijd om je heen.”
Ik stond op en greep hem bij de keel. “Jij hebt hoeren van ze gemaakt,” siste ik in zijn gezicht. “Vroeg of laat krijg je daar spijt van.”
“Spijt? Laat me niet lachen, Johan. Als er iemand is die spijt zou moeten hebben, dan ben jij het. Maar je kunt me helpen.”
“Ik zou niet weten waarom ik jou zou helpen.” Ik liet hem los. Een vermoeden bekroop me.
“Ik weet toevallig wél waarom je mij gaat helpen.” Ahmed haalde een foto uit zijn zak. Hij gooide hem achteloos voor me op tafel. Het was Muriël, enkele jaren geleden. Ze was vastgebonden op een soort marteltafel. “Twee dingen,” zei Ahmed. “Ten eerste wil je vast niet dat je mooie leventje wordt verstoord door dit soort foto’s. Deze foto is het begin van een lange serie. Ik heb nog wat kopietjes liggen die ik graag zou verspreiden. Bijvoorbeeld bij haar nieuwe werkgever of op de school van haar dochter.”
“En ten tweede,” wist ik met moeite uit te brengen.
“Ik heb een zoon die tegen de politie wil verklaren dat jij die dealer achter het station hebt vermoord.”

– wil het niet zien. Vaak steek ik mijn vingers in mijn oren. Maar dan is er de doordringende lucht. Die kun je niet tegenhouden. De geur van angst druipt langs de binnenkant van mijn schedel mijn hele bestaan in. Niets aan te doen. Sommige mensen gaan al over hun nek van rotte eieren. De geur op zijn slaapkamer is vele malen erger. Ik kijk. Het zweet staat in zijn nek, op zijn voorhoofd, loopt zijn bilspleet in. Ik wil het niet weten. Maar ik ben er maar al te vaak vage getuige van. De vage contouren van stomende lichamen staan op mijn netvlies. De gedachte dat één van die lichamen daar niet vrijwillig ligt te stomen. Ik knijp mijn ogen dicht. Het helpt niet. Hij kreunt –

Een raar soort rust maakte zich van me meester. “Ik zou maar oppassen met die zoon van je,” zei ik. “Kimberley vertelde dingen waar de honden geen brood van lusten. Ze is pas veertien en die jongen heeft dingen met haar uitgehaald die ik nog niet eens bij die ouwe hoer durf.”
Ik liet hem los. Hij wankelde even op zijn benen.
“Wat zei je?” Zijn hoofd was rood. “Ik … wat?”
“Je hoorde me best. Ik zou als ik jou was ook maar eens aan je dochters gaan vragen of ze nog maagd …”
“Hou je gore bek!” viel hij me in de reden.
“Tarkan is een perverse smeerlap en ik weet één ding zeker. Dat ik weg was achter het station toen die dealer nog leefde. En jouw zoon was daar nog. Die was daar om Kimberley te verhoeren.”
Dat was de druppel. Ahmed duwde me de straat op. “Dat is iets tussen een vader en zijn zoon.” Hij draaide zich half om naar binnen maar kon zich niet goed meer inhouden. “Ik vermoord die kleine klootzak,” hoorde ik nog.

Ik ging er snel vandoor. Voorlopig zou ik geen last meer van ze hebben. Het was inmiddels begonnen te schemeren. Mijn tocht liep langs de supermarkt. Over een uurtje of twee moest ik er beginnen. Zo ver was het nog niet. Het was kil buiten en ik stak mijn handen in mijn jaszakken. In de rechterzak vond ik een zakje met pilletjes. Wat voor pillen het precies waren, wist ik helemaal niet. Ik maakte het zakje open en stak er eentje in mijn mond. Niet veel later was ik thuis. Daar lag een dronken Muriël op me te wachten. Ik kon wel een pijnstiller gebruiken.

– de kamer naast me hoor ik gestommel; op de gang is het stil. De deur is op slot. Hoe lang is het licht al uit? Door het kleine raampje komt licht. Stilte? Het gestommel is opgehouden. Een schreeuw! Dan is het weer even stil. De kreet is gesmoord. Ik knijp mijn ogen dicht. Als kind was ik bang voor het donker; nu verlang ik steeds meer naar voortdurende duisternis. Er klinkt zacht geluid. Iemand gaat weg. Ik leg mijn oor tegen de kale betonnen muur. Iemand kreunt. Dan hoor ik niets meer. Wacht, iemand zucht. De zucht uit de hel. Dan gaat het gekreun over in een gegorgel. Dan verstomt het. De hel gaat door. Metaal valt op de koude vloer. Het gehijg verandert in gegrom. Dan stokt het geluid. Minuten lang is er stilte. In de kamer naast me is alles afgelopen. Ik kan niet slapen. De hel is te dichtbij –

Even leek de rust weergekeerd. Het leven ging z’n gangetje. Lang duurde het niet. Het stond in alle kranten ook.
“In de plaatselijke supermarkt heeft een bloederig drama plaatsgevonden,” las Muriël voor bij het ontbijt. “De lichamen van twee caissières zijn gevonden in de koelcel. Beiden waren ontkleed en bij allebei was de keel doorgesneden. Op de lichamen zijn sporen van verkrachting en mishandeling aangetroffen. De politie heeft tot nu toe één aanhouding verricht. Verregaande details ontbreken nog, maar een anonieme bron wist te vermelden dat het hier een Marokkaanse medewerker van de supermarkt betreft.”

Hier lees je ‘m op FOK!.

• • •
 
« Vorige paginaVolgende pagina »